GH-2000-03 Oudste vrouwenorganisatie in Gemert begon als Boerinnenbond Sinte Amelberga

Ad Otten

In boerenbonden hadden mannen het voor het zeggen, voor jonge boeren waren eigen standsorganisaties opgericht, het kon niet langer uitblijven er moesten en zouden ook boerinnenbonden komen. Katholieke, christelijke en neutrale zoals te doen gebruikelijk in het Nederland van toen. Het was de periode van het rijke Roomse leven en katholieke organisaties namen het voortouw. De achterliggende gedachte was dat de algemene ontwikkeling van de boerin en haar kennis van het boerenbedrijf achterbleef, zodat zij de vooruitgang vaak uit onkunde afremde. Niet minder belangrijk was de achterstand inzake de (godsdienstig-zedelijke) opvoeding van de kinderen en de huishouding. Een bijkomend motief was dat boerinnen onvoldoende notie hadden van maatschappelijke ontwikkelingen, daardoor het belang van de boerenorganisatie onvoldoende beseften en zo vaak een rem vormden op een goed verenigingsleven voor de mannen. Als het aankwam op het betalen van het lidmaatschap hielden zij de hand op de knip. Daarom werden sociale ontwikkeling en huishoudkundige en landbouwkundige vorming voor vrouwen wenselijk geacht. Dit resulteerde in 1924 tot de oprichting van de Commissie Boerinnenbonden van de NCB, die zich tot doel stelde de boerinnen vertrouwd te maken met de NCB-actie en zodanig te scholen dat zij een stuwkracht konden worden in de modernisering van het boerenbedrijf. In het Brabantse dateren de eerste boerinnenbonden uit 1928. Oudenbosch, Nistelrode en Tilburg heten de koplopers te zijn geweest, daarna volgden vrij snel Someren, Veghel en Sint Anthonis. Overal waren van het lidmaatschap hielden zij de die boerinnenbonden onderafdelingen van de locale NCB.1
De katholieke boerinnenbonden vonden ook bij andere zuilen navolging. Zo wordt in oktober 1930 te Utrecht de neutrale Nederlandse Bond van Boerinnen en andere Plattelandsvrouwen opgericht, en in 1938 de Christelijke Plattelandsvrouwen- en Meisjesbond.2

Hoe het in Gemert begon

Op de algemene ledenvergadering van de NCB-afdeling in november 1930 hield geestelijk adviseur Poell een pleidooi voor de oprichting van een boerinnenbond. Hij spoorde de boerenbonders aan om hun vrouwelijke huisgenoten naar de oprichtingsvergadering te sturen en lid te laten worden van die nieuwe (onder-)organisatie. Iedereen van 16 jaar en ouder was welkom. Wie de jeugd heeft heeft de toekomst, zal ook Poell hebben gedacht. De contributie bedroeg één gulden maar was voor de tweede en volgende persoon uit hetzelfde huishouden slechts een kwartje per jaar.
Belangrijker dan het voor de boerenbonders gehouden pleidooi, was het feit dat Poell zelf Gemertse boerinnen benaderde en die ‘warm’ maakte voor een bestuursfunctie. Poell was al meerdere malen teleurgesteld in de mannen van de NCB wanneer hij ze had opgeroepen hun vrouwen of hun dochters te sturen. Toen op instigatie van het NCB-hoofdbestuur in het schooljaar 1926-1927 voor de eerste keer een landbouwhuishoudcursus (26 weken, drie dagdelen) voor jonge boerinnen werd georganiseerd hadden zich in Gemert slechts 14 boerenmeiden aangemeld terwijl Poell er zo’n 60 had verwacht. In zijn Kerkklokske reageerde hij die teleurstelling af met de vraag: ‘Is het dan waar, dat de boer wel wil leeren wat goed is voor het vee, maar dat ’t er bij hen niet op aan komt, hoe de mensen worden bedaan?’

Poell polste Marie van den Elsen-Christiaans of die zich niet kandidaat wilde stellen als voorzitster. En nadat hij haar daartoe had overgehaald stelde hij voor: ‘Als we nu eens beginnen met een bestuur bestaande uit drie getrouwde boerinnen en twee ongetrouwde boerendochters?’ Samen met Marie werden andere kandidaten benaderd en vervolgens schreef Poell een wervend artikel in het Kerkklokske.
Op woensdagmiddag 10 december 1930 vond na een plechtig Lof in de kerk in het naastgelegen R.K. Vereenigingslokaal de oprichting plaats van de Gemertse boerinnenbond. Tweeëntachtig leden en aspirant-leden gaven zich op nadat mevr. E.M. Ariëns, inspectrice van de NCB het doel en de werkwijze van een Boerinnenbond had uiteengezet. Pastoor Poell, meteen optredend als geestelijk adviseur, schoof Sinte Amelberga – een heilig verklaarde Vlaamse boerin – naar voren als patrones van de Gemertse boerinnenbond. Vervolgens werd ook het bestuur gekozen waarna de vergadering besloten werd met het gezamenlijk zingen van ‘Wij boeren en boerinnen’.3

Het eerste bestuur

Marie was dus voorzitster geworden. Ze was van huis uit ’n baojtenndörpse, zelfs ’n dùr-de-Pílse (uit Oploo). Maar het zat wel goed met Marie. Haar echtgenoot Jan was immers de zoon van de oud-secretaris van de Gemertse NCBafdeling en moest haar schoonvader niet heeroom zeggen tegen de in 1925 overleden boerenapostel Gerlacus van den Elsen? Marie bleef maar liefst 36 jaar aan als voorzitster.
Jana van de Laar (van de Groeskuilen) werd gekozen als ‘sikkereterès’, zoals Poell die bestuursfunctie noemde. En penningmeester werd Cato van den Elsen (uit De Wind). Jana en Cato waren ongehuwd. Het bestuur werd verder gecompleteerd met Jana Van Erp-Verhofstadt (Lodderdijk) en Dina van den Elsen-van de Valk (Kromstraat). Eén der eerste bestuursbesluiten was het laten maken van een vlag.

Elke vergadering físt!

Cato van den Elsen, nu 96 jaar oud, weet het zich allemaal nog best te herinneren. 4 Op de vraag hoelang zij bestuurslid bleef weet ze het antwoord exact. Dè wàs tòt m’n trawe. In vaajfendártig! Op de vraag ‘Of ze het penningmeesterschap van d’n boerinnenbond toen zat was?’ reageerde Cato hoogst verbaasd. ‘D’n boerinnebónd zat?’ Hoe kwam ik daar nou bij? ‘Naë híllemol nie, èlke vergaodering waor gewoon ’n físt. Näe ‘k moes ‘r gewoon af!’ Het huishoudelijk reglement bepaalde dat in het bestuur twee ongehuwde boerinnen zitting moesten hebben. Cato verhuisde bovendien naar Beek en Donk. In haar plaats kwam toen Gerarda van Dooren, terwijl eerder in 1933, als opvolgster van Jana van de Laar die met haar trouwen naar Erp verhuisde, Drika Geerts als ‘secretares’ in het bestuur was gekozen. Met haar 16 jaar was Drika aspirant-lid geworden en nog maar net aspirant af, was ze de toch wel heel erg jonge ‘secretares’ van de boerinnenbond geworden. Maar ze bleef dat 33 jaar en was daarna nog 6 jaar voorzitster. ‘Èn naw bén ik niks mír!’ zegt Drika. Wel is ze tot op de dag van vandaag lid gebleven en kent ze deswege de zeventigjarige boerinnenbond (nu KVO) van a tot z. Drika beaamt ook meteen wat Cato zegt:5 ‘Èlke vergaodering ’n físt? Jao dè was ‘t! Iederaën tròk ok d’r béést dingen án. Want waj waoren ‘r dan ’s aojt. Ónder mekaor veul buurt èn saome zinge. Goej laëzinge ok èn kurzussen èn ’t waor aald gezèllug. Anders waor ‘r vur ’n joong boerin in Gímmert ok niks te doen. Ècht hillemol niksnie. Jao behalve dan dien ínne kaër in ’t jaor baj de skut óp d’n taërdag. Want dan mönde waj zèlfs danse. Èn dè mönde anders noojtnie.’

Activiteiten

De jonge boerin dreigde in de tijd dat de boerinnenbond van de grond kwam, thuis in een isolement te geraken. Na de lagere schooltijd was het slechts helpen geblazen op de vaak afgelegen boerderijen. De boerinnenbond bracht met algemene vergaderingen tenminste zes keer per jaar alle boerinnen bijeen. Èn geleuf mar dètter dan hil wa wier afgebuurt. En ‘meepesant’ steeg ook het animo voor cursussen en andere activiteiten. Niet weinig droeg daartoe zeker ook bij het tijdschrift ‘De Katholieke Boerin’ (’t boerinneblaojke) dat alle leden kregen thuisgestuurd.
De vrouwen konden voor het eerst van huis. Alle vergaderingen en activiteiten werden ‘s-middags gehouden zodat iedereen en vooral de jonge boerendochters voor het donker weer thuis konden zijn.
Een opmerkelijke jaarlijkse viering was (en is nog steeds) die van moederdag op 11 oktober, de dag van Maria’s (goddelijke) moederschap, een feestdag in 1931 ingevoerd door paus Pius XI.6 De in het hele land gekende moederdagviering in mei, wordt tot op de dag van vandaag nog door alle leden van de vroegere boerinnenbond aangeduid als ‘de moederdag van de bloemisten’, dit ter onderscheiding van hun moederdag.

Op vergaderingen werden sprekers uitgenodigd die iets belangrijks en zinvols te vertellen hadden. En Poell zorgde er voor dat alles wat van pas kwam ook werd gepubliceerd. Zo vonden we in een aantal (vervolg)afleveringen van zijn wekelijkse Kerkklokske een complete lezing over vrouwen- en kinderkleding.7 Stof, maaksel, kleuren, snit, boven- en onderkleding, alles komt ter sprake. Ook wat je moet stijven en wat niet, met tips voor ijdele vrouwen incluis. En de spreekster zal beslist de lachers op haar hand gehad hebben met de opmerking: ‘Daar onze mannen niet ijdel zijn, heb ik me in geschikte kleuren en patronen voor hen niet verdiept. Heb ik me vergist en zijn ze ook een beetje grootschig, dan zullen we ook van de mannenkleeding nog wel eens meer studie maken!’

Van cursus tot r.k. Landbouwhuishoudschool

Van het een kwam het ander. Landbouwcursussen waren er van meet af aan. De Mortelse meesters Derks en Graat gaven daar les in melkbehandeling, pluimveeteelt, bloementeelt, verzorging van huisdieren, enzovoorts, maar ook in eenvoudige bedrijfskunde. In Gemert hangt nog in verschillende huiskamers ’t boerinnendiploma aan de muur. En de vraag lijkt gewettigd of hier niet de basis werd gelegd voor het gezamenlijke ondernemerschap van boer en boerin van vandaag-de-dag? In de loop van 1935 werd in samenwerking met de gemeente en de Provinciale Boerenbond een R.K. Landbouwhuishoudschool opgericht. De school moest een algemeen karakter krijgen en openstaan voor leerlingen uit alle bevolkingsgroepen, maar al snel bleek dat alleen leerlingen uit de boerenstand zich aanmeldden. Met achttien boerinnen werd van start gegaan. Docenten van het eerste uur waren Juffrouw Hoenselaar uit St. Anthonis en juffrouw Van Hout uit Veghel, terwijl de land- en tuinbouwlessen werden gegeven door Jan Graat uit De Mortel. En natuurlijk gaf Poell er godsdienstles.
De lessen werden gegeven in het patronaatsgebouw. Eind jaren dertig werden plannen en zelfs een bestek gemaakt om het voormalige NCBpakhuis in de Kapelaanstraat te verbouwen
tot huishoudschool. De oorlogsdreiging, het feit dat men er niet in slaagde ook aanmeldingen te krijgen uit andere bevolkingsgroepen en ten slotte het uitbreken van de oorlog zelf stonden de verwezenlijking van de plannen in de weg. Pas na de oorlog zou wat in Gemert begon als een kleine landbouwhuishoudschool langzaam uitgroeien tot de volwaardige huishoudschool Sint Anna, die in de laatste decennia is opgegaan in achtereenvolgens Scholengemeenschap De Stroom en het Commanderij College.

Aan de leiband van de geestelijk adviseur?

Wanneer men het in de geschiedenis doorgaans heeft over de periode van het rijke Roomse Leven dan kleeft daar bijna altijd een etiketje aan van vrome en gezeglijke mensen die kritiekloos luisterden naar en gehoorzaamden aan dat wat de r.k. geestelijkheid hen voorhield.
Natuurlijk werd in die tijd hoog op gezien tegen de autoriteit van een pastoor. Die was geletterd. Daar kon je met je lagere schoolopleiding niet gemakkelijk tegenop en kritiek kwam
daarom ook maar zelden naar buiten. Maar dat wil niet zeggen dat alles zomaar werd geslikt. Van ‘dansen naar de pijpen van de r.k. geestelijkheid’ kon trouwens geen sprake zijn, want was de geestelijkheid indertijd niet fel tegen dansen?
Drika, secretares van de boerinnenbond van 1933 tot 1966, weet er van mee te praten. Zij verzeilde medio jaren dertig met een vriendin in een danszaal (niet toevallig natuurlijk) te Helmond. En wie troffen zij daar? Vier Gemertse boerenzoons te weten Fridus Werts, Toon en Dries Jaspers en Harrie van Thiel. Met Toon en Harrie heeft Drika gedanst. En ze vond ’t geweldig! (n.b. in 1943 trouwde Drika met Harrie!) Daags na deze escapade in het Helmondse viel er in huize Geerts op de Lodderdijk een brief van pastoor Poell op de mat. ‘Drika was,’ aldus Poell, ‘niet meer waardig om Onze Lieve Vrouw te dragen’. Tot dan toe maakte Drika deel uit van de groep in het blauw geklede maagden die het Onze Lieve Vrouwebeeld in de processie droegen. Drika werd op de pastorie ontboden en gevraagd of ze er spijt van had. Maar dat had Drika niet. En toen Poell na ernstig beraad Drika uiteindelijk toch wilde aanhouden als maagdelijke draagster wilde Drika zelf niet meer. Ze heeft het ook niet meer gedaan. Maar ze bleef wel secretares van den boerinnenbond! Drika herinnert zich ook nog heel goed de reactie thuis: ‘Van óns moeder zòò’k óp munne kòp gekrígge hèbbe, már ónze vádder zin ‘òch weefke mákt oew aajge tòch nie zo druk!’

Toen Juliana en Bernhard trouwden hing de vlag halfstok!

Het verzet van de pastoor tegen het dansen stond niet op zichzelf. Uit die tijd dateert ook het gezegde ‘dat een fatsoenlijke vrouw net zomin past in een danszaal als een gouden kruis op een mesthoop!’ Trouwens niet alleen op het platteland keerde men zich zo fel tegen het dansen. Want zo verbood ook het gemeentebestuur van Amsterdam in de jaren twintig dansen- op-zondag in het openbaar.
Maar er was allerwege verandering op til. Op 7 januari 1937 trouwde Prinses Juliana en Prins Bernhard en tot in alle uithoeken van het koninkrijk zou en moest er worden gefeest én gedanst. Zo wilde het de koningin en de regering. Drika: ‘Èn tígge de kunnegin, dor kós Poell nie tíggen óp. Héél Gímmert èn ok waj baj d’n boerinnebond keeken no dè físt aojt en òk no ’t danse. Már wa gebeurden ‘r op d’n trawdág van Juliana èn Bernhard? sMééreges vruug wiere de kèrkklòkke gelèùjd èn gongen alle vlággen halfstòk. De pestoor was plotseling gestörve èn in héél Gímmert wiere alle fístelekheedes afgelast èn ok ’t dansen. Zooë kríg Poell tòch nòg z’ne zin!’ Drika wil daarmee in het geheel niet afdingen op de grote verdiensten van Poell voor Gemert, ‘már ’t was ècht nie aald, ‘jao èn aome’ menhaër pestoor!’.

De boerinnenbond in oorlogstijd

In de zomer van 1941 werd op advies van de Nederlandse bisschoppen alle activiteit van de boerinnenbond gestaakt.8 Op 6 augustus 1941 was door de Rijkscommissaris Seys-Inquart een commissaris aangesteld over de Katholieke Nederlandse Boeren- en Tuindersbond (KNBTB) en al zijn nevenorganisaties en instellingen. Deze commissaris kreeg zeggenschap over de besluitvorming in de besturen en kon tevens beschikken over alle bezittingen van de verenigingen. Het bestuur van de KNBTB trad in overleg met het Nederlands episcopaat die de raad gaf om lidmaatschappen op te zeggen en bestuursleden te laten terugtreden. Wel moesten zoveel als mogelijk de economische instellingen worden gehandhaafd en in elk geval hun bezittingen veilig worden gesteld.
In Gemert werd die raad opgevolgd. ‘Èn toen was ‘r ok vur de boerinnen in Gímmert dus wir niks te doen,’ verzucht Drika bijna zestig jaar na dato. Drika herinnert zich ook nog het bezoek dat zij bracht aan de pastorie toen zij een brief had gekregen van de Ortskommandant uit Eindhoven waarin haar voor de tweede maal werd gelast om het archief en ook de vlag van de boerinnenbond in te leveren. De eerste keer had de kapelaan haar gezegd om het maar gewoon te vergeten. Maar door die tweede brief had Drika het toch wel een beetje benauwd gekregen. De kapelaan had makkelijk praten om het nog maar een keer te vergeten. Drika stuurde de notulenboeken naar Eindhoven, maar de vlag van Sint Amelberga dat kon ze niet over haar hart verkrijgen. Een nagemaakte flutvlag kon diejen Ortskommandant krijgen maar meer ook niet. Al snel na de bevrijding kwam de vlag, de enige echte, weer voor de dag. Maar het archief van Sint Amelberga is nooit meer in Gemert weergekeerd.

Tot besluit

De activiteiten van de boerinnenbond hadden op het eerste gezicht een nogal traditioneel karakter. De cursussen waren er op gericht de deelneemsters vooral te leren een betere huisvrouw, moeder, echtgenote, en platte-landsvrouw te worden. In dat opzicht sloot de boerinnenbond aan bij de gangbare opvattingen over de taken van de vrouw. Luistert men echter naar de ervaringen van de leden dan moet de betekenis van de boerinnenbond niet onderschat worden. Ze voldeed aan een grote behoefte: contact met andere vrouwen, lotsverbondenheid, uitwisseling van ideeën en opvattingen. En alle activiteiten (ook de cursussen) vonden plaats in een prettige en vertrouwde sfeer. Het maakte de boerinnenbond tot één grote familie.

De boerinnenbond is medio jaren zestig KVO geworden terwijl ook de doelstelling eigentijdser is geworden. Maar gebleven is het stevige accent op de ontmoeting, het gezelligheidsaspect en de ontspanning. Een kurk waarop het goed drijven is. De inmiddels zeventigjarige vereniging is met afstand de oudste vrouwenorganisatie in Gemert.

NOTEN:

1. T. Duffhues, Voor een betere toekomst. Het werk van de Noordbrabantse Christelijke Boerenbond voor bedrijf en gezin, 1896-1996, Nijmegen 1996, p.136-138.
2. F. Backerra (red.), Vrouwen van het land. Anderhalve eeuw plattelandsvrouwen in Nederland, Zutphen 1989.
3. Officiëel Kerkbericht van de kerken van Gemert nrs. nov-dec. 1930, 26-4-1931; Vgl. Peter van den Elsen, Het land van de boerenapostel – Geschiedenis van de Gemertse NCB, zijn organisaties en zijn leden, 1896-1996, Gemert 1996, p. 56-57.
4. Interview met Cato v.d.Bergh-v.d.Elsen (96j.) en Drika v.Thiel-Geerts (86j.) op 8 september 2000.
5. zie noot 4
6. Dom Prosper Guéranger, Het liturgisch jaar – dl.5 Pinkstertijd, Hilversum 1957, p.484-493 (betr. De liturgische feestdag ‘Moederschap der H. Maagd Maria’ op 11 october, waartoe paus Pius XI met encycliek ‘Lux Veritatis’ dd 25-12-1931 had opgeroepen).
7. Officiëel Kerkbericht der kerken van Gemert, afleveringen mei 1933.
8. Vgl. Peter van den Elsen, a.w., p.51-52.

Met dank aan Ton Thelen voor de kritische kanttekeningen.

Bekijk PDF