GH-2007-03 Brouwerij “De Driekleur” in het Kruiseind

Ad Otten

 In het voorjaar van 1997 plaatste Gemerts Nieuwsblad een oud affiche met daarop een bierflesje met een etiket dat melding maakte van bierbrouwerij ‘De Driekleur’. Plaats(en) van herkomst: Den Haag – Gemert. Een redacteur van het Gemerts Nieuwsblad wilde op die manier wat meer achterhalen van het hem onbekende Gemertse biermerk. In het GN van 11 juli 1997 kwam een antwoord. Gemertenaar Piet Beniers bleek er ‘vanalles’ van te weten. We laten hem daarover graag opnieuw aan het woord:

“De gebroeders Averdieck waren limonadefabrikanten in Den Haag. In 1944 kochten zij de woning met brouwerij van Willem Verbakel in het Kruiseind (sectie K1516) te Gemert. Waarschijnlijk wegens gebrek aan grondstoffen werden er in de oorlogsjaren, in plaats van bierbrouwen, buntbezems gemaakt in de brouwerij. Na aankoop wilden de gebroeders Averdieck er weer bier gaan brouwen, waarbij ze hetzelfde recept wilden toepassen als Willem Verbakel voorheen. De brouwerij kreeg de naam “De Driekleur” waarmee verwezen werd naar de pas verworven vrijheid in ‘Herrijzend Nederland’. Kennelijk was bierbrouwen toch een ander vak dan limonade maken voor de gebroeders, want hun brouwonderneming mislukte. En zo ging de laatste Gemertse brouwerij ter ziele wegens een slecht product. Nadat Kaatje Michels nog lange tijd kippen had gehouden in het pand, werden de percelen in de vroege jaren zestig publiek verkocht in Café ‘Onder de Boompjes’ van Sjef vd Elzen. Volgens bierverzamelaars is het affiche niet uniek, maar wel vrij onbekend omdat het bier van ‘De Driekleur’ bijna niet is gebrouwen.”

Tot zover Piet Beniers. Ons lid Helma Coppens-Snijders wist verder te vertellen dat zij een aantal jaren van haar vroegste jeugd in het brouwershuis heeft doorgebracht omdat haar ouders het pand huurden van Averdieck en dat er in de voormalige brouwerij toen varkens werden gehouden. Ze zal vijf of zes zijn geweest toen ze met haar ouders vanuit het Kruiseind verhuisde naar de juist gereedgekomen huizen op de Berglaren aan de Schout Brouwersstraat, maar de indrukken van het voormalige brouwershuis van ‘De Driekleur’, met een grote ‘gelagkamer’ en een schouw zijn bij haar onuitwisbaar in het geheugen gegrift gebleven.

Bekijk PDF

GH-2007-03 Het gevaar van de Zwanegang in het Kruiseind

Ad Otten

 Terwijl de Kruiseindse bierbrouwerij en in elk geval Café De Zwaan bij alle Gemertse senioren in de herinnering nog wel bekend is gebleven, is dat niet het geval met een vroeger aldaar bestaand hebbende ‘gang’ die luisterde naar de naam Zwanengang. Deze naam moet, vermoedelijk door een gedeeltelijke afsluiting, al vroegtijdig in onbruik zijn geraakt. Maar in archiefstukken is hij hoe dan ook bewaard gebleven zoals de onderstaande schrifturen onder de bij de burgemeester ‘ingekomen stukken’ uit 1844-1845 duidelijk maken. Het was er zelfs ‘gevaararelijk’ in die Zwanegang:

Aan den heere burgemeester van Gemert
7 dec. 1844 ……..ik gevoel het van mijnen pligt Uwedg. Ter kennis te brengen, dat de gemeente en in ’t bijzonder de Haageijk en Kruiseind tegenwoordig in ’t grootste gevaar verkeeren van door onverhoedsche brand te worden bedreigd, en dat wel door grote onvoorzigtigheid van twee bewooners der Zwanegang Sis Martens en Jan Willems als hebbende zij hunne kagchels zoodanig aangebracht dat de pijpen daarvan over communicatieve zolders lopen en door de buren reeds vlammen zijn bespeurd geworden terwijl de daders aangemaand waren tot voorzigtigheid.
(…)
w.g. (onleesbaar)

Een daarbij in januari 1845 gemaakte notitie:
Ik P. van der Sande verklare dat se bij F. Martens en bij J. Willems in de ZWANEGANK de kaggel stoke in een schoorsteen van strooij en hout en gevaararelijk voor brand.

Bekijk PDF

GH-2007-03 “Dor kömt de Paws án mí z’n staars”

Wim Vos

 Bij het invoeren van woorden van een fiche, gedateerd 7 december 1974, kwam ik de volgende notitie tegen over ‘de Paws’ (Bert Baggermans + 11 mei 1940 op 63-jarige leeftijd). Ik heb de informatie van ons moeder Anna Vos-Baggermans (1900-1985) die het weer had van onze Tante Jans (Johanna) Baggermans (1886-1965), een Gemertse, ongetrouwd, ex-pastoorsmeid bij pastoor Knegtel van de (gesloopte) H.Hartkerk in Helmond, die na haar pensionering een tijdlang bij ons inwoonde. De Paws liep (ik denk rond Kerstmis) rond met een ster aan een stok met een touwtje waarmee hij de ster op en neer kon laten gaan (als ik het goed begrepen heb). Volgens Tante Jans riep men dan: “Dor hédde de Paws mí z’n staars” -of- “Dor kömt de Paws án mí z’n staars.” Ons moeder heeft het liedje dat de Paws daarbij zong (eigenlijk meer een “dreun”) en dat ze van Tante Jans gehoord had, op 7 december 1974 voor het nageslacht op een oude envelop genoteerd in haar toen al wat beverig handschrift (maar haar geheugen was nog prima). Hier is het:

Hedde van verre een ster zien blinken?
Sterre, je moet er zo stil niet staan,
Je moet met ons naar Bethlehem gaan,
Bethlehem is die schoone stad
Waar Maria met heur kindeke zat.
Klein was het kindeke, maar groot is God,
Die hemel en aarde geschapen had.

(Spelling van ons moeder, interpunctie en hoofdletters van mij – WV).

Waar de Paws deze tekst vandaan had, weet ik niet. Misschien kent iemand van onze lezers de bron. Het kan een bestaand kerstlied zijn.

Bekijk PDF

GH-2007-03 Haanrijden

Ad Otten

In de Tilburgse Universiteitsbibliotheek vond Antoon Vissers uit Deurne een opgetekende Gemertse curiositeit uit de 19de eeuw. Van August Sassen is bekend dat hij erg veel oude volksgebruiken, scheldnamen, kinderrijmpjes, spelen e.d. verzamelde. Hierna volgen zijn notities betreffende het haanrijden in Gemert.
In de eerste helft der negentiende eeuw werd te Gemert gedurende de drie vastenavonddagen nog haangereden. Daartoe werd een levende met zeep besmeerde haan met den kop omlaag opgehangen aan een touw, dat over de straat gespannen was. De medespelers worden dan om beurten op een handkar in snelle vaart onder het beest gevoerd. Hij die den kop afrukte, was overwinnaar en kreeg den haan als prijs. Het spel raakte te Gemert omstreeks 1860 in onbruik.

Bekijk PDF

GH-2007-03 Zeventiende-eeuws Gimmers

Ad Otten

In de zeventiende en de achttiende eeuw bestond er voor het schrijven van het Nederlands nog geen ABN en ook geen officiële spelling. Dat heeft er toe geleid dat men vandaag de dag in verschillende authentieke archiefbronnen soms meteen herkent waar een bepaald archiefstuk is opgemaakt of tenminste uit welke regio het afkomstig is. Dit geldt met name voor de sterk aan een plaats gebonden archiefstukken, met name wanneer die werden opgemaakt door burgers die zich niet bedienden van ambtelijk taalgebruik. Het meer geuniformeerde ambtelijk taalgebruik is al heel oud. Maar er waren ook vroeger al ‘ambtenaren’ die zich weinig gelegen lieten liggen aan wat in ambtelijke kring als gebruikelijk gold. Een voorbeeld daarvan is de borgemeester uit vroeger eeuwen. Hij had een heel andere taak als de huidige burgemeester, die we moeten vergelijken met de schout of drossard van toen. Borgemeester was vroeger de algemeen gangbare benaming voor wat tot voor kort ‘gemeenteontvanger’ werd genoemd. Hij, in vereniging met minstens één compagnon, beheerde de gemeentekas en haalde de belasting op. Borgemeester was een allesbehalve dankbaar baantje en daarom werden elk jaar uit de bevolking weer twee of drie, soms zelfs 4 nieuwe borgemeesters door het gemeentebestuur ‘aangewezen’. Ze werden dan gemeenteambtenaar voor de periode van één jaar en niet langer. Het spreekt voor zich dat het wel personen moesten zijn die de gemeenschap voor de uitoefening van dat ambt capabel achtte. Het ging per slot van rekening over de financiën van de dorpsgemeenschap. En het zijn met name de stukken die in de archieven zijn bewaard gebleven van de financiële verantwoording van deze borgemeesters, waarin men zoveel prachtige voorbeelden kan vinden van het plaatselijk taalgebruik. Het zal niemand echt verbazen dat ook toen al een perd een perd was en geen paard. Dat het meervoud van ‘perd’ niet ‘perden’ maar ‘peerden’ was. En zo is er in de zogeheten ‘borgemeestersrekeningen’ nog heel veel meer oud-Gimmers van eeuwen her overgeleverd. En dan hebben we het nog niet eens over de bijlagen van de borgemeestersrekeningen waaronder de door de verschillende borgemeesters indertijd opgespaarde kwitanties. Voor speurders naar oud plaatselijk taalgebruik een kostelijke bron. En: het blijkt echt niet zo moeilijk om bij de per individu weer verschillende spelling van toen, toch de juiste gebezigde klank te vinden. Want iemand vertrouwd met het dialect van nu, ‘hoort’ bij het lezen van die oude teksten gewoon de Gemertenaren van toen. In de door hen indertijd gebezigde spelling herken je vrij gemakkelijk het huidige dialect en er rest geen andere conclusie dan dat de uitspraak van toen voor heel veel woorden vrijwel identiek moet zijn geweest aan die van nu. In het hiernavolgende volgen daarvan een aantal voorbeelden zoals ondergetekende die uit Gemertse rekeningen van de borgemeesters uit 1627 optekende.

‘Gemmert’ ipv ‘Gemert’
‘Remundt’ ipv ‘Roermond’
‘Summeren’ ipv ‘Someren’
‘Liessent’ ipv ‘Lieshout’
‘Eindoven’ ipv ‘Eindhoven’
‘hum’ ipv ‘hem’
‘knint’ ipv ‘konijn’
‘kninde’ ipv ‘konijnen’
‘vorsse kabbeljauen’ ipv ‘verse’
‘inden Graef’ ipv ‘in Grave’
‘het graft’ ipv ‘de gracht’
de uitdrukking ‘nie ewech konnen commen’
‘hetghenighe’ ipv ‘hetgeen’
‘seuven patrijssen’ ipv ‘zeven patrijzen’
‘gebrocht’ ipv ‘gebracht’
‘gecommen’ ipv ‘gekomen’
‘Heesick’ ipv ‘Heeswijk’
‘Van de Crommenecker’ ipv ‘Van de Crommenakker’
enzovoorts enzovoorts.

Duidelijk is dat de oude borgemeestersrekeningen laten zien hoe oud ons eigenste Gimmertse taalgebruik wel niet is. De rekeningen van de Gemertse borgemeesters verdienen daarom op het vlak van ‘taol’ nog een veel uitgebreider onderzoek.

Bekijk PDF

GH-2007-03 Landelijke bouwkunst op landgoederen in de Peel

Jan Timmers

Een groot gedeelte van de gemeente Gemert-Bakel is voormalig Peelgebied dat pas in de 20ste werd ontgonnen. De ontginning van de Peel betekent niet alleen de aanleg van nieuwe wegen, het omploegen van de hei of het aanplanten van dennenbos. De agrarische uitbreiding in de Peel betekende ook de nieuwbouw van menige boerderij. In dit relatief moderne deel van de gemeente komen we geen oude, traditionele landelijke bouwkunst tegen. De gebouwen die we daar zien zijn gebouwd in de stijl en volgens methoden en technieken van de 20ste eeuw. We zijn geneigd om deze moderniteiten af te doen als minder waardevolle agrarische gebouwen. Een groot gedeelte van de hedendaagse bebouwing in de Peel is inderdaad minder opvallend en bijzonder, maar dat geld eveneens voor het “oude” gedeelte van de gemeente. Een nadere blik op de landelijke bebouwing in de Peel levert toch een aantal bijzondere dingen op. Voorzover de ontginning en daarmee ook de bouw van boerderijen werd uitgevoerd door boeren uit het dorp of uit de regio, zien we dat de soorten boerderijen die worden gebouwd nauwelijks afwijken van de boerderijbouw in de rest van de gemeente.

Behalve de relatief kleinschalige ontginning van delen van de Peel werden ook grootschalige projecten uitgevoerd. Vermogende fabrikanten uit alle delen van het land investeerden in de Peel Ze kochten vele hectaren heide op en exploiteerden dat bezit hetzij in de vorm van bosbouw, hetzij als landbouw. Met name de exploitatie als landbouwbedrijf leverde relatief grootschalige agrarische bebouwing op. Omdat de opdrachtgevers veelal niet uit Brabant afkomstig waren, hadden ze minder last van de bestaande regionale bouwtradities. Die import levert een aantal bijzondere gebouwen op, die we elders in Noord-Brabant niet vaak tegenkomen.

Landgoed De Dompt

Het meest bekend als grote ontginningshoeve is de Annehoeve in Elsendorp. De Amsterdammer Samuel Constant van Musschenbroek kocht in 1910 het landgoed De Dompt en nog vele kleinere aangrenzende heidepercelen met een oppervlakte van bijna 500 hectare met de bedoeling om de grond te ontginnen tot bouwland en weiland. In datzelfde jaar werd de opdracht gegeven tot de bouw van een grote boerderij. De Gemertse aannemer Janus van Eupen bouwde het pand. Kort erna werden nog bouwvergunningen aangevraagd voor een aantal bijgebouwen en woningen. In 1919 brak er brand uit op de Annehoeve, maar de boerderij werd direct geheel hersteld. Naast een gevelsteen met daarin “Annehoeve” verscheen er een tweede gevelsteen “De Dompt”. Het pand staat inmiddels op de lijst van rijksmonumenten.

Al vóór 1915 kocht S. Dudok van Heel uit Naarden een deel van de gronden van landgoed De Dompt dat nog niet ontgonnen was. In 1918 liet hij daarop boerderij De Pauwenhorst bouwen. Een kop-romp boerderij, waarvan het woongedeelte is voorzien van een mansardekap en waarvan het bedrijfsgedeelte aan beide zijden zijwaarts is uitgebouwd.

Het aantal kop-romp boerderijen in de Peel is opvallend. Vooral bij de grotere boerderijen. Naast De Pauwenhorst is met name de Gertrudahoeve in De Rips een kolossaal voorbeeld. Ook het brede stalgedeelte is daar voorzien van een mansardekap, waardoor de hoeveelheid tasruimte bijzonder groot wordt. Het woongedeelte van de Gertrudahoeve is meerledig, heeft decoratieve elementen en een samengestelde kapconstructie. De naam is met behulp van gekleurde tegels in de gevel aangebracht.

In de directe omgeving van landgoed De Dompt werden ook andere landgoederen als landbouwbedrijf geëxploiteerd. Christiaan Lambrechtsen van Rithem kocht het landgoed Cleefswit, waarop hij naast een boerderij en een tweetal arbeiderswoningen nog vóór 1915 een schuur annex pakhuis bouwde, dat inmiddels een monumentale waarde heeft.

Landgoed De Sijp.

In 1895 kocht Abraham Ledeboer uit Enschede 420 hectare heideterrein genaamd De Sijp in het tegenwoordige Elsendorp. Gedeeltelijk werd bos aangepland, gedeeltelijk werd de heide ontgonnen tot weiland. Het eerste gebouw op landgoed De Sijp werd in 1906 gebouwd als voorwerkerswoning met stallen voor paarden en ossen. Later werd het huis verpacht aan de veehouder/kaasmaker Teunis Oskam uit Nederlangbroek.

Op landgoed De Sijp werden door Ledeboer nog meer bijzondere gebouwen neergezet. In 1927 werd de Augustehoeve gebouwd. Het woonhuis is relatief groot, maar vooral hoog, omdat het geheel onderkelderd is ten behoeve van de kaasmakerij. Tegen het woonhuis aan is het stalgedeelte gebouwd, dat echter een veel lagere nokhoogte heeft dan het woongedeelte: het tegengestelde dus van een kop-romp boerderij.

In 1925 werd de Judith-Geertruihoeve op De Sijp gebouwd. In 1942 afgebrand en in 1943 weer opgebouwd.

In 1924 werd in opdracht van Ledeboer de Marie-Paulinehoeve gebouwd. Het werd in die tijd gezien als een schoolvoorbeeld voor moderne boerderijenbouw. In de uitgave Boerderijen in Nederland van de Nederlandsche Heidemaatschappij in 1941 werd de Marie-Paulinehoeve met foto en plattegrond opgenomen.

Behalve de Marie-Paulinehoeve komen we in het boek van de Heidemij ook de Lelianahoeve tegen, gebouwd op het landgoed De Blaarpeel in De Rips. Pieter Schoen uit Zaandam kocht in totaal ca 200 hectare van de Ripse Heide en bouwde daarop een aantal boerderijen, die verpacht werden. Het meest bijzondere gebouw daarvan is de Lelianahoeve, gebouwd in 1930. De boerderij is bijzonder gaaf gebleven. Alleen de raamindeling van het woongedeelte is gewijzigd.

Terug naar Abraham Ledeboer. Naast De Sijp in Elsendorp had hij in Bakel nog zo’n 800 hectare heide gekocht op de Stippelberg. Dit gebied werd niet geschikt geacht voor ontginning tot weiland en werd op grote schaal bebost. Middenin het gebied bouwde Abraham voor zichzelf een villa met lange oprijlaan, de Ledeboerlaan.

Landgoed Bunthorst en De Vinkepeel Nog verder De Peel in, in De Rips en in het aangrenzende deel van Oploo werd het landgoed Bunthorst/Vinkepeel gesticht door de gebroeders Jan-Berend en Adam Roelvink, directeuren van de Twentse bank en goede kennissen van Abraham Ledeboer. Vanaf 1903 begonnen ze met heidegronden op te kopen. Meteen werd begonnen met het ontginnen van het gebied dat we nu kennen als De Vinkepeel, vernoemd naar de Roelvinken. In de gemeente Oploo kochten de broers de Bunthorst op. Het grootste deel van de Bunthorst werd ingericht als buitenplaats rondom de villa “Grote Slink”, die nu de naam ‘Bronlaak’ heeft, door de landschapsarchitect Leonard Springer. Het landgoed is nu bekend onder de naam Grote Slenk/Bunthorst en is grotendeels eigendom van Brabants Landschap. Een klein deel van De Bunthorst werd ontgonnen en er werd onder architectuur van S. Schaap uit Sneek een Friese stolpboerderij gebouwd, de Christinehoeve in Oploo. In de Vinkepeel onder De Rips verschenen soortgelijke boerderijen: hoeve Honus (1924), Groot Tammel (1925), Plekenpol (1925), Wooldink (1927), naast boerderijen met een iets andere signatuur, zoals de Friese Peel, De Vinkepeel, De Vale Peel, Jan Berendhoeve, De Aarlese Peel, Judith hoeve en Sparrenhof. De Gemertse aannemer Janus van Eupen bouwde de boerderijen.

Naast de vele boerderijen op landgoed Bunthorst en in de Vinkepeel verschenen er ook boswachterswoningen en landarbeidershuizen. De dubbele woning aan de Jan-Berendweg 2-4 staat inmiddels op de monumentenlijst.

Het hele gebied Grote Slenk-Bunthorst-Vinkepeel ademt de sfeer van een landgoed en buitenplaats. Niet alleen het gebied direct rond de villa Bronlaak werd landschappelijk ingericht, maar er was ook aandacht voor de Vinkepeel met zijn lange rechte lanen. Verspreid over het gebied monumentale boerderijen, afgewisseld met voormalige arbeiderswoningen en boswachterswoningen. Centraal de villa Bronlaak en het later afgebrande landhuis Bunthorst en het zomerverblijf van de nazaten van de Roelvinks. Op landgoed Grote Slink vinden we tenslotte het graf met grafzerk van één van de stichters Adam Roelvink en diens echtgenote Christine Willink.

Literatuur en bronnen

Sjang Hoeymakers, Houtvesterij De Peel,
Bijdrage tot de geschiedenis van Gemert deel 12, Gemert 1986.
P.H.M. Thissen, Heideontginning en modernisering, in het bijzonder in drie Brabantse peelgemeenten 1850-1940, uitgeverij Matrijs, 1993
Jan Timmers, Wim van de Vossenberg, Rein van den Broek, Boerderijen kijken in Gemert-Bakel, Gemert in Beeld, deel 10, Gemert 2003.
Sjang Hoeymakers, Over Janus van Eupen, bouwer in de Peel. Gemerts Heem jrg 26 (1984), 4, blz 106-110.
Verder is dankbaar gebruik gemaakt van de bestanden van bouwvergunningen in het gemeentearchief van Gemert en Bakel.
Tenzij anders vermeld zijn de foto’s van de auteur.

Bekijk PDF

GH-2007-03 Het Slotje: adellijk huis Lanckvelt

Jan Timmers

Veel oude kaarten uit de 16de en 17de zijn vaak niet gedetailleerd en bevatten vaak alleen de belangrijkste beken en doorgaande wegen, terwijl de dorpen alleen worden weergegeven als er een kerk of kasteel staat. Dorpen worden dan veelal aangegeven door eenzelfde symbool van een kerk of een kasteel. Bij het dorp Gemert staan op een aantal van dergelijke kaarten niet één, maar twee kastelen aangegeven. Met het ene kasteel wordt ongetwijfeld het Gemertse kasteel van de Duitse Orde bedoeld. Bij het andere kasteelsymbool staat bijgeschreven “huis Lanckvelt” of gewoon “Lankvelt”. Het feit dat het huis Lanckvelt afzonderlijk staat ingetekend op kaarten uit die periode geeft aan dat het niet ging om zomaar een groot huis, maar dat het betreffende gebouw kennelijk het aanzien en het belang had van een kasteel. Voor de eigenaren en bewoners van het huis Lanckvelt zal ook hebben gegolden dat het een voorname familie betrof met veel aanzien en kennelijk ook met de nodige financiële middelen.

Uit de bronnen wordt duidelijk dat de eigenaren tot in de 17de eeuw leden waren van de familie Van Lanckvelt. Meerdere generaties Goyart van Lancvelt zijn achtereenvolgende eigenaren. De meeste Jonkers van Lanckvelt, zoals ze vaak werden aangeduid traden op als schout en hadden naast het huis Lanckvelt nog meerdere bezittingen zowel binnen als buiten Gemert. De familie Van Lanckvelt stierf aan het eind van de 17de eeuw uit, terwijl het huis al enige tijd door andere families werd bewoond. De naam Huis Lanckvelt verdwijnt dan ook uit de bronnen, terwijl tegelijkertijd als aanduiding vanhetzelfde huis de naam Het Slotje zijn intrede deed. Tot in de twintigste eeuw werd deze naam gebruikt voor de plaats waar het oude kasteeltje stond en waar daarna twee boerderijen verschenen. Bij de bouw van de woonwijk Molenbroek werden deze boerderijen gesloopt. Het Slotje is alleen blijven voortleven in een straatnaam in de wijk Molenbroek, die in de buurt van het voormalige Slotje werd aangelegd.

Dat het huis Lanckvelt een aanzienlijk en voornaam gebouw was blijkt niet alleen uit het voorkomen als een kasteel op oude kaarten. A.C. Brock maakte een tekening van het gebouw in de jaren 1820/1825 1. De vorm en de hoogte van het gebouw met de bijbehorende bijgebouwen wijzen duidelijk in de richting van een aanzienlijk bezit, terwijl op dat moment de glorietijd van het huis Lanckvelt al achter de rug is. Op dezelfde tekening is ook duidelijk een stuk van een gracht aanwezig. Op de oudste kadasterkaart van ca 1830 van de omgeving van Het Slotje is eveneens een groot stuk gracht ingetekend. De gracht vormt op dat moment geen omsloten terrein meer, wat voorheen wel het geval is geweest.

De familie Van Lanckvelt

De Jonkers van Lanckvelt waren leden van een adellijke familie, een jongere tak van de familie Van Erp. De familie Van Erp voerde als wapen een van zilver en rood geblokt schuinkruis op een zwart veld. Het huidige gemeentewapen van Veghel is hieraan ontleend. De familie van Lanckvelt voerde hetzelfde wapen, maar voegde er in het schildhoofd een penning of koek aan toe. Wapens van leden van de familie Van Lanckvelt zijn bekend omdat zij als schepen van de stad Den Bosch meerdere schepenacten van hun zegel hebben voorzien.

De familie Van Lanckvelt heeft zijn oorsprong in Erp. De oudst bekende Van Lanckvelt is Leunis van Lanckvelt, zoon van Peter Leunis van Erp. Leunis van Lanckvelt is in 1379 schepen van Den Bosch. Hij is ook leenman van de hertog van Brabant voor het leengoed Lankvelt, dat in Erp ligt. We zien hier het in de middeleeuwen veel voorkomend ver schijnsel dat iemand zijn familienaam ontleent aan het belangrijkste bezit dat hij heeft. Het goed Lanckvelt in Erp was al langer in bezit van de familie Van Erp, maar Leunis was de eerste die zich hiernaar heeft genoemd. Opvolger als leenman van het Erpse Lanckvelt was Leunis’ broer Goyart Peters van Lanckvelt. Ook hij en zijn opvolgers noemden zich naar het leengoed Lanckvelt 2.

De kleinzoon van deze Goyart van Lanckvelt, ook Goyart geheten, huwt met Jenneke van Gemert, dochter van Goyart Diederikszoon van Gemert en komt daardoor in Gemert terecht. Hij blijkt de bouwer te zijn van het huis Lanckvelt in Gemert. Dit huis Lanckvelt in Gemert moeten we dan ook niet verwarren met het leengoed Lanckvelt in Erp.

Samengevat: het leengoed Lanckvelt ligt in Erp en is de naamgever van de familie Van Lanckvelt. De familie Van Lanckvelt bleef tot in de 17de eeuw leenman van dit hertogelijk leengoed. Nadat leden van de familie van Lanckvelt in Gemert een nieuw adellijk huis voor zichzelf bouwden kreeg dit de naam “Huis Lanckvelt”, genoemd naar de familie die het bouwde en bewoonde.

De bouw van het huis Lanckvelt 

Goyart van Lanckvelt, de echtgenoot van Jenneke van Gemert, was in veel opzichten de erfgenaam van de Van Gemerts. Van de vier zonen van Diederik van Gemert, die in 1366 de heerlijkheid Gemert overdraagt aan de Duitse Orde, blijft alleen de jongste zoon, Goyart van Gemert, in Gemert actief. Na de ruzies van de Van Gemerts met de Duitse Orde zien we Goyart van Gemert optreden als stadhouder van de commandeur van Gemert. Goyart’s schoonzoon Goyart van Lanckvelt neemt een aantal goederen over van zijn schoonvader 3. In 1453 en 1454 blijkt Goyart van Lanckvelt schepen van de stad Den Bosch te zijn. Goyart van Lanckvelt was dus een belangrijk persoon zowel binnen als buiten Gemert. Bij een belangrijk persoon hoort een belangrijke woning. In 1442 verkoopt Goyart van Lanckvelt, zoon van wijlen Peter, man van Jenneke dochter van Goyart van Gemert, een cijns van 6 mud rogge aan Lodewijk van Helmont, natuurlijke zoon van wijlen heer Jan van Berlaer, heer van Helmond en Keerbergen gaande uit zijn hoeve Ten Hogen Aarle en uit een huis met bijbehorende hof, weiden en akkerland, waarvan de belendenden zijn: Arnt Vrient van Beke, Henrick Arnts en de weg genaamd de Beverdijck 4. Uit latere stukken blijkt dat dat laatste huis later genoemd gaat worden “het huis Lanckvelt”. Immers van het huis Lanckvelt wordt anno 1495 vermeld over de ligging: “neven erfve Dyrck van Driell en erve Teuwen Denis, de Beverdijck en die Deelstraet” 5. Dirk van Driel was leenman van het goed Ter Beverdijck dat aan het huis Lanckvelt grensde. Dirk had het uit de nalatenschap van zijn schoonvader Arnt Vrient van Beek. Toen in 1443 deze Arnt Vrient van Beek het goed Ter Beverdijck in leen kreeg werd Goyart van Lanckvelt vermeldals zijn buurman 6. Uit het bovenstaande blijkt dat in 1442 het huis Lanckvelt al bestond en dat Goyart van Lanckvelt de eigenaar was.

In de lijsten van erfpachtgoederen van de Duitse Orde wordt het huis Lanckvelt ook genoemd. Daaruit blijkt dat de Van Lanckvelts vanwege het bezit van het huis aan de Deelstraat een belangrijk deel van de erfpacht van het goed Ter Watermolen moeten betalen 7.

Hieruit blijkt dat het huis Lanckvelt een afsplitsing is van dit goed. Het goed Ter Watermolen wordt in 1407 door de Duitse Orde in erfpacht uitgegeven aan Gherit Steynken. Bij die uitgifte is nog geen sprake van andere huizen of gebouwen als onderdeel van Ter Watermolen. Het goed Ter Watermolen blijkt op dat moment ook direct te grenzen aan het goed van Lucas van Beek, de vader van de hierboven genoemde Arnt Vrient van Beek, en op dat moment eigenaar en leenman van het goed Ter Beverdijck 8. Het huis Lanckvelt moet dus na 1407 zijn afgesplitst van Ter Watermolen. Gezien de vermeldingen van Goyart van Lanckvelt zal hij tussen 1430 en 1435 zijn gehuwd met Jenneke van Gemert. We mogen aannemen dat de bouw van het huis Lanckvelt in diezelfde periode heeft plaatsgevonden.

De jonkers Van Lanckvelt

Het huis Lanckvelt werd door meerdere generaties Van Lanckvelt bewoond, die opvallend genoeg allen de voornaam Goyart hadden. Het gaat te ver om in het kader van dit artikel de familiegeschiedenis van de Van Lanckvelts te beschrijven. We zullen ons beperken tot de bewoners van het Huis Lanckvelt 9. Eén uitzondering daarop: de Gemertse humanist Georgius Macropedius, in gewoon Nederlands Joris van Lanckvelt, was een kleinzoon van Andries van Lanckvelt, één van de bastaardkinderen van Goyart van Lanckvelt, de bouwer van het Huis Lanckvelt 10.

Goyart Peters van Lanckvelt, de bouwer van het huis Lanckvelt, moet omstreeks 1475 zijn overleden. Zijn zonen Peter en Goyart van Lanckvelt treden kort daarop (begin 1476) op als “bemiddelaar” bij de overdracht van de restanten van het domeingoed van de Van Gemerts, bestaande uit het Hooghuis en het bijbehorende Hofgoed. Samen met andere familieleden kopen zij delen van de kern van dit Gemertse domeingoed op om het daarna in zijn geheel te verkopen aan mede-erfgenaam Henrick Celen. In 1484, na de dood van Henric Celen, gebeurt dat nogmaals. Goyart Goyarts van Lanckvelt koopt de goederen afkomstig van Henrick Celen om ze vervolgens door te verkopen aan Leunis van de Velde 11. Goyart van Lanckvelt was van 1474 tot 1488 schout van Gemert. In 1479 wordt hij eigenaar van het huis Lanckvelt genoemd. In 1505 is hij overleden. Hij had bij Ermgard Jan Wolfs een aantal natuurlijke kinderen, die door een later huwelijk alsnog gewettigd werden. Zijn oudste zoon Goyart Goyarts van Lanckvelt was de derde achtereenvolgende eigenaar van het huis Lanckvelt. Hij was gehuwd met Lucia (Sijke) Willems en overleed in 1531. Zijn zoon Peter van Lanckvelt volgde hem in dat jaar op als leenman van het goed Lanckvelt in Erp en het goed Haenvelt in Veghel. In 1535 overlijdt Peter, waarna zijn broer Goyart leenman wordt12. Na Goyarts dood hertrouwde Sijke Willems met een andere Gemertse notabele, Jan Valks.

De vierde opvolger in het Huis Lanckvelt was jonker Goyart Goyarts van Lanckvelt de Oude. In 1598 treedt hij in de Gemertse schepenprotocollen op als 75 jarige getuige. Hij zal dus ca 1523 zijn geboren. Hij overleed voor 1608 en in 1615 wordt Hilleke Jan Gelis zijn weduwe genoemd. Hij is de vader van nummer vijf: jonker Goyart Goyarts van Lanckvelt de Jonge, die ca 1558 geboren zal zijn. De jonge Goyart blijkt gestudeerd te hebben in Den Bosch, Douai en Luik en is van 1591 tot 1620 schout, superintendent en rentmeester van de heerlijkheid Heeze en Leende13. In die periode woonde hij niet op het Huis Lanckvelt. In 1591 wordt immers in Geldrop geboren “de eerste dochter van onze schout Godefridus van Lankvelt”. Uit de leenverheffing van het Erpse goed Lanckvelt in 1633 blijkt dat hij na zijn schoutsambt toch weer naar Gemert terugkeerde. Dat blijkt ook uit een schepenakte van Heeze uit 1624, wanneer Goyart gevraagd wordt om in zijn voormalige werkomgeving als arbiter op te treden bij een geschil. Er wordt dan expliciet vermeld dat Goyart in Gemert woonachtig is.14. Het Huis Lanckvelt zal na zijn dood niet meer bewoond worden door leden van de familie Van Lanckvelt. De naam Huis Lanckvelt verdwijnt in die periode om plaats te maken voor de benaming Het Slotje.

Maria van Lanckvelt, vrouwe van Milheeze en haar erfgenamen

Goyart Goyarts van Lanckvelt de Jonge huwde met Maria van Eijck. Zij hadden een dochter Maria en een zoon Goyart. Hun zoon Goyart is vroeg gestorven, dochter Maria is de enige erfgename en wordt de volgende eigenaresse van Het Slotje. Maria van Lanckvelt huwde eerst met de Bossche schepen Jacob van de Cammen en na diens dood huwde ze voor de tweede maal in 1631 met haar volle neef Robert de Bever, zoon van Jan de Bever en Arnolda van Eijck. Het echtpaar woonde in Berlicum op het adellijk huis Beekvelt.

De twee zussen Maria en Arnolda van Eijck waren van moederskant erfgenamen van de vermogende familie Pels, die vooral in Berlicum en omgeving vele bezittingen had en onder meer ook de heerlijkheid Milheeze bezat. Door het kinderloos overlijden van de laatste Pels die heer van Milheeze was, werd eerst Johan de Bever en later diens zoon Robert de Bever de volgende heer van Milheeze. Na het overlijden van Robert in 1656 werd zijn weduwe Maria van Lanckvelt vrouwe van Milheeze. Als Maria in 1672 overlijdt worden haar kinderen uit haar eerste huwelijk, Maria, Jacob en Jacqulina van de Cammen, haar erfgenamen. Rogier van Broekhoven, de man van Jacqulina van de Cammen, wordt heer van Milheeze 15. De gezamenlijke erfgenamen verkopen op 12 december 1679 voor schepenen van Gemert “een huijsinge, hof, schuur, land en groes te Gemert in die Dele, genaamd Het Slotje, 37 loopensaten groot” aan Dirck Jansen de Smidt16. Voordien werd het Slotje al verhuurd. Dat blijkt uit het volgende citaat van Gerlacus van den Elsen, als hij een “geuzeninval” in Gemert op 15 mei 1649 beschrijft: “Ook drongen zij in het huis van Jonkheer Robert de Bever, bewoond door Salomon Willems, bij wien zij enige kerkelijke meubelen en kostbaarheden dachten te vinden. Zij braken er alle kasten en kisten open en namen verscheidene meubelen mede”.17

De latere eigenaren

In 1679 koopt, zoals we zagen, Dirck Jan Goorts de Smidt het Slotje van de erfgenamen van Maria van Lanckvelt. Volgens het leggerboek van de Commanderij Gemert is Dirk Jan Goorts de Smidt nog steeds een deel van de erfpacht van het goed Ter Watermolen verschuldigd, als eigenaar van “het Slootje ante Lanckveldt” (het Slotje voorheen Lanckvelt)18. Een beter bewijs dat het huis Lanckvelt later het Slotje werd genoemd kan bijna niet. Dirk was koopman, die in ieder geval een wijnhandel dreef met een behoorlijk grote omzet. Voor het inkopen van wijn bij de Keulse wijnhandelaar Matthijs Gobels heeft hij een schuld gemaakt van maar liefst “twee hondert acht en viertich Rijxdalers”, waarvoor hij op 5 december 1681 het Slotje als onderpand geeft, “gelijck hij deselve tesamentlijck in coop heeft vercregen tegens den heere van Brouckhoven” 19. Ook maakt hij schuld bij de landcommandeur via de zogenaamde Cortenbachse renten. Het lijkt erop dat hij die schulden niet naar behoren heeft kunnen aflossen. Zijn dochters Maria en Jenneke stellen het Slotje in 1715 opnieuw als onderpand en pas op 3 april 1733 wordt de schuld ingelost door Willem Daniel van den Broeck, oud president-schepen van Gemert.20 Hij is dan kennelijk de nieuwe eigenaar geworden en als in 1716 zijn dochter Catharina van den Broek trouwt met meester Gijsbert van Maanen worden zij de volgende eigenaars van het Slotje. In 1753 bestemt Gijsbert van Maanen de inkomsten uit “de goederen genaamd Het Slotje, bestaande uit twee woningen, hoven en aanhorige landerijen omtrent 28 lopense groot, renderende 40 gulden per jaar per woning” voor de priesteropleiding van zoon Arnold. Op 11 november 1779 is de erfdeling van de goederen van mr Gijsbert van Maanen en Catharina Willems van den Broeck. Joseph Verstegen, die getrouwd is met hun kleindochter Catharina Verhofstadt, krijgt “huisinge van ouds genaamd Lankvelt met groes en teulland tussen den Beverdijk en de Deelsestraat”. Op dat moment nog ongeveer 20 lopense groot.21 In het landboek, aangelegd in 1716, staat het huis Lankvelt onder nummer 1117 genoteerd. Daar worden de volgende achtereenvolgende eigenaars vermeld.22

Dirck Jansen den Smidt, huys en aengelagh genaemt het huys te Lanckvelt gelegen tussen de straet en den Beverdijck
Willem van den Broeck, idem
Gijsbert van Maanen, idem
Joseph Verstegen, idem

Bij de invoering van het kadaster in 1832 staat als eigenaar te boek Jan Willem van Lijssel, gehuwd met Maria Anna Verstegen, de dochter van Joseph. Diens dochter Petronella van Lijssel huwde in 1823 Adrianus van Zeeland. Toen hun oudste zoon Godefridus omstreeks 1855 trouwde werd het Slotje gesplitst en verbouwd tot twee boerderijen. Tot de sloop van de gebouwen op Het Slotje in 1969 bleven nakomelingen van Godefridus van Zeeland op het Slotje wonen. De laatste bewoners van de twee boerderijen waren de families Biemans en Slits.23 Een omschrijving geven van het Huis Lanckvelt, zoals het werd gebouwd in de 15de eeuw is een hachelijke onderneming. Duidelijk is dat volgens de toenmalige normen een vooraanstaand adellijk huis werd gebouwd. Daar hoorde een omgrachting bij. Op de kadasterkaart van 1832 zijn ter plaatse twee gebouwen aanwezig met nog deels daaromheen de restanten van een brede gracht. Op de topografische kaart uit ongeveer dezelfde periode herkennen we diezelfde gracht, maar de oostelijke tak van de gracht blijkt verder naar het noorden door te lopen. Bovendien is op de topografische kaart buiten de brede binnengracht nog een smallere buitengracht aangegeven. In 2001 werd op de plaats van Het Slotje een booronderzoek uitgevoerd door de Archeologische Vereniging Kempen en Peelland met als doel de oorspronkelijke loop van de gracht beter in beeld te krijgen. Door de aanwezigheid van de bebouwing en gedeeltelijke verharding van het terrein is dat maar gedeeltelijk gelukt. Wel bleek dat aan de noordkant van Het Slotje ook een gracht gelegen heeft. Dat betekent dat de brede binnengracht een gesloten rechthoekige vorm had, waarbinnen de gebouwen zich bevonden24. Tijdens rioleringswerkzaamheden in de buurt van het terrein kon Jos van Schijndel nog verdere waarnemingen doen. Uit die waarnemingen bleek dat er inderdaad een tweede, smallere gracht aanwezig was in ieder geval aan de zuidzijde en de oostzijde. Of er aan de noordkant en de westkant ook een buitengracht aanwezig was, kon helaas niet worden vastgesteld. Concluderend kunnen we zeggen dat er een rechthoekige (binnen)gracht aanwezig was, waarbinnen de gebouwen waren gelegen. Op iets grotere afstand was er minimaal aan twee zijden een tweede (buiten)gracht aanwezig, die smaller was dan de binnengracht. Als we dat patroon intekenen op de kadasterkaart van 1830 en vervolgens dat geheel projecteren op de huidige situatie, dan krijgen we onderstaand overzicht. Met dikke zwarte lijnen is het grachtenpatroon weergegeven. We zien dat de binnengracht en de gebouwen nagenoeg helemaal op het huidige plantsoen liggen tussen de Louis Couperusstraat, de woningen aan Het Slotje en de Torrentinusstraat. De mogelijkheid dat de buitengracht ook een gesloten rechthoek vormde, helemaal om de binnengracht moeten we echter niet uitsluiten. Uit de 15de eeuw kennen we nog twee andere omgrachte hoeven, die naast een binnengracht ook een (smallere) buitengracht hadden. Eén ervan is de hoeve Ten Hogen Aarle, die eveneens eigendom was van de familie Van Lanckvelt. Zowel binnen als buitengracht vormden daar een gesloten rechthoek. De hoeve Hazeldonk in Gemert was aan drie zijden omgeven door een dubbele gracht. Het aanleggen van een buitengracht was kennelijk niet ongebruikelijk.25

De gebouwen

Van het vroegere huis Lanckvelt is slechts één tekening bewaard gebleven. De tekening moet dateren uit de periode 1820-1825. De afbeelding laat duidelijk een gebouw zien met het uiterlijk van een kasteel of adellijke woning. Hoge bakstenen gevels met een bijzonder vormgegeven topgevel. Het gebouw heeft twee verdiepingen en nog een zolderverdieping, terwijl de aanwezige steunberen wijzen op de aanwezigheid van een kelder. Naast het hoofdgebouw zijn nog twee bijgebouwen weergegeven. Eén ervan lijkt vast tegen het hoofdgebouw te staan. Het andere bijgebouw heeft meer het uiterlijk van een boerderij, maar was wel via een muur verbonden met het hoofdgebouw. Alles bij elkaar lijkt een gesloten hof aanwezig te zijn, bestaande uit een prominent hoofdgebouw en lagere bijgebouwen. Op de voorgrond van de afbeelding is het water van de binnengracht zichtbaar, omzoomd door begroeiing. Op het moment dat Brock zijn tekening maakte was de glorietijd van het huis Lanckvelt al verleden tijd. We zagen al dat in 1753 Het Slotje uit twee woningen bestond met toen nog één eigenaar. Ca 1855 werd het eigendom gesplitst in twee boerderijen. Het oorspronkelijke huis Lanckvelt werd verbouwd en “degradeerde” tot boerderij. Foto’s van de toen ontstane situatie laten zien dat één van de twee boerderijen een bijzonder uiterlijk heeft. Het hoge muurwerk met twee verdiepingen is ongetwijfeld een restant van het voormalige Slotje.

De toekomst

Aan een middeleeuwse adellijke woning met grachten, waarvan momenteel niets meer zichtbaar aanwezig is, is het in het algemeen zinloos om te praten over de toekomst van een dergelijk object. In de reconstructie van de oorspronkelijke plaats van Huis Lanckvelt of Het Slotje valt echter wel op dat het terrein tot op heden onbebouwd is en grotendeels is opgenomen in een plantsoen. Je kunt je afvragen of het destijds wel nodig was om de aanwezige gebouwen te slopen, maar de huidige opvattingen over onze voorgeschiedenis en de waarde van historische objecten is in de loop der jaren fors veranderd. Nieuwe inzichten en nieuwe ontwikkelingen dienen zich aan. Zo is het bij de aanleg van nieuwe woonwijken gebruikelijk om in de wijk gescheiden rioolsystemen aan te leggen met daarbij horende waterpartijen die overtollig regenwater opvangen en vasthouden. De wijk Molenbroek is een bestaande wijk, maar ook daarvoor geldt dat gescheiden rioolsystemen en lokale wateropvang in de toekomst overwogen zullen worden. De grachten rond het Huis Lanckvelt kunnen in die situatie worden gereconstrueerd tot wateropvang. Een mogelijke toekomst van een verdwenen historische plek.

NOTEN:
1. A.C. Brock, De stad en meierij van ‘s-Hertogenbosch of derzelver beschrijving, handschrift ca 1825
2. Raad van Brabant, inv nr 1111, Strickgrefier, f119-121.
3. Goyart van Gemert had drie dochters en een buitenechtelijke zoon Dirk, die later gewettigd werd. Dirk bouwde een carrière op in de Duitse Orde als commandeur van Ramersdorf en Bernissem. Zie verder Hans Vogels, De adellijke familie van Gemert in: A.Thelen, Het Hooghuis te Gemert, Bijdragen tot de geschiedenis van Gemert nr 27, Gemert 2001.
4. Bossche Protocollen (BP) R1213 f191v.
5. Gemert R98 akte 68 dd 29.12.1495
6. leenregister Kommanderij Gemert in archief Commissie van Breda (CvB) inv nr 430, folio 72 t/m 74
7. archief Commissie van Breda inv nr 430 folio 4
8. BHIC, Kommanderij archief van de Duitse Orde Gemert (KADOG) inv nr 685
9. Gegevens zijn grotendeels ontleend aan J. van Lankveld, manuscript genealogie Van Lankveld, collectie heemkundekring en uit de regesten van de Gemertse schepenprotocollen
10. Leven en werken van een Brabantse humanist, Georgius Macropedius; Henk Giebels en Frans Slits; Stichting Zuidelijk Historisch Contact Tilburg, 2005; blz 34.
11. BP 1475/76 f91 en 92, BP 1484/85 f180 dd 30-12-1484 en dd 12-2-1485
12. Raad van Brabant, inv nr 1111, Strickgrefier, f119-121
13. Volgens een schepenakte van Heeze dd 20-1-1612; bron: Geschiedenis van Leende; Dyt gheyt aen der kyrcken van Leendt, hoofdstuk 6, op www.leende.dse.nl. In de Helmondse schepenprotocollen wordt hij in 1620 ook genoemd “superintendent van Heeze en Leende”. Verder: Ad Otten, De academische opleiding van een zestiende eeuwse schout, Gemerts Heem 1986, nr 4, blz 122 e.v.
14. Raad van Brabant inv nr 1130 f67 en Geschiedenis van Leende, hoofdstuk 2
15. Gegevens van de families Van Eijck, Pels, De Bever en verwanten zijn in diverse artikelen in het tijdschrift Taxandria beschreven. De belangrijkste gegevens ook in: De twee kastelen Ter Aa te Berlicum, Wim van der Heijden, Berlicum 2000. Wim van der Heijden duidt Maria van Lanckvelt aan met de naam “van Lengsveld” en haar moeder Maria van Eijck soms met de naam “Van Vechel”. Hij gaat er ook ten onrechte van uit dat deze “Maria van Vechel” geen erfgename van de familie Pels is. Ook in de genealogische fragmenten in het tijdschrift Taxandria over de familie Van Eijck worden de relaties niet altijd goed weergegeven.
16. Gemert R121, regest nr 437. Regesten van de Gemertse schepenprotocollen van de hand van Simon van Wetten bevinden zich in de collectie van de heemkundekring.
17. Geschiedenis van de Latijnse School te Gemert, Gerlacus van den Elsen Ord. Praem., ‘s-Hertogenbosch 1887, blz 168.
18. KADOG inv nr 1056
19. Gemert R121 dd 5-12-1681
20. Gemert R127 dd 9 april 1715
21. Gemert R153 dd 11-11-1779
22. Gemeente Archief Gemert inv nr 414. Een transcriptie van het landboek is ook beschikbaar via www.heemkundekringgemert.nl.
23. zie Ad Otten, De lotgevallen van een Gemertse generaal, Gemerts Heem 1982 nr 3 blz 77 en Peter van den Elsen, Het land van de boerenapostel, Gemert in beeld nr 6, pagina 145 en 146.
24. Ria Berkvens, Booronderzoek Middeleeuwse Hoeven Gemert-Bakel, AVKP rapport, juli 2001.
25. J. Timmers; Omgrachte terreinen in de Middeleeuwen in Gemert; Het Brabants Kasteel vol.19 (1996) nr.2 (November) p.39-51

Bekijk PDF

GH-2007-03 Enige aanvullende gegevens betreffende de herberg In Den Pellicaen

2011-4 kap0 Martien Verbruggen

In december 2005 werd er door de Stichting Gemert Vrijstaat een vergulde pelikaan geplaatst op de poort naast de Ridderhof als herinnering aan de herberg In den Pellicaen. Naar aanleiding hiervan verscheen er een artikel in Gemerts Heem, waarin deze historische plek werd beschreven.1 In het eveneens in Gemerts Heem reeds eerder beschreven Brabants Studentenboek, alias Memorieboek van Henricus van Gemert2 is ook enkele malen sprake van de Pelikaan, en die notities willen wij u niet onthouden, omdat ze het plaatje toch weer wat verder inkleuren.

Het betreffende boek kwam na het overlijden van priester Hendrik van Gemert in 1793 in handen van zijn zus Christina, en zij noteerde het volgende:

‘1793 den 20 November heb ick verhurt den pelekaen aen Thedores van der Wilghe en sijn vader is borgh en alle viedeler jaer te betale voor de soom van 70 gulde aen te verde den hof te half Meert en huijs en schuer te zijnsse (= Pinksteren) al in jaer 1794.’2007-3 kap3

In het bovengenoemde artikel in Gemerts Heem staan op gezag van Het Landboek als eigenaars van de Pelikaan op een gegeven moment genoemd: de weduwe van Hendrik van de Bichelaer, daarna Hendrik van Gemert de Jonge en vervolgens Hendrik Joannes Corstens. Waarschijnlijk is het pand van de familie van de Bichelaer naar de familie van Gemert overgegaan via Josijna van den Bichelaer, die getrouwd was met Henricus van Gemert, grootvader van Christina.

Het is me niet duidelijk of Christina als zij in 1793 de aangehaalde notitie maakt de enige eigenares van de Pelikaan is, of dat zij mogelijk namens de familie van Gemert de familiebezittingen beheert.

De in het Landboek genoemde volgende eigenaar, Hendrik Joannes Corstens, linnenfabrikant, was een schoonzoon van Christina van Gemert, want getrouwd met haar dochter Josina Verhofstadt.

Nu iets over de huurder, Theodorus van der Willigen. Hij was een aangetrouwde kleinzoon van Christina van Gemert, want gehuwd met een dochter van Christina’s zoon Albert Verhofstadt. Ik ken hem overigens als koopman en winkelier, niet als herbergier.

Hoe dat ook zij, Christina noteert in het Memorieboek keurig jaar op jaar dat hij de huur ‘voor de pelekan’ over het voorgaande jaar heeft voldaan. Wat daarbij nog opvalt is, dat zij vanaf 1797 nadrukkelijk schrijft dat het de huisvrouw van Theodorus is die de huur betaalt (terwijl hij pas in 1845 zal overlijden). Tot en met 1802 gaat dit zo door en als Christina op 10 juli van dat jaar overlijdt en het boek overgaat naar haar schoondochter Ida Scheepers, noteert de laatste nog één keer dat de huur is voldaan en wel over 1803.

Overigens waren er over de betreffende jaren ook onkosten aan de Pelikaan te melden. Zo zien we voor het jaar 1793 genoteerd:

‘voor reprasie aen de pelicaen en aghter de woninghe op den Dries voor arebijt, loon en kalck panne en hout, 18-1-0

nogh aen de port, 0-3-10

voor reprasie aen den pelicaen, 68-8-0′

En in 1796 nogmaals:

‘reperase aen de pelicaen, 9-0-0’

Tot zover de notities in het Memorieboek.

Martien Verbruggen

NOTEN:

1. Ad Otten, ‘In den Pellicaen’ en ‘In de Olde Kerke’. Gemerts Heem 2005, no. 3, blz. 16-24.

2.; Ad Otten, ‘Uit het Memorieboek van Henricus van Gemert (1714-1793), Gemerts Heem 1990, no. 1-2, blz. 10-12; Martien Verbruggen, ‘Uit het Memorieboek van Henricus van Gemert, deel 2’, Gemerts Heem 1990, no. 4, blz. 100-107.

 

Bekijk PDF

GH-2007-03 Afskejd?

 

Martien van der Wijst

Óns moeder zí aald, as iemes d’r aojttròk òf verheusde

No ’t kloster, no Kannedá òf gewoon már no de Vlojen Eengd:

“D’r wort óvveral wél broud gebákke”

Már ok:

“Dénk nie dè ge érges alles veengt.”

As jeungske hùrden ik ze dè héél dik zégge

Ik bén mí die twaë gedaachte ópgegroejd.

Ik weet naw dè ge óvveral kaant laëve

Èn ok

Dèt ‘r áchter ‘ne mèshoup dik ’n bluumke bloejt.

Ik ging al gaow, al wás dè toew nòg wél bezunder,

Elaën ’t haojs aojt èn dè v’randere beviejl me ’t míst

Wír ífkes trug èn wír ewég èn nòg wa zuujke

Èn dan

Vùrgoewd, behalve dan mí Kòrsmes, Posse òf ’n aander físt.

Ik tròf toew lèùj án die héél anders protte

Òf die niks gelaojfde van alles wa ik ha gelaërd

Èn dinge dín die óns moeder d’raajge nie vùr kós stélle

Már tòch

’t Wás anders, már dè is nie aald verkaërd.

Ik wéénde, wárdeerde èn wás blééj mí alles

Ik vuulde me zouwe hillemol in m’n íllemènt

Ik worde gewaar, dè ik niks èn niemes héb verlorre

Èn wis

Ik bén mí bèèj de wírrelde kóntènt.

Ik praot ok nòg aëve plat as vruuger

In ’t Braabants druk ik me nòg daojdeleker aojt

Ik gou gaër trug, már aald vùr ífkes,

Dè is

Umdè ik ok óvver aander plátse staojt.

Ik kéén de taol dus èn ok de gewontes,

D’n ánpák èn de ‘veezels van ’t gemoed’

Ik weet ok wa geméénd is òf geraoje

Èn zooë

Ok wa ge wél òf nie òf anders doet.

Èn dan de vraog: Wás ’t afskejd neeme

Toew ik “hawdoew” zí mí die gebraojkeleke wèns ?

Naë, want van Braabant ècht afskejd neeme

Gelaojf me

Dè kan gín énkel zinneg mèns!

Bekijk PDF

GH-2007-03 Wat betekent Gemert?

 

Ad Otten

In het verleden is er al vanalles ‘verzonnen’ om de naam Gemert te verklaren. Want Gemert heet natuurlijk niet zomaar Gemert. Maar om die naam te verklaren viel niet mee. De ene verklaring was nog fantastischer dan de ander. Wat te denken bijvoorbeeld van de verklaring als ‘aardsparadijs’? Gem, gim of gam zouden we in het Engels nog kennen als game = spel, en ‘ert’ is gewoon aarde, wist iedereen die een klein beetje thuis was in de Gimmertse taol. De combinatie van ‘game’ en ‘ert’ leverde vervolgens ‘spel’ (op) ‘aarde’, en via speeltuin, lusthof kwam men tenslotte tot ‘aardsparadijs’. Kostelijk!

Zo is er ook het verhaal dat Gemert afgeleid zou zijn van het feit dat het begon als een nederzetting die heel hard groeide en waarvan men vol bewondering telkens zei dat ‘het godallejezus alweer GEMEERT was’. En zo zijn er nog wel een aantal verhalen ‘gezogen’ uit de bekende grote duim.

Maarrr… een dikke 25 jaar geleden kwam ‘nen Boxtelse doctorandus met een zogezegde wetenschappelijke verklaring op de proppen. Drs Huub Thiadens was historisch geograaf. Hij ging uit van de oudste schrijfwijze van ‘Gemert’ als ‘Gamerthe’ – uit 1075 of daaromtrent. Hij opperde dat die naam van keltische oorsprong was, en dat het keltische ‘Gamarithi’ zou moeten staan voor ‘plaats waar veel water bijeen komt’.

Als verklaring voor plaatsnamen als ‘Hemert’ gelegen aan een vroegere meander in de Maas, of ‘Gamert’ gelegen ín een oude opgedroogde Maasarm in de buurt van Wychen, sloeg dat gemakkelijk aan. Maar wat moesten we nu met zo’n verklaring voor ‘ons’ Gemert-aan-de-Rips? In 1980 beargumenteerde Thiadens zijn stelling in het tijdschrift Gemerts Heem nog eens wat uitgebreider. Hij wees op al die kleine riviertjes die ter hoogte van Gemert allemaal in dezelfde richting van de Peelhorst kwamen gestroomd en die allemaal ter hoogte van Koks hun water in de Aa loosden… De meeste lezers van het Gemerts Heem van toen zullen bij dat alles misschien hun schouders hebben opgehaald en wisten niet wat ze daarvan moesten denken.

Maar…. toen in het najaar van 2006 werd begonnen met het graven van een gat voor de bouw van een archiefdepot bij de voormalige Latijnse School aan de Ruijschenberghstraat kwam de theorie van Huub Thiadens opeens weer ter sprake. Uit dat toch betrekkelijk kleine bouwputje kregen ze het water maar niet weggepompt. Het bleef maar stromen en stromen. Er werden dikkere pijpen gelegd naar de kasteelgracht en vanuit de kasteelgracht werd het teveel aan water overgepompt naar De Rips. Piet Delisse van het kasteel constateerde tot zijn niet geringe verbazing dat als er wat takken en bladeren vóór de overheveling naar de Rips bleven steken, dat dan in de kortste keren de kasteelgracht dreigde over te lopen, en Wim Jaegers, studiezaalbegeleider van het gemeentearchief, herinnerde zich opeens de woorden van zijn vader die vroeger een bronbemalingsbedrijf had in Elsendorp: “Altijd oppassen wanneer je een offerte moet maken in Gímmert want daar weet je nooit waar je aan toe bent!” Aannemer Robert Hendriks moest vervolgens stoppen met pompen omdat van de provincie geen vergunning was gegeven voor het wegpompen van de enorme hoeveelheden water die hier uit de grond kwamen. Dáárvoor moest een nieuwe heel andere vergunning worden aangevraagd… Pas na een paar maanden kon weer met pompen worden begonnen.

Iedereen wist zich opeens ook die enorme waterput te herinneren ten tijde van de bouw van de nieuwe Rabobank aan het Ridderplein, én ook… dat ze daar na vele maanden vertraging uiteindelijk hebben afgezien van de verwezenlijking van een kelderverdieping.

In de herinnering kwam ook terug dat zo’n dertig jaar geleden een pompinstallatie met een afvoerpijpleiding moest worden aangelegd om een aantal huizen aan de Valeriusstraat en de Poirtershoek van een permanent optrekkend-vocht-probleem te verlossen.

Honderd jaar geleden wist iedereen in Gemert nog te vertellen dat er ‘vantlaanks dùr’t dèùrp’ een onderaardse rivier stroomde ‘van De Mortel no Ézzeng’, met een onderaardse zijrivier die daarop aansloot ‘van Hándel no Gímmert’. Over een strook van soms 10 en soms wel 100 meter breed bleef de grond boven die onderaardse rivieren altijd nat. Zelfs in de droogste zomer.

Intussen weten we, dat we die zogenaamde onderaardse rivieren te danken hebben aan de wijstverschijnselen van de Peelrandbreuk. Een aardbreuk in de ondergrond van Gemert, waardoor een erg grove aardlaag met veel grind aan de hogere kant van Gemert is komen liggen tegen een veel fijnere aardlaag aan de lage kant. We weten allemaal dat het water stroomt van hoog naar laag. Ook in de ondergrond van Gemert. Maar ter plaatse van de Peelrandbreuk werkt die fijne aardlaag tegen die grove aardlaag als een soort stuw, en komt er aan de hoge kant van de breuklijn soms zelfs water gewoon aan de oppervlakte. Dat is tegelijk ook de verklaring voor de wonderbare bron van Handel en ook waarom er op zo’n klein riviertje als De Rips in het verleden een watermolen draaide.

’t Lijkt er op dat we de uit 1980 daterende stelling van de inmiddels overleden historisch geograaf Huub Thiadens toch maar wat serieuzer moeten nemen. Dat ‘Gemert’ net als ‘Hemert’ betekent ‘plaats waar veel water bijeenkomt’ lijkt echt zo gek nog niet.

Bekijk PDF