Straatnamen S

Schaarhout; Voor het eerste deelplan van ‘bestemmingsplan Paashoef’ werden in 1983 straatnamen voorgesteld die de herinnering in zich dragen van wat het landschap hier voorheen te bieden had. Schaarhout betekent hakhout. (GR 19-5-1983; 13-11-1986)

Scheidiuslaan; In 1813 werd het kasteel van Gemert door de Franse Domeinen verkocht aan de rijksontvanger Adriaan van Riemsdijk. Later kocht Van Riemsdijk daarbij ook de vroeger tot het kasteel behorende boerderijen en landerijen. Door erfopvolging kwam het kasteel achtereenvogens in handen van zijn dochter en later kleindochter, welke laatste trouwde met Everard Hugo Scheidius. Deze Scheidius stond in Gemert in hoog aanzien. Hij restaureerde het kasteel en legde het kasteelpark aan. Hij was de initiatiefnemer van de stichting van een boerencoöperatie ‘Ceres’ als afdeling van de Maatschappij van Landbouw, maar die zich tegen het eind van de negentiende eeuw in zijn geheel zou ‘bekennen’ tot afdeling van de door Gerlacus van den Elsen gestichte Noord-Brabantsche Christelijke Boerenbond [NCB]. Scheidius was ook raadslid in Gemert en in 1875 werd hij – als protestant – gevraagd voor het wethouderschap te Gemert. Dat evenwel moest hij vanwege tijdgebrek weigeren. Tijdgebrek en de geïsoleerde ligging van Gemert voor wat betreft zijn werk als rijksontvanger noopte hem in 1879 ook Gemert te verlaten. Op 21 februari 1881 verkocht Scheidius het kasteel aan de Jezuïeten van de Franse provincie Champagne. De naam Scheidius bleef in Gemert bekend vanwege diens aangehouden beschermheerschap van het St. Jorisgilde, terwijl hij en later zijn erfgenamen (Van Harinxma-thoe Slooten Scheidius), tot na de Tweede Wereldoorlog ook eigenaars en pachtheren bleven van 20 boerderijen in Gemert. (GR 2-3-1953; 29-3-1990) 

Scheiweg; Een vanouds voor deze weg bestaande naam, met als waarschijnlijke achtergrond dat deze weg de afscheiding vormde tussen bosgebied en in cultuur gebrachte grond. (GR 22-7-1967)

Schietspoel; Vanuit de Weversstraat liep van oudsher een verbindingspaadje achterlangs de percelen aan de Molenstraat over de Molenakker. Alle aangrenzende percelen waren hierop ook ‘geweegd’. De aanleg van een doorsteek van Grootmeestersstraat naar Molenstraat die de naam ‘Rentmeestersstraat’ zou gaan dragen, ging gepaard met een inbreidingsplan voor woningbouw tussen Molenstraat-Cortenbachstraat-Grootmeestersstraat-Weversstraat. Het verbindingspaadje bleef gehandhaafd als bijzonder ‘binnendoortje’ en het kreeg de toepasselijke naam toebedeeld van ‘Schietspoel’. Een naam uit de textielnijverheid die bovendien past bij de nabijgelegen Weversstraat, Kanarieplaats en St.-Severusstraat. Wetenswaardig is dat de schietspoel – een heel belangrijke innovatie in de handweefnijverheid – in 1837 in Gemert voor het eerst voor heel Noordbrabant werd geïntroduceerd. Frederic Campbell zette daartoe een weefschool op in het kasteel en in een paar jaar tijd was heel de Meierij omgeschoold. Men kon veel sneller, kwalitatief veel beter, èn… dubbel zo breed weven. Tegelijk vonden nog een aantal innovaties plaats en één daarvan is bekend gebleven als die van ‘de Gemertse weeflaaj’ waarmee veel sneller van inslaggaren kon worden gewisseld door twee geladen schietspoelen in bakken boven elkaar te plaatsen. Het bekende Brabants Bont is in feite Gemerts Bont… (BW 22.7.2008)

Schild; Een naam die in Gemert al bekend is in de middeleeuwen voor wat we nu kennen als Stereind e.o., maar welke naam in de loop van de zeventiende eeuw in onbruik raakt. Bij het verwezenlijken van ‘Plan Schoorswinkel’ met woningbouw tussen Heuvelse Pad, Heuvel en Dr. Kuijperstraat kon de oude naam ‘Schild’ enigszins opgeschoven in zuidwestelijke richting toch weer terugkomen. (GR 25-4-1991)

Schoolstraat; Vanaf de stichting van de Latijnse School in Gemert (1587) is de naam ‘Schoolstraat’ in Gemert bekend, maar met de invoering in 1931 van de straatnaam Ruijschenberghstraat – genoemd naar de stichter van diezelfde Latijnse School – wordt tegelijk de Schoolstraat beperkt tot de straat waaraan slechts de oude Komschool ligt met enige huizen en de hoofdingang van Textielfabriek Johan van de Acker. Zie ook onder: Ruijschenberghstraat. De Schoolstraat die aanvankelijk vanuit de Ruijschenberghstraat doorliep tot kerk en kerkhof wordt door de aanleg van de Komweg voor een deel geamputeerd. (GR 28-10-1931; 29-3-1990)

Schoor; Voor het eerste deelplan van ‘bestemmingsplan Paashoef’ werden in 1983 straatnamen voorgesteld die de herinnering in zich dragen van wat het landschap hier voorheen te bieden had. ‘Schoor’ in de betekenis van een korte (brug)verbinding is één van die namen. Zoals ook ‘Vonder’ wat op Paashoef parallel loopt aan ‘Schoor’. (GR 21-4-1988)

Schoorswinkel; Een heel oud Gemerts toponiem. Zo wordt de ‘Goirswynckelse Padt’ al in middeleeuwse schepenakten genoemd als belending van percelen. Uit reconstructies kan men opmaken dat genoemde pad vrijwel exact hetzelfde tracé betreft als wat we nu kennen als de Heuvelse Pad, en het Hopveld in het verlengde daarvan. Getuigenis leggen daarvan ook af twee kostelijke kaarten uit 1702 en 1703 waarin behalve de ‘Goorswinkelse Padt’ en de te onderscheiden percelen (met namen van eigenaars!) zijn ingetekend maar ook alle aan het Binderseind en Stereind gelegen panden. In de loop van de eeuwen ontwikkelt zich uit ‘Goirswynckel’ via ’s-Goorswinkel’ de naam zoals we die nu vanaf de 19de en 20ste eeuw schrijven als ‘Schoorswinkel’. Voor de naamsbetekenis vallen we terug op de twee bestanddelen waaruit de naam bestaat ‘goor’ en ‘winkel’, die respectievelijk staan voor ‘gras- en broekland’ en ‘hoek’. Medio jaren zeventig van de twintigste eeuw worden grootscheepse bouwplannen voor dit hele gebied gepresenteerd onder de noemer ‘Plan Schoorswinkel’. Bezwaarschriften tegen de aantasting van een nagenoeg ongeschonden uit vroeger eeuwen bewaard gebleven dorpssilhouet aan de west- en zuidkant van Gemerts kasteel leidden ertoe dat de bezwaarschriften uiteindelijk door Raad van State gegrond werden verklaard en dat de bebouwing van ‘Schoorswinkel’ zich moest beperken tot het gebied tussen Hopveld en Heuvelsepad aan de ene kant en Binderseind-Stereind-Dr.Kuijperstraat-Heuvel aan de andere kant. Twee nieuwe straatnamen kwamen in dit gebied die allebei vertrouwd klonken: ‘Schild’ en ‘Schoorswinkel’. (GR 25-4-1991)

Schout Brouwersstraat; In de wijk ‘Berglaren’ werden straatnamen gehecht aan Gemertse ‘bestuurders’ uit het verleden. Een schout in Gemert was de eerste vertegenwoordiger van de landsheer in Gemert en is in feite het beste te beschouwen als de latere burgemeester. De schout was bovendien ook voorzitter van de rechtbank en in Gemert ging dat ook over leven of dood… In de achttiende eeuw zal de schout van Gemert zich voortaan bedienen van de titel ‘drossard’. Jozef Brouwers was aanvankelijk rentmeester van de Commanderij maar in 1647 wordt hij door landcommandeur Huyn van Geleen aangesteld als schout van Gemert. Hij verzette zich tegen de Staatse bezetting die in de loop van 1648 plaatsvond en weigerde zijn ambt op te geven terwijl vanuit Den Haag al een nieuwe schout was aangesteld. Na enige tijd werd hij gevangen genomen en opgesloten in de Gevangenpoort te Den Haag waar alle belangrijke staatsvijanden werden opgesloten. Na enige jaren gevangenschap werd hij vrijgelaten. Doodziek keerde hij in Gemert weer waar hij al na enige weken overleed. Zijn familie begon vanuit Brussel een proces tegen de Staten-Generaal in Den Haag. (GR 2-3-1953)

Schout Coxstraat; In de wijk ‘Berglaren’ werden straatnamen gehecht aan Gemertse ‘bestuurders’ uit het verleden. Een schout in Gemert was de eerste vertegenwoordiger van de landsheer in Gemert en is in feite het beste te beschouwen als de latere burgemeester. De schout was bovendien ook voorzitter van de rechtbank en in Gemert ging dat ook over leven of dood… In de achttiende eeuw zal de schout van Gemert zich voortaan bedienen van de titel ‘drossard’. Johan Ambrosius Cox stamde uit een rentmeestersfamilie van Alden Biesen. Hij werd in 1672 aangesteld als schout van Gemert en bleef dat tot zijn overlijden op ‘dienstreis’ in ’s-Gravenhage op 31 juli 1692. De schout was gehuwd met Jonkvrouw Anna Catharina van Weddinghen en het echtpaar bezat in Gemert uitgebreide bezittingen, waaronder Keizerbosch, hoeve de Wouw, Hazelbosch in De Mortel en De Poort op de Heuvel. Hun in Gemert geboren zoon Willem Cox werd president van het Duitse Ordecollege te Leuven en grootpastoor en commandeur te Luik. De broer van de Gemertse schout was raadsheer van de landcommandeur van Alde-Biezen en diens zoon Godefridus Cox kwam naar Gemert als gemeentesecretaris en tegelijk rentmeester van de commandeur. (GR 2-3-1953)

Schout de Visscherestraat; In de wijk ‘Berglaren’ werden straatnamen gehecht aan Gemertse ‘bestuurders’ uit het verleden. Een schout in Gemert was de eerste vertegenwoordiger van de landsheer in Gemert en is in feite het beste te beschouwen als de latere burgemeester. De schout was bovendien ook voorzitter van de rechtbank en in Gemert ging dat ook over leven of dood… In de achttiende eeuw zal de schout van Gemert zich voortaan bedienen van de titel ‘drossard’. Meester Otto Theodor de Visschere, jurist, is misschien wel de meest legendarische schout van de hele regio. Hij werd geboren in 1612 en huwde met de Helmondse Sophia Jansdochter Coenen. In 1645 was hij schout te Deurne, maar in 1651 moest hij aftreden wegens zijn katholieke geloof. In Deurne moet hij toen een herberg zijn begonnen ‘Die Verkeerde Weerelt’ met een uithangbord waarop de wereld ondersteboven was afgebeeld. Mr. A. Roothaert schrijft kort voor de oorlog een streekroman met die herbergtitel en Otto Theodor de Visschere is daarin de grote held. In 1939 beleeft het al zijn 18de druk. Hoe het ook zij, De Visschere is al vanaf het moment dat Gemert in 1648 door Staatse troepen wordt bezet dienstbaar voor de Duitse Orde. En dat blijft zo gedurende het 14 jaar durende soevereiniteitsproces met de Staten-Generaal. Hij is de rechterhand van commandeur van Virmundt. In 1662 meteen na het accoord met Den Haag wordt De Visschere aangesteld als schout van Gemert. Hij bemiddelde onder meer over de terugkeer van de predikheren naar Gemert. Maar dat was tevergeefs. Hij stierf in 1672. Zijn schoonzoon Hendrik Verpoorten wordt later president-schepen van Gemert (GR 2-3-1953). Deze straatnaam werd ten gevolge van in september 2002 ingevoerde inkortingsregels ´deerlijk´ verminkt. Wijlen Luc Deimann protesteerde als volgt: ‘de lengte van deze straatnaam bedraagt 25 posities. Volgens NEN-norm 5825, versie september 2002, mogen betrokken partijen kiezen voor een maximum van 24 posities. Volgens de inkortingsregels van dezelfde norm, versie december 1991, ziet de ingekorte naam er uit als: Schout de Visscherestr. Volgens de inkortingsregels, versie september 2002, ziet de ingekorte naam er uit als: Sch de Visscherestraat. Deze website vindt dit een verslechtering, die hopelijk zal worden gecorrigeerd.’

Schutsveld; In de directe omgeving van deze straatnaam lag een perceel dat eigendom was van één van de Gemertse gilden. De naam Schutsveld werd ook ingegeven door het nabijgelegen Heijtsveld. (GR 10-1-1985)

Schuurkerkweg (Esdonk); Vervallen straatnaam in het gehucht Esdonk. De naam moest herinneren aan de periode van de Staatse overheersing van Gemert (1648-1662) toen Gemert ‘kerkte’ in een schuurkerk op Boekels grondgebied waarheen deze weg leidde. De naam werd ingevoerd in 1967 maar ging op in ‘Esdonk’ in 1988. Zie: Esdonk

Secretaris Aeldersstraat; In de wijk ‘Berglaren’ en in navolging daarvan in de wijk ‘Oliekelder’ werden straatnamen gehecht aan Gemertse ‘bestuurders’ uit het verleden. Jan Francis Aelders was gemeentesecretaris van 1797 tot zijn dood in 1837. Hij was Gemertenaar van geboorte, zoon van chirurgijn Theodor Aelders, hij studeerde aan de Latijnse School en aan de universiteit van Leuven. Van 1 januari 1812 tot 1837 is hij behalve secretaris ook werkzaam als notaris van Gemert. Mgr. A. Pluijm, een oud-student van de Latijnse School heeft het in zijn herinneringen (gepubliceerd in De Katholiek van 1874, blz.365), over “de deftige notaris Aelders, de gemeentesecretaris, met zijn schat van stadhuiswoorden.” Het complete notarieel archief van Jan Francis Aelders is bewaard in het gemeentearchief Gemert-Bakel. (GR 29-7-1960)

Serisweg; Deze weg is genoemd naar het oud maar aldoor bekend gebleven Gemerts toponiem daar ter plaatse, de Seris, dat al voorkomt in middeleeuwse schepenprotocollen (1482: ‘de Serysbeemden aen de Aa’). [bron: Peter van den Elsen, Geschiedenis van een kapelgehucht: Esdonk, Gemert 1981] (GR 24-1-1974)

Sester; Een straatnaam in de “oude-maten-buurt”. Begin 1989 koos de gemeenteraad voor het thema ‘oude maten’ bij het vaststellen van nieuwe straatnamen voor het Plan Paashoef-Zuid. De ‘sester’ is een oude maat zowel voor inhoud als oppervlakte. Het woord is afgeleid van het Franse “sestier”. Als inhoudsmaat bevat de sester 1/4 hectoliter. De maat werd oorspronkelijk alleen gebezigd bij het afmeten van olie. De sester of voluit sesterzaad, werd van lieverlede ook gebruikt om aan te geven hoeveel ‘maatjes’ van een kwart hectoliter er nodig waren om een bepaald stuk land te bezaaien. De sester als oppervlaktemaat werd met name gebruikt voor akkerland waar men koolzaad en lijnzaad (vlas) wenste te zaaien. Gewassen bijgevolg waaruit olie kon worden gewonnen. Zie ook bij: Bunder, Domein, Kopse, Lopense, Morgen, Mudde, Sille, Vadem. [bron: Ad Otten, Oude Landmaten in Gemert, in: Gemerts Heem 1989 nr.2 blz. 33-45] (GR 29-6-1989; 9-11-1989)

Sijpseweg (De Mortel) (Elsendorp); De weg leidt naar en langs het landgoed De Sijp. Dit betrekkelijk jonge landgoed dat dateert uit de tijd van de grote ontginningen in de Peel sedert het begin van de twintigste eeuw, ontleent haar naam aan een heel oude naam voor de Peelse Loop, die een eindweegs ten zuidwesten van het landgoed haar oorsprong vindt. In de oorkonde van 1434 waarmee de Vrije Heerlijkheid Gemert definitief de Gemertse Peel verwerft, wordt de Peelse Loop namelijk aangeduid als “die Zijpe”. Op het laatst van de bezettingsperiode in de Tweede Wereldoorlog leggen de Duitsers op ‘De Sijp’ een oorlogsvliegveld aan, dat echter nauwelijks door de bezetters nog gebruikt is kunnen worden. De vliegstrip is in oktober 1944 wel gebruikt door een Canadese eenheid. (GR 27-7-1967; 24-1-1974)

Sille; Een straatnaam in de “oude-maten-buurt”. Begin 1989 koos de gemeenteraad voor het thema ‘oude maten’ bij het vaststellen van nieuwe straatnamen voor het Plan Paashoef-Zuid. De benaming ‘sil(le)’ moet zijn voortgekomen uit het oud-saksische woord ‘syl’ of ‘sul’ voor ploeg. Als oppervlaktemaat moet de oorspronkelijke betekenis van ‘sille’ de maat zijn geweest voor een stuk grond dat men in één dag met een ploeg kon bewerken. Hoe het ook zij, de sille is een vlaktemaat die al heel vroeg in Gemertse archivalia opduikt. Ook in de zeventiende eeuw komt deze maataanduiding nog voor.Zie ook bij: Bunder, Domein, Kopse, Lopense, Morgen, Mudde, Sille, Vadem. [bron: Ad Otten, Oude Landmaten in Gemert, in: Gemerts Heem 1989 nr.2 blz. 33-45] (GR 29-6-1989; 9-11-1989)

Sint Jansbloem; In het plan “Doonheide” werd gekozen voor het geven van Gemertse en/of Brabantse namen van bloemen en kruiden. Sint Jansbloem is er één van. In het Gemerts dialect: sint jaanzbloem. De bloem is ook bekend als ‘margriet’. Familie der composieten (Leucanthemum vulgare Lamk.), witte bloemen met een geel hart, doorsnede wel 3,5 cm, soms nog groter; onderste bladeren als madeliefjesbladeren en gesteeld, de bovenste ongesteeld; in grasland; bloei: mei-oktober; (het feest van Sint Jan de Doper wordt gevierd op 24 juni) (GR 7-7-1999; 22-5-2002)

 Sint Joris en Sint Tunnisgang; De gang tussen gemeentehuis en Brasserie De Keizer is in 2006 de naam gegeven van ‘Sint Joris en Sint Tunnisgang’. Sint Joris en Sint Tunnis zijn de patroons van de Gemertse schutsgilden, de ‘rooi’ en de ‘gruun’. De panden aan weerszijden van de gang hebben iets met deze beide gilden. Het ontstaan daarvan voert terug tot de middeleeuwen. Op de plaats van het gemeentehuis was al in de eerste helft van de zestiende eeuw herberg “In Sint Joris” bekend, daar had toen ook de ‘rooi skut’ haren ‘thuis’. En buurman De Keizer is al sedert circa 1920 het stamhuis van het Gilde van St. Antonis en St. Sebastiaan. [bronnen: Peter Lathouwers en Peter van den Elsen, Dor hedde de skut, Gemert 1982; Ad Otten, Het uithangbord van Sint Joris, in: Gemerts Heem 1980 nr.4] (BW 17.1.2006; 22.10.2008)

Slenk; Voor het eerste deelplan van ‘bestemmingsplan Paashoef’ werden in 1983 straatnamen voorgesteld die de herinnering in zich droegen van wat het landschap hier voorheen te bieden had. Daarop is vervolgens voortgeborduurd, ook met namen genoemd naar geologische kenmerken. Als voorbeelden daarvan kunnen dienen de door Paashoef lopende ‘hoofdstraten’ Horst, Wijst, en Slenk. [Jan Timmers, De Wijst, in Gemerts Heem 1986, nr.1] (GR 21-4-1988; 29-2-1996)

Sleutelbosch; Deze naam, toen veelal geschreven als ‘Slotelbosch’, is al bekend in de middeleeuwen. De naam moet zijn ontleend aan een vroeger bos van sleutelbomen. De sleutelboom is de oude naam voor esdoorn. Het is bepaald curieus dat de autochtone Gemertenaar het van oudsher heeft over “de Sleutelbosch” in plaats van over “het Sleutelbosch”. De verklaring daarvoor vindt men in het gegeven dat een dikke honderd jaar geleden het zelfstandig naamwoord “bosch” in onze contreien nog een mannelijk in plaats van een onzijdig zelfstandig naamwoord was. Wie dat niet wil geloven moet het in 1902 uitgegeven derde deel van het Woordenboek der Nederlandsche Taal er maar eens op na slaan. Bij het onzijdig zelfstandig naamwoord ‘bosch’ wordt daar aangetekend: “Voorheen, en in Zuid-Nederland nog thans, ook mannelijk.”  [bron: Ad Otten, De Wolfsbosch, de Keizerbosch en de Sleutelbosch, in: Gemerts Heem 1996 nr.1, blz.28-30] (GR 27-7-1967; 24-1-1974)

Soikerijgang; Genoemd naar een vroegere toegang tot één van de grootste soikerij (=cichoreibranderij)fabriekjes van het negentiende-eeuwse Gemert. Soikerij was Gemertse surrogaatkoffie. Zowel de burgemeester (Haest), een wethouder (Leijten) als een medisch doctor (Douve) waren in het verleden soikerijfabrikanten. De ‘soikerijteulers’ zijn ook in de volksmond bekend gebleven. Tot omstreeks 1990 bestond er nog een carnavalsvereniging onder die naam. [bron: Giel van Hooff, Gímmertse koffie ofwel Gemerts’cichoreifabrieken, in: Gemerts Heem 1981 nr.1] (BW 2006; 22-10-2008)

Sparrenweg; Naam voor de verbindingsweg tussen Rooije-Hoefsedijk en Scheiweg. De naam heeft betrekking op het naaldhoutgewas ‘spar’ (geslacht picea der coniferen). In de omgeving van deze weg komt aanplant voor van kerstden, hetgeen als een onjuiste benaming moet worden beschouwd voor de picea excelsa. [bron: tuinarchitect Helmond, 1967] (GR 27-7-1967)

Sportlaan; Laan die voert naar en over het gemeentelijk sportpark Molenbroek. (GR 27-7-1967; 24-1-1974; 14-11-1985)

Sprenksteeg (De Mortel); Genoemd naar buurtschap De Sprenk in zeventiende eeuwse akten geschreven als “Sprinck”, in welks verlengde – na een stukje ‘Abtshof’, ‘de steeg’ ligt. De naam Sprenksteeg komt voor op topografische en kadastrale kaarten uit de vorige eeuw, maar er zijn zelfs al middeleeuwse vermeldingen van. ‘Spreng’ blijkt hier alleszins een synoniem van ‘wijst’ en dat ook hier de naam refereert aan de kwel van water is duidelijk. Bij een nauwkeurige inventarisatie van namen komt men tot de conclusie dat men langs de Peelrandbreuk ten zuiden van De Mortel spreekt van ‘spreng’ of ‘spring’, wat ten noorden daarvan wordt aangeduid als ‘wijst’. De (Sprenkstraat en de) Sprenksteeg ‘wijzen’,   bovendien in de richting van de plaats waar het beekje ‘De Rips’ ontspringt. En dat is niet toevallig. [bron: Jan Timmers, Cultuurhistorische aspecten van wijstgronden, in: Gemerts Heem 2003 nr.3, blz. 23-29] (GR 27-7-1967; 13-11-1986) 

Sprenkstraat (De Mortel); Zie Sprenksteeg. (GR 1-3-1956)

St.-Annastraat; Tot 28 augustus 1947 maakte, wat we nu kennen als St.-Annastraat, deel uit van de Molenstraat. In hetzelfde tijdsbestek werd tegenover De Eendracht door de buurtschap het nieuw kèske gebouwd van St. Anna. (GR 28-8-1947; 27-7-1967)

St.-Antoniusstraat (De Mortel); Samen met de Oude-Molenweg is het “de straot” van De Mortel. De straat waaraan ook de kerk ligt is genoemd naar de patroonheilige van de parochie. Al in 1638 stond hier een heiligenhuiske van Antonius, dat zou zijn opgericht na de hevige pestepidemie van 1636. Rond dit heiligenhuiske zou het volgens de overlevering flink gespookt hebben. Vaak werd er een wit verken gezien… Eind zeventiende eeuw werd van het heiligenhuiske een echte kapel gemaakt, die ook de bediening kreeg van een geestelijke. Een rector die nota bene door het gemeentebestuur werd benoemd. De kapel werd in 1848 gesloopt om plaats te maken voor een echte kerk. In 1861 werd De Mortel een zelfstandige parochie. En in de jaren 1903/1904 verrees de huidige Antoniuskerk. Heel even heeft De Mortel toen twee Antoniuskerken gehad. Naast elkaar met de pastorie daartussenin. In 1904 werd echter de oude kerk gesloopt. Op de plaats daarvan ligt nu het kerkhof van de St. Antoniusparochie. (GR 1-3-1956; 27-7-1967)

St.-Christoffelplein (Elsendorp); Zie hierna.

St.-Christoffelstraat (Elsendorp); Sint Christoffel is weliswaar niet de parochiepatroon van Elsendorp maar als patroon van reizigers kreeg hij in Elsendorp een warme belangstelling door het initiatief van rector Busscher in 1936 tot de oprichting van een ‘Broederschap voor Veilig Verkeer onder bescherming van St.Christoffel’. Rector Busscher was voordat hij in 1935 naar Elsendorp kwam, kapelaan te Maastricht en aldaar o.m. geestelijk adviseur van de handelsreizigersvereniging St.Christoffel. In zijn nieuwe parochie werd hij geconfronteerd met het feit dat niet alleen het eertse graf op het Elsendorpse kerkhof van een jong meisje was, dat door een verkeersongeval om het leven was gekomen, maar dat er daarna nog verschillende verkeersslachtoffers meer te betreuren waren geweest. Dat bracht hem op het idee van de Broederschap met een daaraan gekoppelde jaarlijkse zegening van auto’s en motoren. Natuurlijk had rector Busscher met eea ook een nevenbedoeling. Van de leden van de Broederschap verwachtte hij een financiële bijdrage voor het bouwfonds van een nieuwe kerk. In 1939 werd al een architect in de arm genomen maar de inval in mei 1940 van de Duitse troepen haalde een streep door de bouwplannen. Tijdens de oorlog maar ook de eerste jaren na de oorlog kon er geen sprake zijn van de verwezenlijking van een nieuwe kerk vanwege de grote schaarste aan bouwmaterialen. De broederschap voor Veilig Verkeer was in 1951 bij het vertrek van rector Busscher uit Elsendorp inmiddels aangegroeid tot bijna 3.000 leden en zij leverden een wezenlijke bijdrage tot de financiering van een nieuw te bouwen kerk. Pas in 1958 kreeg het Elsendorpse rectoraat van St.Jan Evangelist, daarvoor van het rijk eindelijk ‘bouwvolume’ toegewezen. In 1959 werd de eerste steen gelegd en in 1960 werd de nieuwe kerk ingewijd. De parochianen hadden daartoe ook een flinke duit in het zakje gedaan, maar zij vonden desalniettemin dat hun kerkgebouw mede toebehoorde aan de leden van de Broederschap van St.Christoffel. Nadat de straat langs de geplande nieuwe kerk, die al jaren bekend stond als ‘Christoffelweg’, in 1955 werd voorzien van een ingewalste puinverharding met een slijtlaag van grint kreeg de ‘weg’ in 1956 officieel de naam St.-Christoffelstraat. Na het gereedkomen van de kerk werd ook het plein vóór de kerk naar St.-Christoffel genoemd (St.-Christoffelplein). Op 15 april 1961 werd het 25-jarig feest gevierd van de broederschap voor Veilig Verkeer. Er werd een St.Christoffel Sterrit naar Elsendorp georganiseerd voor auto’s, motoren, scooters en bromfietsen. In de jaren die volgden zou het ledental van de broederschap nog flink in aantal groeien. [bron: Sjang Hoeymakers, Het Gouden Dorp, 1976] (GR 1-3-1956; 27-7-1967; BW 2006)

St.-Gerardusplein; Het plein voor de kerk van St.-Gerardus Majella, die op 28 april 1959 door mgr. Mutsaerts, bisschop van ‘s-Hertogenbosch, werd geconsacreerd. Het plein maakt architectonisch één geheel uit met de (tempel)kerk. [bron: Ton Thelen, De Sint Gerardus-Majellakerk, in: Gemerts Heem 2007 nr.2, blz. 49-63] (GR 29-7-1960; 27-7-1967)

St.-Jansstraat (Elsendorp); straatnaam genoemd naar de parochiepatroon van Elsendorp St. Jan Evangelist (GR 27-7-1967) uitbreiding van de straatnaam in 2005 (BW 20-7-2005)

St.Josephstraat; Aan deze straatnaam ligt voor zover bekend voor het eerst in Gemert een raadsbesluit ten grondslag. Alle tot dan toe gehanteerde straatnamen lijken geleidelijk te zijn ontstaan door overlevering in de volksmond. Het is pastoor Poell, namens de R.K. Bouwvereniging “Uit Noodzaak” die het gemeentebestuur om de straatnaam verzoekt. Hij wijst daarbij op een rondzendbrief van Paus Benedictus XV waarin de verering van St. Jozef wordt aanbevolen en op het door de bouwvereniging gestichte complex van twaalf werkmanswoningen aan de Oudestraat en de onbenaamde zandstraat die in de volksmond wel eens wordt aangeduid als ‘Poortsestraat’. Poell is in oktober 1918 met aan zijn zijde de door zijn toedoen ook opgerichte RK Werkliedenvereniging St.Jozeph, de initiatiefnemer van de eerste sociale woningbouwcorporatie in Gemert. In november 1920 werd aan de Oudestraat de eerste steen gelegd, in mei 1921 werden de woningen betrokken, en op zaterdag voor Pinksteren werd het eerste sociale woningcomplex plechtig ingezegend met de wijding van het St.Jozefbeeld in de muurnis van het pand op de hoek van Oudestraat en de, twee maanden tevoren officieel bij raadsbesluit bekrachtigde, Sint Jozephstraat. In 1931 wordt de spelling van de straatnaam gewijzigd in St.-Josephstraat. [bron: Ad Otten, Sociale woningbouw 1900-1960, in: Gemerts Heem 2007 nr.2] (GR 16-3-1921; 28-10-1931; 27-7-1967)

St.-Luciastraat (De Mortel); Straat genoemd naar de tweede patroonheilige van de parochie De Mortel. Ook de plaatselijke fanfare draagt die naam. De maagdelijk en kuis geleefd hebbende Lucia stierf omstreeks het jaar 305 tijdens een vervolging op Sicilië de marteldood. (GR 27-7-1967)

St.-Magdalenaweg (Esdonk) (Handel); Deze straat voert van de Boekelseweg naar de Maria Magdalenakapel op Esdonk. De oudste vermelding van een toen nog lemen heilighuiske van ‘Maria Magdalena’ op Esdonk dateert van 1562. In 1695 werd het vervangen door de stenen kapel. ‘t Ezzings kapelleke mag zich nog altijd verheugen in een grote populariteit onder de Gemertse bevolking. Over Maria Magdalena ontlenen wij uit één van de vele publicaties aan de kapel gewijd het navolgende:

“Maria uit Magdala, meestal Maria Magdalena genoemd, is de apostel der apostelen, zoals Augustinus zei, een van de markante vrouwenfiguren uit de christelijke overlevering. Ze heeft een leidende rol gespeeld in zowel de oorspronkelijke beweging rond Jezus als in de latere kerk- en kunsthistorische traditie. Na Maria, de moeder van God, is ze de bekendste vrouwenfiguur van het Nieuwe Testament en is als zodanig in woord en beeld steeds opnieuw behandeld. De verhalen zoals we die nu kennen over Maria Magdalena lijken in de loop der eeuwen ontstaan te zijn uit een samentrekking van verhalen over verschillende Maria’s. Ze wordt vereenzelvigd met de boetvaardige zondares, met de Egyptische Maria die in de woestijn leefde met haar begeleider Maximus en met de Samaritaanse vrouw die door Jezus werd bekeerd. Enkele historici noemen haar de vrouw van Papos ben Jehuda en een enkeling gaat zelfs nog verder door te veronderstellen dat ze de vrouw van Jezus was. De laatsten doen dit op grond van het gegeven dat de Joodse Talmud (heilige schrift) een rabbi verplicht om te trouwen en zo beweren zij verder, Maria Magdalena sprak Jezus na de wederopstanding toch aan met ‘Rabboeni’. Waarheid of verzinsels, wie zal het zeggen. Zeker is dat sinds de 9e eeuw de officiële feestdag van Maria Magdalena op 22 juli valt. Het mag geen wonder heten dat we in de Esdonkse Maria Magdalenakapel een Heilig Graf met het beeld van Onze-Lieve-Heer aantreffen. Maria Magdalena is namelijk onlosmakelijk met de wederopstanding van Christus verbonden en als eerste zoekt ze hem op bij het graf… (…)” [bron: Peter van den Elsen, Esdonkse Spijkerkapel, Esdonk 1995] (GR 27-7-1967; 17-10-1987)

St.-Michaëlstraat; Van oudsher is de aartsengel Michaël bekend als patroon van de Pandelaar. Halverwege deze straat bevindt zich in een boerderijgevel ook een keske met een beeld van Michaël die de draak verslaat. En toen in de jaren zestig van de twintigste eeuw pal langs de Pandelaarschool een wegverbinding werd gerealiseerd tussen Pandelaar en Deel, werd die nieuwe weg genoemd St.-Michaelstraat. In 2008 plaatste de Gemertse kunstenaar Frans Arts in opdracht van ‘Gemert Vrijstaat’ een heel bijzonder Michaëlbeeld in de nis boven de hoofdingang van de Pandelaarschool. Bij de onthulling werd door de heemkundekring onderstaande toelichting gegeven:

“Engelen bestaan niet en draken bestaan ook niet, maar toch weten we allemaal wat ze zijn en hoe ze eruitzien. Het zijn zinnebeelden en symboolbeelden voor respectievelijk goed (de engelen) en fout (draken en duivels). Over de hele wereld al duizend en meer jaren bekend bij heel veel volken en ook in verschillende godsdiensten. Officieel zijn er negen verschillende soorten engelen. Cherubijnen, serafijnen, tronen, vorsten, heerschappijen, krachten, machten, aartsengelen, en gewone engelen. En Sint-Michaël is de belangrijkste engel van allemaal. Hij is de aanvoerder van de aartsengelen. Hij heeft meestal een lans of een zwaard, soms ook een schild, een zwaard, of een helm, en natuurlijk altijd vleugels. Draken hebben allemaal een grote bek, flinke tanden en soms spuwen ze vuur, daar moet je echt bij uit de buurt blijven. Angstaanjagend als hij opeens dichtbij komt zoals in de Efteling bijvoorbeeld.

Meestal zien we beelden van Sint-Michaël die de draken of de duivels met een lans of speer doorboren, maar Frans Arts heeft voor het beeld in de gevel van Jenaplanschool ‘de Pandelaar’ een beeld gemaakt waar hij de draak alleen maar in bedwang houdt en hem niet doodt. Dat is heel mooi en ook heel symbolisch. Het verschil tussen goed en fout is dikwijls ook niet zo gemakkelijk. En je kunt toch ook genadig zijn. Dat ligt in elk geval in de Michaël van onze Pandelaarschool besloten. Michaël is duidelijk een beschermer. In de Pandelaarschool is het nu voorgoed veilig. Dat wil of wenst ook iedereen.”

(GR 29-7-1960; 27-7-1967)

St.-Severusstraat; Deze naam is ontleend aan de patroon der wevers, Sint Severus. Gemert is van oudsher een weversplaats. En nog elk jaar vieren de leden van het Gemerts Severusgilde zijn patroonfeest. Rond 1900 telde Gemert nog tien in verschillende cafés gevestigde weversgezelschappen en elk café had een beeld of een schilderij van de heilige in de gelagkamer. Nu – in 2011 – zijn er nog twee. Severus was zo’n 1700 jaar geleden wever in Ravenna. Hij had een gezin maar werd gekozen tot bisschop omdat er bij de in het openbaar gehouden bisschopsverkiezing een duif op zijn hoofd landde. Dat was voor iedereen een teken van de Heilige Geest. Na hevige discussies was juist in die tijd door de Kerk de Heilige Drieëenheid aanvaard, terwijl het bisdom Ravenna tot dan toe altijd aanhangers van het Arianisme tot bisschop had gekozen, die volstonden met het geloof in God de Vader en God de Zoon. Maar sinds het 1e Concilie van Nicea (325 n. Chr.) gold ‘niet geloven in de Heilige Geest’ voortaan als ketterij. In het tot dan toe arianistische Ravenna bepaalde dus de Heilige Geest zelf de keuze van de nieuwe bisschop. Severus de Wever, met de op zijn hoofd gelande duif was de uitverkorene. Bij de Gemertse wevers-gezelschappen kan elk jaar bij de Severusviering nog het verhaal beluisterd worden waarom die duif indertijd op het hoofd van Severus landde. Kort tevoren moet hij zo’n heftige ruzie met zijn vrouw hebben gehad dat die laatste een pan rijst op zijn hoofd ‘omkieperde’. En op rijst waren duiven verzot! Gemert als weversplaats komt ook tot uiting in de nabijgelegen straatnamen Weversstraat, Kanarieplaats en Schietspoel. [bron: Sint Severus en de duif, in: Gemerts Heem 2010 nr.1] (GR 1-3-1956; 27-7-1967; 21-1-1993)

Standerdmolen; Voor het voormalige terrein van Verhagen Stalen Ramen heeft in 2010 ‘Goed Wonen’ een bouwplan ontworpen. Er komen drie nieuwe straatnamen: Oliemolen, Bergmolen en Standerdmolen. De Standerdmolen werd gebouwd in opdracht van de Commanderij Gemert in 1544. Van oudsher luisterde deze molen naar de naam ‘Het Zoutvat’. Het was een houten molen die in 1917 afbrandde en niet weer werd opgebouwd. De molen stond op de kop van wat we nu kennen als Virmundtstraat (toen: Vroondijk). (BW 12-10-2010)

Staringstraat; Antoni C.W. Staring (Gendringen 1767 – Vorden 1840), Nederlands dichter en jurist, hij studeerde te Harderwijk en Göttingen. Als patriot bekleedde hij tussen 1795 en 1816 diverse politieke ambten. Als schrijver en dichter kan hij een navolger worden genoemd van Roemer Visscher, Cats en Huygens. Onder zijn grotere gedichten is de Jaromir-cyclus het bekendst. (GR 27-7-1967; 24-1-1974)

Steilrand; De uitbreiding van de bebouwde kom ten zuiden van ‘Heijtsveld’ kreeg de naam ‘Plan-Breukrand’. Naast Breukrand werd gekozen voor namen die allemaal wijzen op, of verschijnselen leveren van, de Peelrandbreuk, die dit gebied (in de ondergrond) doorsnijdt. Breukrand, Leemrand, Steilrand, Waterrand, en hetzelfde jaar kwam daar nog bij: Esrand. (GR 29-2-1996; GR 28.11.1996)

Stereind; Het ‘Staareind’ wordt reeds genoemd in een register van het jaar 1604. In de oudste dodenregisters wordt meermalen gesproken van de plaats ‘propre stellam’. Uit de zeventiende eeuw is ook bekend eenn huys en hof genaamd ‘De Sterre’. Ook het Mariakeske aan het Stereind had van oudsher een ster in top. De straat waaraan in 1953 officieel de naam ‘Stereind’ werd toegekend droeg voor het raadsbesluit de naam “Binderseind”. In de zestiende eeuw heette deze locatie ‘Schilt’ en werd in later eeuwen ook wel aangeduid als Lindereind. Lindereind en Bindereind werd door elkaar gebruikt. De naamgeving Lindereind moet zijn ontleend aan de wegbeplanting met lindebomen, terwijl de naam Bindereind is ontleend aan goederen van de Abdij Binderen aan deze straat gelegen. Al (GR 2-3-1953)

Stichtingseweg (Elsendorp); Genoemd naar de buurtschap Stichting (gemeente Wanroij) waarheen deze weg leidt. (GR 27-7-1967)

Stippelbergseweg (De Mortel); Genoemd naar de in het verlengde van deze weg (onder Bakel) gelegen vroegere stuifzandduinen. (GR 27-7-1967; 13-11-1986) 

Stootershutweg (Elsendorp); Aan deze weg stond in vroeger tijd de bij door de uitgestrekte en kale Peel trekkende reizigers de toen welbekende ‘hut’ van Frederik Stooter. Stooter werd geboren in Slochteren (Groningen) op 25 april 1812. Ten tijde van de Belgische Opstand in de jaren dertig van de negentiende eeuw verzeilde hij als soldaat in onze contreien. Na zijn huwelijk op 7 september 1837 vestigde hij zich op de gemeentegrens van Gemert en St.Anthonis en daar is hij zijn hele leven tot kort voor zijn dood blijven ‘hangen’. Hij verdiende de kost met heibezems maken. Hij overleed op 3 april 1894. (GR 27-7-1967)

Strijbosscheweg (Handel); Het toponiem ‘Strijbosch’ is al bekend in de middeleeuwen en in 14de eeuwse oorkonden komen we het ook al tegen als de familienaam van Gemertse schepenen ‘Van Strijbosch’. Weliswaar wordt de straatnaam pas in 1967 officieel, maar al lang daarvoor wordt ‘Strijbosch’ ook in gemeentelijke bronnen al gebezigd als aanduiding voor een aantal gebouwen ten noordwesten van de bebouwde kom van Handel. Één daarvan is de Hoeve Strijbosch waarvan de ouderdom teruggaat naar de middeleeuwen. Daarnaar terug, gaan zeker ook de voor dit pand staande lindebomen, die wel eens worden genoemd als de misschien wel oudste bomen van de gemeente. Opmerkenswaard is zeker ook dat de hoeve genoemd kan worden als de bakermat van de her en der verspreid in Nederland (en andere landen) voorkomende familienaam Strijbosch. Zie ook onder ‘Varelaar’. (GR 27-7-1967; 13-11-1986)

A – BCDEFGHIJKLMNOPRSTUVWZ