GH-2017-03 Jan van de Laar, marinier in Indië

Simon van Wetten

GEMERT – U kent de theorie dat een minieme beweging van een vlindervleugel kan uitgroeien tot een orkaan aan de andere zijde van de wereld. Het is vergelijkbaar met geboren worden op een moment dat als voorbestemming met zich meebrengt dat je een kleine twintig jaar later in militaire dienst moet, juist als een overzees gebiedsdeel van Nederland in brand staat.

Het overkwam veel Nederlandse jongens die in de tweede helft van de jaren ’20 in de vorige eeuw zijn geboren. Zo ook Jan van de Laar uit Gemert. Hij woont nu, eenennegentig jaar oud, nog steeds in het huis waarin hij ter wereld kwam, namelijk de bekende boerderij aan de Wijnboomlaan, waarvan de naam in pannenmozaïek op het dak te lezen is: de Ploesterdonk. “In mijn jeugdjaren was het wijde gebied om onze boerderij mijn speelterrein,” vertelt Jan. “De Hoef achter het kasteel, de Broekkant, de Snelle Loop. Dat riviertje stuwden we zomers op door middel van een dammetje, dan werd het diep genoeg om er te leren zwemmen.” De zorgeloze jeugd werd wat minder zorgeloos toen de oorlog uitbrak en de Duitsers ons land bezetten. Maar het leven ging, overschaduwd weliswaar, toch gewoon door. Na de algehele bevrijding van Nederland, toen de administratie van de overheid weer enigszins op orde was, viel er een brief op de deurmat van de Ploesterdonk: de oproep voor Jan om zich te melden. Het vaderland had hem nodig.
Het werd de Koninklijke Marine, afdeling mariniers. En zo kwam de dag dat Jan, die de andere kant van Gemert al als “wijd weg” beschouwde, op één en dezelfde dag voor het eerst van zijn leven geconfronteerd werd met een treinreis, de weg zoeken door de metropool van Amsterdam én het zich inschepen op een zeeschip. Ga daar maar eens aanstaan! De boot heette “Nieuw-Holland” en het nieuwe zat ‘m in het feit dat het eigenlijk een vrachtschip was, omgebouwd voor troepenvervoer. Vijfenveertighonderd manschappen moesten er, een ware mierenhoop vormend, een plekje vinden. “De stank in het ruim was niet te harden,” herinnert Jan zich. “Toen we eenmaal Gibraltar waren gepasseerd – een bezienswaardigheid trouwens – heb ik ’s nachts op het dek geslapen. Je moest wel op tijd uit je slaapzak, want ’s morgens vroeg werd het dek schoon gespoten en degenen die dat moesten doen vonden het maar wat leuk om je op die manier wakker te maken.” Jan glimlacht als hij zich het enorme beeld van Ferdinand de Lesseps voor de geest haalt, de ‘graver’ van het Suez-kanaal. “Wel tien meter hoog, dat beeld. En vanaf dat moment was de reis een feest. De tocht door dat kanaal, de Rode Zee die dus écht rood is, de dolfijnen, de walvissen, en uiteindelijk de aankomst op Sabang, een klein eilandje bij Sumatra. Ik vond het allemaal prachtig. Ik heb op Sabang voor de allereerste keer ananas gegeten. Heerlijk! Wat trouwens wel heel gek was, daar op de vaste wal, dat de grond scheen te bewegen en te golven. Dat schijnt heel normaal te zijn als je een maand op zee hebt gezeten.”
Sabang was niet de eindbestemming. Alle hens ging weer aan boord en verder ging het, via Batavia naar Soerabaja. Wennen aan het klimaat was de eerste opdracht. Jan werd ingedeeld bij de genie, afdeling tankreparatie. “Ik moest tanks schoonspuiten en dat ging vlug vervelen. En toen heb ik misschien wel de grootste fout van mijn leven gemaakt: ik liet me overplaatsen naar de VDMB, de Veiligheidsdienst van de Mariniersbrigade. Dat had ik nooit moeten doen. Er zaten vooral geschoolde Indische jongeren bij en ik voelde me daar als boerenpummel sowieso niet op mijn gemak. Bovendien kwam ik er al snel achter dat het bij het verhoren van de gevangenen er soms heel hard aan toeging. Aan de andere kant: die jongens spraken de taal, kenden het terrein. Je voelde je bij hen een stuk veiliger.”
Jan komt nu zichtbaar geëmotioneerd toe aan het moeilijke deel van zijn verhaal. “Simon, ik ben gruwelijk zenuwachtig.” “Dat ligt hoop ik toch niet aan mij, Jan?” “Nee, maar ik wil het goed vertellen, het moet kloppen, en sinds ik een hersenbloeding heb gehad ben ik heel emotioneel, zeker bij wat ik nu door jou wil laten vastleggen.” De eerste heftige herinnering volgt. Het gaat over gevangen TNI-strijders, die hun eigen graf moesten graven. Eén van die jongens, door de Nederlanders verrast in zijn hut, riep dat hij onschuldig was, dat hij tot niets in staat was vanwege een geslachtsziekte. Jan zei bedaard dat hij dat dan maar moest bewijzen, en de man tilde zijn sarong op. “Het was daar beneden één grote wond.” Het redde de man, vreemd genoeg omdat het een levensbedreigende ziekte betrof, zijn leven. Een andere TNI-er, een officier, liep over naar de Nederlanders. Hij werd eerst naar een gevangenkamp overgebracht, en toen zijn betrouwbaarheid voldoende was getoetst, werd hij bij Jan ingedeeld als marinier derde klas. Jan: “Ik heb nooit een betere kameraad gehad.” Samen met de andere militairen werden er hinderlagen gelegd en mensen ondervraagd, op zoek naar infiltranten. Een pijl in de grond duidde op een gemarkeerd pad. “We noemden dat een infiltratiepad en we gingen er in het donker met een mitrailleur naartoe. Toen we wat hoorden ritselen, hebben we op het gehoor geschoten. Het bleken een vrouw, een kind en twee mannen te zijn. Dood.”
Maar ook de Nederlandse soldaten kwamen soms in een hinderlaag terecht. “Ik zat achter in de vrachtwagen en plotseling werd er geschoten. Eén jongen sneuvelde, een ander raakte zwaar gewond. Tja, die verzetsstrijders – wij noemden ze ploppers, of pemoeda’s, en ook wel terroristen – doken plotseling op, pleegden hun actie en waren weer foetsie. Een echte guerrilla-oorlog. Je was je leven geen moment zeker.” Ook onderling waren de Indiërs niet bepaald zachtaardig. “Een spion van de tegenpartij had het gezin van één van onze spionnen vermoord. De dader werd na vier weken zoeken gearresteerd, we deden hem een strop om de hals, voerden hem mee en bonden hem bij ons kampement vast. Onze spion heeft die kerel, die zich natuurlijk niet kon verdedigen, toen met een helm de hersens ingeslagen. De man was er zo erg aan toe dat iemand hem een genadeschot heeft gegeven. Maar wij hebben onze spion wel z’n gang laten gaan. Als ik daar nu op terug kijk, kan ik dat niet begrijpen, niet bevatten.” Door het uitspreken van die laatste zin herinnert Jan zich plots nóg een gruwelijk voorval. “Een Zeeuwse jongen ging regelmatig alleen de kampong in om wat extra eten te halen. We waarschuwden hem vaak: Doe dat nou niet, ze pakken je een keer. Op een gegeven moment kwam hij niet meer terug. We hebben toen een patrouille uitgezet en we vonden hem – in drie stukken gehakt.”
Er werd een Japanner gevangen genomen. “Hij vocht sinds de atoombommen voor Soekarno. We hebben hem verhoord, maar hij wist te vluchten. We moesten hem zoeken en stelden een val op. We lagen verscholen achter rode zwerfkeien. Hondengeblaf in de verte. Er kwamen dus mensen aan. Ik draaide me om, en keek recht in de loop van een geweer. Cejaar, de ex-officier van de T.N.I., deed een lamp aan en zei: Niet schieten. Het zijn eigen jongens. Ik heb aan hem mijn leven te danken. Toen we naar onze post terugkeerden, kwamen we twee mannen tegen met een draagbaar, waarop die Japanner lag. Hij leek dood, maar bij nader inzien ademde hij nog. Ze wilden hem desondanks begraven. Levend! Toen werd er door sommige jongens gepleit voor een kogel, en die heeft die man ook gekregen.”
Een andere keer diende Jan en zijn mannen mitrailleursnesten te beveiligen. “We kregen toen een massale aanval te verwerken, ik denk dat er wel honderd mensen op ons afkwamen, nota bene tijdens de wapenstilstand. Er zijn toen verscheidene doden gevallen. Toen ik eindelijk naar huis mocht, zeiden ze bij mijn aankomst op de Wijnboomlaan: “Wa kiekt ie toch wild.” Maar verder werd er niet over de belevenissen van Jan gepraat. “Dat wilde ik zelf ook niet. Ik had er geen behoefte aan.” Jan geeft duidelijk aan dat hij en z’n medemariniers geen helden waren. “Zeker niet. Toch, hoe vreemd en tegenstrijdig het ook moge klinken, ik had het niet willen missen. Dat had te maken met het militair zijn. Ik vond uniformen geweldig. En het heeft te maken met het gevoel dat het nu eenmaal een deel van mijn levensgeschiedenis is. Ik ben daar in dat verre, vreemde land mede gevormd tot degene die ik daarna was en nog steeds ben.”
Eenmaal thuis wilde Jan emigreren. Maar dat mocht niet van vader en moeder. “En toen luisterde je nog naar je ouders.” Jan trouwde zijn Riek, werd een succesvol aardbeienteler en leefde zijn leven. Tot het moment dat hij, vooraan in de zestig, voor het raam naar buiten stond te kijken en een donkere wolk alles verduisterde. Niet buiten, maar binnen, in zijn hoofd. Zomaar ineens. “Ik ben daar zo ongeveer drie weken voor dat raam blijven staan. Ik was tot niets meer in staat.” Sindsdien sleept Jan zijn Indië-ervaringen met zich mee, duikt telkens weer een van de vele bloedstollende, gruwzame en afschrikwekkende voorvallen op. Drie keer is Jan, vooral op doktersadvies, op vakantie naar Indonesië gegaan. Met vijftien andere mariniers. Jan heeft ginds mensen ontmoet die tegen de Nederlanders hebben gevochten. “Ze waren desondanks heel gastvrij. Ik vroeg: Haten jullie ons niet? Ze antwoordden dat ze geen haatgevoelens hadden. Dat ze niet haatdragend waren omdat de Nederlandse jongens móésten vechten, of ze wilden of niet. Die uitspraak heeft mij goed gedaan. Niet dat ik sindsdien al die nare herinneringen kwijt ben, dat niet, helaas. Daar kun je niet mee leren leven, je hebt er maar mee te leven.”
Met die laatste zin heeft Jan helder omschreven hoe ingrijpend de samenloop van omstandigheden is geweest die zijn lot bepaalde. Niet alleen toen, maar ook nu, na een lang leven. Op het verkeerde moment geboren, in een ongunstig tijdgewricht de dienstplichtige leeftijd bereikt, op een punt in de wereldgeschiedenis, net na de Tweede Wereldoorlog, dat er niet erg goed werd nagedacht en het zicht op de juiste menselijke verhoudingen, zeker ook bij de diverse regeringen, diffuus was. En als een jaar of tien, twintig later nieuwe inzichten ontstaan, dan wordt ineens vergeten dat de dienstplichtige jongens van toen door vrijwel iedereen in Nederland als de verdedigers van volk en vaderland werden gezien. Net zo goed als het feit dat uit de herinnering is gewist dat die jongens er nooit om hebben gevraagd om in onze kolonie te ‛mogen’ vechten. Ze móésten! Het zijn kinderen van hun tijd, zoals we dat allemaal zijn. Maar soms heb je de tijd méé, soms heb je ‘m tegen. Dit laatste is overduidelijk het geval voor Jan van de Laar en zijn generatiegenoten, zijn ‘lichting’. Laten we dát vooral niet vergeten.

GH-2017-03-Jan-van-de-Laar-marinier-in-Indië.pdf