GH-2001-02 Haageijk: Gerecht in Proeeleik

Ad Otten

 Op 13 juli 1394 was er iets bijzonders aan de hand in ‘het centrum’ van Gemert. Twee schepenen van Den Bosch en vijf schepenen van Gemert vergaderden met notaris Henric Kuyst en een heleboel notabele getuigen van her en der, over een te treffen minnelijke schikking over ‘Den Duvelskamp’. Over de eigendomsrechten van deze ‘kamp’ – vermoedelijk de plaats waar de Duitse Orde een nieuw kasteel wilde bouwen – werd al meer dan tien jaar lang tussen de Duitse Orde en de oudadellijke familie Van Gemert hevig geredetwist. 1 In sommige oorkonden wordt er zelfs gesproken van ‘oorlog ende krieg’. Maar in de zomer van 1394, op die dertiende juli, komt men dan toch eindelijk tot een vergelijk. In het daaromtrent opgemaakte notariële ‘instrument’ kan men lezen dat deze ‘schikking’ werd getroffen ‘onder de Prieel-eik waar in Gemert de rechtszittingen gehouden plachten te worden’.2
In 1433 blijkt deze Prieeleik in Gemert nog steeds bekend. Althans op 4 januari van dat jaar oorkonden de schepenen van Gemert dat zekere Willem Saelden Neve een erfcijns van 6 lopen rogge per jaar heeft overgedragen ten behoeve van de Kapel van Onze Lieve Vrouw van Handel en dat deze erfcijns was gevestigd op een hoeve ‘bij de Pryoele-eik’ te Gemert. Peter Lathouwers uit Handel weet mede te delen dat in de achttiende eeuw de handelse kapel jaarlijks nog een erfcijns van 6 vaten rogge beurde uit een hoeve bij de Haageijk. En ineens is er die gedachte: Verdorie, zou de naam Prieel-eik later misschien niet Haageijk zijn geworden? De tot dusver oudst bekende vermelding van ‘die Haegh Eyck is van 1505’.3 Dat zou dus heel goed kunnen… Nee dat moet wel zo geweest zijn! Het is tegelijk een prachtige bevestiging van de verschuiving van het centrum van Gemert die zo rond 1400 een aanvang nam. Tot 1400 werd in de Haageijk voorheen Prieel-eik recht gesproken. Daar pal aan de stenen brug over de Rips lag ook het gasthuis van Gemert, tegenover de hoeve watermolen, een wrijfmolen en ietsje daarachter de watermolen…
In de loop van de vijftiende eeuw moet ‘het gerecht’ zijn verhuisd naar de Plaatse tegenover het nieuw gebouwde kasteel aan het huidige Ridderplein. Het nieuwe centrum van Gemert. De nieuwe gerechtplaats kreeg de naam: de dingbank.

Zou het niet aardig zijn om op het parkeerterreintje aan de Haageijk bijvoorbeeld een prieel-eik te herplanten?

NOTEN:

1. Voor het geschil over den Duvelskamp zie: Ad Otten, Vestiging van de Duitse Orde in Gemert, 1200-1500, 1987, blz.79-84.
2. Alphons van den Bichelaer, Het notariaat in de Meierij van ‘s-Hertogenbosch in de late middeleeuwen 1306-1531, bijl.1.; RA ‘s-Bosch KADOG Invnr.1083: De letterlijke tekst in het latijn luidt: ‘…in villa de Ghemert sub arbore quercina dicta die Prieel eyck sub qua placita kuralia(?) fi(?) solent…’
3. M. van der Wijst, Gemertse toponiemen van 1366 tot 1802, in: Gemerts Heem nr.42 (1971).

Bekijk PDF

GH-2001-02 De Brabantse Betuwe

Simon van Wetten

 U kijkt daar natuurlijk van op, maar de titel die boven dit artikel prijkt, slaat heus op Gemert en omgeving! Weliswaar op het Gemert van de jaren ’50 van de afgelopen eeuw, maar dan nog lijkt “Brabantse Betuwe” als betiteling voor een dorp op de zandgronden, voorzien van wat textielindustrie, nogal frivool, fruitig zelfs. Tja, en als u het niet gelooft, dan is dat een bewijs temeer voor het vergankelijke van al het moois dat Gemert ooit te bieden had. Vergane glorie! Geen morel meer als oorbel. In een weckfles bewaart men nu in plaats van stoofpeertjes punaises en elastiekjes. De degelijke Lombartappel van toen is vervangen door de Golden Delicious, een naam die bij het uitspreken evenveel speeksel doet rondvliegen als er vroeger sap uit de Lombart spierste bij de eerste ferme beet in die ongemeen lekkere appel. Beste mensen, waar moet dat heen? Tot zover de nostalgie. Nu de feiten.

Eens zal Gemert in bloei weer staan

Het moet een prachtig gezicht zijn geweest als in het voorjaar de hoogstamfruitbomen in Gemert in bloei stonden. Het rooien van die bomen is rond 1955 begonnen, maar vòòr die tijd telde het dorp met het buitengebied maar liefst 36 boomgaarden van meer dan een halve hectare. En als je bedenkt dat één boom met stam en kroon en gebladerte 10 x 10 meter = 100 m2 in beslag nam, dan kun je je de bloesemweelde wel indenken die destijds her en der de Gemertse lente accentueerde en kleur gaf.
De appelboomgaard van Smulders aan de Heuvel moet één van de mooist onderhouden zijn geweest. Secuur gesnoeide bomen, met de juiste vormen en een open structuur. Er dient immers licht bij het rijpende ooft te kunnen! Kijk, als je de waterlot laat staan, dan trekken de sapstromen teveel op, dan wordt de boom te bossig, krijgt teveel blad, en dat pakt het licht weg. De zuigers, zoals de waterloten ook wel genoemd worden, moeten dus zonder mededogen gesnoeid worden. Weg met de rechtopgaande takken. Een hoek van tachtig procent ten opzichte van de stam, dat is het beste. Goed, als een te hoog oplopende tak uitgebogen kan worden naar die 80% toe, dan hebben u en ik er vrede mee, maar anders… de snoeischaar of (bij late constatering) de bosduvel! Een bijkomend voordeel is dat een goed (lees: elk jaar) gesnoeide perenboom makkelijk 100 jaar kan worden. Er is wel een tweeendertigspreuts ladder nodig om zo’n volwassen boom goed te kunnen snoeien, want een hoogstamappelboom wordt 6 meter hoog, een perenboom 8 meter en een kersenboom haalt zelfs de 10 meter! Spreuts? Zo heten de sporten van de ladder. Een uur wiebelen op één van de bovenste spreuten leverde in 1952, mits er ondertussen ook nog wat kersen geplukt werden, de ronde somma van 15 cents per uur aan plukloon op. Kersen brachten het meeste op. Kersenbomen verlangen wat lichte, droge grond. Appels en peren prefereren wat vochtiger grond. Wellicht levert het bestuderen van het bijgaand kaartje een conclusie op waar in Gemert het droger (hoger?) of natter (lager) is. De vogelbescherming (let wel, we bedoelen hier de bescherming tegen vogels) in de boomgaarden bestond uit het jachtgeweer en de vogelverschrikker. U verwacht hier wellicht een grapje over, zo in de trant van dat de vrouw des huizes beter voldeed dan welke vogelverschrikker ook, maar ik wilde u net vertellen dat het hout voor appelkistjes ook van appelboomhout werd gezaagd, bij Oerlemans in Beek en Donk, en ook dat er een zekere chronologie zit in het verhaal van de fruitteelt in Gemert.

Chronologie

1921 De eerste gesprekken en bijeenkomsten in Gemert met als doel de fruitteelt op een hoger plan te brengen.
1932 Afspraak tussen de fruittelers: “Zorg voor klassefruit! Kwaliteit is belangrijker dan kwantiteit.”
1946 Centrale afvoer van het fruit naar de veiling in ‘s-Hertogenbosch. Ook werd het fruit voortaan centraal bewaard in de Boerenbondsloods (het pakhuis), op de plaats waar nu de bank staat die óók uit de coöperatieve boerenbondsgedachte is voortgekomen. Appels konden daar zonder problemen tot februari bewaard worden. Daarmee was de oude manier van appels bewaren, het opkuilen, en daardoor ook de muizenschade, verleden tijd.1
1948 In hetzelfde pakhuis, maar dan in de kelder, werd een zéér moderne appelbewaarplaats gebouwd, met isolatie en luchtkoeling. Sorteren gebeurde eveneens in het pakhuis, en dat werd door de fruittelers gezamenlijk gedaan.2
1949 Samenstelling van de eerste snoeiploegen, om aldus de verschillende snoeiwijzen beter op elkaar af te stemmen. Het bleek de aanzet voor een studieclub. Zo kon men van elkaar
leren.
1950 De studieclub Gemert en omstreken (er waren ook kwekers uit Aarle-Rixtel, Beek en Donk en Boekel lid geworden) voerde een boomgaardkeuring door de eigen telers in. Wat later kwam het tot een uitwisseling van keurders met de kring Uden – dan ging het wat rechtvaardiger. Op de veiling in Den Bosch werden in dit jaar maar liefst 178.683 kilo’s appels uit Gemert aangevoerd.

Anekdotes

Ene Van Disseldorp vree in 1920 met de dochter van Biemans op de Keizers bosch. Deze meneer Van Disseldorp was de trotse eigenaar van een leerlooierij, maar de oude Biemans was niet onder de indruk. “Ge kun m’n dochter hebben, maar dan motte boer worden”, zei hij. Disseldorp zag zichzelf niet als boer, maar bedacht een geniale tussenoplossing: hij plantte fruitbomen achter de Keizersbosch. “Een fruitboer is ook een boer”, was zijn tegenzet, en Biemans ging accoord.

Antoon van Erp werd, eind jaren ’40, na een cursus in Goes gevolgd te hebben, voor 75 cent per uur de leider van de sorteer- en pakploeg van de Gemertse fruittelersstudieclub. Dat sorteren en pakken gebeurde op de al eerder genoemde Keizersbosch. Veel appels werden nu geëxporteerd naar Duitsland, mooi verpakt en zo. De Lombarts onder en de in opkomst zijnde Golden Delicious boven. Enige handelsgeest kan onze boomgaardbezitters niet ontzegd worden. De genoemde Antoon van Erp heeft later op de Keizersbosch, daar waar weer later gekegeld en nog weer later “gesquaredanced” werd, een champignonkwekerij gehad.
Frits van Hout had, behalve bomen, ook veel koeien in zijn boomgaard. Die koeien hadden de beschikking over een echte drinkput, dus geen betonnen bak of een verlopen badkuip. De combinatie boomgaard – koeien moet ook een heel mooi gezicht zijn geweest. Pure dorpsrijkdom. En dat brengt ons bij het trieste slot.

Teloorgang

Reeds in 1947 begon men met het planten van struiken. Het was het begin van de opkomst van de spil, de laagstamboom. De moeilijke bereikbaarheid van de toppen der hoge bomen en (al klinkt dat tegenstrijdig) de relatief lage opbrengst werkte de kap van de hoogstambomen in de hand. Eer je de eerste keer kunt oogsten van een hoogstamboom ben je zes jaar verder. Bij een spil is dat al na twee jaar.
In de jaren ’60 sloeg de “verspilling” echt toe en zijn alle grote boomgaarden verdwenen. De studiekring bestaat nog, zij het dat Gemert en Uden zijn samengegaan en er een samenwerkingsverband met Boxtel tot stand is gekomen.

Voorstel

Wim van de Vossenberg, die nog steeds fruit teelt in de buurt van het Zwarte Water, en die de informatiebron van dit artikel is, stelt samen met schrijver dezes voor dat bij de eerstvolgende, onvermijdelijke uitbreiding van Gemert er straatnamen met appel-, peren- en kersenrassen komen. Aan het begin en het eind van zo’n straat moet dan een boom van dat ras een plaatsje vinden. En wie weet komt er op het Binderseind (daar is nog een mooie plek) wel weer een echte boomgaard! Eens zal Gemert in bloei weer staan?

NOTEN:

1 De bodem van zo’n kuil was bedekt met stro, daarop de appels en dan een lichte laag stro erop (als er vorst dreigde, méér stro).
2 Er werd gesorteerd naar grootte en naar kleur.
Er waren drie banden:
klasse 1 – de beste appels – naar de winkel;
klasse 2 – kleurafwijkingen e.d. – ook naar de winkel, maar goedkoper;
klasse 3 – insectenschade e.d. – verwerkt tot appelmoes.

Bekijk PDF

GH-2001-02 Het Frans Archief I

Zonder broek en tot zinkens toe belast

Simin van Wetten

 Hop, Marjanneke, stroop in het kanneke, laat de poppetjes dansen
Eerst was hier de Pruis in het land en toen de kale Fransen.
Een bekend rijmpje en bovendien historisch verantwoord! Want toen onze laatste stadhouder Willem V, een man die het woord doortastendheid bepaald niet had uitgevonden, maar ter compensatie getrouwd was met een dame met háár op de tanden, heel lafjes vanuit Den Haag naar Nijmegen vluchtte, werd hij wederom in het zadel en naar de residentie geholpen door zijn schoonbroer, niemand minder dan de Pruisische koning. De veroorzakers van Willems vlucht, de naar veranderingen hunkerende patriotten, vluchtten op hun beurt naar Frankrijk. Met “d’n Pruis” viel nu eenmaal niet te spotten. Zo was de situatie in 1787. Zeven jaar later kwamen onze patriotten terug, omringd door de sansculottes die de Franse revolutie wel even over Europa zouden uitdragen. Die sansculottes, letterlijk “zonder broek”, maar u moet dat niet zo letterlijk nemen –blaasontsteking bestond ook toen al- waren de ‘kale’ Fransen uit het gedichtje. Beide kwalificaties, zowel de afwezigheid van de broek als het ontbreken van enige (haar)bedekking, verwijzen naar de uiterst armoedige staat waarin de Franse revolutionairen zich bij hun komst naar Nederland bevonden. Vandaar waarschijnlijk ook de plunderingen waar zij zich bij tijd en wijle, ook in Gemert, aan bezondigden en waar zij vervolgens ter hoogte van de Beekse dijk zwaar voor moesten boeten. Hun eigen generaal Salme vond deze “booswichten de naam van Fransen onwaardig” en liet hen, na de Gemertenaren uitgenodigd te hebben dit spektakel te komen zien, ter zijde van de weg naar Beek executeren.
Weer vier jaar later was alles anders. Het is dan 1798, het jaar waarin de burger Rudler de Commissaris werd van het Gouvernement der vier nieuwe Departementen van de Linker Rijnoever, waar Gemert ook toe behoorde. Hij schreef bij zijn aantreden een soort geloofsbrief, waarin hij de verworvenheden der nieuwe tijden, de revolutie en de Franse wetten met passie verdedigde, en de tegenstanders van al dat moois met evenveel passie aanviel: In deze landstreeken komende, maakte ik aan dezelven inwooners bekend, ja beloofde hen, dat zij welhaest het genot zouden hebben van de Organisatie en van de Fransche wetten. Dat Tafereel der Fransche Organisatie veroorzaakt mishaegen aan de vrienden en afhangelingen van het Despotisme. De Trouweloozen! Zij bedriegen u met te zeggen dat gij geheel onderdrukt zou zijn door onze belastingen, maar dat is slechts voor het ogenblik, omdat de oorlog, welke altijd verveelend is voor de landen die er het Toneel van zijn, aan de daarstelling van die belastingen vooraf is gegaan.
Vervolgens begint Rudler de geneugten der nieuwe tijden op te sommen: de zich vetmestenden raken hun voorrecht der leendiensten kwijt. De verwoestingen welke hun wild en jacht veroorzaakten, zijn nu voorbij. Geen onbegrijpelijke vonnissen der Rechtbanken meer. De belastingen zijn zodanig ingericht dat de mingegoede mens er nog nauwelijks last van gevoelt. Het Patent vervangt de bezwarende betaling van een gildebrief. De Tollen bieden juist bescherming aan de binnenlandse handwerken.
“Bij mijn aankomst”, zegt Rudler, “zijt gij in veiligheid gesteld geweest tegen de militaire vorderingen, welke de overwinnaars volgens recht van Verovering u hadden kunnen opleggen. Frankrijk heeft zelfs door een bijzondere gunst aan uw voornaamste steden een stapelplaats toegestaan. Rustige burgers, wacht u om naar de verleiders, die u omringen, te horen! Klimt, burgers, tot de onzuivere bronnen op van die leugens welke men u voorstelt en van de vrees die men u inboezemt., en u zult bevinden dat zij die ooit de grote voorrechten hadden, u tot slachtoffers willen maken van hun razernij en boosaardigheid. Wanneer uw zolders en uw spijskelders overvloeien van de volheid van uw oogst, zult gij ook de verandering der Constitutie zegenen. Dooft dus de spruiten der dweperij, welke sommige geestelijken trachten te doen voortkomen en waakt voor de strikken die de vijanden uwer vrijheid om u heen geplaatst hebben.”

Elf jaar later, we schrijven achtienhonderdnegen, was alles wéér anders. In de gemeenterekeningen van dat jaar treffen we Gemertse uitgaven voor erebogen, klatergoud en gekleurd papier aan. Zijne Majesteit den Koning van Holland, Lodewijk Napoleon, kwam op bezoek! De komst van de koning –vive le Roi- werd door de Gemertenaren aangegrepen om in naam van de verarmde ingezetenen eerbiedig af te smeken de gemeente van Gemert, die “tot zinkens toe belast is” te willen soulageren (soelaas te bieden) door de betaling van huur voor de Peel en voor het gebruik van de turf- en veengronden (gehuurd van de domeinen van Gemert voor 360 gulden jaarlijks) te doen ophouden. De argumentatie die dan volgt, vormt een schril contrast met alle mooie zaken die Commissaris Rudler elf jaar eerder aan de Brabantse bevolking had voorgespiegeld.
Allereerst wordt in dit smeekschrift gewezen op een aantal rampen van vóór Rudlers tijd, dus daar kon die goeie man ook niets aan doen. De calamiteiten die Gemert in pak weg vijfentwintig jaar hadden geteisterd, waren er niet minder rampzalig om. Koning Lodewijk, sowieso gezegend met een groot en sociaal voelend hart, zal wel oprecht verdrietig zijn geweest bij het vernemen van al dat leed. Hij kreeg te horen over de grote dorpsbrand van 1780, waarbij 60 huizen in de as waren gelegd. “Maar, Sire, dat was nog niets vergeleken bij de brand van vijf jaar later. Toen werden in vijf uur tijd 99 woonhuizen vernield. Er zijn in de periode 1769-1798 in totaal 200 huizen en ook nog veel andere gebouwen afgebrand.”
Verder kreeg de koning flink wat te horen over de periode dat de ‘Armée du Nord’ naar hier kwam, naar de streken waar het gezien de naam ook thuishoorde. De Fransen stuitten toen onder andere op tegenstand van Engelse en Hannoverse troepen, en Gemert heeft dat geweten. Aan het gecombineerde leger diende het dorp koeien, schapen, paarden, haver, hooi, stro, vlees, brood, bedden, dekens en lakens te leveren ter waarde van 30.000 gulden. Naar huidige maatstaven zou de gemeente het hele Reconstructierijkssubsidiepotje aan de Engelsen en Hannoverianen zijn kwijtgeraakt.
“In 1797, toen deze gemeente al niet meer aan de Duitse Orde, maar aan de Franse Republiek gehoorde, hebben wij, na militaire executie ondergaan te hebben, 10.000 gulden betaald aan het Franse Gouvernement.” Verder (die van Gemert gingen nu echt de puntjes op de ‘i’ zetten) was er de last van het jaarlijkse tractement van de ‘gemeentens’ schoolmeester. In alle omliggende plaatsen werd de meester door het Rijk betaald, maar Gemert moest het ‘enorme’ jaarsalaris zelf opbrengen (dat verschil wordt verklaard door de transactie van 1662 tussen de gewezen Staten-Generaal en de Duitse Orde).
Tot slot wees men de koning op de rente die de gemeente diende te betalen over de somma van 38.837.50, opgenomen om de voornoemde kosten op te brengen. “Oui, oui, iek bedoel, ja, ja”, zal Lodewijk hebben verzucht, “iet ies plus mauvais, éél erk.” “Jawel, Sire, het is heel erg. En dan hebben we het nog niet gehad over de belasting op ’t Gemaal. Die zorgt ervoor dat de mensen hier nauwelijks brood kunnen betalen, en al helemaal geen zout en zeep. Water is hun gewone drank. Er wordt wezenlijk gebrek geleden! De inwoners ontberen in klederen en levensmiddelen hetgeen redelijke schepsels toekomt.”
Wijselijk hielden de aanbieders van het smeekschrift hun mond over de extra kosten die men, op last van de hogere overheid, had moeten maken om de weg van St. Anthonis naar Gemert te repareren en op te knappen. Via die weg zou Lodewijk Napoleon namelijk naar Gemert komen. Nee, het was tijd om af te titelen: “Geen wonder dat iedereen verblijd is over de komst van Zijne Majesteit, in volle hoop dat Zijne Majesteit aandachtig zal letten op het onvermogen, de geringe handel en bedrijf des inwoonders, de schrale landbouw, de afgelegenheid, zonder rivieren of vaarten, en met geringe fabrieken.”
Het moge duidelijk zijn: als in die dagen de term article douze, ik bedoel artikel twaalf-gemeente had bestaan, dan had Gemert douze-in-het-kwadraat in die categorie thuisgehoord.

VERANTWOORDING.

Voor dit artikel is geput uit het Frans Archief van de gemeente Gemert, dat op dit moment geïnventariseerd wordt, en waarvan de inventaris in de loop van het jaar 2002 gereed zal zijn.

Bekijk PDF

GH-2001-02 Gemertse kolonie op Curacao

Dien Scheepers-van Kessel

Toen in 1798 dominee Hanewinkel op zijn ‘Reise door de Majorij’ Gemert bezocht merkte hij op, dat Gemert weliswaar een aardig dorp was om een tijdje te vertoeven, maar dat het ook het meest paapse dorp was dat hij tot dan toe had bezocht. Dat laatste stuitte de dominee wel heel erg tegen de borst maar zijn afkeurende schrijven daarover sorteerde bij de Gemertenaren niet het minste effect. Integendeel. De foto die bij dit artikel is afgedrukt levert daar in zekere zin een bewijs van. Op deze foto uit 1946 staan zeven religieuze Gemertenaren allemaal werkzaam op Curaçao. De papen van Gemert lijken zo’n 150 jaar na Hanewinkel al missionerend te zijn uitgewaaierd tot in alle uithoeken van de wereld. En dat is niet eens zo heel ver bezijden de waarheid. Enige honderden namen van Gemertenaren zijn bekend en ‘ons’ kasteel heet ook niet voor niks ‘Missiehuis’!

Op de foto staan van links naar rechts:
1. Walraven Frunt = pater Aloysius O.P. (dominicaan); geboren te Gemert 13-6-1911; priesterwijding 25-7-1936; overleden 8-10-1956 te Suffisant-dorp op Curaçao.
2. Cornelius Penninx = pater Henricus O.P. (dominicaan); geboren 9-8-1900 te Gemert; priesterwijding 24-7-1927; vertrokken naar Curaçao 21-10-1927; overleden 21-4-1957 Nijmegen.
3. Johanna Maria Slits = zuster Henrica Maria; geboren 2-9-1895 te Gemert; ingetreden bij de Orde van Schijndel 24-12-1916; vertrokken naar Curaçao 29-11-1929; werkte daar tot 1962 o.a. in Grootkwartier en Santa Rosa; overleden 30-12-1973 te Wijbosch.
4. Joan Spierings geboren 29-3-1916 te Gemert; werd op 8-2-1936 te Rijswijk broeder van het Gezelschap Kruisvaarders van Sint Jan. Hij vertrok naar Curaçao op 21-7-1939. Was daar werkzaam in de jeugdzorg; overleden 27-4-1995 te Tilburg.
5. Josephus van den Elsen = pater Martinus O.P. (dominicaan); geboren 3-10-1880 te Gemert; priesterwijding 15-8-1905; vertrokken naar Curaçao op 4-10-1905; hij was van 1928-1936 Vicaris Provincialis. In mei 1953 kwam hij terug naar Gemert en ging wonen in het Gasthuis. Hij overleed te Boekel 23-10-1955.
6. Wilhelmus van Rooij = pater Laurentius O.P. (dominicaan); geboren 2-3-1893 te Gemert; trad in bij de Orde van de dominicanen in 1911; priesterwijding in 1918; vertrok naar de Nederlandse Antillen in 1919. Voor zijn werkzaamheid aldaar zie bijgaand gedachtenisprentje; hij overleed te St.Anna op Curaçao op 1-2-1974.
7. Frans Soontiëns geboren te Gemert 13-2-1913; werd op 18-2-1931 te Rijswijk broeder van het gezelschap Kruisvaarders van St. Jan. Hij vertrok naar Curaçao in 1946 en was daar net als zijn confrater Joan Spierings werkzaam in de jeugdzorg.

Het is bij dit artikel misschien wel aardig te vermelden dat de Gemertse kolonie op Curaçao hiermede in feite nog niet compleet is. Op Curaçao vertoefde indertijd namelijk ook het onderwijzersechtpaar Verstappen-Werts met hun kinderen. Zij maakten de overtocht naar Curaçao in 1939 op dezelfde boot als broeder Spierings. Eén van de kinderen Verstappen was de in 1937 te Gemert op het Binderseind geboren Wim Verstappen nu één der bekendste Nederlandse filmregisseurs.

Bekijk PDF

GH-2001-02 In Memoriam, Boerderij Smulders Onze Lieve Vrouwestraat 62 in Handel

Jan Timmers

In het jaar des heren anno 2000 viel het doek voor een van de meest karakteristieke en historische panden in het centrum van Handel. Iedereen met een beetje hart voor historie schrikt ervan en vraagt zich af hoe zoiets mogelijk is. Op die vraag zullen we hier niet ingaan, maar onze aandacht richten op het monumentale karakter van het pand en zijn bouwhistorie.
In een eerder artikel in Gemerts Heem over de verschillende soorten boerderijen in Gemert en de ontwikkeling ervan werd het pand aan de Onze Lieve Vrouwestraat 62 in Handel, in de volksmond bekend als de boerderij van Smulders, aangeduid als een vroege langgevelboerderij. Een boerderijtype waarvan het woongedeelte het karakter heeft van een langgevelboerderij, maar waarvan het stalgedeelte nog de opzet en indeling heeft van een hallehuis. In Gemert komen dergelijke boerderijen voor, waarvan blijkt dat ze merendeels gebouwd zijn in de eerste helft van de 18de eeuw 1. Zo ook de boerderij van Smulders, die in de korte gevel muurankers bezat, die als bouwjaar 1715 aangaven. Van dit type boerderijen bestonden er tot voor kort nog drie, nu dus nog twee, te weten de panden Deel 80 (jaartalankers 1699) en Kromstraat 1-3 (De Blauwe Kei, jaartalankers 1734). Het pand Deel 80 wijkt qua opzet enigszins af, maar de overeenkomst tussen De Blauwe Kei en boerderij Smulders is treffend. We zullen in dit artikel nader ingaan op de bouwhistorie van boerderij Smulders, op de overeenkomst met De Blauwe Kei en tevens nagaan of over de ontwikkeling van beide boerderijen iets meer gezegd kan worden.

Jaartalankers op een gebouw geven aan wanneer het metselwerk, waarin de ankers zitten, werd opgetrokken. Vaak wordt hieruit de conclusie getrokken dat het betreffende gebouw als zodanig in het aangegeven jaar is ontstaan. Dat hoeft echter niet het geval te zijn. De meeste panden worden in de loop van hun bestaan diverse malen verbouwd en aangepast. Als delen van een gebouw nog in goede staat blijken te zijn worden ze bij verbouw vaak gehandhaafd. Het kan daarbij gaan om de buitenkant, maar ook om het interieur van het gebouw. Uit bouwhistorisch onderzoek blijkt regelmatig dat panden, die aan de buitenkant nog niet eens zo oud lijken te zijn, binnenin veel oudere delen en restanten bevatten. De oudste manier van bouwen, waarvan nu nog restanten voorkomen, is de houtskeletbouw met vakwerkwanden. Het houten skelet werd opgebouwd uit gebinten en de buitenzijde werd verder ingevuld met horizontale en verticale balken, zodat vakken ontstonden, die met besmeerd vlechtwerk werden opgevuld. Het houtskelet vormde de kern van het gebouw en droeg de dakconstructie. Als in de loop van de tijd het pand werd verbouwd, bleef het houtskelet als drager van het dak meestal gehandhaafd. Zo is bij meerdere boerderijen in Noord-Brabant geconstateerd dat de kern ervan bestond uit een oorspronkelijk houtskelet, dat soms in beide richtingen werd verlengd en weer later werd omgeven door nieuw muurwerk, opgetrokken uit baksteen. In Vessem bleek een langgevelboerderij, die op het eerste oog uit de 19de eeuw leek te dateren, een houten kern te bevatten uit de 15de eeuw 2. Uit onderzoek blijkt dat veel boerderijen met een houtskelet van ankerbalkgebinten in eerste aanleg veel ouder zijn dan de bakstenen muren aan de buitenkant.
De boerderij van Smulders heeft jaartalankers uit 1715. Dit jaartal geeft dus aan dat de korte zijgevel waarin de ankers waren bevestigd in dat jaar is opgetrokken. Het houtskelet binnenin kan echter een nog oudere geschiedenis hebben. Redenen dus om die constructie wat nader te bekijken. Aan de hand van een eerste verkenning door de auteur van dit artikel, gevolgd door een bouwhistorisch onderzoek door het Monumentenhuis Brabant, zijn hierover een aantal interessante dingen te melden. 3

Het houtskelet

Het houtskelet van boerderij Smulders bestond uit 6 ankerbalkgebinten. De ankerbalkgebinten verdelen de boerderij in 6 traveeën. De drie noordelijke traveeën vormen het stalgedeelte van de boerderij, de drie zuidelijke traveeën vormen het woongedeelte. Het meest noordelijke ankerbalkgebint stond nagenoeg tegen de korte, noordelijke gevel en heeft een afwijkende maatvoering, een afwijkende vorm en staat helemaal uit het gelid van de overige gebinten. Het is duidelijk een latere toevoeging. Oorspronkelijk kende het gebouw vijf ankerbalkgebinten. Dit komt overeen met de constatering dat de drie meest zuidelijke ankerbalkgebinten waren voorzien van de telmerken 5, 4 en 3. Of de twee overige gebinten de nummers 2 en 1 hadden is niet onderzocht, maar dat is wel waarschijnlijk. Gebint 5 stond nagenoeg midden in het woongedeelte. Een zeer ongewone constructie, immers de twee traveeën tussen gebinten 3, 4 en 5 zijn samen even breed als het travee tussen gebint 5 en de zuidelijke gevel. Om de grote overspanning van dit travee te overbruggen is geen extra gebint geplaatst, zoals je normaal zou verwachten. In plaats daarvan is het travee in tweeën gedeeld door een balk die op de bakstenen buitenmuur rust en de zolder op die manier ondersteunt. Het is daarom duidelijk dat dit gedeelte van het huis tegelijkertijd is ontstaan als de bakstenen buitenmuren, terwijl de vijf genummerde ankerbalkgebinten een hogere ouderdom kunnen hebben. Als dat zo zou zijn dan betekent het dat het pand niet alleen in noordelijke richting is verlengd, maar ook in zuidelijke richting. De gebinten 1 en 5 vormen dan de oorspronkelijke eindgevels van de boerderij. Omdat bekend is dat de oude hallehuizen in Noord-Brabant overwegend bestaan uit 5 ankerbalkgebinten, waarvan de gebinten 1 en 5 de eindgevels vormden, lijkt het in eerste instantie aannemelijk dat de kern van boerderij Smulders bestaat uit een oud hallehuis. Later zou dan het woongedeelte vergroot zijn in de lengterichting, waarbij de toegangsdeur in de lange zijgevel werd aangebracht. Gezien de jaartalankers in het muurwerk moet deze uitbreiding in 1715 plaats hebben gehad. Mogelijk bestonden voorheen de buitenwanden nog uit vakwerkbouw en is 1715 dus het jaar waarin de boerderij werd “versteend”.
Er zijn een paar aanwijzingen die erop wijzen dat de ontwikkeling van het gebouw niet is verlopen volgens het bovenstaande, maar dat het woongedeelte in zijn geheel op hetzelfde moment is ontstaan. Dat betekent dus dat de vijf oudste ankerbalkgebinten en het oorspronkelijk muurwerk beide tegelijkertijd zijn samengesteld. Dat moet dan in 1715 hebben plaatsgevonden. De eerste aanwijzing vinden we in de constructie van de gebintplaten. De gebintplaat, ook wel genoemd de worm, is de balk die boven op de kop van de gebintstijlen is aangebracht en die de gebinten in de lengterichting met elkaar verbindt. Als het meest zuidelijk travee een latere toevoeging is, dan zou je verwachten dat op de plaats van het laatste gebint (gebint 5 dus) een las aanwezig is in beide gebintplaten. Dit blijkt niet het geval te zijn. Er is wel een las in de gebintplaat geconstateerd, maar deze ligt midden tussen gebinten 4 en 5. Bovendien wijst de vorm van de las niet op een latere verlenging van de gebintplaat.
De tweede aanwijzing betreft de constructie van gebint 4. Dit gebint is geen volledig ankerbalkgebint. De ankerbalk, die normaal de twee gebintstijlen met elkaar verbindt en onderling verankert, is bij gebint 4 langer en rust op de bakstenen voorgevel. Het bovenstuk van de gebintstijl die de gebintplaat ondersteund, rust op de ankerbalk en is voor de stevigheid extra geschoord op die ankerbalk. Deze constructie van gebint 4 kan niet ouder zijn dan het muurwerk, waar de ankerbalk op rust. Gebint 4 lijkt daarmee eenzelfde ouderdom te hebben als het muurwerk.
Een derde aanwijzing vinden we in de dakconstructie. De boerderij van Smulders had oorspronkelijk een zogenaamde sporenkap. Op korte onderlinge afstand worden van voor tot achter boven op de gebintplaten twee sporen geplaatst die bovenaan bij de nok met elkaar worden verbonden. Iets onder de nok worden de twee sporen met elkaar verbonden middels een zogenaamde hanebalk. De sporenkap was aan de oostzijde nog grotendeels aanwezig. De sporen boven het woongedeelte blijken allemaal gelijksoortig te zijn en er is dus geen aanwijzing dat de kap van het woongedeelte later verlengd is geweest. Doorslaggevend zijn de argumenten niet. Het is zeer goed mogelijk dat oorspronkelijk gebint 4 wel degelijk een volledig ankerbalkgebint was, maar dat op het moment van verlenging en verstening van het pand in 1715 gebint 4 is gewijzigd en dat tegelijkertijd nieuwe, langere gebintplaten zijn aangebracht en dat het gebouw van een nieuwe sporenkap is voorzien. Verderop komen we nog terug op de mogelijk hogere ouderdom van het houtskelet.

Het muurwerk

Het oudste muurwerk van boerderij Smulders is de meest zuidelijke korte gevel. Deze gevel is opgemetseld tot aan de nok van de boerderij, een zogenaamde topgevel, hetgeen een bijzonderheid is. Voor boerderijen was een schilddak veel gebruikelijker. De gevel is opgetrokken uit gele handvorm bakstenen. Een soort baksteen dat niet erg veel voorkomt, maar in Gemert in die periode vaker werd gebruikt, o.a. bij De Blauwe Kei 4. De overige gevels blijken allemaal jonger te zijn. De noordelijke korte gevel is gemetseld van paarsrode handvorm bakstenen, die volgens het bouwhistorisch onderzoek dateren uit de eerste helft van de 19de eeuw. Naar alle waarschijnlijkheid gebouwd op het moment dat de boerderij in noordelijke richting, bij het stalgedeelte dus, werd verlengd, zoals uit het houtskelet al bleek. Opvallend is wel dat de grote staldeur in deze korte gevel gehandhaafd werd. Het kozijn van deze staldeur lijkt ouder te zijn en werd bij de nieuwbouw van de korte gevel hergebruikt. De plaats van de staldeur in de korte gevel is typerend voor hallehuizen. Gebruikelijk was dat bij verlenging van hallehuizen de grote staldeur werd verplaatst naar de lange voorgevel. Omdat dit hier niet gebeurde kan worden geconcludeerd dat de voorgevel op dat moment ongewijzigd is gebleven. De voorgevel aan de straatzijde is opgemetseld uit rode, machinaal gevormde baksteen. Gezien de details van deze gevel en vanwege de ingemetselde keramische brievenbus in art-deco-stijl kan deze gevel worden gedateerd omstreeks 1920. Deze gevel is in die periode geheel vernieuwd. De vorm echter is daarbij nagenoeg hetzelfde gebleven. De achtergevel is rond 1950 en deels nog daarna vernieuwd. Daarbij werd het woongedeelte smaller gemaakt dan oorspronkelijk het geval was 5. De onderkant van het metselwerk was deels nog oorspronkelijk en daarin werd de aanzet aangetroffen van een tongewelf van een voormalige kelder. Bij het vernieuwen van de achtergevel werd deze kelder verwijderd, terwijl een pal ernaast gelegen kelder, eveneens met een bakstenen tongewelf werd gehandhaafd. Oorspronkelijk lagen in de zuidwesthoek van het woongedeelte twee smalle kelders naast elkaar. Bij het vernieuwen van de achtergevel werd de buitenste kelder gedempt en werd de nieuwe buitenmuur naar binnen geplaatst en gemetseld op de oude scheidingsmuur van de twee kelders. Omdat de topgevel uit 1715 deel uitmaakt van de wand van de kelders, moeten deze kelders en dus ook de achtergevel oorspronkelijk in dat jaar zijn gebouwd.
Tussen het woongedeelte en het stalgedeelte bevond zich een oorspronkelijke brandgevel, waartegen de schouw was geplaatst. De bovenzijde van de brandmuur reikte niet hoger dan de bovenzijde van de zolder en liep niet door tot aan de nok. Verder werd het woongedeelte nog gescheiden door een steense binnenmuur op de plaats van gebint 5. De overige binnenmuren waren (deels?) niet oorspronkelijk meer, maar latere toevoegingen.

Vergelijking met De Blauwe Kei

Al bij de eerste verkenning van de boerderij Smulders bleek er een grote gelijkenis met De Blauwe Kei (Kromstraat 1-3). De opzet en indeling zijn nagenoeg identiek. Beide hebben oorspronkelijk 5 ankerbalkgebinten. De brandmuur staat ter hoogte van gebint 3; een binnenmuur van het woongedeelte staat ter hoogte van gebint 5 en het travee tussen gebint 5 en de topgevel, die bij beide boerderijen aanwezig is, is veel breder dan de anderen en wordt in tweeën gedeeld door een balk die op de muur is opgelegd. Bovendien hebben beide boerderijen twee naast elkaar gelegen kelders met een tongewelf, gelegen in de hoek van het woongedeelte tegen de topgevel en achtergevel. Ook de bijzondere constructie van gebint 4 is bij beide panden identiek. Het stalgedeelte is ongedeeld en de grote staldeur is in de korte eindgevel geplaatst. De indeling van de voorgevel en de topgevel is eveneens hetzelfde. Ook een aantal details zijn opvallend gelijk. Het betreft hier o.a. de manier waarop de sporen op de gebintplaten zijn bevestigd en de bijzondere wijze waarop de dakconstructie boven de zij beuken hierbij aansluit. De oudste bakstenen gevel van boerderij Smulders is opgetrokken uit dezelfde gele bakstenen als die van De Blauwe Kei en beide dragen jaartalankers (1715 respectievelijk 1734). Daarnaast valt het op dat de telmerken in de gebinten exact dezelfde vorm hebben. Ze lijken met dezelfde beitels gestoken te zijn. Het heeft er alle schijn van dat beide boerderijen door één en dezelfde aannemer/bouwmeester zijn gebouwd.

Herberg als oorspronkelijke functie

Opvallend bij beide boerderijen is de grootte van het woongedeelte, dat maar liefst 13 bij 11 meter bedraagt. Het woongedeelte van de meeste boerderijen is vaak nog niet de helft hiervan. Natuurlijk kan dit wijzen op een zekere welvaart van de eigenaars, maar waarschijnlijk is hiervoor een andere reden aan te wijzen. Boerderij Smulders is gebouwd tegenover de kapel van Handel, een druk bezocht bedevaartsoord van Onze Lieve Vrouw van Handel. De bebouwing rond de kapel van Handel was rond 1700 nog zeer beperkt en het is dan ook zeer aannemelijk dat in het pand een herberg werd gevestigd. Het verklaart in ieder geval de grote omvang van de woning.
Van De Blauwe Kei is uit archiefonderzoek bekend dat het al in 1667 een brouwerij met herberg was, eigendom van Jan Dierx van Zeeland 6. Op die plek bleef een herberg aanwezig tot in het begin van de 19de eeuw. In november 1733 kwam het pand met brouwerij in eigendom van Simon Penninx, die de opdrachtgever moet zijn geweest van de nieuwbouw of verbouw van de herberg, die volgens de muurankers in 1734 werd gerealiseerd. De Blauwe Kei werd dus met zekerheid als herberg gebouwd. De grote gelijkenis tussen de boerderijen en de zekerheid dat één ervan als herberg werd gebouwd, doen ons concluderen dat beide oorspronkelijk die functie gehad moeten hebben. Deze functie verklaart de bijzondere vorm van met name het woongedeelte van beide panden.
Boerderij Smulders dateert uit 1715 en is dus iets ouder dan De Blauwe Kei. Gezien de overeenkomst, zelfs in de details, leidt tot de conclusie dat de bouw door dezelfde aanemer/bouwmeester werd neergezet. Boerderij Smulders diende dan duidelijk als voorbeeld voor De Blauwe Kei.
Het derde Gemertse pand dat qua opzet vergelijkbaar is, is het pand Deel 80.De gelijkenis van Deel 80 met de twee andere is echter minder prominent aanwezig, maar ook daar is het grote woongedeelte opvallend. Van het pand Deel 80, dat in 1699 werd gebouwd volgens de muurankers, is uit archiefbronnen ook duidelijk geworden dat het gebouwd werd als brouwerij. Het woongedeelte heeft zonder twijfel ook dienst gedaan als herberg. Al in 1683, bij de erfdeling tussen de kinderen van Aert de Bruyn blijkt Deel 80 een herberg te zijn. In 1698 koopt Willem Daniëls van den Broek het pand en hij zal het geweest zijn die het huidige pand zijn aanzien heeft gegeven. Nog rond 1900 was in het pand een café gevestigd. 7 Het feit dat alle drie de panden herberg waren, wil niet zeggen dat ze niet tegelijkertijd ook als boerderij dienst deden. Het was gebruikelijk dat een herbergier naast het brouwen ook nog een boerenbedrijf exploiteerde. De combinatie van herberg en boerderij kwam veel vaker voor. Dat is ook de reden dat alle drie de panden duidelijk als boerderij herkenbaar zijn.

Oudere voorgangers ?

De ouderdom van zowel boerderij Smulders als De Blauwe Kei lijken terug te gaan tot 1715 respectievelijk 1734. In het voorgaande werd gesuggereerd dat het houtskelet, bestaande uit 5 ankerbalkgebinten, wellicht een hogere ouderdom heeft. In de vergelijking met het houtskelet van De Blauwe Kei lijkt dat inderdaad gerechtvaardigd te zijn. In de stijlen van de ankerbalkgebinten van De Blauwe Kei komen op veel plaatsen sporen voor van oudere houtverbindingen, die wijzen op horizontaal regelwerk van bijvoorbeeld vakwerkwanden. De gebinten zijn deels beslist ouder dan 1734. Ook uit de schriftelijke bronnen blijkt dat op de plaats waar nu De Blauwe Kei staat vóór 1734 ook al bebouwing aanwezig was en dat wordt door archeologische waarnemingen verder bevestigd. Uit de bouwhistorische gegevens blijkt echter dat in 1734 nagenoeg het gehele pand opnieuw is opgetrokken. Belangrijke delen van het houtskelet zijn ouder en werden in 1734 hergebruikt. Waarschijnlijk zijn die delen afkomstig van een voorganger die op dezelfde plaats stond. Of hetzelfde ook geldt voor de Handelse boerderij is niet zeker. De gebintstijlen waren voor een groot deel ingemetseld, zodat eventuele oude sporen niet konden worden vastgesteld, maar misschien wel aanwezig waren. Het archiefonderzoek is voor de kern van Handel nog niet ver genoeg gevorderd om te kunnen zeggen of er op dezelfde plaats al een voorganger gestaan heeft. Uitsluitsel over de ouderdom van de kern van beide herberg/boerderijen is daarom niet te geven.

Tot slot

In het voorjaar van 2001 werd op de plaats van boerderij Smulders nieuwbouw gepleegd. De uiterlijke vorm van het nieuwe pand is duidelijk ontleend aan zijn voorganger. De dakbedekking is deels riet, deels pannen. De afmetingen zijn nagenoeg gelijk, maar het karakter is veranderd. De manier waarop de nieuwbouw is gerealiseerd houdt onvoldoende rekening met de monumentale waarde van wat geweest is. De moderne manier van bouwen weet geen raad met de waardevolle detaillering die aanwezig was. Handel is een stuk nieuwbouw rijker, die alleen in vorm en afmeting doet denken aan het voormalige monumentale pand.

NOTEN:

1. Jan Timmers, Gemertse boerderijen in soorten ofwel de mythe van de langgevelboerderij, Gemerts Heem, 1997, nr 4 blz. 145-169
2. H. Strijbosch, Van hallehuis tot langgevelboerderij. Een laatmiddeleeuwse boerderij te Vessem, Jaarboek SHBO 1999.
3. D.J.K. Zweers, Bouwhistorische verkenning Onze Lieve Vrouwestraat 62 te Handel, Monumentenhuis Brabant mei 2001. Dit rapport leverde belangrijke gegevens voor dit artikel.
4. Gele bakstenen werden ook gebruikt bij het pand Deel 80, het Wevershuis in de Pandelaar en ook bij boerderij de Mughof op Boekent tegenover De Blauwe Kei. Dit laatste kon worden geconstateerd tijdens verbouwingswerkzaamheden. Oorspronkelijk metselwerk met gele baksteen werd sporadisch aangetroffen, echter als hergebruikte stenen kwamen ze tamelijk veel voor in het pand. Bovendien konden in de uiterste hoek van het woongedeelte van het pand sporen worden aangetroffen van twee smalle naast elkaar gelegen kelders.
5. GAG, dossier OLVstraat 62. Op een tekening voor een vergunning tot verbouw van 1967 bleek de versmalling al te bestaan.
6. Gemert R119 dd 27 maart 1667
7. Peter van den Elsen, De brouwerij in de Deel, Gemerts Heem nummer 68, herfst 1977, blz 13-21.

Bekijk PDF