GH-2015-01 Even verbeeld

Renée van de Kerkhof

Ik teken altijd en overal waar het kan, ik illustreer in opdracht en maak vrij werk. Mensen om mij heen weten het en laten me mijn gang gaan. Ik teken in ’t café, in een park, op een terras en in het theater. Mijn onderwerpen vind ik dichtbij, in gesprekken, door toevallige woordspelingen en door te kijken naar de mensen om mij heen. Muzikanten, acteurs en dansers tijdens hun voorstelling in het theater vind ik prachtig om te tekenen. Hun energie en expressie zet ik direct op papier.

Naast mijn tekenen en illustreren werk ik als parttime docent beeldend. Ik geef les aan de opleiding ruimtelijke vormgeving Expo & Design op het ROC Ter AA. Verder geef ik cursussen in tekenen en illustreren op het Kunstlokaal Gemert aan een groep volwassenen en aan een jeugdgroep. Tussendoor neem ik opdrachten aan om leerkrachten van basisscholen te ondersteunen met het ontwikkelen van de inhoud van hun beeldende lessen.

Meer van mijn werk is te vinden op www.reneevandekerkhof.com

Opleidingen:
Grafische vormgeving, Eindhoven
Academie voor Beeldende Vormgeving, Tilburg
Master Kunsteducatie, Fontys Tilburg

Noot van de redactie
Ogenschijnlijk vluchtige lijnen tekenen trefzeker de verbeelding en laten ruimte voor de verbeelding.

Bekijk PDF

GH-2015-01 De Volksvriend heeft weer toekomst (deel 2)

Ad Otten

Ook de provincie heeft nu de schouders gezet onder de restauratie van ‘onze’ Volksvriend. Het ijveren van wijlen Jan Ponjé en zijn mannen werd beloond. ‘Als je iets wilt behouden dan begint dat met houden van’, kopte het Gemerts Nieuwsblad van 13 februari 2015. Daags tevoren mocht Egi Roijakkers, de nieuwe voorzitter van de Molenstichting Gemert-Bakel van gedeputeerde Brigit van Haaften een cheque van maar liefst 430.000 euro in ontvangst nemen, dat is 75% van het benodigde bedrag voor de restauratie.

Gemert heeft ’n geweldige geschiedenis. 600 Jaar Vrijstaat. Vorstendom. Veel welvarender dan de omliggende dorpen en steden. Maar na een verwoestende dorpsbrand en de Franse Revolutie werd Gemert bezet en systematisch leeggeroofd. Kasteel geveild ten behoeve van de Franse staatskas, Gemert verkocht aan ‘Den Haag’. Alle gemeentegrond werd domeingrond. Zeventig jaar heeft de gemeente moeten procederen tegen die Frans-Haagse onrechtmatigheid en wat dat gekost heeft?? Gemert verloederde. Bevolking liep terug… maar desondanks behield Gemert een historische uitstraling met dominant in het centrum het kasteel-en-kerkcomplex van de aloude Commanderij. In het verleden waren ook de Gemertse molens erfgoed van het kasteel en evenzo door de staat geconfisqueerd en verkocht aan particulieren. De eerste molen op de Oudestraat werd in 1865 opnieuw kasteeleigendom. Gefinancierd en daarna verpacht door Jonkvrouw Jacoba van Riemsdijk van Gemert. Na haar overlijden werd het particulier eigendom van molenaar Van den Boomen. In 1887 is deze molen ‘De Ruyter’ afgebrand, waarna een jaar later op deze plek de stoere Volksvriend werd gebouwd. Een koren- en schorsmolen met de langste wieken van Nederland. 28 meter. Een molen bovendien met een klein industrieparkje eromheen. Al in 1884 was hier ook een stoommaalderij in bedrijf. Een gecombineerd maalbedrijf, traditioneel en modern, waarnaartoe men zelfs kwam van de andere kant van de Peel. Ooit stond er een rij van 50 karren te wachten en dan nog waren ze bij De Volksvriend eerder klaar dan bij mulders van ginder.
Al heel lang maakt De Volksvriend deel uit van een maal- en mengvoederbedrijf dat zich zeker vanaf de jaren vijftig in de vorige eeuw zich telkens had aan te passen aan de snel veranderende wensen van klanten… En daarvóór is niet altijd begrip geweest. De uitvinding van drijfmest maakte het mogelijk om per (agrarisch) bedrijf veel meer dieren te houden. Daar ligt de kern van de gigantische expansie van het agrarisch bedrijf. Daarvoor was wel een veevoederbedrijf nodig. Koeienvoer, kippenvoer, varkensvoer, enz. enz. Intussen werd tot 1966 op windmolen De Volksvriend nog gemalen. Het maalbedrijf Van Roy is maar liefst tot 2009 in bedrijf gebleven.

Het mag wel weer ‘ns, dat Gemert wat terugkrijgt uit de vaderlandse spaarpotten. Voor molens zijn die er altijd geweest. Meer dan 1000 molens horen tot ons nationaal erfgoed. Onze nationale trots. En alle geld hoeft toch niet naar de Hollandse molen? Ook Gemert-Bakel heeft wat te bieden. Straks met vier totaal verschillende molens-in-bedrijf valt in onze gemeente een heel bijzondere en indrukwekkende molendag te beleven. Voor jong en oud. Bij monumentale machines uit de 16de (Willibrordus-Bakel), de 17de (Bijenkorf-Gemert), de 18de (Laurentia-Milheeze) en de 19de eeuw (de Volksvriend-Gemert). Gemert-Bakel en zijn molens wordt een hotspot!

Bekijk PDF

GH-2015-01 Vredesmaagd:”Hun offer is onze toekomst”

Ad Otten

’n Prachtige foto is het die op de Fotokijkdag van zondag 2 november j.l. werd gepresenteerd bij Dientje: Nel de Fost, later bekend als Nel van den Elsen-de Fost, als vredesmaagd op een boerenkar in de bevrijdingsoptocht van 31 augustus 1945. Nel staat hier tussen aan de ene kant een grafsteen met de namen van Jan Vilé en Adr. Beekmans, de Gemertse stoottroepers die zich aansloten bij de geallieerden en sneuvelden in de bevrijdingstijd, en de naam van Paul van Oostveen, die het leven liet bij de belegering van het kasteel op 11 mei 1940. Aan de andere kant een grafsteen met de tekst “Hun offer is onze toekomst”. Nel lijkt hier model te staan voor de vredesmaagd die in juni 1947 op het Ridderplein zal worden onthuld. Toch zou dit op toeval moeten berusten. Want al is er tot op heden niks van teruggevonden in het gemeentearchief uit mondelinge overlevering van de leden van een indertijd in het leven geroepen oorlogsmonumentcommissie1 is bekend gebleven dat het eigenlijk de bedoeling was om daar ter plaatse aan de kasteelgracht een al dan niet steigerend paard te plaatsen, met zadel maar zonder ruiter. Kort voor een laatste bezoek van een ‘commissie uit Gemert’ aan het atelier van Charles Eijck zou dat model echter zijn ingestort. Het is ook niets niks om een gekleid paard overeind te houden… Op het laatste moment – voor de onthulling was al het een en ander geregeld – is toen besloten tot een veel stabieler dan een paard uit te voeren vredesmaagd. Het werd een in delen gebakken beeld van witte chamotte van de hand van Jacques van Rhijn, die in het atelier van Charles Eijck werkte. In een plantsoen aan de Dommel in Sint-Oedenrode is een paar jaar later door dezelfde Jacques van Rhijn, maar dan onder zijn eigen naam, een vrijwel identieke maagd geplaatst als die in Gemert. Het ‘toeval’ wil dat deze Jacques een dikke tien jaar later op de Academie voor Industriële Vormgeving (de huidige Design Academy) in Eindhoven de docent en leermeester is van Toon Grassens, de kunstenaar van de veel duurzamer maar ook veel duurdere granieten vredesmaagd die vandaag-de-dag over het Ridderplein uitkijkt.2

Bronnen:
1. Het initiatief voor een oorlogsmonument in Gemert kwam van de voorzitter van de Afdeling Gemert van de Gemeenschap Oud-Illegale Werkers Nederland et weten fabrikant Antoon Roelofs. Hij heeft het monument ook voorgefinancierd. Pas later is het ‘project’ door de gemeente overgenomen. Informatie over de ‘commissie’ is afkomstig van wijlen Leo Vilé die namens de nabestaanden van de oorlogsslachtoffers, en wijlen Jan van Berlo die als wethouder, deel uitmaakten van de commissie.
2. Zie: Het mysterie van de Vredesmaagden (google ‘mysterie 31’); Anny vd Kimmenade-Beekmans, Kunstenaars en het echtpaar Roelofs, in: Gemerts Heem 2011 nr.1.

Bekijk PDF

GH-2015-01 Uit het rechterlijk archief van Gemert

Simon van Wetten

 Ook na het uitkomen van de zesdelige serie tèsbuukskes ‛Tussen herberg en hoogmis’ – de honderdste uitgave van onze heemkundekring – komt Simon in de dossiers van het civiel-crimineel archief nog heel veel voorvallen en wetenswaardigheden tegen die niet aan uw aandacht mogen ontsnappen (Red.).

1584 – Een raid op Gemert

Jonker Jacob Oudart is de heer van Rixtel. Hij bewoont het Gulden Huis, een prachtig kasteeltje aan de Aa, waar het goed toeven is. Desondanks wil de druistige Oudart er wel eens uit. Een verzetje, dát is waar de jonker immer op loert. Welnu, kansen te over, al een halve eeuw lang. Sinds 1539 hebben ‛die’ van Aarle, Beek en Rixtel namelijk ruzie met Gemert. Het gaat over het onderhoud van het grensriviertje de Snelle Loop en de wal die daarin als veekering is aangebracht. Die barrière voor de koeien en paarden is verwaarloosd. Gemertse viervoeters steken met graagte en gemak over en vreten zich illegaal vol aan het Beekse, Aarlese en Rixtelse gras. Ze worden derhalve vaak gearresteerd door schutters uit de genoemde dorpen en dat leidt weer tot grote onmin met de Gemertse boeren. U begrijpt, de ene na de andere gelegenheid tot aangename tijdverpozing doet zich voor. Oudart wandelt als een Grote Pier heerlijk provocerend door het broekland en heeft het liefst dat de gebeurtenissen enigszins uit de hand lopen. En dat gebeurt op 8 juli. Maar niet op het omstreden gras van het broekland tussen Gemert en de buurdorpen, nee, een groep ruiters uit Aarle-Beek struint de Gemertse gehuchten af. Als Oudart daar de hand in heeft, gaat hij niet alleen het broekland, maar ook zijn boekje ver te buiten.
Op Strijbosch, achter Handel, heeft de bende hoenderen en ganzen meegenomen. Dirck Goorts, 48 jaar, vertelt hoe zijn vrouw met een bloot mes werd bedreigd.
‛Ze werd zelfs getormenteerd.’
Thonis Dircx, omtrent 46 jaar, verhaalt hoe die ruiters zich te zijnen huize gedroegen.
‛Ze hebben zich oneerlijk aangesteld.’
Elders in Gemert doet Dirck van Dinther ontdaan en stotterend verslag. De overvallers schoten op zijn ganzen en namen zes of zeven stuks mee.
‛Ja, en er zijn er nog meer gekwetst. Die kerels schoten net zolang als dat zij kruit hadden.’
Lenart Hubkens en Lambert Noeijen zijn beide 40 jaar, maar dat is niet de enige overeenkomst. Die van Aarle-Beek hebben bij Lenart de eieren uit de hennenkooi gehaald en ook Lambert is al zijn eieren kwijt.
Jan Neelen, 25 jaar, herkende één van zijn belagers. Claes Bastiaens is hem in kwade gemoede nagereden.
‛Schelm, geef u gevangen.’
Hij dreigde een kogel door het lijf van Jan te schieten.
Peter Ansems, 50 jaar, is door de mannen van zijn bed gelicht. Hij moest hen wijzen waar Willem van den Wijnboom woont. Peter zei dat hij ’t niet wist.
‛Toen hebben ze een schoteldoek en eieren meegenomen en naderhand zijn die gezellen teruggekomen en hebben ze mijn beesten meegenomen.’
Dirck Rovers is ook al zijn ganzen aan de buren van gene zijde van de Snelle Loop kwijtgeraakt. Hij zette hen nog heldhaftig na, totdat ze dreigden hem dood te schieten.
Overmorgen wordt Willem van Oranje vermoord, maar veel Gemertenaren nemen de gelegenheid van de overval te baat om diverse akkefietjes met Aarle-Beek-Rixtel onder de aandacht te brengen. Loeij Loeijen – hoe toepasselijk is zijn naam – heeft moeilijkheden ondervonden met zijn koeien op Aarle-marktdag. Aert Pauwels is zijn paarden, nadat ze op de Broekkant geschut waren, veel te lang kwijt geweest. Bij Lemmen Goessens is brood en boter weggenomen, Wilbort Peters is door dezelfde groep mannen bedreigd en Gielis van Nuwenhuis heeft zijn paard ruim vier dagen verborgen moeten houden.
Oudart speelt intussen de vermoorde onschuld. Is dat werkelijk waar die Gemertse mensen overkomen? Echt? Nou, hij wil zich best wel borg stellen voor de aangerichte schade, hoor. Zulke moedwilligheden … De heer van Rixtel wil namen, zodat hij de schuldigen kan straffen.
Als je het mij vraagt wil hij de namen, opdat hij die mensen kan uitnodigen voor een feestmaaltijd op het grasveld van het Gulden Huis. Er staat gans op het menu.

1631 – Turkse steur

Denk niet te licht over ons. Wij in Gemert hebben de Turkse steur. Niet gek toch, voor zo’n klein, neutraal heerlijkheidje? Met de nadruk op die heerlijkheid. Want bij Turkse steur denk je aan de Zwarte Zee, aan die goudmijn van kleine, zwarte viseitjes: kaviaar. Decadent. Heerlijk.
In 1658 kijkt het Gemerts dorpsbestuur terug op het jaar 1631 en haalt er een hele stapel min of meer bejaarde dorpsgenoten bij.
‛Of de getuigen de afgelopen dertig jaar ooit dorpsbestuurder zijn geweest, schepen, borgemeester, kerk- of Heiligegeestmeester, en of er in die tijd door Gemert moest worden bijgedragen aan de Turcxsche stuer?’
O jee, bedoelen ze dát met Turkse steur. Belasting om de strijd tegen de Turken te financieren. Dat valt tegen.
Antonis van Zeelandt, 68 jaar, weet nog dat in 1631 het lieve sommetje van 1400 pattacons door Gemert in het kader van de genoemde belasting moest worden opgebracht. En Hendrick Franssen, 73 jaar, getuigt dat de heer landcommandeur hem te kennen gaf een cijns op bier in te stellen. Hendrick hoort Zijne Genade ’t nóg zeggen:
‛Als het hoofd moet lijden, moeten de lidmaten dat óók.’
Potdomme, die landcommandeur bedoelt met ‛lidmaten’ ledematen en dat zijn dan in overdrachtelijke zin de Gemertenaren. En het hoofd is ie natuurlijk zelf. Moet hij dan zo lijden? Hij leidt toch al? Nu ja, je kunt er wollig omheen praten, leuke woordspelingen bedenken, maar het is onontkoombaar: we moeten betalen.
Leonardt Cornelis, borgemeester in het jaar 1631, heeft er enige gemeentegronden voor moeten verkopen, en Hanrick Jan Aerdts, 73 jaar, herinnert zich nog dat de heer Aerdt Mickers, Duits-Ordens pastoor te Gruijtroij, namens de landcommandeur die 1400 pattacons kwam halen.
Voorlopig even geen kaviaar. Een homp roggebrood, daar moeten we het mee doen.

1633 – Oranje boven

Dit jaar is het honderd jaar geleden dat Willem van Oranje werd geboren. En laat nu zijn zoon Frederik Hendrik juist Gemert hebben uitgekozen om dat te vieren. En hij niet alleen. Hij heeft tweeënveertig compagnieën meegenomen. Wat een feest …
‛Er is grote en bederfelijke schade aan het koren te Gemert aangericht door de ruiters van Zijne Excellentie de prins van Oranje, die op 19 augustus alhier zijn komen logeren. Twee dagen en twee nachten.’
Jan Aerdt Peters, omtrent 50 jaar, heeft zestien lopense land in teuling. Op dat land is door onze gasten alle zomerkoren en gerst en haver en rogge afgesneden.
Loij Jans, omtrent 49 jaar oud, heeft zeven lopense land in teuling, net iets meer dan een hectare.
‛Ja. Zeventien vijmen rogge en het gehele gerstveld is door de ruiters afgehaald.’
De zestigjarige Claes Aerdt Lucas meldt 16 malder koren schade, Jan Fransen is al zijn zomerkoren en 13 vijmen rogge kwijt, en oud-Peelmeester Thomas Bernaerts komt ook niet al te vrolijk over.
‛Mijn koren is te enenmaal vernield, ik heb nog maar 5½ vat rogge over.’
De rij benadeelden is veel langer. Dat kan ook niet anders. Tweeënveertig compagnieën staat gelijk aan minstens 4200 man. Méér mensen dan er in Gemert wonen. Na het vertrek van al die soldaten en hun paarden ziet het Gemertse platteland er plots anders uit. Och, het overkomt je. Je kunt er niet veel tegen doen. Frederik Hendrik is niet alleen een Stedendwinger, hij is ook een landschapsarchitect. Maar evenzogoed: Oranje boven!

1651 – Soevereiniteitsconflict

De Vrede van Munster, drie jaar geleden gesloten en het eindpunt van de Tachtigjarige oorlog, brengt Gemert geen vrede. Om te beginnen trekken er nog steeds losgeslagen legerbenden door Brabant, waaronder de gevreesde Loreinen. Daarnaast vechten we met de Heren Staten-Generaal in ‘s-Gravenhage het soevereiniteitsconflict uit. Die HoMo Heren in Holland vinden de status aparte van Gemert maar niets. Inderdaad, schandelijk, ze zijn nog te lui om het woord ‛HoogMogende’ voluit op te schrijven.
Bij hun pogingen Gemert naar het model van de Republiek der Zeven Verenigde Nederlanden te vormen, hebben de Haagse heren bij ons een predikant geïmplanteerd. Een gereformeerde dominee! Wichelhuijsen heet ie en hij bemoeit zich overal mee. Hij komt er ook bij staan als enige Loreinse ruiters Gemert binnenrijden en de schepenen willen spreken.
‛Wij willen hier tot sauvegarde blijven liggen.’
Wichelhuijsen duwt de schepenen aan de kant.
‛Wij zijn hier in het gebied van Hare HoMo Heeren Staten en alsoo hebben wij geen sauvegarde nodig.’
De schepenen en de inmiddels gearriveerde borgemeester Aerdt Joris steken de koppen bij elkaar en fluisteren dat ze die ruiters een rijksdaalder of drie, vier zouden kunnen geven als die lastposten maar willen vertrekken. Wichelhuijsen luistert mee en roept dat hij niet wil dat er geld aan de ruiters wordt betaald. De schepenen:
‛Omdat er geen consent was, zijn wij terstond uit Gemert gevlucht en hebben dus ook geen last gegeven aan de Loreijnen om in de herberg van Dirck Coolen of elders in Gemert te mogen logeren.’
Nee, dat heeft Wichelhuijsen natuurlijk geregeld. Waar bemoeit die vent zich mee? Voorlopig hebben wij een soevereiniteitsconflict met hém.

1654 – Vlees noch vis

Schepen. Een gewilde baan. Toch? Je hebt aanzien, de mensen kijken tegen je op en zijn op voorhand tot een tegenprestatie bereid. Bovendien wordt de secretarie altijd goed warm gestookt, er staan mooie, comfortabele stoelen en dan kun je heel behaaglijk recht spreken, het dorp besturen of een transportakte verlijden. Alleen al dat werkwoord. Ik verlijd nooit iets. U wel? Maar goed, ook nu, op 24 oktober, zijn de schepenen vergaderd en doen ze gewichtig een uitspraak over de benoemingsprocedure.
‛Het setten ende aensetten van schepenen is niet aan een vaste tijd gebonden, maar kan te allen tijde geschieden door de commandeur en de schout van Gemert.’
Misschien is het iets té warm in de secretarie, want vergeten de heren schepenen de landcommandeur niet?
Cornelis Berckers neemt het woord. Hij is van de gereformeerde religie en is afgezet op eigen verzoek. Jazeker. Hij bevestigt dit, weliswaar zittend, staande de vergadering en legt uit dat het afzetten is gebeurd door de schout van Gemert, maar dat hij nu weer is aangesteld door de schout van Peelland, zonder dat hij daar om heeft gevraagd. Daarna is hij door de vorster – in opdracht van die schout van Peelland – meerdere malen gemaand weer naar de vergaderingen van de schepenbank te gaan. Aha, hier komt het soevereiniteitsconflict weer om de hoek kijken. Er moeten van de HoogMogende Heren in Den Haag minstens een paar gereformeerde schepenen op het pluche van die mooie stoelen zitten.
Gerart Denis, zijnde van de roomse religie, wil ook wat zeggen.
‛Ik ben inter deus noch te paeps noch te geus.’
Vlees noch vis dus, Gerart. Aan jou hebben we niets.
Niet iedereen is aanwezig. Schepen Aert Gerarts is absent ondanks het feit dat de vorster hem heeft opgedragen te komen. Aert is ook rooms.
Vorster Mathijs Joris wordt uitgenodigd binnen te komen. Hij verklaart plechtig van nu af aan alleen nog de mandaten en bevelen van de Heren HoogMogenden te gehoorzamen. Kijk, dat is tenminste een vent. Die kiest partij. Gooi hem buiten!
Terwijl de schepenpresident de vergadering wil sluiten, komt genoemde Aert Gerarts toch nog binnen. Hij legt uit dat hij verscheidene malen aan de commandeur heeft gevraagd of hij geen schepen meer hoeft te zijn.
Zó’n gewilde baan is het op dit moment blijkbaar niet. Zou ú misschien …

1659 – Voor haar doe ik alles

Er lopen een paar rare snoeshanen in Gemert rond. Ze zijn niet van hier, dat hoor je aan hun tongval. Ze zéggen de dingen niet alleen op een vreemde manier, ze vragen ook vreemde dingen. Ze willen de weelderige lokken van de Gemertse vrouwen kopen! Het zijn kooplieden in haar. Vest van den Berch, Gemertenaar én koopman in hart en nieren, ziet kans een penninkje bij te verdienen. Hij biedt de vreemdelingen aan om op z’n Gimmerts de mensen uit te leggen wat de twee komen doen. Dan is iedereen gerustgesteld en komt er vertrouwen en uiteindelijk de schaar.
‛Deze Fransoijs van Delff en Jan de Rees zijn kooplieden in vrouwenhaar. Er wordt geen misbruik gemaakt en het haar is vooral bedoeld voor mannen met kale hoofden en voor geestelijke personen die in vreemde landen reizen. Het haar wordt zelfs gebruikt door vorsten en prinsen en is bekend in Holland en Vlaanderen.’
De aanspreektitel Hare Majesteit krijgt zo een heel andere lading. En Vest wordt nu ronduit enthousiast. Er zal wel meer dan een penninkje voor hem in het vat zitten.
‛Er zijn door het haar dat deze mannen verwerken ettelijke tonnen goud in het land gekomen en dat strekt tot grote contributie. Laat daarom deze kooplieden ongemolesteerd!’
Nou, dat zullen we dan maar doen.

1797 – Eerwaarde heer hooligan

Frans Giller heeft alle reden zijn naam eer aan te doen. Op dinsdag 29 augustus, omstreeks middernacht, hebben vandalen zowat alle ruiten van zijn huis in de Haageik ingegooid en ingeslagen.
‛Het deurraam aan de zuidzijde met twee ruiten is aan stukken en een houten spil binnenwaarts ingescheurd. Verderop zijn ook diverse ruiten en spillen kapot, zoals aan de noordzijde van de keuken. Van de geut is een stuk uit het paneel en in de kamer lagen twee ijsselstenen op de vloer, in de keuken zelfs vier.’
Frans weet niet wie het gedaan heeft, maar wel dat hij een kwartier tevoren drie personen had buitengezet: Huijb van Seeland, Peter van Duijnhoven en de eerwaarde heer Schepers. Bovendien heeft Frans tijdens het rinkelen van zijn glazen, via een gat in de staldeur gezien dat Huijb en Peter stokken in hun handen hadden.
‛Ze zeiden dat ze gingen zien hoeveel glazen er in stukken waren.’
Als die twee dat nog niet wisten dan zou Scheepers ook wel eens meegedaan kunnen hebben. Misschien heeft hij wel die ijsselstenen door de ruiten gekegeld. Ziet u het voor u? Zo’n man met een priesterboord, in een wapperende soutane en een rondzwaaiend flosje aan zijn hoed die de ene na de andere steen door de ramen naar binnen mikt. Is dat geen giller?

BRONNEN:
Een raid op Gemert: R268, blz. 15, 17, én: S. van Wetten, Grensconflict zonder limieten, Gemert, 1995.
Turkse steur: R267, blz. 65, R268, blz. 42.
Oranje boven: R267, blz. 33.
Soevereiniteitsconflict: R268, blz. 23.
Vlees noch vis: R268, blz. 55.
Voor haar doe ik alles: R268, blz. 30.
Eerwaarde heer hooligan: R94, blz. 15.

Bekijk PDF

GH-2015-01 Vliegveld Vossenberg

Ruud Wildekamp

Op 2 januari van dit jaar (2015) ontving ondergetekende in de traditiekamer Typhoon van de vliegbasis Volkel, Teus de Rooi en zijn echtgenote, bewoners van de Vossenberg te Elsendorp, met hun dochter, schoonzoon en kleindochter uit Nieuw-Zeeland vergezeld door Bernard Ploegmakers uit De Rips. Tijdens mijn rondleiding vertelde Teus dat direct na de bevrijding in september 1944 naast hun boerderij aan het einde van de H.J.Ypenburglaan op de Vossenberg ook een vliegveld was aangelegd. Dat was voor mij compleet nieuwe informatie. Tijdens een bezoek later wees Teus me de precieze plaats en hij vertelde daarbij dat het veld indertijd werd gebruikt door heel lichte vliegtuigjes.

Al lange tijd is bekend dat in het nabij gelegen landgoed De Sijp in Elsendorp een vliegveld was aangelegd door de Duitse bezetter. Door hen is niet of nauwelijks gebruik gemaakt van dit ‘veld’, maar dat veranderde direct na de bevrijding van Gemert op 25 september 1944. Twee dagen later werd het terrein al verkend door een groep van de Britse genie, die daags daarna begon de Duitse grasstrip te versterken met SMT (Square Mesh Track), een soort van betongaas. Nog vóór dit werk klaar was, zou het terrein al zijn gebruikt door de lichte vliegtuigen van de A-flight van het 659 AOP Squadron (AOP = Air Observation Post). Dit was uitgerust met de Taylorcraft Auster Mk.IV en V. Deze maakten verkennings- en artilleriegeleidingsvluchten voor de Britse landmacht die zojuist was begonnen aan de ‘Slag om Overloon’. Als positie van hun vliegveld gaf de dagboekschrijver van het squadron coördinaten op die overeenkomen met de positie van het vliegveld in de Sijp. Met de komst op 3 oktober van de eerste Spitfires van de Canadese 126 Wing op het vliegveld in De Sijp, dat van de geallieerden als oorlogsvliegveld de aanduiding kreeg B.84 De Rips, zouden tegelijk de (lichte) Austers zijn vertrokken naar een nieuwe positie.

De informatie van Teus de Rooi leidt nu tot het inzicht dat de Austers van 659 Squadron niet geopereerd zullen hebben van het veld in De Sijp, waar tot 3 oktober 1944 de Britse genie aan het werk was, maar van het hoger gelegen terrein naast boerderij ‘De Vossenberg’ van de familie De Rooi. Dat vervolgens de Austers daar weg moesten bij de komst van de Spitfires op genoemde dag, is zonder meer logisch. Beide ‘vliegvelden’ liggen slechts zo’n 1.5 km uiteen, waardoor de Austers een ernstige hinder zouden vormen voor startende en landende Spitfires, die door hun veel hogere start- en landingssnelheid meer ruimte nodig hebben dan de veel tragere Austers.

Naar mededeling van De Rooi was het veld naast hun boerderij al voor gebruik gereed na het dichtgooien van een paar slootjes en het verwijderen van wat stukken prikkeldraad. De geschatte lengte van het veldje was slechts een kleine 200 meter. De militairen die de vliegtuigen vlogen en onderhielden, waren ondergebracht in de ruime boerderij op de Vossenberg, waarbij enkele tenten waren geplaatst voor reparatiedoeleinden en waarin ook vaten met brandstof en smeermiddelen werden opgeslagen. In herinnering is ook gebleven de voorkeur van de Britten voor Vossenbergse eieren, die van de boerin werden betrokken in ruil voor o.m. cornedbeef. Teus weet zich verder nog te herinneren dat een van de vliegtuigjes een ongelukkige manoeuvre maakte en in een stuk prikkeldraad terechtkwam waardoor de linnenbekleding behoorlijk beschadigd raakte. In de periode dat het AOP-Squadron vanaf ‘vliegveld De Vossenberg’ zal hebben geopereerd – van 28 september tot en met 3 oktober 1944 – maakt de dagboekschrijver van dit incident overigens geen melding. Of het zou moeten zijn dat hij dat ‘camoufleerde’ met ‘een beschieting van Duitse zijde’. Van 2 oktober dateert namelijk de aantekening dat een vliegtuig een bekledingsschade aan een staartvlak opliep door ‘een vijandelijke beschieting’. Dat klinkt altijd beter dan schade door prikkeldraad, kan de kronikeur wel hebben gedacht…

Met dank aan Teus de Rooi die ons laat delen in de herinnering aan een tot dusver onbekend oorlogsvliegveld uit de bevrijdingstijd. Het Vliegveld Vossenberg.

BRONNEN:
United Kingdom National Archives, WO 171/1226 War Diary 650 AOP Squadron en Air 27/2184, Operational Record Book No.659 Squadron, R.A.F.
Hoeymakers, S. Het Gouden Dorp. Elsendorp, 1976.
Wildekamp, R., Woortman, J. & T. van de Wetering, Oorlogsvliegvelden van Gemert, Bakel, Helmond. Gemert, 2011.
De Rooi, Persoonlijke informatie, Elsendorp, 2015.

Bekijk PDF

GH-2015-01 De Koevoorde op Strijbosch

Jan Timmers

 In het voorgaande artikel van dit tijdschrift schrijft Jacques van de Velden over de Kouforte oftewel de Koevoorde, die ergens aan de noordkant van Handel gesitueerd zou moeten worden. We hebben tot nu toe geen andere vermeldingen van deze voorde aangetroffen. Die andere vermeldingen zouden misschien duidelijker hebben aangegeven waar precies die koevoorde heeft gelegen. Toch kunnen we op grond van historische kaarten achterhalen waar destijds de koeien door de Landmeerseloop konden waden. Omdat de Landmeerseloop de enige waterloop aan de noordkant van Handel is, moeten we de koevoorde daar gaan zoeken. De Landmeerseloop volgt grotendeels de gemeentegrens tussen Gemert en Boekel. Juist ten noorden van Handel is dat niet het geval. Er is een klein grondgebied van Gemert dat aan de noordkant van de Landmeerseloop ligt. Het zijn van oudsher weilanden die behoorden tot de hoeve Strijbosch. De hoeve zelf lag en ligt langs de Pater Petrusstraat, de doorgaande weg van Handel naar Huize Padua. Ter hoogte van de hoeve Strijbosch is een zijweg ontstaan, die nu de Strijbosscheweg heet. Deze weg voerde vanuit de hoeve naar de akkers en weilanden, ook naar de weilanden aan de overkant van de Landmeerseloop. En juist op die plaats, waar de Strijbosscheweg de Landmeerseloop kruist moet destijds de Koevoorde hebben gelegen. De Strijbosscheweg is naast de huidige Pater Petrusstraat de enige weg die de Landmeerseloop aan de noordkant van Handel oversteekt.

Op zoek naar de voorde in de Landmeerseloop kijken we op de oudste kadasterkaarten van het gebied uit 1832. We moeten twee kaartbladen aan elkaar plakken om een goed overzicht te krijgen. Nauwkeurig kijken naar die kaartbladen levert de conclusie op dat de Koevoorde niet alleen in 1716, maar ook nog in 1832 bestaat. Op de kadasterkaarten is voor de duidelijkheid de Landmeerseloop met een blauwe lijn gemarkeerd. De cirkels A en B geven de plaatsen aan waar de Strijbosscheweg en de Pater Petrusstraat de Landmeerseloop kruisen. Op de kadasterkaart is bij de Pater Petrusstraat een duidelijke onderbreking van de waterloop getekend. De weg passeert kennelijk middels een bruggetje. Binnen cirkel A is de situatie juist andersom. Daar loopt de Landmeerseloop door, terwijl er een onderbreking is in de weg. Kennelijk bestaat dan de voorde als oversteekplaats nog steeds.

In 1899 is de situatie veranderd. Op de kaart is dan de weg doorgetrokken en er is duidelijk een duiker getekend. Ook het tracé van de Strijbosscheweg is aan de noordkant van de waterloop veranderd. Na 1900 zijn er nog meer wijzigingen gekomen in het wegenpatroon. De Strijbosscheweg buigt tegenwoordig bij de voormalige voorde naar het zuiden, richting de Bosweg. Het gedeelte van de oude weg ten noorden van de Landmeerseloop is als wandelpad opgenomen in de routes vanuit natuureducatiecentrum De Specht.

Bekijk PDF

GH-2015-01 Kouforte, een stad tussen Gemert en Boekel

Jacques van der Velden

Tijdens de voorbereidingen op de lezing ‘herkomst van straatnamen en toponiemen’ in het Heemkaffee van 9.11.2014, zocht ik naar een voorbeeld dat moest aantonen dat onze taal onderdeel uitmaakt van een veel grotere Europese taalfamilie. Het verhaal dat toen in me op kwam, vond ik minder geschikt daarvoor, maar is volgens mij wel de moeite waard om alsnog te vertellen. Het gaat om de vier geografische namen Coevorden, Oxford, Ochsenfurt, en Bosporus die allemaal ‘plaats waar runderen het water kunnen oversteken’ betekenen. Ons woord vorde of voorde ‘doorwaadbare plaats’ is afgeleid van het werkwoord voeren ‘leiden, vervoeren’. Er werden in Coevorden dus koeien door de Kleine Vecht gevoerd. Coevorden wordt voor het eerst in 1148 genoemd als Cuuorde en daarna onder andere als Koeforde of Covorden. Het is bekend dat in Gemert verschillende voorden hebben bestaan, maar als wij bij deze taalfamilie horen, dan is de kans groot dat er in Gemert ook een koevoorde te vinden is. Ik ben op zoek gegaan en heb er inderdaad een gevonden. In het Gemerts Landboek waarin de grondeigenaren vanaf 1717 zijn bijgehouden, staat: “Den 27 dito begonnen op Strijbos met Jan Hes . . . . 507 Nogh het heytvelt boven Aert Basten met sijne kouforte groot 17 – 0 – 0, modo broeder Daniel voor een deel en Jan Thoni van den Berg een deel . . . . Voorts gegaen op Haendel.”. Omdat in hetzelfde document Bouckel voor Boekel wordt geschreven, denk ik dat kouforte een heuse koevoorde is op Strijbos. Waarschijnlijk een doorwaadbare plaats in de Landmeerse loop. Broeder Daniël Vervest bijgenaamd de Brouwer [de stichter van de congregatie van de Broeders Penitenten van de H. Franciscus van Asisië, die samen met zijn volgelingen de grondslag legde voor Huize Padua] en Jan Thoni van den Berg komen ieder in het bezit van een deel van dit heytvelt dat in 1717 nog eigendom was van Willem Driessen. Wat er precies met deze koevoorde is gebeurd is onduidelijk. Op deze plek is in ieder geval geen stad van 10 tot 150 duizend inwoners met de naam Kouforte ontstaan. Bosporus staat enigszins buiten deze vergelijking, omdat deze naam een mythologische achtergrond heeft en in werkelijkheid niet als koevoorde gebruikt werd. De naam is ontstaan door de mythe die vertelt dat de Griekse godin Io in de gedaante van een koe deze zeestraat overstak. Bosporus is een samenstelling van het Griekse woord bous ‘rund’ en poros ‘doorwaadbare plaats’. Het is nog zeer de vraag of we onze koevoorde ooit precies kunnen lokaliseren. Zeker is wel dat Kouforte in één adem genoemd mag worden met Coevorden, Oxford, Ochsenfurt en Bosporus. Een illuster gezelschap van grote steden in Nederland, Engeland en Duitsland en een zeestraat in Turkije die de Zee van Marmara met de Zwarte Zee verbindt. Toponiemen bestaan uit gewone woorden die mensen in het verleden gebruikten om locaties eenduidig te benoemen. Veel van dit soort woorden werden later niet meer gebruikt of kregen een andere functie waardoor hun vroegere betekenis in de vergetelheid raakte. De naam van het Friese recreatieoord De Koevoet is een verbastering van De Kûfurt. Blijkbaar werd -furt niet meer als -voorde herkend en ingeruild voor -voet. Doorwaadbare plaatsen zijn altijd geliefde locaties geweest om te vestigen. Dat blijkt wel uit de vele voorde-namen binnen het Nederlands taalgebied die onze moderne routeplanner kent. Ik noem er een paar: Coevorden, Bredevoort, Voorthuizen, Vorden, Amersfoort, Helvoirt, Zandvoort, Bekkevoort, Vilvoorde en Ruddervoorde. Voor hetzelfde geld had er op de grens tussen wat wij nu Gemert en Boekel noemen een grote stad met de naam Kouforte gelegen, met een wijk genaamd Gemert met in het centrum daarvan een parkje waar het beekje De Rips doorheen kabbelde. Het is anders gelopen!

Geraadpleegde bronnen:
Archief van de gemeente Gemert (1271) 1407 – 1794 inventarisnummer 414, Verpondingen (18e eeuw – c. 1806) Het landboek 1717 – 1816.
http://www.dbnl.org/tekst/_bel002189101_01/_bel002189101_01_0032.php
DBNL, Digitale bibliotheek voor de Nederlandse letteren, Het Belfort. Jaargang 6. Drukkerij A. Siffer, Gent 1891, p.268, Johan Winkler koevoet
http://www.etymologiebank.nl/trefwoord/voorde Sijs, Nicoline van der, (samensteller), (2010), Etymologiebank, op http://etymologiebank.nl/ voorde, coevorden

Bekijk PDF

GH-2015-01 Het mysterie van de kiosk en de onderaardse gangen

Ad Otten

 Medio 1936 wordt in het centrum van Gemert op het Borretplein (nu: Ridderplein) een bijzondere stenen kiosk gebouwd. Een stenen klankkast in de vorm van een luidspreker. Een lang leven is die kiosk niet beschoren geweest. In het voorjaar van 1967, amper dertig jaar oud, valt hij al onder de slopershamer. Maar haal je vandaag-de-dag een ansicht van Gemerts ‘Mertveld’ voor de dag uit de tijd dat de bewuste kiosk er stond, dan kun je nog altijd horen verzuchten waarom men die toch ooit heeft kunnen slopen? In aansluiting daarop krijg je vervolgens van oudere Gemertenaren meteen ook allerhande spannende verhalen te horen. Over een eeuwenoud netwerk van onderaardse gangen onder Gemert-dorp en dat de kelder onder de kiosk gold als een soort van centraal trefpunt. Vandaar liepen gangen naar het kasteel, naar De Eendracht op het eind van de Molenakker en nog veel verder weg. En waag het niet om daaraan te twijfelen want dan beschuldig je veel kans de oudere broer, de vader of de grootvader van leugenachtigheid, want of je het nu gelooft of niet, die zijn er allemaal in geweest. Kortom: de bijna vijftig jaar geleden gesloopte kiosk heeft nog steeds een magische klank. In dat mysterieuze bouwsel lijkt zich de bijzondere geschiedenis van Gemert wel samen te ballen. En dan hebben we het nog niet eens gehad over zo’n 500 Gemertse inwoners die door een Duitse verkenningseenheid op 11 mei 1940 op en rond deze kiosk werden gegijzeld en daar ter plaatse doodsangsten uitstonden.
Ja! Er is stof genoeg om het ‘mysterie’ van de Gemertse kiosk eens uitgebreid onder de loep te nemen en te ontrafelen.

De bouw in 1936
Uit het in het gemeentearchief bewaarde bouwdossier1 blijkt dat gemeentearchitect Willem Claeren voor een ontwerp van de kiosk te rade ging bij een paar opmerkelijke personen van zijn tijd. In de eerste plaats geldt dat ir. J.M. de Casseres, het toenmalige hoofd Streekplancommissie De Meierij, een novum in de intergemeentelijke samenwerking van die jaren. Claeren vraagt een advies voor de inrichting van het dan nog helemaal lege Borretplein aan de man die in recente publicaties steeds vaker wordt genoemd als ‘een uitvinder’ in de Nederlandse planologie. De Casseres op zijn beurt schakelt ir. R. Vermeulen van het Philips Natlab in voor een ontwerp van een muzieknis met een optimale akoestiek. Vermeulen, een man met een internationale naam op dat gebied, komt vervolgens met een uniek nog nooit vertoond schelpachtig ontwerp. Maar of dat gerealiseerd kan worden vraagt hij zichzelf ook af. Eind februari 1936 reizen direct betrokkenen w.o. de gemeentearchitect en aannemer Janus van Eupen (oud-wethouder) naar het Natlab in Strijp waar ze met geluidexpert Vermeulen tot de conclusie komen dat diens ontwerp voor de gemeente veel te duur wordt. Met zijn instemming wordt dan gekozen voor een bouwvorm die sterke gelijkenis vertoont met het kort daarvoor door Philips op de markt gebrachte radiotoestel dat tot op de dag van vandaag bij verzamelaars de naam draagt van ‘de kapel’ of ‘de kiosk’. Gemeentearchitect Claeren werkt dat laatste idee uit in een bouwtekening en maakt een bestek en voorwaarden waarnaar ‘het bouwen van eene muzieknis’ zal worden aanbesteed.
Bij de aanbesteding op 11 mei 1936 wordt het werk gegund aan aannemer Toon van Melis van de Oudestraat, met f 1754 de laagste inschrijver (de hoogste is f 2328,-). Op 30 mei daaraanvolgend legt burgemeester Jan Phaf de eerste steen. Op het laatste moment is nog besloten om de kiosk aan te sluiten op het elektrisch lichtnet, waardoor vanuit het gestucte en gebogen plafond de muzikanten straks ook in de avonduren kunnen worden aangelicht. Verder zal in de spits toelopende topgevel het wapen van Gemert worden aangebracht in tufsteen. Het is midden in de crisistijd maar aannemer Van Melis heeft ’n skon klus. Op Koninginnedag 31 augustus 1936 wordt de kiosk officieel in gebruik genomen.

Onderaardse gangen vanuit de kiosk?
Toon van Melis en zijn bouwvakkers hebben die kiosk echt niet stiekem boven op een bestaand onderaards gangennetwerk gebouwd. Uit de bouwperiode is er helemaal niets bekend van wat-voor-vondst-dan-ook in de ondergrond. Waar die verhalen over de onderaardse gangen dan vandaan komen? Die moeten bijgevolg dateren van een flinke tijd na de bouw en zijn ontsproten uit fantasieën van de opgroeiende jongens van kort na de oorlog. Die fantasieën zijn echter wel gevoed door sterke verhalen van de oudere generaties, want verhalen over het bestaan van onderstaande gangen dateren al van heel lang vóór de tijd van de kiosk. Gangen, die vanuit het Gemerts kasteel overal naar toe zouden hebben gelopen. Niet alleen naar De Eendracht maar zelfs Handel en Esdonk werden genoemd… Maar laten we eerst eens kijken naar de uit 1936 daterende bouwtekening van de kiosk.
Om een podium te creëren voor het publiek op het plein, steekt de vloer van de kiosk ongeveer een meter boven het maaiveld uit. Het hele bouwwerk is daartoe opgetrokken op een gemetselde kelder met een betondek (de podiumvloer). De kelderruimte ligt zo’n 50 à 60 cm onder het maaiveld en is eventueel bruikbaar voor opslag. Een plaatijzeren luik aan de achterkant van de kiosk geeft toegang tot de kelder. De hoogte in de kelder is 1,65 meter. Een beetje grote jongen kon er niet eens rechtop staan. In het midden van de kelder ondersteunt een pilaar de podiumvloer. De keldervloer is gewoon zand.
De donkere kelder bood alle ingrediënten voor een spannende jongensfantasie. De schrijver van dit artikel (geboren in 1944, ‘op’ het Borretplein) zal een jaar of zes zijn geweest toen hij het voor het eerst aandurfde om achter de een paar jaar oudere ‘buurjongen’ aan, in de kioskkelder af te dalen. Bij het open luik bleef een andere buurjongen op wacht. “Kijk,” zei mijn gids helemaal achterin de kelder, “hier, voel maar, hier is de onderaardse gang naar de boterfabriek dichtgemetseld!” Daarna schuifelde ik achter hem aan naar de plek waar ook de gang naar het kasteel zou zijn dichtgemetseld. Geweldig toch. Alles zo klaar als een klontje. Ik was ingewijd in de geheimen van de onderaardse gangen van Gemert. Op de bouwtekening herken ik nu de beide plekken van toen, als de plaatsen waar de gemetselde trapopgangen naar het bordes van de kiosk door een muurtje onder in de kelder werden ondersteund…

Onderaardse gangen vanuit het kasteel?
Verhalen over onderaardse gangen vanuit het kasteel dateren al van lang vóór de tijd dat de kiosk werd gebouwd. Vaak werd er dan gewezen op een mysterieuze onderwatermuur in de oostelijke binnengracht. Kasteelbewoners hebben het altijd geweten. Roeiboten schuurden er overheen. Met roeispanen en peddels van kano’s werd meermaals een lange en bijzonder brede muur, van meer dan een meter breed vastgesteld. Een prikkelende werkelijkheid met de conclusie: Dat moet ie zijn! De onderaardse gang!
Als in 1934 de binnengracht van het kasteel een grote schoonmaakbeurt te wachten staat gaat de volksmond getest worden. Pater Loffeld, docent missiologie op het kasteel, lijkt daar op te hebben aangestuurd. In augustus van dat jaar wordt alle water uit de binnengracht naar de droogstaande buitengracht gepompt. Langzaam klimmen de muren van de vermeende onderaardse gang uit de bagger omhoog. Pater Ed Loffeld vult twee maanden later bijna de hele voorpagina van De Gemertsche Courant met een uitgebreid verslag van zijn ‘bevindingen’.2 Een massieve muur over een lengte van 40 meter met een bovenbreedte van 95 cm tot 130 cm. Aan de kasteelkant trapsgewijs opgebouwd. Anderhalve meter hoog. Gefundeerd op puin en hier en daar op een laag in de lengte in tweeën doorgezaagde boomstammen waarover kruislings een laag planken ligt, met de boomstammen verbonden door middel van stevige houten pennen, terwijl sterke paaltjes vanaf de houten onderlaag verticaal naar boven steken, tussen de bakstenen door. Grote stenen, zogeheten kloostermoppen, en de hechtstof blijkt zo sterk dat bij een poging om ‘eenige gave steenen los te hakken, de cement niet losliet maar de steenen geheel versplinterden’. Loffeld dateert het bouwwerk voorzichtig uit de begintijd van de kasteelbouw met als vermoedelijke functie de fundering van een vroegere versterkings- of verdedigingsmuur. Een nog steeds houdbare en aannemelijke verklaring, maar het laatste woord zal hierover nog wel niet gezegd zijn. Wat te denken van de vraag bijvoorbeeld waarom deze muurpartij niet helemaal afgebroken is? Gesuggereerd is al de (mogelijk latere) functie van kademuur in dit van oorsprong bijzonder drassige gebied…3 Maar één ding was Loffeld in 1934, en meteen ook ‘iedereen’ om hem heen, duidelijk: “Het is geen onderaardse gang!”
Vermeldenswaard is nog een passage uit een brief van de vroegere kasteelheer Scheidius jr. aan pater Loffeld met betrekking tot de onderaardse gangen van Gemert.2a Scheidius schreef: “U zult zeker ook wel gehoord hebben van een onderaardschen gang, welke zou loopen naar de Molenstraat tot het huis bewoond door mijn opzichter Willem van Dijk (dat is het in 1960 afgebrande ‘molenhuis’, gelegen pal voor de Coöperatieve zuivelfabriek ‘De Eendracht’ – red.). Voor mij hecht ik hieraan weinig geloof, ik heb reeds zoo dikwijls over dergelijke gangen gehoord en vele serieuze onderzoekingen gedaan, veel geld en tijd verspild en nooit iets gevonden.”
In de herfst van 1934 raakte de zware muurpartij alias onderaardse gang, weer overspoeld. Maar in perioden van droogte kwam hij nog meermalen in zicht of zelfs net boven het wateroppervlak. En in 1978, bij opnieuw een schoonmaakbeurt van de gracht, brengt architect Leo Bekkers ‘de muur’ zelfs in kaart.3

Hoeveel gijzelaars stonden er op de kiosk?
De kiosk werd gebruikt voor muziekuitvoeringen, zangkoren, rustaltaren bij processies, en bood verder een podium voor nog allerlei evenementen meer. Het meest bekend is de kiosk echter in de herinnering gebleven als gijzelplaats voor honderden Gemertenaren op de 11de mei 1940 tijdens de belegering van Gemerts kasteel door een Duitse verkenningseenheid. Het is al vele malen beschreven.4 Maar de vraag hoeveel gijzelaars er op de kiosk wel hebben gestaan, is nog altijd onduidelijk. Stichting Gemert Vrijstaat legde ruim een jaar geleden in de directe nabijheid van de vroegere kiosklocatie, een gedenksteen met de tekst “Gijzeling 500 Gemertenaren, 11 mei 1940”. Dat aantal zou veel te hoog zijn ingeschat? Hier volgt de verantwoording: Een soldaat van het 2.Radfahr-Schwadron AA256 die met zijn kameraden Gemert was komen binnenfietsen werd in de vroege morgen van die dag ter hoogte van Binderseind 1, beschoten en dodelijk verwond door een Nederlandse militair, die, gekleed in een gewone overall als militair niet direct herkenbaar was. Dat was tegen de regels van de Conventie van Genève. De Duitse commandant legde dit uit als burgerverzet en gaf opdracht burgers uit hun huizen te halen en als gijzelaars bijeen te drijven op en rond de kiosk en tegelijk de ‘verzetshaard’ op het kasteel te bestrijden. “Die moordenaar van hun Schütze moest gevonden worden!” Gedurende meer dan een uur bleef het aantal gijzelaars aangroeien. Van hele gezinnen tot loslopende nieuwsgierigen. Bewoners van Borretplein, Binderseind, Kerkstraat, Kapelaanstraat, Nieuwstraat, Molenstraat, Haageik, Stereind, Heuvel, Schoorswinkel en De Hoef. Getuigen vertellen nog altijd dat ze op de kiosk zo strak tegen elkaar stonden dat je niet eens een zakdoek uit je broekzak kon halen zonder iemand aan te stoten. Simon van Wetten liet als docent zijn middelbare scholieren uitzoeken met hoeveel zij op één vierkante meter konden staan. De uitkomst was, geloof het of niet, 16 leerlingen! Laten we er nu eens van uitgaan dat er op die elfde mei in 1940 de helft van dat aantal op elke vierkante meter van de kiosk heeft gestaan. Acht personen (groot en klein). Gelet op de diepte van de kiosk (6 meter), de breedte (iets meer dan 8 meter), en de boogvormige achterwand van de kiosk komt de oppervlakte op circa 40 m2. Daarbij gerekend het bordes (ruim 10 m2). Dan kom je tot 50×8=400 personen. Dat is dan het aantal gijzelaars alleen op de kiosk. De bloemenbak van ca. 25 m2 is als gijzelplaats niet meegerekend, omdat bekend is dat die aanvankelijk in elk geval was gereserveerd voor een tiental krijgsgevangen gemaakte Nederlandse militairen die daar plat op hun buik moesten blijven liggen… Bekend is ook dat vanwege de overvolle kiosk vervolgens gijzelaars naar de veranda van De Keizer en naar De Gouden Leeuw werden gedirigeerd. Toen het bij De Keizer te gevaarlijk werd door het geweervuur uit het kasteel werden de gijzelaars van daar weer teruggestuurd naar de kiosk en kregen een plaats toegewezen in de bloembak. Krijgsgevangenen plus de gijzelaars bij De Keizer en De Gouden Leeuw mogen we gerust stellen op nog eens minstens 100 personen. Terwijl er op het kasteel bovendien 100 leden van de Congregatie van de Heilige Geest ‘gevangen’ zaten, die na de overgave van het kasteel, onder bewaking naar het Borretplein werden geleid. Al bij al kom je zo wel degelijk op een betrouwbare schatting van zo’n 500 gegijzelden op en rond de kiosk. Eerder meer dan minder. Het belegerde geniedetachement van zo’n 100 militairen is daarbij niet eens meegerekend en evenmin de inwoners van Gemert die thuis stilletjes, maar in grote spanning, ondergedoken bleven wachten tot lang nadat het schieten was verstomd…

De sloop van de kiosk
In de notulen van de B&W-vergadering van 9 mei 1966 valt te lezen dat in een hearing met de gemeenteraad dan al besloten is ‘het kiosk’ te slopen. Een restauratie en onder meer een nieuw leien dak voor de almaar minder gebruikte kiosk was te kostbaar gevonden. De directeur gemeentewerken raamde de sloopkosten op 2000 gulden en de bijkomende werken van bestrating en beplanting op 1250 gulden. Maar het duurt nog tot het eind van het jaar vooraleer de plannen in daden worden omgezet. In december 1966 komt de chef van de afdeling Algemene Zaken op het gemeentehuis met een voorstel aan B&W om te bevorderen dat het krediet voor de sloop van de kiosk door de raad wordt goedgekeurd. Want: de plek van de kiosk kan met de eerstvolgende kermis nog een aardig pachtsommetje opleveren, zo argumenteert hij. Tegelijk verzoekt hij de na een aanrijding met een vrachtwagen resterende ruïne van de uit 1948 daterende Wilhelminapomp, te laten verwijderen omdat ook ‘dat bouwval een sta-in-de-weg voor de kermis betekent, en om zijn schoonheid c.q. aankleding van het plein z.i. niet behoeft bewaard te blijven’.

In het sloopdossier5 van de kiosk bevindt zich een op 5 mei 1967 ondertekend ‘certificaat van betaling’ door de directeur van de dienst gemeentewerken, ten bedrage van 2000 gulden. Hij verklaart daarmee dat de werkzaamheden wat betreft de sloop van de kiosk zover zijn gevorderd, dat genoemde som aan Slopersbedrijf M.J.v.d. Laar (De Haag 31, Gemert) kan worden uitbetaald.

NOTEN
1.Gemeentearchief Gemert-Bakel [GAG] AG004 invnr. 1399.

2. Ed Loffeld, Kasteel Gemert. Onderaardsche gang? In Gemertsche Courant 20 oktober 1934; 2a. In een PS van bovenstaand artikel citeert Loffeld uit een schrijven van Scheidius over de onderaardse gangen van Gemert.
3. Zie ook: Ad Otten, Kademuur in binnengracht kasteel, Gemerts Heem 2010 nr.1, blz. 35-36;
4. Ad Otten, Gemert Mei 1940, 1980; Heemkundewerkgroep WO-II, Duitse inval in Gemert, dl 1-2, in: Gemerts Heem 2013, nrs.2 en 3.
5. AG083 Gemeentearchief Gemert 1961 tm 1996, invnr. 2893.

Bekijk PDF

GH-2015-01 Klokkenvordering 1940 – 1945

Hans Kanters

Tijdens de Tweede Wereldoorlog had Duitsland een grote behoefte aan grondstoffen. Als gevolg daarvan werd alles wat van metaal was gevorderd. Via een bekendmaking door het Duits gezag volgde op 16 juli 1941 al een vordering van alle metalen. Kerkklokken waren daar op dat moment nog van uitgezonderd.
Voor de oorlog (1939) waren alle klokken in Nederland geïnventariseerd, waardoor de bezetters een jaar later precies wisten, waar wat hing. Ook het gewicht van de klokken was hen bekend. Wel hadden zij nog enig oog voor de monumentale waarde. Daarom ook werden monumentale klokken gekenmerkt met een M. Daarna volgden C-, B- en A-klokken. A-klokken waren de minst waardevolle.
De eerste klok die in onze gemeente in opdracht van de bezettende macht wordt opgehaald is een klok uit de Mortelse kerktoren. Dat gebeurt op 5 augustus 1942 door de firma J.P. Meulenberg uit Heerlen. De Mortelse klok met een doorsnede van 105 cm en een gewicht van 730 kilogram wordt afgevoerd naar een bewaarplaats in Tilburg. Tegelijk wordt ook een klein klokje van 30 kilogram meegenomen. Op 1 december 1942 worden vervolgens door dezelfde aannemer ook in Handel twee klokken opgehaald, die respectievelijk 117 en 50 kilogram wegen. Beide gemerkt als M-klok, maar toch afgevoerd naar Tilburg. Deze M-klokken zijn gegoten in 1689. De ene ter ere van de Heilige Maria en het andere veel kleinere klokje ter ere van St. Anna. Een derde klok, de St. Jozefklok, mag blijven hangen als brandklok van Handel.
Een week later is Gemert aan de beurt. Op 7 december 1942 wordt de grootste klok, Johannes De Doper, met een doorsnede van 120 cm en een gewicht van 1070 kilogram uit de kerktoren getakeld. Daags erna volgt de Willibrordusklok met een doorsnede van 90 cm en een gewicht van 700 kilo. Ook deze klokken, in 1718 gegoten, zijn M-klokken. Het is eigenlijk de bedoeling dat het Angelusklokje in het kleine torentje mag blijven maar men krijgt het voor elkaar dat de 340 kilo wegende derde klok in de kerktoren (uit 1866) mag blijven als brandklok. Daarvoor in de plaats moet nu wel het uit hetzelfde bouwjaar daterende Angelusklokje met een doorsnede van 62 cm en een gewicht van 120 kilo worden afgestaan en zal later dienen als brandklok voor de gemeente Mill en St.-Hubert. Op 9 december worden vervolgens de klokjes uit het kasteel en uit klooster Nazareth opgehaald. Nog tot 21 december daaraanvolgend staan de twee grote klokken aan de voet van de kerktoren en de kleinere klokken in het torenportaal om dan te worden vervoerd naar de centrale opslag van kerkklokken in Tilburg.
Na deze voor de inwoners van onze gemeente droevige aftocht kon men alleen maar blij zijn zowel in Handel als in Gemert één klok te hebben behouden. In Gemert was dat een klok met een aanmerkelijk gewicht. En het moet dat gewicht zijn geweest dat er op 22 maart 1943 toe leidt dat deze klok (340 kg; doorsnede 80 cm) alsnog uit de Gemertse kerktoren wordt gehaald. Gemert had toen niet eens een brandklok meer. Maar dat kon ook volgens de Duitse regels niet. In een brief d.d. 13 april 1943 van het Duits gezag aan de gemeente Gemert wordt bericht dat elke gemeente één klok voor alarmeringsdoeleinden moet bezitten en dat dit een C-klok met een gewicht van onder de 150 kilo dient te zijn. Indien het niet lukt om dit binnen de eigen gemeente te regelen dan zal er een dergelijke klok uit een andere gemeente moeten komen. Op 22 april 1943 verzoekt de Gemertse NSB-burgemeester Vogels aan de Commissaris van de Provincie, om in Gemert ‘mede op historische gronden’ als brandklok te krijgen, de eerder al naar Tilburg afgevoerde Mariaklok uit Handel (60 cm, 150 kg). Het verzoek wordt ingewilligd en leidt achteraf bezien tot het behoud van deze monumentale uit 1689 daterende Handelse klok die daar indertijd werd gegoten door Alexis Juliën.

Eind 1943 had elk Gemerts kerkdorp de beschikking over één brandklok:
Gemert, 60 cm en 150 kg De Mortel, 46 cm en 65 kg.
Handel, 50 cm en 80 kg Elsendorp, 30 cm en 20 kg.

De afgevoerde klokken blijven tot april 1944 in Tilburg om dan vervoerd te worden naar de smelterij te Wilhelmsburg bij Hamburg. Met uitzondering van het kleine klokje uit De Mortel en het klokje van het Capucijnenklooster uit Handel komen er na de oorlog geen afgevoerde klokken in de gemeente meer terug. De klokjes van een paar kapelletjes zijn gelukkig gespaard. Zo kon de klok van het Esdonks kapelleke op tijd in veiligheid worden gebracht en kon daardoor na de oorlog ook nog even dienst doen in de Sint-Janskerk. Over het klokje in de St.Antoniuskapel in de Deel is verder niets bekend, maar daarover zal zich wel een buurtbewoner of een gildebroeder hebben ontfermd waardoor dit klokje buiten de vordering is kunnen blijven.
In de oorlog zijn er nog wel een paar verzoeken gedaan door pastoor Kuijte tot behoud vooral van de monumentale klokken uit 1718. De verzoeken waren gericht aan pater Dr. J.B. Knipping, professor aan de Katholieke Universiteit te Nijmegen. Helaas heeft dit niet mogen baten al vragen we ons af hoe het zou zijn gelopen als zich daarmee de door de Duitse Orde onderscheiden pastoor Poell nog had kunnen bemoeien. Toen in december ’44 bekend werd dat de klokken al in april van dat jaar in Wilhelmsburg waren aangekomen, was daarmee alle hoop op behoud verloren en daar werd hier en daar ook wel een ‘traantje’ om gelaten. Jaar in jaar uit en dat eeuwen achtereen hebben klokken geluid voor geboorte, trouwen en uitvaarten, voor blijde maar ook droevige gebeurtenissen zoals die bij een mensenleven horen…

Voorgeschiedenis klokken uit 1718:
Een klok met inscriptie ‘Domina Agnes van Gemert anno 1270’, wegend 636 pond, werd in 1588 omgesmolten tot St. Jan den Doper, in 1606 wederom versmolten tot een klok van 2358 pond, en daarna nog een keer in 1690. Daarnaast is in 1560 een klok gegoten genaamd De Zaligmaker Joannes de Dooper, 1200 pond, die in 1588 is versmolten tot De Zaligmaker, 1441 pond.
Uit deze twee klokken, zijn in 1718 de twee grote klokken gegoten. De ene opgedragen aan de Duitse Orderidder Damiaan Hugo von Schönborn, landcommandeur Alden Biesen en Vrijheer van Gemert. De ander in memorie van de victorie in de Slag om Belgrado van generaal Bertram Anton van Wachtendonk, commandeur van Gemert.

Over klokkengieter Jean Petit
De klokkengieter van de klokken uit 1718 werd geboren in 1695 in Langres (Frankrijk) en overleed op 96-jarige leeftijd in 1792 te Helmond. In zijn leven heeft hij blijkbaar meer ondernomen dan alleen klokken gieten; in 1724 stond Petit ook bekend als bakker in Helmond. In de periode 1718-1755 heeft Jean Petit in samenwerking met broer Joseph, neef Godefridus Julien, en met zijn zoon Johannes, in totaal 57 klokken gegoten. Dit gebeurde altijd op locatie en als zodanig heeft hij heel Brabant, Limburg, Gelderland en zelfs een stuk van Duitsland bereisd. In 1936 is een klok uit Vlierden, gegoten in 1736 door Jean Petit, helemaal in Sianter op Sumatra terechtgekomen.

NA DE OORLOG
Samenvattend kunnen we stellen dat uiteindelijk vijf klokken niet zijn teruggekeerd. Van de St.-Jan uit Gemert de twee klokken uit 1718, en een derde klok uit 1866. Verder uit De Mortel de grote klok. En de vijfde klok is de St.-Annaklok van 50 kilo, de kleinste klok uit Handel. Deze stond niet eens op de inventarislijst uit 1939, maar deze uit 1689 daterende klok is toch opgehaald en helaas ook niet teruggekeerd.
Na de oorlog heeft de Maatschappij tot Financiering van het Nationaal Herstel een bijdrage gestort van fl. 4.230, terwijl de waarde van de gevorderde klokken geschat werd op fl.7.920, bijna het dubbele. De schatting van de oorlogsschade en de manier waarop dit gebeurde was voor het kerkbestuur reden om de betaling van fl.193,- aan de taxateurs slechts onder protest te voldoen. Zij hadden er geen goed woord voor over. De schadevergoeding bedroeg fl.2,25 per kilogram.
Dat de rekening voor nieuwe klokken flink hoger uitviel blijkt wel uit het feit dat pas in maart 1949 aan Petit & Fritsen te Aarle-Rixtel definitief opdracht is gegeven om drie klokken te gieten ter waarde van fl.11.538,80. Het zijn ‘Joannes de Doper’ van 1050 kg, ‘Willibrordus’ van 700 kg, en ‘Maria’ van 400 kg. Deze klokken werden op 27 juni 1949 geplaatst waarbij het uit Mill teruggekomen Angelusklokje toen van de grote naar de kleine toren verhuisde. De Firma Hendriks realiseerde indertijd voor fl.325,- een elektrische aandrijving.
Voor wat De Mortel en Handel betreft: deze kerkdorpen zijn pas in 1952, weer voorzien van het aantal klokken van vóór de oorlog. Ook hier speelde de financiering een belangrijke rol. In De Mortel werden verscheidene collectes gehouden om het benodigde geld bijeen te krijgen. Bijzonder was een oproep aan elk gezin dat in de stal nog wat plaats had om varkens te mesten. De opbrengst was dan voor de klokken. Via meester Derks bood een veevoederfabrikant 300 kilo varkensmeel per varken gratis aan. Het werd een geweldig succes. Een ‘waar gebeurd’ verhaal uit het dorp van de bereleider en de carnavalsnaam “Krulstarteland”, toegewijd bovendien aan de parochieheilige St.-Antonius (met het varken).
Ook voor Handel liet men na de oorlog een nieuwe klok gieten (door Eijsbouts, Asten), terwijl de twee M-klokken die respectievelijk in Handel en in Gemert in de bezettingstijd ‘dienden’ als brandklok, weer konden worden teruggehangen op hun oorspronkelijke plaats.

GERAADPLEEGDE BRONNEN:
– Gemeentearchief Gemert-Bakel, archieven van de parochies Gemert, Handel en De Mortel.
– Peter Lathouwers, De Handelse Klokken, Gemerts Heem 1994.02, p. 58-60; Peter Lathouwers, In eeren ende oirbaer onser vrouwe te Haenle, Gemert 2005, blz. 88-91.
– Koos van der Heijden e.a., Mortel ons dorp , 1992, p.59; Idem, 100 Jaar parochiekerk, 2004, p. 7.
– M.H.J. Pennings, D’aauw kerk, Gemert 1977, p.35.
– Anny vd Kimmenade-Beekmans, Gemert bezet Gemert bevrijd, 1994, p.52.
– Gemertse Courant 30 juli 1941, excursie naar de Esdonkse kapel; feb-sept 1945 tien artikelen over kerkklokken
– L. Rouppe van der Voort, Klokkengieters in Gemert. Hoe en wanneer, Gemerts Heem 1988.04, p.108-111.

Bekijk PDF

GH-2015-01 Een klein dorp en de Grote Oorlog (1)

Alex van Antwerpen

Het kan, met alle media-aandacht, niemand ontgaan zijn dat 100 jaar geleden een gruwelijke oorlog uitgevochten werd. Nederland was dan wel neutraal, maar toch werden we bij deze wereldbrand betrokken. In 2 delen schetst Alex van Antwerpen hoe het Gemert verging in de Eerste Wereldoorlog.

De Zomer van 1914
Eind juli, de 28e om precies te zijn, valt Oostenrijk Servië aan. De strijd is al snel meer dan weer een Balkanoorlog, als Rusland, een bondgenoot van de Serven, zijn omvangrijke leger mobiliseert. Wanneer daarna ook nog berichten over Duitse oorlogsvoorbereidingen ons land bereiken, breekt een ongemeen spannende tijd voor Nederland aan. Wij zijn dan wel neutraal, in die tijd sprak men van “onzijdig”, maar het is natuurlijk zeer de vraag of die neutraliteit ook gerespecteerd wordt in geval van oorlog. Er zit dan ook niets anders op dan al de strijdkrachten op te roepen en in staat van opperste paraatheid te brengen. In Duitsland en Frankrijk werd de mobilisatie met uitzinnig enthousiasme begroet. Men had het idee aan de vooravond van een glorieuze oorlog te staan. Een korte, succesvolle strijd. Nog voor de Kerst zijn we in Parijs dan wel Berlijn, het ligt er maar aan met welke ogen je het komende strijdgewoel bekijkt. Optimisme overheerste, niemand voorzag een lange, uitzichtloze, uitermate bloedige, mensen verslindende strijd. Nederland bereidde zich voor op een verdedigingsoorlog en hier was nauwelijks iets van enthousiasme te merken.
Je kunt je voorstellen dat op de eerste dag van de oogstmaand, het was stralend weer, in Gemert niet echt geestdriftig gereageerd werd op de mobilisatieoproep die op diverse plekken aangeplakt werd, terwijl de kerkklokken luid beierden. In deze overwegend agrarische streek had men andere zaken aan het hoofd. Op 1 augustus werden 127 jonge mannen uit het 4600 zielen tellende dorp onder de wapenen geroepen. Zij maken deel uit van een 200.000 man sterke troepenmacht, die in zogenaamde Afwachtings-opstelling, forten bemannen en havens en grenzen gaan bewaken. De legerleiding had trouwens helemaal geen hoge pet op van Brabanders, van alle landgenoten waren zij het slechts tot soldaten om te smeden. Men sprak schamper over de onbetrouwbare volksaard, het onderontwikkeld zijn en de drankzucht. Daartegenover staat dat onze jongens wel goed konden marcheren.

Snakken naar nieuws
Mobilisatie betekent onzekerheid, dreigt er nu wel of geen oorlog? Mensen snakken naar nieuws, wat gebeurt er in de landen om ons heen, waar wordt er gevochten, hoe vergaat het onze gemobiliseerde jongens?
De overdaad aan nieuws van tegenwoordig steekt schril af tegen de schrale nieuwsvoorziening van 1914. Er waren een aantal landelijke dag- en weekbladen, verder had je de proclamaties van de regering en de militaire autoriteiten, in de vorm van aanplakbiljetten. De gewone man in Gemert moest het doen met de Zuid, zoals de ZuidWillemsvaart in de volksmond werd genoemd, de regionale krant die op woensdag en zaterdag verscheen .
Om de honger naar nieuws te stillen verschijnt De Zuid Willemsvaart voor het eerst in haar bestaan in een extra oorlogseditie op maandag 3 augustus. Tot deze opmerkelijke stap werd besloten omdat op zaterdag- de dag van de mobilisatie- en zondag zich duizenden (althans volgens de opgave van de krant zelf) verdrongen voor de ramen van de bureaus in Helmond om een glimp op te vangen van het oorlogsnieuws. De krant gaat er alles aan doen om de nieuwsvoorziening zo actueel mogelijk te houden, zo heeft men zelfs een telegraafkantoor uit Amsterdam in de arm genomen, een persbureau zou men tegenwoordig zeggen,
In Gemert worden ook geïllustreerde bladen verspreid, maar dat zijn weekbladen, die het niet moeten hebben van de actualiteit.
De Prins schrijf bijvoorbeeld in het nummer van 8 augustus: “bij het ter perse gaan van ons blad, zal de teerling geworpen zijn. Alles wijst er op dat het noodlot niet te keeren is en dat Europa aan de vooravond staat van een algemeenen strijd, zoo gruwelijk, ook met het oog op de moderne bewapening, als het menselijk brein niet in staat is te overzien”. Als het blad bij de lezers ligt, staat een groot deel van Europa al een dag of tien in vuur en vlam.

Onrustige Tijden
Het leven stond in deze augustusmaand behoorlijk op zijn kop in Nederland. De overheid roept op om kalmte te bewaren, maar dat wil volgens De Zuid-Willemsvaart met name op de dorpen niet erg lukken: “men weet te vertellen van menschen die bezig zijn hun geld en voorwerpen van waarde in den grond te graven. De prijzen van sommige levensmiddelen worden schier verdubbeld , terwijl toch als zeker mag worden aangenomen dat juist in ons land de voorraad zeer groot is………. Begrijpen de winkeliers dan niet dat dergelijke maatregelen de opwinding onder het volk in groote mate verhoogen”.1
De regering Cort van der Linden zag dat ook wel aankomen en kwam al snel in augustus met een wet die het oppotten en het opzettelijk duurder maken van levensmiddelen moest tegen gaan. De burgemeester kreeg de bevoegdheid in te grijpen om woekerprijzen tegen te gaan, “levensmiddelen, grondstoffen van levensmiddelen, huishoudelijke artikelen en brandstoffen die in hun gemeenten aanwezig waren in beslag te nemen en tegen een niet boven de door de minister vastgestelde prijs ter beschikking te stellen aan de plaatselijke bevolking en bedrijven, aldus de formulering in de Levensmiddelenwet.2
De bevolking werd opgeroepen bij de politie aangifte te doen van de handelaren en winkeliers die in strijd met de bedoeling van de wet handelden. Papiergeld werd alom gewantrouwd, men ontving liever een gouden tientje dan een briefje van tien gulden, zilveren muntgeld verdween al heel snel bijna geheel uit de omloop en noopte de regering tot het uitbrengen van muntbiljetten van 1 en 2 ½ gulden (“zilverbons”).

Woekerprijzen
Dat een dergelijke Levensmiddelenwet met de daarbij behorende bevoegdheden van de burgemeester ook hier geen overbodige luxe was laat zich illustreren aan de hand van de prijs roggebrood, onbetwist het volksvoedsel in Gemert. Je betaalt hier in juli 1914 voor een roggebrood van 6 kilo, dat was toentertijd het meest gangbaar, 52 cent. De berichten over de eerste oorlogsschermutselingen waren nog maar net doorgedrongen (de inval van de Duitsers in België) of de broodprijs stijgt naar 60 cent. Een paar dagen later zakt de prijs naar 56 cent. “Het oorlogsgevaar is in het oog van onze bakkers zeker met de helft verminderd ” sneert De Zuid-Willemsvaart.3 De prijs blijft gestaag de hoogte ingaan, begin oktober gaat een brood voor 74 cent over de toonbank. De bakkers vertrouwen elkaar waarschijnlijk niet want ze dringen er bij burgemeester Buskens op aan toe te zien op het gewicht van het brood en overtreders te beboeten met 25 gulden. De gemeente legt dit vast in een politieverordening. Deze bepaling schreef ook voor dat de naam van de bakker en het gewicht op het brood vermeld moest worden.
Half december hebben de bakkers de prijs van het brood op 78 cent staan, een stijging van 50% met het begin van de oorlog, dit vindt de burgemeester echter te gortig en hij vermindert de koopsom met 8 cent naar 70 cent. De prijzen konden in verschillende gemeentes toch behoorlijk verschillen: in Helmond telde je 64 cent neer voor een roggebrood terwijl je je in Boekel voor 52 cent eigenaar mag noemen. Het zal duidelijk zijn dat menig Gemertenaar zich over de gemeentegrens waagt om in Boekel zijn slag te slaan.
De bakkers komen maar weer eens op het gemeentehuis bijeen om zich op deze situatie te beraden en besluiten, in overleg met de burgemeester, een prijsaanpassing te doen: de nieuwe prijs wordt 63 cent. Een verklaring van het prijsverschil met Boekel zit hem in het feit dat er in Gemert het roggemeel vermengd moet worden met (duurder) tarwemeel. Het gebrek aan grondstoffen begint hier al op te spelen, het gemeentebestuur had het roggemeel nota bene in Boekel gekocht, maar de hoeveelheid was niet toereikend en daarom kregen de bakkers de opdracht het meel te mengen met tarwemeel, daar had de gemeente nog wel voorraden van. In het voorjaar van 1915 is de prijs op een acceptabel niveau nl. 54 cent. De prijs mag nu dan onder controle zijn nu begint meer en meer het gebrek aan rogge op te spelen.

Openbare leven valt stil
De roerige augustusmaand bracht veel teweeg in ons tot dan toe redelijk rustige dorp. Allereerst de reeds vernoemde mobilisatie met alle daarop volgende consternatie en de nasleep die Gemert bleef beroeren. Het Nederlandse leger bleef immers de volle oorlogsperiode in staat van paraatheid, met alle gevolgen van dien. Het gemis van de gemobiliseerde plaatsgenoten laat zich voelen, met name in de drukke periodes, zoals de oogsttijd. Naarmate de oorlog langer duurde werd het gebrek aan levensmiddelen steeds nijpender en had men alle handen nodig om de oogst binnen te halen: militairen kregen dan extra verlof.
Mobilisatie en vorderingen horen bij elkaar, een leger heeft immers heel veel nodig (paarden, trekhonden, hooi, wol, maar ook auto’s , vrachtwagens, benzine e.d.) en kan daar niet altijd zelf volledig in voorzien. De vorderingen bleven met de nodige regelmaat terugkeren en de gemeente had er haar handen meer dan vol aan, want de inventarisatie en registratie kwam voor een groot gedeelte op haar bordje. Daarom weten we nu nog precies hoeveel notenbomen er in ons dorp stonden en bij wie. Geweerkolven werden nl uit dit hout vervaardigd, vandaar dat het leger erin is geïnteresseerd.4
Als er sprake is van oorlogsdreiging en mobilisatie dan wordt de staat van oorlog uitgeroepen. Deze gold grofweg gesproken voor het zuidelijke deel van Nederland. Begin september ging deze over voor een beperkt aantal gemeentes, meestal in de grensstreken gelegen, in de staat van beleg . Dit klinkt heel onheilspellend, het betekent echter dat de normale toestand en wetgeving niet meer van toepassing is. De overheid krijgt zo de mogelijkheid slagvaardig te handelen, zonder eerst toestemming te hoeven vragen of overleg te voeren. Ook in Gemert nemen militairen het gezag over van burgemeester Buskens en de 10 raadsleden.5
De gemeentes die het betreft worden uitvoerig over deze toestand geïnformeerd door de landelijke en provinciale autoriteiten, het is ook de bedoeling deze informatie te delen met de bevolking door middel van aanplakbiljetten met “aanwijzingen”. Kranten maken ook uitvoerig gewag van deze nieuw ontstane situatie. De burgemeester ontvangt bovendien nog een brief van de militaire commandant, waarin hij nogmaals een aantal zaken de revue laat passeren om de ernst van de situatie te benadrukken: hij drukt de burgervader op het hart ervoor te waken dat er in de kranten berichten verschijnen die de onzijdigheid van Nederland in gevaar zouden kunnen brengen, of waarin gerept wordt over militaire activiteiten, dan wel andere artikelen die spionnen in de kaart zouden kunnen spelen. Ook wil hij van alle kranten die in Gemert verschijnen, telkens twee exemplaren ontvangen, zo kan hij er op toe zien dat zijn orders uitgevoerd worden. Hij waarschuwt voor elementen onder Belgische vluchtelingen, die de rust en veiligheid in gevaar kunnen brengen. Mocht dit het geval zijn, dan kunnen er passende maatregelen genomen worden. Opmerkelijk: want begin september 1914, zijn er nog nauwelijks uitgewekene zuiderburen in ons land, laat staan in Gemert. Voorts is het de bedoeling dat er “telkenmale onverwijld bericht gezonden moet worden van toestanden of gebeurtenissen die gevaar kunnen opleveren voor de goede geest van de troepen of de veiligheid van de burgerbevolking of de openbare orde”.6
Het directe gevolg van het uitroepen van de staat van beleg is dat het openbare leven bijna volledig stil komt te liggen, de kermis die voor begin oktober op het programma stond komt te vervallen. Het bedevaartsoord Handel spon wel garen bij de oorlogssituatie. Trams voerden honderden bedevaartgangers aan omdat processies naar Kevelaer- de grenzen met Duitsland zijn immers gesloten-niet mogelijk waren.
Enkele maanden later, als qua oorlogsdreiging de ergste kou uit de lucht is, hervat het dagelijkse leven( bijna) zijn gewone gang. De militaire autoriteiten zijn dan weer bereid concerten, toneel- en bioscoopvoorstellingen, sportwedstrijden enz toe te staan ” mits deze niet gepaard gaan met het opslaan of plaatsen van tenten, kramen, stalletjes, enz, welke daaraan het karakter van eene kermisvermakelijkheid zouden kunnen verleenen”.7 Circusvoorstellingen, hoewel die in een tent plaatsvinden, mogen wel, de commandant rekent deze tot de categorie toneel-en bioscoopvoorstellingen. De burgerij leek ook heel goed doordrongen van de toch niet vrolijk stemmende tijdsgeest, het Onze Lieve Vrouwe Broederschap besluit om de teerdagen, die nu eenmaal horen bij een nieuwe dekenkeuze uit te stellen tot daags na de oorlog. Voorwaar een nobel initiatief, genomen in september 1914. Een jaar later komt men op dit besluit terug, de oorlog duurt toch wat te lang, in september 1915 vieren de broeders weer als vanouds feest.

De herfst van 1914
Begin oktober zetten de Duitsers de aanval op Antwerpen in. In de ogen van de Belgen is de Scheldestad, die omringd is met een dubbele fortengordel, een schier onneembare vesting en de laatste hoop op een veilige plek voor veel vluchtelingen uit het hele land, vele hebben al weken geleden huis en haard achter zich gelaten om uit handen van de Duitse troepen te blijven. Als de stad hevig wordt beschoten en zelfs vanuit de lucht, onder andere met Zeppelins, gebombardeerd. wijst alles erop dat de vlag snel zal vallen. De militaire gouverneur van Antwerpen roept de bevolking op om te stad te verlaten. Het kanongebulder , de Duitsers hebben hun “Dikke Bertha’s ingezet, is tot diep in Brabant hoorbaar, ook de vuurgloed van de brandende stad is tot ver over de grens te zien. Als de stad op 10 oktober zich overgeeft, marcheren de Duitse troepen een vrijwel verlaten stad binnen.

Een miljoen Belgen trekt de grens over
De vluchtende bevolking had eigenlijk maar twee uitwegen, de oversteek naar Engeland of op weg naar het neutrale Nederland. Het merendeel trekt richting ons land. In Nederland was men (totaal) onvoorbereid op deze komst. Er wordt inderhaast een Provinciaal Comité in het leven geroepen . Een van de eerste acties die het Comité onderneemt is het inventariseren waar vluchtelingen opgevangen kunnen worden. In Gemert blijkt er plek te zijn voor 140 personen, een achttal logementshouders in Handel is namelijk bereid vluchtelingen, onderdak te bieden. Ze moeten wel Rooms-Katholiek zijn, anders zijn ze alsnog niet welkom. In Handel wil men kennelijk een slaatje slaan uit de situatie, de vergoeding van fl 1. per dag per persoon die men vraagt staat in geen verhouding tot het bedrag dat de regering bereid is op tafel te leggen. De werkelijke tegemoetkoming bedroeg 35 cent (kind 20c) voor een armlastige onbemiddelde, en 70 cent (kind 50c) voor een bemiddelde. Geheel in de geest van die tijd duidt men heel nadrukkelijk de sociaal-economische status van de vluchteling aan: bemiddeld dan wel onbemiddeld. Dit bepaalt dan weer de hoogte van de vergoeding. Deze maand zullen 55 Belgen in Gemert arriveren, in het algemeen afkomstig uit Antwerpen en omgeving. Ze worden echter niet in het bedevaartsoord opgevangen, de burgemeester zal ook wel geschrokken zijn van de gevraagde prijs, maar bij particulieren, in het oudemannenhuis, het klooster Nazareth en het patronaat. Op de bovenverdieping van het patronaatsgebouw worden een dertiental priesterstudenten uit Leuven gehuisvest , in 1916 zullen zij zich onder leiding van novicemeester Luttenbacher op het kasteel vestigen, zo kwamen de paters van de Heilige Geest dus in Gemert terecht.8
In oktober 1914 bevinden zich een half miljoen vluchtelingen in Noord Brabant, verspreid over nagenoeg alle gemeentes, om precies te zijn in 176 van de 184 steden en dorpen verblijven vluchtelingen. In de ene plaats wat meer dan de andere, dat weer wel.
De provincie stort zich voortvarend op de nieuw ontstane situatie en overstelpt de gemeentes met vragenlijsten. Gemert moet elke maand opnieuw aangeven hoeveel vluchtelingen er in het dorp zijn, maar ook: “Ik verzoek U daarbij te onderscheiden tusschen bemiddelde en onbemiddelde personen”.9 Dit laatste is van belang in verband met de kosten, zoals we gezien hebben. Mochten er onder de vluchtelingen elementen zijn die de rust en orde bedreigen, dan kunnen ze opgezonden worden naar de strafkolonie in Veenhuizen.

Weinig sympathie
De respons van onze gemeente op de vragenlijst van medio november biedt een interessant inkijkje in het vluchtelingenwerk in Gemert. Het gemeentebestuur vindt dat de bevolking zich sympathiek opstelt tegenover de nieuwkomers. Echter veel blijken van sympathie heb ik in Gemert niet kunnen vinden, immers er zijn geen particulieren die de vluchtelingen gratis willen opnemen en bovendien zijn er ook geen openbare gebouwen om vluchtelingen te laten overwinteren als dat nodig mocht zijn. De vluchteling betaalt in Gemert zelf voor zijn onderdak. Zoals we eerder zagen had het Rijk een vergoeding toegezegd, maar de gemeente moest het geld voorschieten, de burgemeester kiest het zekere voor het onzekere en laat het merendeel van de vluchtelingen zelf voor de onkosten opdraaien. Slechts voor 6 vrouwen en 2 kinderen betaalt de gemeente 0,40 cent per dag!10
Voor de geestelijken, de paters heeft de gemeente speciaal een ruimte gehuurd, het patronaatsgebouw, dat dan weer wel. In veel dorpen en steden zijn steuncomités in het leven geroepen of bekommeren “dames van het Rode Kruis” zich om de vluchtelingen. In Gemert zijn echter geen speciale maatregelen genomen noch is er een steuncomité opgericht. Het gemeentebestuur vond dat niet nodig. Het dorp is kennelijk vol want meer vluchtelingen, dan de 60 die er nu zijn, kunnen ook niet opgevangen worden. Ter illustratie: in het veel kleinere Beek en Donk verblijven er op dat moment 150.

Zachte dwang uitoefenen mag
Medio oktober, de meeste vluchtelingen zijn goed en wel twee weken in Nederland, begint het besef door te dringen dat een zo’n grote groep wel eens een zware belasting kan gaan vormen voor de staatskas en dan wel met name de “onbemiddelde” Belgen. Op 17 oktober ontvingen de gemeentes een schrijven van de Commissaris van de Koningin: de Duitse autoriteiten zouden terugkeer van de vluchtelingen toestaan, dus het moment is gekomen om deze terugkeer te bevorderen. Met name die van onbemiddelden en, wordt er fijnzinnig geadviseerd, “zachte dwang uitoefenen mag”.11 Als je besluit terug te keren naar België krijg je zelfs een gratis treinkaartje, weliswaar tot aan de grens, maar toch. In De Zuid-Willemsvaart verschijnt ook een oproep van de Consul-Generaal van Nederland in Antwerpen, waarin hij aangeeft dat: “de toestand in Antwerpen volkomen rustig en ordelijk is” en “is het bepaald noodig in het belang van de Belgische bevolking, dat de vluchtelingen naar België terugkeeren”.12 Al deze mooie woorden konden de uitgewekenen niet zondermeer overtuigen. Ook in Gemert vertrouwde men het niet en op 23 oktober komen een twintigtal vluchtelingen bij elkaar in café de Korenbeurs om te beraadslagen over de vraag: keren we terug of niet . Men besluit een deputatie naar Antwerpen te sturen om de situatie ter plekke te onderzoeken en het verslag daarvan af te wachten.
Hoe de situatie dan ook beoordeeld wordt, huis en haard blijven trekken en eind 1914 is bijna de helft van de Gemertse vluchtelingen teruggekeerd. Eind van het jaar zijn er nog 31, waaronder 16 paters van de Heilige Geest. Als we naar Noord Brabant in zijn geheel kijken, zien we dat 95% van de uitgewekenen terug is naar het eigen land.
Begin 1915 zal het verblijf van vluchtelingen grondig aangepakt worden: de bemiddelde uitgewekenen, lees: de Belgen die hun eigen verblijf financieren, kunnen zich vrij vestigen in Nederland . Vluchtelingen die onbemiddeld zijn, zullen daarentegen naar zogenaamde vluchtoorden worden overgebracht, het woord kamp wordt zorgvuldig vermeden. In Nederland worden drie grote vluchtoorden in gereedheid gebracht . Daartoe moet er een onderscheid gemaakt worden tussen betere elementen en andere vluchtelingen, de betere, die als “fatsoenlijke behoeftigen” worden betiteld, gaan naar Ede en Uden de rest “de heffe des volks” naar Nunspeet. De in Gemert verblijvende vluchtelingen kunnen financieel hun eigen boontjes doppen en blijven dus in het dorp, 4 vluchtelingen die op de nominatie stonden om naar vluchtoord Ede opgezonden te worden kozen eieren voor hun geld en keerden terug naar Antwerpen.13

NOTEN:

1. De ZuidWillemsvaart [ZWV], 4 augustus1914
2. In het spraakgebruik was deze naam gangbaar, formeel was het echter een wijziging van de Onteigeningswet van 1851
3. ZWV, 8 augustus 1914
4. In 1917 stonden er 25 notenbomen, met een stamomvang van één meter of meer in ons dorp, dunnere exemplaren wilde het leger niet
5. Het militaire hoofdkwartier was aanvankelijk in Woensel gevestigd, een maand later wordt het verplaatst naar het Huis met de 5 Ringen in Eindhoven
6. Brief stafkwartier Woensel aan burgemeester van Gemert, 12 september 1914
7. Brief commandant Xe Gemengde Brigade aan burgemeester van Gemert 30 juli 1915
8. Ad Otten: Spiritijnen in Gemert 1914-2010, Gemerts Heem 2010-2
9. Brief van de Commissaris der Koningin aan de Heeren Burgemeesters der gemeenten in Noordbrabant, 23 oktober 1914
10. Antwoord van gemeente Gemert op vragenlijst van “Provinciaal Comité voor Noord-Brabant tot het verleenen van hulp en ondersteuning aan naar Nederland uitgeweken vluchtelingen”, 11 november 1914
11. Brief van de Commissaris der Koningin aan de Heeren Burgemeesters der gemeenten in Noordbrabant, 17-10-1914
12. ZWV 21-10-14
13. Bij Uden verrees een compleet dorp, goed voor een verblijf van 10000 personen. In de praktijk was het vluchtoord nooit meer dan voor de helft bezet. Vluchtoord en Belgenlaan duiden nog steeds de plek aan waar het oord zich bevond.

Bekijk PDF