GH-2013-01 Grafsteen Albert Strijbos (1554 – 1624)

Grafsteen Albert Strijbos (1554 – 1624)

Het is slechts een fragment van de oorspronkelijke grafsteen die al sinds jaar en dag in de oude parochiekerk werd bewaard. Van het jaartalvan overlijden resteren slechts de cijfers 162. De eerst in aanmerking komende persoon is daarmee de indertijd populaire pastoor Albert Strijbos. Albert Strijbos (1554-1624) werd geboren op de Hoeve Ter Watermolen in Gemert. Onder de naam van Albert van de Watermolen is hij terug te vinden in de inschrijfregisters van de Universiteit van Leuven. Hij werd na zijn studie, priester van de Duitse Orde en verbleef enige jaren in de Ordenshuizen van Maastricht en Luik. Bij de stichting van de Latijnse School te Gemert in 1587 werd hij voorbestemd als de eerste rector. Drie jaar later werd Strijbos tevens pastoor van Gemert. Hij overleed op 19 juli 1624. In zijn pastoorsregister legde hij zoveel vast aan wetenswaardigheden dat hem misschien wel de eer toekomt de grondslag te hebben gelegd voor de geschiedschrijving van Gemert. Pastoor Gautius, van wie kostelijke ‘registers’ zijn bewaard gebleven in het kerkarchief refereert uitvoerig aan de registers van zijn voorganger die mogelijk nog in een tot dusver onbekend archief berusten. Het fragment van zijn (vermoedelijke) grafsteen is onlangs overgebracht naar de serre van het gemeentearchief waar hij ligt ’tentoongesteld’ naast de uit 1330 daterende brugpaal van het voormalige hooghuis van Ghemert.
(Red.-AO)

Bekijk PDF

GH-2013-01 Ministerie van eten en drinken

Ministerie van eten en drinken

Al vanaf augustus 2005 is in Gemert in de Virmundtstraat op huisnummer 70 een bijzonder ministerie gevestigd. Het ministerie van eten en drinken. De website van dit ministerie (www.ministerieetenendrinken.nl) scoort begin 2013 zo’n 4 à 5.000 bezoekers per dag.
Alles gratis. Het personeel van het ministerie bestaat uit webmaster Ellen Bouckaert en schrijver Paul Verhees. Verder treden op de jongste bediende (Vincent), het kind (Hendrikje), vriend Jan (bierkenner), Eupotours (Neel voor hand- en spandiensten) en tenslotte hond Max.

Vanaf de start in 2005 hebben in totaal inmiddels een dikke 3 miljoen bezoekers het Ministerie bezocht. Een paar jaar geleden pikte een aan de gemeente Haarlem gelieerde culturele instelling, de naam. De fans van het Gemerts ministerie waren oprecht boos, hun heftig protest was echter tevergeefs. Het Haarlems ministerie dat 1 of 2 maal per jaar een of ander festival organiseert bleef maar het Gemerts ministerie van eten en drinken is intussen populairder dan ooit. Begin dit jaar vereerde de Stichting Gemert Vrijstaat het ministerie met een emaille huisnaambord dat door de ministeriële webmaster en schrijver onder veel belangstelling en in stijl werd
onthuld met een houten paplepel en een keukenhanddoek.

(Red.-AO)

Bekijk PDF

GH-2013-01 Vissen in de Peel met een Tiger Moth

Ruud Wildekamp

Tijdens een vlucht van het Rotterdamse vliegveld Zestienhoven naar het Limburgse vliegveld Beek was een De Havilland DH-82 Tiger Moth, op maandagmiddag 22 mei 1961, gedwongen een voorzorgslanding te maken in de Gemertse Peel. De vlieger, de heer G.M.S. Csizmadia die volgens de Helmondse Courant van dinsdag 23 mei een uitgeweken Hongaar, was van plan om die dag te gaan vissen in de Limburgse Maas. Van zijn baas, het luchtreclamebedrijf “Nastra Luchtreclame Service N.V.” te Rotterdam, mocht hij voor de reis een van hun sleepvliegtuigen met de registratie PH-BIS gebruiken. Boven de Peel zakte de oliedruk van zijn Gipsy motor echter alarmerend en begon te sputteren. Kort daarop sloeg deze af en kwam de propeller tot stilstand. Direct zocht hij naar een stuk vlak terrein om een noodlanding te maken. Tussen de Mortelse Peel en Elsendorp zette hij de tweedekker zonder verdere problemen aan de grond. Nieuwsgierige kijkers uit de omgeving waren snel ter plaatse en zagen de piloot de motorkap losmaken om te trachten het euvel te herstellen. Enkele van de Elsendorpers waren hem daarbij behulpzaam, vooral met goede raad. Na enige tijd dacht hij klaar te zijn en gaf hij een ruk aan de propeller. De motor startte weer en direct begon het toestelletje te rijden. Csizmadia trachtte al hollende in de cockpit te springen. Iets wat hem niet lukte. De omstanders zagen kans de taxiënde machine te stoppen maar daarbij raakte de draaiende propeller met de tips de grond die daarop afbraken. De Tiger Moth was nu voor de tweede maal onklaar. In deze
staat kon er niet meer mee worden gevlogen.

Er restte de vlieger niets anders dan met enkele van de kijkers naar de dichtstbijzijnde boerderij te lopen en daar naar het bedrijf op de thuishaven in Rotterdam te bellen. Hem werd toegezegd dat ze een monteur zouden sturen maar dat die eerst de volgende dag ter plaatse kon zijn. Daarop haalde de onfortuinlijke piloot zijn vistentje uit het toestel en zette dit naast het vliegtuig op. Daarin zou
hij de nacht doorbrengen.

Intussen was ook de Rijkspolitie uit Gemert gearriveerd en maakte twee processen verbaal van het gebeuren op. Een voor Justitie en een voor de Rijksluchtvaartinspectie. Voor Caizuadin waren zij zo vriendelijk wat te eten te halen zodat het toestel niet onbeheerd zou blijven.

Daags daaropzijn de heren Foppele, eigenaar van het luchtreclamebedrijf, en zijn monteur de heer Sneep, naar Elsendorp gereden. Daar aangekomen startte Sneep het onderzoek naar het probleem met de motor. Geconstateerd werd dan de leiding van de olietemperatuurmeter was gebroken. Het meten van de olietemperatuur gebeurt bij de Tiger Moth in de toevoerleiding naar de oliepomp. Door de breuk in de leiding had de pomp waarschijnlijk lucht aangezogen, wat tot een mindere oliedrukaanduiding en het slingeren van de meter heeft geleid. Na een nieuwe olietemperatuurmeter gemonteerd te hebben heeft hij de krukas opgemeten en een propeller, geleend van Aero Ypenburg N.V. geplaatst. Na deze werkzaamheden heeft Sneep een half uur lang de motor proefgedraaid waarbij alles normaal verliep.

De vlieger heeft daarop, door tussen komst van de aanwezige luchtvaartpolitie, toestemming van de Rijksluchtvaartdienst verkregen voor een proefvlucht. Gedurende ongeveer een kwartier heeft hij boven het veld de motor uitgeprobeerd bij verschillende
toerentallen. Nadat hij de motor in orde had bevonden is hij terug naar Rotterdam gevlogen. Tijdens de overtocht zijn de oliedruk en de temperatuur normaal gebleven.

Eenmaal terug op Zestienhoven heeft monteur Sneep het oliesysteem en de olietank gedemonteerd en gespoeld. Daarbij werden geen bijzonderheden geconstateerd. Na deze werkzaamheden is de motor nog niet proefgedraaid en is nog geen testvlucht
uitgevoerd omdat er nog geen nieuwe propeller beschikbaar was. Na het faillissement van Nastra in 1963 ging het toestel over naar de NV Luchtvaartmaatschappij General Aviation Rotterdam

Bij het onderzoek naar dit luchtvaartincident stuitte ik op meerdere problemen met de motor van deze Tiger Moth en een ander incident waarbij dit toestel “total loss” raakte. Dit verhaal wil ik u niet onthouden.

Op 5 juli 1968 startten om 11.45 uur drie Tiger Moths van de maatschappij General Aviation, daarbij ook de PH-BIS. De drie zouden reclameslepen vliegen boven het strand tussen Bergen aan Zee en Vlissingen. Na drie uren vliegen bevond de formatie zich juist voor het strand boven de Noordzee ter hoogte van Noordwijk. Op het moment dat bij het toenmalige REM-eiland1 werd gevlogen, vertoonde de motor van de PH-BIS weer kuren en had de neiging om af te slaan. De bestuurder, de heer P.M. Donker besloot daarop bij het eiland een noodlanding op het water te maken zodat hij snel gered zou kunnen worden. Hij vergat echter zijn sleep af te werpen. Deze raakte daarop verward in de opbouw van het eiland waarop het vliegtuig wel heel drastisch tot stilstand kwam en in zee dook. Het zonk onmiddellijk waarbij de vlieger, al onderwater, zich kon bevrijden en naar de oppervlakte kon komen. Vanaf het platform van het REM-eiland zag men geen kans om hem te redden. Hij heeft daarop, niet voorzien van een zwemvest, een uur in het water gelegen voordat een helikopter van de Marine Luchtvaartdienst hem opviste.

Door dit ongeval raakte de PH-BIS volledig vernield en werd afgeschreven.

1 Het REM-eiland was een platform in de Noordzee op 9km buiten de kust ter hoogte van Noordwijk. Vanaf dit platform verzorgde de Reclame Exploitatie Maatschappij, vanaf augustus 1964, commerciële televisie uitzendingen onder de naam TV-Noordzee. Al in december bestormden mariniers het eiland en nam de Nederlandse staat de apparatuur in beslag. Het heeft daarna nog enkele jaren
dienstgedaan als meetstation voor Rijkswaterstaat. Daarna is het overgebracht naar de haven van Amsterdam. Daar is het nog enige tijd geëxploiteerd als restaurant voordat het werd gesloopt.

BRONNEN:

Aviation Safety Network (http//aviation-safety.net).

Helmondse Courant, dinsdag 23 mei 1961.

Nationaal Archief, Raad voor de Luchtvaart, 2.16.107,
inv.nr. 2879 Stukken betreffende de registratie van ongevallen en voorvallen met sleepvliegtuigen.

.

Bekijk PDF

GH-2013-01 Uit het oud-rechterlijk archief van Gemert

Simon van Wetten

Elders in deze aflevering van Gemerts Heem treft u een artikel aan over het taalkundig verband tussen de Pandelaar en een schutskooi. Daarom is in deze aflevering gekozen voor anekdotes die met schutskooien of met schutters te maken hebben.

1597

Het zijn echt geen rotganzen

Als je naam en faam als klompenmaker hebt verworven, dan wil je toch niets van doen hebben met gestolen ganzen? Dat is precies wat de vrouw van de Beekse klompenmaker Michiel Evarts met volle mond zei toen Pouwels Driessen bij hen aan de achterdeur klopte, juist toen haar man en zij het laatste vlees van de laatste botjes kloven. Pouwels kende die ganzen als geen ander en was als getuige-deskundige vanuit Gemert naar Beek gestuurd. Hij was het die vorige zomer vijf ganzen aan Mathijs van Strijbos had verkocht.

‘Zeker weten. Twee van deze drie ganzen zijn van Mathijs. Ze zijn gemerkt met hetzelfde merk dat mijn vader al dertig jaar geleden gebruikte.’

Peter Mickers, ook een Gemertenaar, getuigde een dag later dat één van de drie ganzen die Michiel Evarts de middag daarvoor naar Mathijs van Strijbos had teruggebracht, dezelfde gans was die hijzelf nog niet zo lang geleden aan Aelke Jacops, de schoonmoeder van Mathijs, had verkocht. Hoe hij dat wist?

‘Die gans heeft aan de linkerpoot een krepken en is als vanouds aan de rechterpoot gemerkt.’

Terug naar het begin. De vijf ganzen van Mathijs van Strijbos uit Gemert zijn gestolen. Nou ja, eigenlijk zijn die gakkende beestjes van
Thoniske, de vrouw van Mathijs. Ze is gek met die dieren. Anthonis Maessen, ingezetene van Beek, veertig jaar, kan licht in deze duistere zaak brengen. Begin vorige week was hij op het Broek om zijn paarden te halen. Hij zag toen  Lambert Henricx ettelijke beesten opdrijven, waaronder vijf ganzen. In de schemering heeft Lambert die ganzen naar hem, Anthonis gebracht. Waarom? Ja, dat kan Anthonis ook niet verklaren.
Hoe dan ook, de volgende morgen vroeg zijn de vogels opgehaald door klompenmaker Michiel Evarts.

Het wordt tijd dat we die (link)Michiel achter z’n gevelde populierenstammen vandaan halen en aan de tand voelen!

‘Ik kwam op 2 september van Eindhoven en zodoende ten huize van Gerard Jan Hornkens in Aarle. In die herberg ga ik dan altijd wat drinken en ik heb toen van Lambert Henricx ongeziens vijf ganzen gekocht, voor vijf stuivers ’t  stuk.’

Michiel heeft de beesten de volgende morgen bij Anthonis Maessen opgehaald. Toen het hem en zijn vrouw duidelijk werd dat het gestolen ganzen waren, heeft hij er drie teruggebracht.

‘Die twee andere, dat ging niet meer, die waren al verteerd.’

Maar daarmee is de kous nog niet af!

Geverard Fredericx, 64 jaar, wonende op de Donk bij Beek, verklaart dat vorige week donderdag bij hem in de straat een incident heeft plaatsgevonden. Thoniske, de vrouw van Mathijs van Strijbos, op zoek naar haar verdwenen ganzen, kwam daar Lambert Henricx tegen, de man die de ganzen had weggevoerd uit het Broek. Ze zei hem dat ze haar ganzen terug wilde hebben en bood aan de schutsom te betalen. Lambert zei van geen ganzen te weten en duwde haar weg. Maar Thoniske wilde niet wijken en Lambert ontstak in woede. Hij sloeg haar met een lange, zware stok op haar arm. Die arm bleek later gebroken te zijn. Geverard heeft Thoniske meegenomen naar zijn huis en daar de arm met zalf ingesmeerd en verbonden.

Thoniske, je bent de ware ganzenhoedster. Helemaal van Gemert naar de Donk lopen om te achterhalen waar je dieren zijn. Dat je
vervolgens vleugellam terug moet door het geweld van die bruut van een Lambert Henricx, de dief nota bene, maakt onze sympathie alleen maar groter!

1683

Erpse terreur

We hebben tegenwoordig een veer over de rivier de Aa. Ha, demoderne tijd staat voor niets! Helaas komen er door deze  infrastructurele verbetering wel vaak figuren van twijfelachtig allooi in het Veerhuis. Neem nu deze late avond in maart. In de gelagkamer zitten drie bangmakende sujetten uit Erp – ze hebben dus gebruik gemaakt van het veer – zich tegoed te doen aan bier
en brandewijn. Als u stiekem om het hoekje van de keukendeur kijkt, herkent u ze vast. Het zijn de gevreesde lange Hendrik van Dommelen, Jan Gordts en Jan Paulus de Popele alias de Tang. Ze zullen het gelag heus wel betalen, want ze hebben vandaag op de Wind, het gebied in de driehoek tussen Gemert, Boekel en Erp, een Gemerts echtpaar overvallen. Moeilijk te verstane teksten,
uitgesproken met een mes in de mond en een knuppel in de hand als (tegen de vrouw):

‛Nu hebben wij u. Als gij ons geld hebt gegeven zullen wij u evenwel doodslaan’,

en tegen de man die zijn vrouw, nadat ze tegen de grond was geslagen, probeerde bij te staan:

‛We snijden u in riemen vaneen en stampen u in de grave’,

leverden de Erpse rovers twee rijksdaalders op.

U kijkt nog steeds voorzichtig vanuit de keuken naar de drie die bij herbergierster Jenneke alweer een nieuwe kruik brandewijn bestellen. Het zijn de enige gasten, alle andere bezoekers zijn vanwege de reputatie van de Erpenaren al weggeslopen. Zelfs herbergier Jan Welten is door zijn vrouw naar bed gestuurd toen de Popele met gram gemoed begon te murmuren omdat hij een tijdje in Gemert gevangen had gezeten en zijn boosheid daarover graag wilde botvieren op de eerste de beste Gemertenaar. Jenneke zelf is geboortig van Erp, dus haar Jan naar bed sturen was de beste oplossing, zeker ook omdat deze voornemens is samen met marskramer Adriaen Adriaens al om één uur in de nacht naar Den Bosch te gaan. O jee, laatstgenoemde komt nu, zich van geen gevaar bewust, zwierig het Veerhuis binnen om Jan op te halen. De Popele valt hem meteen op het lijf, maar wordt van al te nare dingen weerhouden door zijn twee maten.

‛Zo’n arme kramer is van jouw gevankenisse geen oorzaak. Er komt nog wel een ander die het moet betalen.’

Lange Hendrik biedt Adriaen zelfs een glaasje brandewijn aan. Ontroerd door zulk een warme bejegening zegt Adriaen:

‛Ik zal straks ook een komme brandewijn geven.’

Maar Jan Gordts fluistert hem in het oor dat hij beter stilletjes kan vertrekken. Adriaen hoort de mannen nog wel praten over hun
voornemen om naar het huis van Goort Goossens op Esdonk te gaan om daar zes gulden schutgeld te gaan halen, goedschiks of kwaadschiks. En ook Jenneke hoort dat.

‛Mannen, doe dat niet. De vrouw van Goort is in de craem en al zijn kinderen zijn ziek.’

Maar u begrijpt, dit type heren trekt zich van dit soort woorden niets aan en wat later staan ze per abuis op de deur van Lonis Goossens te bonken. Lonis is de broer van Goort en woont naast hem. Lonis’ vrouw roept vanuit de bedstee en vraagt wat de mannen willen.

‛Waar woont Goort Goossens?’

De vrouw verwijst naar het naburige huis maar de geweldenaars slaan de ruiten in en het getier neemt dusdanige vormen aan dat de vrouw van Lonis toch de deur openmaakt. Eenmaal binnen is het uiteraard de Popele die de vrouw dreigt te staan, waarop Lonis zelf eindelijk besluit ook maar eens op te staan. Daardoor wordt het de drie overvallers duidelijk dat ze met de verkeerde van doen hebben. Voordat ze naar de naburige hoeve vertrekken, dwingen ze Lonis een koolvuur mee te geven. Natuurlijk weigert Lonis aanvankelijk heldhaftig, want hij begrijpt wat de kerels van plan zijn. Maar als ze dreigen ook het huis van Lonis in brand te steken, zwicht hij.

Een paar dagen later vertelt Goort Goossens over de nacht dat de Erpse boevenbende aan zijn huis op de deur kwam bonken.

‛Ik bid u, wilt niet zo tieren en razen, mijn vrouw is ziek en kan het in haar hoofd niet lijden.’

De vrouw van Goort kan zelf nog niet getuigen, omdat zij nog niet uit haar kraam is. Goort zegt daarom namens haar dat zij tijdens de
overval uit haar kinderbed is gekomen en in haar hemd op haar blote knieën voor het driekoppig gespuis neerviel.

‛Houd u gerust, ik zal u geld geven.’

Maar met de drie guldens die zij gaf waren de heren nog niet tevreden en ze dreigden het huis op alle vier de hoeken in brand te steken.

Gelukkig kwam het werkvolk van de hoeve uit de stallen en schuren waar ze hun slaapplaats hadden te hulp, anders was die nacht de lucht boven Esdonk rood gekleurd geweest. Voor drie gulden.

1693

Zwaar geschut?

Kom, ga mee een klacht indienen. U bent het onderhand toch ook wel zat? Teunis Jacobs en Erke, de vrouw van Jan Martens zijn u al voor en staan voor de schepenen. Teunis verklaart dat hij een hooiveld heeft in de Spedingh, waar door onachtzaamheid van de schutter allerlei vee dikwijls grote schade komt veroorzaken. Teunis heeft pas nog op de Heuvelse dijk met ondervorster, tevens schutter Gerrit van Osch gesproken, op een moment dat er weer diverse koeien de hooiproductie liepen te saboteren. Teunis verzocht de ondervorster de beesten daar weg te halen, maar Gerrit antwoordde dat hij wel wat beters had te doen.

Erke vertelt dat haar man een hooiveld in de Spedingh in huring heeft.

‛Op 29 augustus liepen daar twintig gemeijntsbeesten rond. Ik ben twee keer naar het huis van Gerrit van Osch geweest. De tweede keer ging Gerrit mee en heeft negen beesten uit dat veld gehaald. Hij heeft ze evenwel niet naar de schutskooi gedreven,maar naar het huis van Lambert Jorissen.’

Erke schuift haar dienstmeid Jenneke naar voren. Het deurske is pas vijftien jaar en vertelt zo gewichtig mogelijk dat ze veertien dagen geleden door haar bazin naar Gerrit van Osch is gestuurd om te melden dat er vier beesten in het veld in de Spedingh
rondliepen.

‛Haalt die daar nu uit.’

De vraag beviel Gerrit niet. Zo’n hooghartig meidje. Wat denkt ze wel.

‛Haalt er zelf maar een hondskont uit.’

Gerrit, wat is dat nou voor een antwoord? Maar Jenneke bond wel in.

‛Ik kan het niet gebeteren dat die beesten daar in komen.’

‛Ik ook niet.’

Nee, daar heeft Gerrit gelijk in. Te heftige plichtsbetrachting kun je hem niet verwijten. Hij is de beesten niet gaan halen. Heel zwaar geschut heeft hij dus niet.

1766

18e-eeuws joy-riden

En nóg iets anders. Jan van Dooren wordt door de drost voor het gerecht gedaagd. Is dat rotjoch van hem er toch weer met de schapen vandoor gegaan! Hij heeft een clogte of kudde van tachtig schapen op het Hulstbroek, een ongepermitteerde plaats gedreven. De vorster heeft dat geattrappeert en de schapen geschut, op een boete van 16 stuivers op ieder stuk vee.

Flauwekul? Ik leg u even een extract uit het keurboek voor:

‘Niemant en sal eenige schapen in ’t Broeck mogen drijven om velt te maken vóór St.-Jacobsdag, op de breuck van 16 stuivers.’

Jan ontkent dat zijn zoon tachtig schapen op een ongepermitteerde plaats heeft laten grazen, hij heeft immers nooit meer dan
vijfenvijftig schapen tegelijk in de kooi gehad. En hij wil ook wel even gezegd hebben dat zijn zoon dat zelfstandig heeft gedaan, dus zonder opdracht van pa!

Bekijk PDF

GH-2013-01 Gemertse galgenvelden

Jan Timmers

In één van de vorige nummers van Gemerts Heem kwam de aanleg van de Beeksedijk in Gemert aan de orde.1 In 1662 bleek de
Beeksedijk te zijn aangelegd. Verder werd duidelijk dat men vóór de aanleg van die weg via de huidige Galgenveldseweg naar de brug over de Snelle Loop moest als men naar Beek en Donk wilde. De Galgeveldseweg zou zijn naam hebben gekregen omdat het de weg was naar de plaats waar “het gericht van Beek en Donk” stond. Met het gericht (ook soms: gerecht) wordt de gerechtsplaats aangeduid waar de galg stond en waar de ter dood veroordeelden hun “gerechte” loon kregen. Op een kaartje van 1814 van het betreffende stukje van Beek en Donk stond destijds inderdaad een galg getekend: de Beek en Donkse galg. Inmiddels hebben we ook
eens goed gekeken naar de kaart van de Meierij die landmeter Hendrik Verhees tekende in 1794.2 Een fragment van die kaart drukken we hierbij af. En jawel hoor, het klopt helemaal. Langs de Snelle Loop tekent Hendrik Verhees aan de Beek en Donkse kant een galg. Maar…. ook aan de Gemertse kant van diezelfde Snelle Loop, precies tegenover de Beekse galg staat nog een tweede galg
getekend: een Gemertse galg.

Onze Galgeveldseweg is dus niet alleen de weg naar de Beekse galg, maar ook naar de Gemertse galg. En het perceel waar die Gemertse galg stond schijnt vroeger inderdaad aangeduid te zijn met de naam ‘het galgeveld’.3

Deze verrassing betekent dat er een tweede Gemertse galg geweest is. Al eerder was bekend dat er langs de weg van Gemert naar Helmond op Milschot een galg gestaan heeft. Ook daarvan is een tekening gemaakt op een oude kaart.4 De galg op Milschot lijkt een langere voorgeschiedenis te hebben. Het was nu eenmaal belangrijk dat de galg op een plaats bij de gemeentegrens stond waar veel passanten voorbij kwamen. Aanvankelijk zal het op de voormalige Helmondsepad veel drukker geweest zijn dan op de oude weg naar
Beek en Donk. Op de kaart van Verhees komt de galg bij Milschot niet meer voor.

NOTEN:

1. Gemerts Heem, vol.54 (2012) nr.1 p.14-20

2. Meierijkaart van Hendrik Verhees anno 1794, Collectie kaarten en tekeningen van het Streekarchief Langs Aa en Dommel, nr 4A02

3 Mondelinge mededeling van wijlen Jacques van den Broek (gemeentesecretaris), aan Ad Otten.

4 Ad Otten; Van Gemert naar Helmond: een weg uit de vergetelheid; Gemerts Heem Jrg. 28 (1986) p.109-115

Bekijk PDF

GH-2013-01 Panthove in Panthovelaer verklaard

Jacques van der Velden

Het zoeken naar een verklaring voor de naam Pandelaar kreeg alle aandacht als gevolg van het gouden jubileum van de Buurtvereniging Voorpandelaar-Michaelstraat. Vijftig jaar is niet niks, van harte gefeliciteerd. Naar aanleiding hiervan deed ik een
interessante vondst, die overigens te laat kwam voor het artikel in de buurtkrant. Het gaat om het begrip panthof of panthove, het eerste deel van de oudste vermelding Panthovelaer [1326]. Wat betekent het precies en wat is het verband met de Pandhof van de Dom (kloostertuin). Het uitgangspunt van dit verhaal is, dat Panthovelaer een samenstelling is van panthove en laer. In deze bijdrage gaan we specifiek in op het onderdeel panthove.

Panthove

De volgende zinsneden zijn volgens mij representatief voor het Duitstalige begrip pfandhof.

·
‘hof zur aufbewahrung der pfänder (vergl. pfandstall)’.
“so sol meines herren anwalt … daʒ vieh [vee] treiben in den pfanthof.”

·
‘hof darin pfänder aufbewahrt werden [1320]’, Schutzhof.

·
”wo auch di dorfmaister frembdts vych [vee] in den feldern funden, das sollen sy an den phandthof abtreyben.” [1549],
Oostenrijk, Tirol.

·
”Bann-: Hof, in welchen gepfändetes Vieh [vee] getrieben wird, Wann der weibel vych [vee], das nit der burger noch der
gerichtshörigen ist, uf der von Elgöw güeter an dem schaden findet, das soll er in pfand- und bannhof gen Elgow tryben.” [1535], Zwitsers idiotikon.
Elgöw is de oude naam voor de Zürische Landvoogdij Elgg.

Uit familienamen blijkt dat de ambtenaar die zich daarmee bezighield daar Pfandhöfer, Bannhofer, pfander of pfänder werd genoemd. In ons taalgebied vond ik de familienamen Pander, (de) Pandelaere of Pandelaers [Pandelarde 1291], beroepsnaam van de pander, de beambte of gerechtsbode die een panding verricht, gerechtelijk beslaglegger.

Samengesteld

Ik ga uit van de betekenis pand ‘etend, terend pand, levend onderpand: vee enz., dat door den pandnemer moet worden onderhouden’, omdat pfandhof iets met vee te maken heeft. In de Middeleeuwen werden schutters aangesteld. De schutter
werd belast met het vangen van en het toezicht houden op gevangen loslopend vee dat schade aan derden kon berokkenen. Dat vee werd gestald in een schot (schutte, schutplaats), d.w.z. een stal en/of omheind stuk grond (schutskooi).
Volgens mij is een schot, schutte, schutplaats of schutskooi hetzelfde ding als een schutzhof, pfandstall of pfandhof. Het ambt van schutter staat dan gelijk met een panthöfer. Het element hof verwijst naar de schutplaats die kon bestaan uit een afgepaald stuk grond of afgesloten ruimte beheert door de schutter. Zo’n hof moest om juridische redenen in ieder geval binnen de ban of rechtsgebied van de Heer gelegen zijn. Het lijkt mij dat het Gemertse gebied Panthovelaer of Pandelaer dan gelijk staat met een laar, waarin een schot,
schutte, schutplaats of schutskooi, binnen de ban van de Heer, gelegen is. Omdat pfandhof zich hoofdzakelijk tot het Hoogduitse taalgebied beperkt, vermoed ik dat het woord zijn roots heeft in het Duitse Rijk en dat mogelijk de Duitse Orde het begrip hier heeft gevestigd. De Pandelaar is vanuit het noorden gezien strategisch gelegen aan de toegang van ons dorp. Ik ga er van uit dat de
Pandelaar en de Haag in eerste aanleg onderdeel waren van de omheining van het dorp Gemert.

Het Nederlandse woord pandhof ‘hof, tuin of plaats binnen een kloosterpand, vroeger meestal dienende tot begraafplaats van de kloosterlingen’ is een voor een speciaal doel gereserveerd afgescheiden stuk grond en heeft in dat opzicht veel gemeen met het Duitse pfandhof. Maar, onze panthove hoeft niet noodzakelijk binnen een ommuurde hofstede te hebben gelegen om de vergelijking met een kloosterpand door te trekken, want het element pand (vee) daarin is roerend van aard in tegenstelling tot een pandhof, een
gedeelte van een kloosterpand, dat onroerend is. Beide begrippen komen waarschijnlijk van hetzelfde woord pand ’tot waarborg dienend voorwerp’, met een specifiek Nederlandse betekenisontwikkeling: als er geen roerende goederen te verpanden waren, werd mogelijk een onroerend goed (namelijk een gebouw) als onderpand gebruikt. Verder vind ik dat het element hove in panthove veel overeenkomst heeft met hof in kerkhof. In dezelfde acte uit 1326 is sprake van op dien kirchove van dien grave dat zal ziin acht voet wyt. Dit kerkhof (kirchove) is een door een gracht (grave) omgeven plaats waarin de kerk (die capelle) staat, vergelijkbaar met een
afgepaald stuk grond of afgesloten ruimte waarin levende onderpanden worden gestald. Deze betekenis van tuin is bij onze zuiderburen nog heel gangbaar en ook in ons dialect zoals blijkt uit de zin ‘Onze vádder waor aalt in z’nen hòv án ’t heuve’. In het Nederlands is dit verouderd.

Conclusie

Samengevat betekent Panthovelaer ‘een laar met een hof (omheinde ruimte, tuin), waarin de pander/schutter de (onder)panden, het vee, samendreef in afwachting van een gerechtelijke uitspraak, een rechtsgebied onder de ban van de betreffende Heer’. In het laar waarin dit pandhof zich bevond, om practische redenen vermoedelijk dicht bij de dorpstoegang, heeft zich de buurtschap Pandelaar
ontwikkeld, in de vorm van lintbebouwing langs de weg richting Erp. De huidige naam Pandelaar kan gezien worden als een verkorting van Panthovelaer.

BRONNEN

AKDOG inv nr 8, regest 17 dd 24 juni 1326: De Paalbrief; te raadplegen in Gemertse Bronnen deel 12b op de website
heemkundekringgemert.nl.

Gemertse Bronnen deel 9: Erfpachtregister

De Geïntegreerde Taalbank op de website van het Instituut voor Nederlandse Lexicologie

Bernhard Mangei; Herrschaftsbildung von Königtum, Kirche und Adel zwischen Oberrhein und Schwarzwald, Inaugural Dissertation, Universität Freiburg.

Deutsches Rechtswörterbuch, Heidelberger Akademie der Wissenschaften: Pfandhof Hofstelle, Haus, in dem bewegliche Pfänder, insb. gepfändetes Vieh, abgeliefert und verwahrt werden müssen

Schweizerisches Idiotikon Digitaal – Band II, lemma Hof Bann

Beijers, H en P Koolen, Vlierdens Verleden; te raadplegen op henkbeijersarchiefcollectie.nl

dr. Frans Debrabandere e.a De Vlaamse gemeentenamen, verklarend woordenboek, 2010, p.140.

W. Vos en M van der Wijst; Gemerts Woordenboek,
Een keuze uit de woordenschat van het dialect van Gemert, 1996

Met een bijdrage van Jan Timmers.

Bekijk PDF

GH-2013-01 Naamsverklaring Pandelaar

Ad Otten en Jan Timmers

Het is vaak een hachelijke onderneming om een eeuwenoude gebieds- of straatnaam te verklaren. De naam Pandelaar vormt een uitdaging. Ze hoort tot de oudst bekende namen van Gemert. Er is nog nooit over geschreven en het is bovendien een vrij unieke naam.

In 1851 voltooit A.J. van der Aa met een dertiende deel de samenstelling van een Aardrijkskundig Woordenboek der Nederlanden van A tot Z. In heel Nederland heeft hij maar één Pantelaar of Pandelaar gevonden en dat is de buurtschap bij Gemert. Hij waagt zich niet aan een verklaring. Intussen is het zo dat wij er voor Nederland nog tenminste één of misschien twee Pandelaars aan toe kunnen
voegen. De ene ligt, wellicht niet toevallig, in het buurdorp Erp. In 1392 bestaat daar namelijk ook een locatie die de naam draagt van ‘Pantelaer’. Deze naam blijkt echter niet zo best onderhouden als in Gemert. In het Erpse straatnamenbestand zien we dat de oorspronkelijke naam van Pantelaer moet zijn ingewisseld voor Pentelstraat. Tenslotte is er nog een Pandelaer (of is het
Pardelaer?) gesignaleerd in een oorkonde uit 1311 van Sint-Oedenrode (Nijnsel).

In Gemert duikt de Pandelaar op in een oorkonde uit 1326 als ‘Panthovelaer’, later frequent en consequent geschreven als Panthelaar, Pantelaar of Pandelaar. Het is een vast gegeven dat de Pandelaar vanouds onderdeel vormt van het prehistorische wegtracé Bakel-Gemert-Erp. Dat gegeven in combinatie met de oudst bekende schrijfwijze van ‘Panthovelaer’ levert een paar aanknopingspunten voor het zoeken naar een verklaring. De naam bestaat uit twee delen. ‘Panthove’ en ‘Laer’. Het eerste deel sleet omstreeks 1400 al af tot ‘pante’, en daar kan ook een reden voor zijn geweest.

Pand (vroeger ‘pant’).

Betekenissen voor ‘pand’ zijn niet eenduidig. In het twaalfde deel van het Woordenboek der Nederlandse Taal (uitgave 1931) zijn aan ‘pand(-)’ maar liefst 23 bladzijkolommen gewijd. Een toepasselijke betekenis voor ‘panden’ in de oude Pandelaar lijkt die van ‘percelen’, waarbij verwezen wordt naar oude, vaak literaire, bronnen waarbij het telkens gaat over afgedeelde stukken land van
bouwland en/of andere gronden.

Eene wijde vlakte van bebouwde velden, wier regelmatige panden tot op den rug eener andere heuvelenrij voortliepen; ik heb twee panden rapen gezaaid; ik heb drie panden hout en vier panden hooi gekocht; natte landen worden doorgaans in panden geakkerd; het pand is de langwerpige strook grasland waarop het linnen gebleekt wordt; enz. enz.

In de naam Pandelaar moet je je verder afvragen of ‘pande’ staat voor enkelvoud of meervoud. Een laar(gebied) opgedeeld in meerdere in cultuur gebrachte ‘panden’ of ‘percelen’ aan weerszijden van een door een laar(gebied) lopende weg lijkt een voor de hand liggende verklaring te bieden. Maar is dat ook zo met ‘Panthove’ in de oudste schrijfwijze ‘Panthovelaar’?

Pandhove (vroeger ‘panthove’).

In de samenstelling ‘Panthovelaar’ kan ‘panthove’ het meervoud zijn van ‘panthof’, in de betekenis van een perceel dat door de toevoeging ‘hof’ duidelijk is afgebakend of omheind. Maar hove kan ook hoeve zijn, en onwillekeurig dringt zich dan de betekenis op van een in onderpand gegeven ‘hoeve’. Er is een aanwijzing dat die stelling lijkt te bevestigen. In een oorkonde van 15 mei
1379 worden de gebroeders Jan en Willem genoemd als zonen van Karrel van de Panthovelaer, waarmee de naam ‘Panthovelaer’ gekoppeld lijkt aan één familie. De beide zonen van Karrel van de Panthovelaer krijgen met de oorkonde van 1379 van edelman Diederik van Ghemert een erfgoed, gelegen in de Eeldonk, in erfpacht. De Eeldonk kennen we nu als ‘Elding’, gelegen tussen Deel en het midden van de huidige Pandelaar. Wellicht moet in de directe omgeving van deze laatste locatie de oorspronkelijke Panthoeve gesitueerd worden. Vanuit deze hoeve zullen nieuwe hoeves zijn gesticht en nieuwe percelen in cultuur gebracht enz. enz.

Johan Karrelszoon (van de Pantelaar) moet goed hebben geboerd. Van 1402-1417 treedt hij op als schepen van Gemert, waarmee we hem gerust kunnen rekenen als behorende tot de elite van het toenmalige Gemert. Diens vader Karrel moet al, gezien zijn naam, zo ongeveer rond 1350 eigenaar (of gebruiker) van de Panthovelaar zijn geweest.

Laar

Verklaringen voor ‘laar’, vroeger geschreven als ‘laer’, komen veelal neer op “open plekken in een bos met weiland of heide”. Het zijn kunstmatige open plekken, waar al vrij snel akkers van worden gemaakt. Dat zal al zeker in de 14de eeuw, misschien al in de 13de eeuw hebben plaatsgevonden. Laren liggen in het algemeen niet op de grote akkercomplexen, maar vaak los daarvan, in lagere delen van het landschap, die echter droog genoeg zijn om er akkerland van te maken. In genoemde periode zijn ontginningen, die los liggen van de grote akkergebieden, vaak zogenaamde ‘einzelhöfe’: losliggende hoeven met een bijbehorende huisakker. In de Pandelaar hoeft dat niet anders te zijn. Een ontginning in de vorm van een losstaande hoeve, behorend bij een laar.

Een voorlopige conclusie

De Pandelaar is een oude weg die vanuit Gemert in noordwestelijke richting leidt door een met bos omzoomd weide- en akkergebiedje (een Laar) op weg naar het beekdal van de Aa. Uit de naam Panthovelaer in 1326 lijkt als een aannemelijke betekenis
‘afleesbaar’ dat vanuit een in onderpand gegeven hoeve (de Panthove), vanaf omstreeks 1300 geleidelijk een aaneengeregen patroon van nieuwe hoeves en in cultuur gebrachte percelen (panden) is ontstaan in een oorspronkelijk laargebied waar de weg doorheen leidde. De Pandelaar.

PS

Vaak biedt ook het dialect voor een naamsverklaring een aanknopingspunt. De uitspraak van ‘Paandeler’ in het Gemerts moet echter pas na 1800 zijn ontstaan omdat die uitspraak eerder nooit in een geschreven bron is opgeschreven.

Met dank aan
Peter van den Elsen, Wim Vos en Jacques van der Velden

Naschrift

Bovenstaande tekst werd samengesteld ten behoeve van ‘Pandelaar Nieuws’, dat uitgebracht werd door buurtvereniging Voor-Pandelaar/Michaelstraat ter gelegenheid van haar 50-jarig bestaan in 2012. Na het verschijnen ervan is door Jacques van der
Velden nog verder doorgezocht naar mogelijke naamsverklaringen. Het gaat daarbij vooral om de betekenis van ‘Pandhove’, waarvoor Jacques een andere verklaring vond, die wellicht dichter bij de waarheid komt. Verklaring van namen blijft, zoals gezegd, een hachelijke onderneming. De toevoegingen van Jacques van der Velden kwamen te laat voor Pandelaar Nieuws, maar niet voor
Gemerts Heem. Direct volgend aan deze bijdrage is nu de toevoeging van Jacques opgenomen.

Bekijk PDF

GH-2013-01 Boekbespreking door Simon van Wetten

Ad Fraza, Arts tussen bedstee en computer

Huisarts in ruste Ad Fraza kijkt terug op zijn huisartsenpraktijk en noemt zijn verslag terecht een tijdsdocument. De titel geeft heel goed het tijdsgewricht weer dat de veertigjarige praktijk van Ad overspant en zegt iets over de enorme veranderingen die er in die periode, zeker ook voor huisartsen, hebben plaatsgevonden.

Voor ons, bouwers aan de Collectie Gemertana, is het boek van Ad een welkome aanvulling. Opgegroeid in Utrecht, volwassen
geworden in Rotterdam, kijkt Ad, na een kleine aanloop in Boxmeer, vanaf 1965 met grootstedelijke verbazing en vanuit medisch oogpunt naar ons dorp. Het inschatten van de ernst van de hulpvraag kostte met name in het begin nog wel eens moeite. Van dokter, kom toch vlug, mijn hele voet ligt open (minutieus wondje op de voetwreef) tot dokter, kan ik even langskomen, ik heb iets aan
mijn voet (vrijwel alle pezen doorgesneden), je moet de Gemertse nuancering wel dóór hebben. Van schrik wezen Ad en zijn vrouw Truce hun kinderen, die ook al een bietje Gimmerts begonnen te praten en het hadden over langs iemes zitten, op de algemeen beschaafd Nederlandse vertaling van hun zinsnede, maar de mededeling dienaangaande is meteen ook het enige minpuntje in het boek. Verder is het een kostelijke wandeling langs (naast?) nachtelijke bevallingen aan het eind van donkere zandweggetjes, gordelroos die overgaat of over gaat (besmettelijk is of geneest), de pectoralisgreep, de komst van de anticonceptiepil, de bijna
fatale verslikking in een nieuwe aardappel en de epidemische vormen die het nieuwe fenomeen van de hyperventilatie op zeker moment aannam.

Maar ook markeringen in de opbouw van de medische zorg in Gemert maken dit boek zeer interessant. Bijvoorbeeld de komst
van een apotheker (Peter Lindner) in 1972. Tot dan toe waren er in Gemert drie apotheekhoudende huisartsen, namelijk Cos Beukers, Toon Leyte en Jan de Beer, terwijl Frans Suys en Ad Fraza een soort tijdelijke vergunning hadden. Verder de aanloop naar en de verwezenlijking van een groepspraktijk; op het terrein van ’t oude Gasthuis kwam een nieuw Gasthuis. Vervolgens de intrede van de
computer, toen Frans Suys in 1982 de praktijk binnen wandelde met een Commodore 64 onder de arm. Nou ja, het had nog heel wat voeten in aarde voor u en ik uit de kaartenbak konden en onze aambeien digitaal geregistreerd werden.

De decors van dit alles worden door Ad geschilderd in de vorm van persoonlijke overpeinzingen en inkijkjes in zijn privéleven. Je realiseert je het niet als je verveeld in de wachtkamer zit, bladerend in een Margriet van drie jaargangen oud, maar ook de dokter kan
allerlei gezondheidsklachten hebben. Reden waarom Ad op 31 januari 1993, op zijn zestigste verjaardag, zijn laatste spreekuur hield. Maar zijn interesse in de mensen is hij nooit kwijtgeraakt. Zo was hij betrokken bij de Gemertse hulp aan het Roemeense Titu, bracht hij een bezoek aan de verschrikkelijke ‘inner prison’ van de San Quentin State Prison, doet hij veel voor Amnesty International en breekt hij zich het hoofd over een Gemerts alternatief voor de hoge toegangsdrempel van de eerste hulppost in Helmond, 12 kilometer van hier.

Ad Fraza was destijds mijn huisarts. Ik kom met terugwerkende kracht tot de conclusie dat ik in die jaren vaker naar de dokter had moeten gaan. Kortom, een lezenswaardig boek!

Bekijk PDF

GH-2013-01 Flörske van 1400 tot 1925

 

Ad Otten

Het zal in de tweede helft van de jaren zeventig zijn geweest. Bij mijn buurlui Tutje en Ant van den Elsen in de Kromstraat had ik
aangeklopt met een dialectvragenlijst van de Nijmeegse Centrale voor Dialect-en Naamkunde over de varkensfokkerij.
Het was heel gezellig geweest. De ingevulde lijst heb ik ingeleverd bij de in onze heemkundekring bekende Piet Vos, toen als wetenschappelijk medewerker verbonden aan de Universiteit Nijmegen. Al vanaf 1967 stelde hij voor de ‘Centrale’ dialectvragenlijsten samen en ook was hij redacteur van het Woordenboek van de Brabantse Dialecten. Piet attendeerde mij vervolgens op een
heel bijzondere vragenlijst, namelijk die van de vieze woorden. Daar ging meteen mijn belangstelling naar uit. Misschien was die wel aangewakkerd bij mijn buren Ant en Tutje die mij tot mijn verbazing een compleet andere inhoud en achtergrond hadden geleerd van het bij iedereen bekende gezegde van “zo gek as ’n klink”. Nooit had ik er bij stil gestaan waar dat gezegde vandaan kwam. Bij een klink kon ik, en waarschijnlijk ook elke andere doorsneeburger, alleen maar denken aan een deurklink. Maar Ant en Tutje wezen mij op een heel andere klink. Ze namen me daarvoor mee naar de varkensstal. Wanneer een varken vruchtbaar is, dan zwelt en kleurt haar ‘klink’ (het vrouwelijk geslachtsdeel met kittelaar en al). En aan een groot en rood geworden ‘klink’ leest  de varkensfokker
vervolgens af, dat het dan d’n tijd is voor de varkensbeer om de varkenszeug te dekken. “Kiedaor”, wezen Ant en Tutje, “die zeug hé ’n gèkke klingk, èn die aander zeug dáór, hé t’r mèèrege aën”. Ant en Tutje lachten mij vierkant uit dat ik dacht dat het gezegde “zo gek as een klink” iets van doen had met een deurklink. “Naënaë jonge!”

Voor het invullen van de “dialectvragenlijst vieze woorden” kreeg ik als instructie mee, dat ik zegslieden uit moest kiezen die me heel
vertrouwd waren en dat ik bij ’n interview alle vragen ook zeker in hun dialect moest stellen. Anders zou ’t allemaal niks opleveren. Om kort te gaan ik koos voor mijn moeder. En… ik weet het niet meer maar ik geloof dat ik ’t toch te genant vond om m’n moeder te vragen hoe ze d’r kut noemde. Kut is overigens een heel oud woord en is een paar honderd jaar geleden ook al in Gemertse officiële protocollen opgetekend.1 Hoe het ook zij, ik denk dat ik m’n moeder toch maar gevraagd heb naar de naam die
ze gaf aan het vrouwelijk geslachtsdeel. Wat ik me duidelijk herinner is dat m’n moeder, die voor dit wetenschappelijk vragenuurtje toch speciaal was gaan zitten, op die vraag nogal teleurgesteld reageerde omdat ze daarop het antwoord schuldig moest blijven. Ze wilde me graag helpen met m’n vragenlijst maar ‘dát’ had ze nooit een naam gegeven. “Echt nie?” “Nee, echt nie!” Maar… toen ik nog
‘ns aandrong kwam er toch iets los. Ze vertelde dat háár moeder, mijn ‘opoe’ dus, het had over ‘flörkske’ en dat ze als klein meiske er op gewezen werd dat ze “ok d’r flörkske moes waase…’.

‘N GEMERTS FLÖRKSKE ANNO 1400

Bij de grote opgraving van het Hooghuis van Ghemert in 1996 Werd in de bedding van de voormalige gracht rondom de motteburcht iets heel aparts gevonden. Een plat insigne van een lood-tin legering van circa 5 cm hoog en 3 cm breed. Een erotisch draaginsigne, hoorde ik archeologen om me heen al meteen enthousiast concluderen. Het was de voorstelling van een vagina maar dan als zelfstandig levend wezen met armen, beentjes, handjes en voetjes. Getooid met een hoedje. Het insigne was niet helemaal compleet. De rechterarm ontbreekt bijna geheel, alsook het rechterbeen.

Ik stond erbij. Ik keek ernaar. En voor mij was het met de dialectvragenlijst-vieze-woorden-bij-mijn-moeder nog in m’n achterhoofd, een onmiskenbaar lopend oftewel löps flörkske, maar dan één van ongeveer 600 jaar oud… H.L. Janssen beschrijft in het als nr.27 in de reeks Bijdragen tot de geschiedenis van Gemert uitgegeven “Het Hooghuis van Gemert” alle metalen vondsten waaronder zes insignes. Over mijn flörkske schrijft hij het hiernavolgende:2

“Een zesde fragmentarisch insigne, voorzien van een afgebroken speldje aan de achterzijde, is waarschijnlijk het meest opzienbarend. Het is de voorstelling van een vulva als pelgrim met een hoed op en een opgespelde fallus. Een vrijwel exacte
parallel is bekend uit Rotterdam en varianten van deze voorstelling zijn gevonden in Reimerswaal, Amsterdam, Nieuwlande, maar ook in Parijs. De speldjes worden hier gedateerd tegen het einde van de 14e eeuw. Het is onbekend hoe we deze speldjes moeten interpreteren. Voor ons is het regelrechte pornografie. Was het dat ook voor de middeleeuwer? Was het bedoeld als satire op het hoerige gedrag van vrouwelijke pelgrims? Waren het insignes die alleen gedragen werden tijdens de vastentijd als teken van de omgekeerde wereld bij de vastenavondviering? Waren het speldjes die werden verkocht bij de opvoering van pikante fabels? Waren ze bedoeld als waarschuwing tegen liederlijk en losbandig gedrag?”

Er is ook wel eens het vermoeden geuit dat deze insignes werden gedragen als een soort van vruchtbaarheidsamulet. Hoe het ook zij,
erotische insignes werden net als pelgrimsinsignes gedragen met een speld op de kleding. Ten tijde van de opgraving in Gemert waren er in Nederland in totaal toen al 156 bekend en beschreven. Daarvan werden er maar liefst 116 gevonden in de provincie Zeeland, hetgeen vermoedelijk zijn oorzaak vindt in het feit dat kleine metalen voorwerpen met een detector op drooggevallen grond het gemakkelijkst gevonden worden. De overige insignes zijn gevonden in Holland. Allemaal dateren ze uit de periode 1350-1425.

De erotische insignes worden onderscheiden in drie soorten a) copulerende paren b) zelfstandige fallusdieren met benen en voeten c)
zelfstandige vulva’s oftewel zoals wij ze in dit artikel noemen ‘flörkskes’. De flörkskes zijn het zeldzaamst.

NOTEN:

1.
Zie: Peter van den Elsen, Beth Kets en Dominee Pannekoek (Tis Krimmeneel 3), in: Gemerts Heem 1980 nr.1, blz. 8-14.

2.
Het Hooghuis te Gemert, Bijdragen tot de geschiedenis van Gemert nr. 27, Gemert 2001, blz.63.

Bekijk PDF

GH-2013-01 Van Gemert naar Engeland en terug 1939-1944 deel 2

 

Louis van ’t Hooft

In de vorige aflevering van Gemerts Heem verscheen deel 1. Ter opfrissing: Louis van ’t Hooft werd geboren in 1916 in Hoensbroek. De mobilisatie bracht hem als dienstplichtig sergeant in Gemert waar hij verkering kreeg met To Werts, juf op de Pandelaarschool. In de nacht van 10 op 11 mei 1940 werd op last van hogerhand de Peel-Raamstelling ontmanteld. Louis begon met een aantal
lotgenoten aan een terugtocht die van Elsendorp, dwars door Noord-Brabant, Zeeland, Vlaanderen en Noord-Frankrijk pas eindigde in Engeland. Daar werd hij opgenomen in de Prinses Irenebrigade. Middels Radio Oranje (Londen) verloofde hij zich met To Werts in bezet Gemert. Ruim vier jaar zou het duren voor hij haar terug zag. In augustus 1941 werd hij in Engeland ingedeeld bij de Brigade
“Prinses Irene”. Op 1 januari 1943 werd hij benoemd tot sergeant-majoor van de militaire administratie en op 1 juni 1944, toen de geallieerden zich in het geheim opmaakten voor de aanval op Normandië, werd Louis bevorderd tot 2e luitenant speciale diensten. (Red.)

Op 6 juni 1944 was het zover. De aanval op Europa begon. Deze 6e juni wordt D-day genoemd, wat Decision-Day betekent: de beslissende dag. Met zware aanvallen van de luchtmacht, beschietingen vanuit zee, parachutisten, speciaal getrainde Engelse en Amerikaanse eenheden moesten we een bruggenhoofd proberen te maken op de kust van Normandië.

Op 29 juli 1944 werden we geconcentreerd in het kamp Leightonstone. Hier waren we totaal geïsoleerd van de buitenwereld. Niemand mocht er nog uit. Allemaal kregen we een zwemgordel en een noodrantsoen. Hierop konden we wel 24 uur leven. Op 3
augustus marcheerden we in de nacht naar de havenplaats Tilbury. Zou het dan nu eindelijk echt gaan gebeuren? Zouden we echt oversteken en voet zetten op het vasteland van Europa?

Ja hoor, al heel gauw werden we ingescheept. Op 5 augustus 1944 begon de overtocht. ’t Was prachtig weer en ’t was een grandioos gezicht midden op zee tussen al die schepen te zijn. Het was een grote vloot. We gingen op naar Normandië. Boven ons vlogen tientallen vliegtuigen die ons extra moesten beschermen. Dat heel veel jongens zenuwachtig werden, zullen jullie wel begrijpen. Wat zou er gaan gebeuren? Wie zou zijn leven moeten geven voor de vrijheid van Europa?

Een klein overzichtje om duidelijk te maken hoe alles verliep:

Op 5 augustus 1944 werden we ingescheept, op 6 augustus zijn we ’s nachts om vijf uur vertrokken en op 7 en 8 augustus landden we in Normandië. Toen werden we onmiddellijk ingezet om een Britse eenheid af te lossen en diezelfde nacht hadden we al
contact met de vijand.

(……) Aan het Orne-front hadden we de eerste gesneuvelden en zwaargewonden.

(……) Op 23 augustus begon de opmars naar Pont l’Évêque over de rivier de Tongues. Onderweg daarnaartoe was wel veertig procent van de huizen verwoest en de bevolking gevlucht. Op 24 augustus konden we Pont au de Mer bevrijden. De Duitsers
trokken terug en wij konden de Seine oversteken onder bevel van het Tweede Canadese Leger. Alles ging in snel tempo.

Ingedeeld bij het Tweede Britse leger gingen we richting Brussel. We trokken door Leuven en Diest. Als je dit zelf niet meegemaakt hebt, kun je je de euforie van de bevolking niet voorstellen. Ze juichten, zongen aria’s en zwaaiden naar ons en enz.

(……) Nu volgde een historisch moment: Van 20 op 21 september gebeurde het lang verwachte: we passeerden de Belgisch-Nederlandse grens. Je kunt je niet voorstellen, wat dat betekent als het vijf jaar absoluut onmogelijk is geweest om ook maar, een voet op Hollandse bodem te zetten. De opmars ging in snel tempo. Via Eindhoven en Son trokken we door tot Grave dicht bij de Maasbrug. De bewaking van de brug namen wij over van de Engelsen. Vanaf het eerste ogenblik dat we in ons lieve landje waren, begon het te regenen, en niet zo maar van die lichte buitjes. Het plensde en dat hield maar niet op. Dag in, dag uit.

Vlakbij een boerderij onder een heg had ik mijn onderkomen gevonden. Gelukkig had ik een waterdichte slaapzak. Deze boerderij en deze plek zal ik nooit vergeten. Op de operatiekaart in de staftent kon ik zien dat Erp en Gemert bevrijd waren.
Hoewel ik geen toestemming kreeg om met een jeep naar Gemert te gaan, heb ik toch het risico genomen. Niets en niemand kon me nog tegenhouden. Maar het was – achteraf wil ik dat wel bekennen – levensgevaarlijk. Rechts en links van de weg lagen nog veel Duitsers.

Tot Erp ging alles voorspoedig. Daar stopten we en gingen we naar het huis van ome Johan en tante Frida. Zij had altijd beweerd dat zij mij eerder zou zien dan To en het kwam nog uit ook. Toen ik haar omhelsde en zoende, kreeg een nichtje dat daar in huis was, bijna een appelflauwte. Ze liep naar het postkantoor – bij hen in huis – om oom Johan te vertellen dat zo’n wildvreemde Engelse soldaat tante Frida zoende. In Erp hoorden we dat de Moffen Gemert net hadden verlaten en dat de Britse tanks het dorp binnen rolden. Maar we hoorden ook dat er die dag nog enkele mijnen ontploft waren tussen Erp en Gemert. Mijn chauffeur liet ik achter in Erp. Ik kon niet verlangen dat een ander zijn leven voor mij riskeerde. Alleen ging ik verder: ik moest en zou mijn doel bereiken.
Vertrouwend op het kruisje dat iedere militair op zak droeg en waarop stond: the pledge of victory, zou me wel beschermen.

Het lukte. Terwijl de tanks langs To haar huis reden en de mensen langs de weg stonden te juichen en te jubelen reed ik na vijf jaar de jeep tot voor de ijzeren poort en liep ik het bekende kiezelpad op naar de voordeur. To stond in de voordeur ook naar de tanks te kijken en wuifde naar de bevrijders. Daar zag ze een Engelsman op hun huis aankomem, vertelde ze later. Dat vond ze fijn, want ze wilde een beetje Engels praten. Maar daar ineens was de herkenning. To zegt dat ze het nog dikwijls ziet gebeuren: de Engelse baret, het leren stokje onder de arm en dan plotseling in een seconde de herkenning van dat lieve gezicht. Het is niet te geloven. En toen begon echt ons sprookje. Het hele Gemertse volk leefde mee. Het was een intocht die we nooit vergeten. Wie in Gemert wist niet dat de verloofde van To Werts (de juf van de Pandelaarschool) in Engeland was. Ze hadden ruim vier jaar met ons meegeleefd, met ons wel en wee. Vooral ook de Gemertse jeugd, die hebben de Lieve Heer van het kruis gebeden. Vier jaar geleden hadden we ons via Radio Oranje verloofd. Nu kon ik mijn meisje de verlovingsring om haar vinger steken: een gouden ring met drie opaaltjes en
twee saffiertjes. To draagt hem nog iedere dag. Maar ik moest weer terug via Erp naar Grave. Het was een zware opdracht maar de taak was nog niet volbracht en nog steeds ging het werk voor het meisje. Wekenlang bleef het slecht weer. Regen en nog eens regen. Het verblijf onder de heg was verre van ideaal.

Ik heb toen ook de kans genomen om tante Martina in Nijmegen voedsel te brengen. Zij had pas een baby gekregen en aan alles was een tekort. Ome Fridus gaf me melk mee, dubbelgestoomde die de hele oorlog in de grond bewaard was. Chocolade en sigaretten waren een hele grote luxe, maar ik kon van alles wat meenemen. Toen ik in Nijmegen aankwam, zag ik dat het huis door een bombardement zwaar beschadigd was. Na hier en daar geïnformeerd te hebben, vond ik de familie in de kelder van een ander huis.

En iedere dag wilde ik wel naar Gemert, maar dat ging onmogelijk. To kon echter wel naar Grave komen, tenminste als ik haar ging halen. In mijn hoofd had ik het plannetje zo klaar. Net als in een sprookje heb ik haar geschaakt en meegenomen naar Grave.
Daar mocht ze bij een boer verblijven, kreeg een slaapkamer en at met de pot mee. Wat waren dat mooie, gelukkige dagen voor ons. Maar zoals aan alles kwam ook hieraan een eind.

Nu wilde ik toch wel eens naar mijn ouders in Hoensbroek. Zij hadden vijf jaar lang gewacht en gebeden voor een behouden  thuiskomst. Ik verlangde erg naar hen en besloot het waagstuk uit te halen. Helaas kwam ik niet verder dan Maastricht. Gelukkig
woonde tante Lenie, ons “Zus”, daar met haar gezin. Zij wist alles van thuis te vertellen. Papa en mama en ook Jan en de verdere familie leefden allemaal nog en ze maakten het goed. Maar wat had ik hen graag in levende lijve gezien. Toch moest ik terug naar Grave.

Op 17 oktober 1944 moesten we de stellingen innemen ten westen van Eindhoven: Oerle. Het front was toen langs het Wilhelminakanaal, Best en Oirschot. ’n Paar dagen later werden we verplaatst naar Hilvarenbeek met de opdracht een aanval op Tilburg voor te bereiden. In Hilvarenbeek was erg veel tegenstand van de Duitsers. We verloren daar vijf van onze mannen en we hadden vijfenveertig gewonden. Op 27 oktober werd Tilburg bevrijd door de Irenebrigade en Engelse eenheden.

Geruime tijd was ik gelegerd in Dongen bij een paardenhandelaar. (….) Vanuit Dongen ben ik toen eindelijk ook naar huis in Hoensbroek kunnen gaan. Wat hadden mijn ouders en ikzelf veel op moeten brengen aan geduld. Van 10 mei 1940 tot 17 augustus 1940 was ik zelfs vermist geweest…..  Kapelaan Jans uit Gemert had To achter op zijn motor naar Dongen gebracht en zij kreeg
een plaatsje achter in de troop-carrier tussen de soldaten. Zelf moest ik naast de chauffeur gaan zitten, omdat ik de leiding had. Toen we bij ons huis aankwamen, liep er een man op straat; zijn jas hing heel ruim om zijn rug en zijn broek flodderde om zijn benen. Ik wou wat tegen hem zeggen, zomaar voor de aardigheid. Maar plotseling herkende ik hem: ’t Was mijn eigen vader! Wat een
ontroerend weerzien. Ook met mama die in de keuken bezig was wat eten klaar te maken. Ons geluk kon niet op. Wat waren we blij weer bij elkaar te zijn!

Ik had mijn hele jeugd met het idee geleefd dat ik bijzonder goed voor hen moest zorgen, want ze hadden erg veel tegenslag gehad in de crisisjaren voor de oorlog. Nu kreeg ik dan de kans: we spraken met papa en mama over onze trouwplannen en vroegen hen,
of ze ’t gespaarde geld wat in Engeland op een bank stond, nodig hadden. Dan zouden we nog een paar jaar met trouwen wachten. Maar daar wilden ze absoluut niet van horen. Onder geen voorwaarde. Opa ging de zaak weer opbouwen en dat zou best lukken. Onder de oorlog had zijn bedrijf een hele tijd stil gelegen, omdat de Duitsers zijn machines verzegeld hadden en er dus niet gewerkt kon worden. En er kwamen inderdaad goeie tijd en voor deze twee lieve mensen, die ook enorm geleden hadden onder het gemis van hun zoon.

In november 1944 werden we gelegerd op Noord- en Zuid-Beveland. Hier moesten we de kusten bewaken en hulp verlenen ook aan de bevolking wat voedsel betreft. Het werd een zware winter. Regelmatig reed ik op en neer naar Gemert in mijn “Ireentje”. Dat
was een klein Opeltje, dat we buitgemaakt hadden op de Duitsers. De Duitsers waren hier vaak nog actief, en wij wisten twee kleine tweemans onderzeeërs buit te maken. De twee krijgsgevangenen waren jongens van een jaar of zestien, zeventien. Wij hadden wel medelijden met hen, maar moesten ze toch als gevangenen behandelen.

We vierden Sinterklaas in Heinekenszand. Daar was ik ingekwartierd bij de burgemeester. Zijn vrouw gaf me een prachtige pop mee voor To, gekleed in Zeeuwse klederdracht en zelfs met een bloedkoralen halsbandje om. (…..) Op nieuwjaarsdag hielden we een parade in Goes. Inmiddels waren we versterkt met vrijwilligers.

We trouwden op 29 januari 1945 voor de wet. Twee Engelse officieren die bij To ingekwartierd waren, wilden op het gemeentehuis graag getuigen zijn. Maar toen we daar in de trouwzaal waren, bleek dat volgens de wet buitenlanders geen getuigen konden
zijn. In de hal van het raadhuis was een timmerman aan het werk: een oerechte Hollander, een Gemertse man, die direct bereid was om ons uit de nood te helpen. Maar de twee Tommy’s, major Marshall en captain Goodson, waren er van overtuigd dat zij onze bestmen waren.

Op 19 april kregen we de opdracht de Bommelerwaard te bezetten en een bruggenhoofd te vormen op de overkant van de Maas bij Hedel. Met amfibietanks staken we de rivier over. Helaas was de weerstand van de vijand veel groter dan de inlichtingen van de
ondergrondse ons hadden gezegd. Het werd een gevecht van man tot man. Hedel werd bijna helemaal verwoest en wat vreselijk erg was. We hadden twaalf doden en dertig gewonden. Het was twee dagen voor de capitulatie van de Duitsers en twee dagen voor de vrede werd getekend op 5 mei 1945 in Wageningen in Hotel De Wereld. ’t Was té erg.

Op 8 mei trok de Koninklijjke Nederlandse Brigade Prinses Irene Den Haag binnen. Een glorieuze intocht. De bevolking was bijna gek van blijdschap. Na een vreselijke winter, waarin veel mensen van honger zijn overleden, kwamen eindelijk de bevrijders met voedsel: witbrood, melk, eierpoeder, chocola, sigaretten en …. Gin. Veel mannen kwamen de officieren verwelkomen in de hoop dat ze een “mug” gin zouden krijgen. De meesten konden helemaal geen sterke drank verdragen: de hele winter honger geleden en geen borreltje meer geproefd. Soms gebeurde het, dat ze na een paar slokken calvados laveloos op de grond in slaap vielen. (….)

Op 15 mei 1945 trouwden we voor de kerk om voor God en de familie te zeggen, dat we goed voor elkaar wilden zorgen, zowel in goede als slechte dagen en om elkaar eeuwig trouw te beloven. ’s Avonds van tevoren kwam mijn hele familie naar Gemert. Een
jeugdvriend van me, Henk Huibers, was onder de oorlog priester gewijd. Nu was hij aalmoezenier bij de Canadezen, die met de invasie in Nederland waren gekomen. En hij beschikte daardoor over een auto. Hij zou ons ’t sacrament van het huwelijk toedienen in de kerk van Sint Jans Onthoofding in Gemert. Mama, papa, Lenie, Frans, Jan en Riek, allemaal kwamen ze met hem mee en ’s avonds kwamen er ook al een paar zussen van To met hun mannen. Allemaal bleven ze slapen op Binderseind C106.

Ik ging naar boven om To mijn huwelijksgeschenk te geven: een gouden kruisje met kettinkje. En toen daalden we samen de trap af.

Daar kwam de bruid, helemaal in het wit terwijl er in het hele land praktisch niets te krijgen was. En ikzelf in mijn buitenmodel uniform, natuurlijk met baret en het al bekende stokje. Wat waren we trots op elkaar. Eindelijk konden we gaan bouwen aan een nieuw leven. Tegen elf uur reden de koetsen voor, om ons en de hele familie naar de kerk te brengen.

Twee dagen hebben we feestgevierd en daarna woonden we in ’t linker gedeelte van het huis in Gemert. Daar hadden we een zitkamer en een keuken en we sliepen boven.

Op zekere dag kreeg ik een huurhuis aangeboden in Den Haag. Een prachtige woning waarin een NSB-er had gewoond. Op een morgen kwamen er twee rechercheurs om alles op te nemen, wat er allemaal in het huis aanwezig was. Twee maanden hebben we er maar gewoond en ’t was een heerlijke tijd, al moesten we ons met heel veel erg behelpen. (….) Na die twee maanden hebben we nog een poos in Gemert gewoond.

Op 6 oktober 1945 werd ik benoemd tot R.D.A.U.-Zuid en kreeg als standplaats Tilburg aangewezen. Daar zouden we dus gaan wonen. Deze functie hield in dat ik de gehele logistieke verzorging kreeg van de drie zuidelijke provincies: Limburg, Brabant
en Zeeland. Hoewel ik nog maar de rang van 1e luitenant had, was aan deze functie de rang van luitenant-kolonel verbonden. Ik was dus heel trots op deze taak.

(…..)

NASCHRIFT:

Louis van ’t Hooft
(geboren 18 mei 1916 Hoensbroek)) bleef nog 25 jaar in militaire dienst. Op 1 november 1971 kreeg hij eervol ontslag (op verzoek). Hij was toen kolonel van de Intendancestaf. Voor zijn familieleden schreef hij een 100 bladzijden tellende ‘Kroniek van een militaire loopbaan’, die hij eindigde met zijn eigen militaire lijfspreuken:

1. Verbeter het leger, begin met jezelf.

2. Minder protesteren, meer presteren

3. Niet alles hoeft naar de maandag

4. Lees niet alleen Kuifje en de Telegraaf, als je je vak wilt leren.

Louis van ’t Hooft
overleed op 22 oktober 2001 te Schaijk. Zijn echtgenote To Werts overleed drie jaar eerder op 17 november 1998 te Apeldoorn.

Met dank aan Annemies van ’t Hooft (Oss), haar Gemertse familieleden en speciaal haar oom Jan Werts (Brussel) die ons op deze bijzondere kroniek attendeerde – Red.

Bekijk PDF