GH-2011-02 Excursie Heemkunde Kring in Handelse Bergen 1941

Ad Otten

Op 28 april 1941 werd Heemkundekring ‘De Kommanderij Gemert’ opgericht. De toen 23-jarige Antoon Corstens, zoon van Frans van de Amsterdamsche Bank, was een der leden van het eerste uur. Op de oprichtingsvergadering werd hij gekozen tot penningmeester. Geen wonder want als adjunct-commies op de gemeentesecretarie waakte hij ook al over de Gemertse financiën. In 1946 verliet hij Gemert. Hij verhuisde naar Gilze waar hij was benoemd tot commies en chef van de afdeling Financiën, onderwijs en personeel van de gemeente Gilze-Rijen. In juni van dit jaar is Antoon 94 geworden. Daarvan is hij inmiddels 65 jaar niet-Gemertenaar, maar Gemert is hij niet vergeten!
Hij legt momenteel de laatste hand aan een boek over de Gemertse familie Corstens en hij hoopt dat dit jaar uit te brengen. Minstens eenmaal per maand komt Antoon voor aanvullend onderzoek nog naar het gemeentearchief. Een jaar of vijf geleden werd hij ook opnieuw lid van ‘onze’ heemkundekring. Toen Antoon in de zomer van 2010 het nieuwe programmaboekje van de heemkundekring in de bus kreeg verraste hem de omslag want daar stond hijzelf op met alle andere eerstelingen van de kring. Op 30 juli 1941 – zeventig jaar geleden – waren ze op excursie in de Handelse Duinen, en Antoon kent bijna alle namen en ook de gids van toen. Het was Jan Vriends uit Bakel, de latere oprichter van het ‘Natuurstudiecentrum en Museum Jan Vriends’ in Asten.

2011-2 kap13

Bekijk PDF

GH-2011-02 Wist u dat de Heilige Losbol ook werd aangeroepen tegen hoofdpijn

Ad Otten

2011-2 kap10

Bekijk PDF

GH-2011-02 Gebeden van de zusters bij het aankleden

(ons aangereikt door Zr. Bonifacia (Tonny van der Meijden) uit: Gebruikenboek van de Zusters Penitenten Recollectinen van Oirschot)

Ad Otten

 Bij het bandje (op het hoofd):
O Jesus, die Uw ogen zo schandelijk hebt laten binden uit liefde tot mij, geef dat ik de mijne gaarne versterve uit liefde tot U.

Bij de doek (op het hoofd):
O mijn Zaligmaker, die Uw H. Aanschijn in de doek van Veronica gedrukt hebt, druk Uw H. Lijden in mijn hart, opdat ik Uw liefde nooit vergete.

Bij het habijt:
Geef, o mijn God, dat ik dit bruine kleed aandoe in de geest van boetvaardigheid, versterving en verloochening van mijzelve, opdat ik U getrouw mag dienen tot het laatste ogenblik toe.

Bij het koord:
Wil mij, o Heer, omgorden met de gordel der zuiverheid, opdat altijd in mij blijve de deugd van reinheid en ik dit koord mag dragen tot uitboeting van mijn zonden door de verdiensten van Uw H. Lijden.

2011-2 kap8

 Bij het scapulier:
Mijn Verlosser, Gij hebt geheel Uw Leven verlangd om voor ons te sterven aan het Kruis. Ach mocht ik alle kruis en lijden gaarne uit Uwe Vaderhand aannemen en Uw H. Lijden als een bundeltje mirrhe op mijn hart dragen.

Bij de voile:
Geef, o mijn God dat ik mij in deze maagdensluier nooit verhovaardige, maar in zedigheid en ootmoed U, mijn Bruidegom, zo navolge, dat ik hierna het nieuwe lied mag zingen en het Lam volgen waar Het gaat.

Bij de mantel:
O Jesus, mijn Bruidegom, die met een purperen mantel en rietstok in de hand als een spotkoning aanbeden zijt, geef mij, dat ik U met grote eerbied in geest en waarheid als mijn Koning mag aanbidden.

2011-2 kap9

Bekijk PDF

GH-2011-02 Bierviltjes van Gemertse Bieren

Ad Otten

In Gemerts Heem 2007 nr. 3 wezen we al op Bierbrouwerij De Driekleur in het Kruiseind te Gemert die meteen na de Tweede Wereldoorlog ook al was het maar heel kortstondig probeerde een eigen pilsener bier aan de man te brengen. Wim Jaegers verrastte nu de redactie met bierviltjes van de laatste in Gemert operationele bierbrouwerij. Een viltje van vóór de oorlog uit de tijd van bierbrouwer Willem Verbakel (De Zwaan) en eentje van direct na de bevrijding toen de Gebroeders Averdieck uit Den Haag, poogden nieuw leven in de brouwerij te blazen met ‘De Driekleur’.

2011-2 kap22011-2 kap12011-2 kap3

 

 

Bekijk PDF

GH-2011-02 Boek over oorlogsvliegvelden in Gemert-Bakel

Ad Otten

In het vorige nummer van Gemerts Heem schreef Ruud Wildekamp een interessant artikel over het door de Duitsers in 1944 aangelegde vliegveld op het landgoed De Sijp in Gemert, dat vanwege het meest nabijgelegen kerkdorp De Rips ook daarnaar werd genoemd Schattenplatz (ook wel: Ausweichplatz) De Rips. Het artikel werd afgesloten met ‘wordt vervolgd’, maar dat vervolg gaat, zo is door onze redactie inmiddels besloten, uitmonden in een compleet boekwerk.

De ‘Flugplatz De Rips’ kreeg na de bevrijding door de geallieerden een Canadees vervolg voor de ondersteuning van de geallieerde opmars. Daarnaast was een paar dagen na de bevrijding er al speciaal ten behoeve van de Britse Tactical Headquarters onder leiding van generaal Dempsey (toen gevestigd in het poortgebouw van Gemerts kasteel), een vliegveldje voor lichte vliegvelden in gebruik genomen op Paashoef. Dat laatste is overigens amper twee weken operationeel en niet van erg groot belang geweest in de geallieerde operaties. Ook bij Helmond werd een dergelijk vliegveldje voor lichte vliegtuigen aangelegd in de Zwanenbeemd, langs de weg van Aarle-Rixtel naar Helmond. Doordat het wat langer heeft bestaan en van daaruit ook artilleriegeleiding werd gedaan heeft het wat meer bijgedragen aan de oorlogvoering. Dat kan zeker gezegd worden van het vierde oorlogsvliegveld. Dit vliegveld gelegen bij Brouwhuis in de gemeente Bakel en Milheeze, langs de weg tussen Helmond en Deurne, werd gebouwd door de Britse genie en bijna geheel uitgevoerd in bakstenen. De Engelsen noemden dit hun ‘Opus Magnus’, hun machtigste werk. Van begin januari tot half april 1945 vlogen vanaf hier jachtbommenwerpers naar doelen in Duitsland en bezet Nederland. Daarmee heeft dit vliegveld wezenlijk bijgedragen aan de bevrijding van ons land en de ondergang van Nazi-Duitsland.

Ruud Wildekamp weet na gedegen en heel specialistisch onderzoek zoveel bijzondere zaken te vertellen over deze Gemert-Bakelse oorlogsvliegvelden dat besloten is er een afzonderlijk en bijzonder rijk geïllustreerd boekwerk aan te wijden met veel fotomateriaal uit tot dusver nauwelijks geziene Duitse en Britse militaire bronnen. Het boek zal worden uitgebracht op de bevrijdingsdag van Gemert, Bakel en Helmond: 25 september 2011!

Bekijk PDF

GH-2011-02 Boterfebriekske, Tien Geboden en Vier Evangelisten

2011-4 kap0

Ad Otten

Botterfebriekske, Tien Geboden en Vier Evangelisten

In het verleden werd aan huizen en ook aan percelen vaak een naam gegeven. Nadat in 1832 het kadaster werd ingevoerd was de behoefte daaraan met name voor percelen al veel minder. Elk perceel kreeg immers een eigen kadastraal nummer. Toen vervolgens ook nog eens officieel straat- en/of wijknamen en tenslotte huisnummers werden ingevoerd was er al helemaal geen noodzaak meer voor een huisnaam. De herbergiers bleven een eigen naamgeving voor hun etablissementen echter getrouw en zo bleven ook oude historische namen overal overeind. Zelfs werd nog heel lang nieuwbouw een eigen naam toebedeeld. In de Deel in Gemert vinden we daar kort bijelkaar een 2011-2 kap4

drietal voorbeelden. Kort na 1900 besloten de boeren van Pandelaar en Deel tot de stichting van een coöperatieve Roomboterij (op handkracht) en zij noemden het fabriekje “De Eendracht”. Volgens het jaarverslag van 1902 werd er in de coöperatieve Eendracht in totaal 304.417 kg melk geleverd en dat er 11.003 kg boter werd verkocht op de botermijn in Eindhoven. In 1915 besloten de leden van ‘De Eendracht’ om samen met nog twee handkrachtboterfabriekjes, te weten “Natura” op Boekent-Oudestraat en “De Heibloem” aan Deel-Boekelseweg, de handen ineen te slaan en een Coöperatieve Stoomzuivelfabriek ‘De Eendracht’ te stichten tegenover het Sint Annakeske aan de weg naar Handel. ‘De Eendracht’ in de Deel werd toen omgebouwd tot woning maar de naam bleef tenminste als ”t Botterfebrieksek’ in de herinnering bewaard.

En dat men ook in de volksmond gevoelig bleef voor een karakteristieke benaming bleek wel toen in 1925 aannemer Klerks in de Deel tegenover de Zaanse molen De Bijenkorf een woningrij bouwde van maar liefst tien woningen. Het was de tijd van het Rijke Roomse Leven en binnen een mum van tijd kende iedereen in Gemert ‘De Tien Geboden’ 2011-2 kap5en 2011-2 kap6dat is tot op de dag van vandaag zo gebleven. En er werd zelfs wel eens gesproken van een elfde gebod maar dat gold de vier gangen in de woningenrij: “Gij zult de gangen open houden”. De woningnood was in Gemert van toen best groot en toen in navolging van aannemer Klerks, in 1928 bakker Johan van Eenbergen, pal naast ’t Botterfebriekse en schuin tegenover de Tien Geboden nog eens een rij van vier woningen liet bouwen werd natuurlijk ook deze woningbouw een naam toebedacht: ‘De Vier Evangelisten’, later ook wel genoemd ‘De Vier Waarheden’.

 




 

 

Bekijk PDF

GH-2011-02 Uit het oud-rechterlijk archief van Gemert (4)

UIT HET OUD-RECHTERLIJK ARCHIEF VAN GEMERT (4)

Simon van Wetten

1761

De platte kant van de degen, daar kunnen wij niet meer tegen

Woede. Gramschap. Razernij. Vraag niet aan drossaard De la Court welke vorm van boosheid zich meester heeft gemaakt van zijn gemoed, want dat is moeilijk kiezen voor de man. Hij wil bovendien helemaal niet kiezen. Hij wil de daders. En wel nu, meteen, direct! Het gezag in het algemeen en met name zíjn gezag is ernstig aangetast.

Inderdaad, er gistte iets in Gemert. Ook in de hoofdkwartieren van de Balije Alden Biesen werd men de broeierige sfeer in de Commanderij gewaar. Dat werd geïllustreerd door een brief aan de schepenen van heer en meester Otto Colen, advocaat en Raad van de illustere Duitse Orde, als gemachtigde van de hooggeboren heer Ulrich Leopold, landcommandeur.

‘De heren schepenen worden vanwege verscheidene gruweldaden en delicten in dit lopend jaar 1761 te Gemert gepleegd, uitdrukkelijk verplicht deze daden te onderzoeken.’

Wat was er in hemelsnaam aan de hand? Het leek wel of de patriottenbeweging het banhek bij de Snelle Loop was gepasseerd en de bevolking van Gemert uit de letargie van de altijd durende en onvoorwaardelijke gezagsgetrouwheid wakkerschudde.

‘Daar is een gestaag groeiend klagen en murmureren en preutelen van de gemeentenaren alhier!

Grote woorden als ‘democratische verlangens’ en ‘zich afzetten tegen de regentenkliek’ zijn te hoog gegrepen en te voorbarig, maar het volk van Gemert roerde zich wel en durfde zelfs hardop vraagtekens te zetten bij sommige van de door de schepenen of de commandeur opgelegde verplichtingen. Met name het ’s nachts wacht moeten lopen was een doorn in menig oog.

‘We moeten een advocaat of kundig iemand naar Zijne Hoogwaarde Excellentie sturen om hem te melden hoe gevaarlijk het wachtlopen is. Zeker nu ’s avonds laat de patrouilles bij het Boterhuis samen moeten komen. Toen bij het wachtlopen de mannen nog in hun eigen buurt konden blijven was het veiliger en werd de gehele gemeente toch goed bewaakt.’

Maar wat had dan drossaard De la Court zo in zijn ziel geraakt?

2011-2 oud recht1‘Enige kwaadaardige booswichten hebben zich op 8 juni niet ontzien om omtrent 2 uur in de nacht een of meerdere kogels met een geweer of snaphaan af te schieten door het venster van de kamer waar de drossaard en diens vrouw en kind sliepen. Niet alleen dat, maar daarenboven is getracht een geheel oproer onder de ingezetenen van Gemert te veroorzaken, en de schepenen en regeerders als schelmen en dieven af te schilderen, blijkens de vier briefjes die op 13 september ’s nachts op verscheidene plaatsen en deuren zijn geplakt en door de schutter op last van de drossaard zijn verwijderd.’

Zekere Jan de Willem Penninx, in de wandeling den Langen genaamd, had in het dorp en zeker ook bij De la Court de naam en faam degene te zijn die door het venster van de drost had geschoten. Daarnaast was het zonneklaar dat ene Dirk Jansen Laarmans met vreugde en ijver de opruiende briefjes naar alle kanten had verdeeld en voorgelezen, zowel te Gemert als te Handel. Ja, ook aan buijtenslandse menschen!

Voor de drossaard was er geen twijfel mogelijk. Jan de Willem Penninx had door zijn raam geschoten. Die regelrechte moordaanslag zou hij vergelden, koste wat kost. De drost had het al vaker aan de stok gehad met Jan de Willem. Telkens als hij als gezagsdrager iemand arresteerde en opbracht naar het kasteel, was Jan er als de kippen bij om daartegen te protesteren en beledigende woorden naar de drost te roepen. Al twee keer had De la Court aan Jan met de platte kant van zijn degen een corrigerende mep verkocht en de daardoor ontwaakte wraakzucht in die man was natuurlijk het motief om bij hem, de drossaard van Gemert, door diens slaapkamerraam te schieten!

Maar ja, dat moet dan wel worden bewezen!

Zonder al te veel plichtplegingen – een verzoekje aan de schepenen of het mocht, meer niet – werd Jan de Willem Penninx gearresteerd en in de gevangenis van het kasteel gesmeten. Een eindeloze reeks van verhoren zou volgen. Jan bleef ontkennen en ondertussen gebeurde er wéér iets dat de ondergrond van de Commanderij deed schudden!

In de nacht van 12 op 13 september, tussen 1 en 2 uur kwamen enige wachtlopers van patrouille terug en meldden dat er briefjes hingen, terzijde van de kerkboog, op de deuren van schepenen Jan Roijackers en Willem van de Laer en ook op de deur van schepenpresident Martinus van Gemert. De zoon van de president, Jan, was één van de nachtwachters en had zo’n briefje in zijn zak gestoken en toen hij thuis kwam aan zijn vader, die nog op bed lag, voorgelezen. De tekst luidde:

“Over de heren. Hoe kan het land zo verkeren

dat men schelmen en dieven moet eren die ons land regeren?

De president met zijn schepenen weten voortaan

dat zij naar de duivel moeten gaan

Omdat zij onze gemeijnt zoveel te kort hebben gedaan

Maar nu zijn we met ons zessen

En wij dragen lange messen

Daarom, eer de maand zal zijn vergaan

Zo zal ’t er voor de drommel nog anders gaan

En wie zal mij verklikken?

Want niemand weet dat als ikke.”

Toen de toch al zo geagiteerde drost de volgende morgen het briefje van Martinus van Gemert in ontvangst nam, sprong ie zowat uit z’n vel. Ha, hij zou die zes mannen wel krijgen. En vooral die ‘ikke’!

De zaken werden groots aangepakt. De Raad van de Duitse Orde, Otto Colen, kwam over om te helpen en er werden wekenlang getuigen opgeroepen en gehoord. Ruim honderd mensen kregen een oproep ter secretarie te verschijnen en leefden uiterst nerveus naar de dag van hun verhoor toe. Dokter Theodoor Aelders, nog maar 28 jaar, speelde daarbij een opvallende rol. Hij wist inmiddels van degenen die al aan de beurt waren geweest, precies welke vragen er werden gesteld. Hij bezocht de mensen die de volgende dag hun getuigenis zouden moeten geven, en bereidde met hen de vragen en te geven antwoorden voor. Zo ontstond het vaste stramien dat alle verhoorden bevestigden dat er misnoegen was onder het volk van Gemert, maar niemand kon (lees: wilde) daarbij de personen noemen die blijkbaar zo misnoegd waren.

Toch leidde de informatie die door dit massale getuigenverhoor werd verkregen tot de arrestatie van Dirk Janssen Laarmans. Terwijl hij in de gevangenis in zware boeien en banden zuchtte, schreef zijn vrouw volhardend, tot drie keer toe, brieven naar de schepenen om haar man, de kostwinnaar voor haar en haar gezin, toch alstublieft vrij te laten. Dirks detentie bracht haar en haar kinderen tot uiterste armoede en ellende.

Dat deze correspondentie wel indruk op de schepenen maakte, blijkt uit het feit dat zij Dirk onder voorwaarden uit zijn gevangenschap wilden ontslaan. Via de vorster werd dat op 15 juli 1762 aan de drossaard meegedeeld.

De la Court wierp tegen dat hij voor de rust, veiligheid en bevordering van een welgestelde policie opkwam, en dat Dirk een lasterlijk, allerschandelijkst en eerrovend geschrift onder het volk en tegen de regeerders had verspreid.

‘In plaats van het kwaad bij de geboorte te smoren, wordt het van dag tot dag meer aangekweekt. Dat leidt tot een moordkuil en schouwspel van geweld. Nee, het beste middel om verder onheil te voorkomen is de schuldige straffen!’

De drost bepleitte daarom de straf op te leggen die op het vergrijp stond, tien jaar verbanning en 200 gulden boete. Ook de proceskosten, 1626 gulden, moesten als het aan de drost lag, door Dirk Laarmans worden betaald. De negentien stuivers die bij de verkoop van enige goederen van Dirk waren opgehaald – niemand in Gemert wilde bieden, alleen de vorster – zetten ook geen zoden aan de dijk.

Nu ja, in zo’n geval wordt de boete omgezet in een lijfstraf.

‘De pretext van armoede mag geen voorwendsel tot verschoning zijn.’

De drossaard haalde het spreekwoord aan “Daar niet is, heeft de keizer zijn recht verloren,” en stelde dat zulks hier in Gemert niet opging. En verder was de drost van mening dat:

‘De lijfstraf een arme delinquent aangedaan niet zwaarder is dan de betaling van een boete in geld voor een gegoede, omdat de lage gevoelens van hun ziel en hun typische hardnekkigheid hen de lijfstraf met verachting doet aanzien.’

2011-2 oud recht2En de drost ging verder:

‘Misschien zou men willen zeggen dat die praktijk bij wrede Duitsers, bloedgierige Italianen en andere wraakzuchtige naties mogelijk gevolgd wordt, maar bij geciviliseerde naties geen plaats behoort te hebben. Het zou niet passen bij goedertierenheid, zachtmoedigheid en christelijk medelijden? Ach, ik zie dit als schijnbezwaren.’

Op water en brood zetten? Nee, ook dat vond de drossaard niet genoeg. Het feit dat Dirk één keer een verklaring had afgelegd en daarna vastberaden en telkenmale weigerde nog iets tijdens een verhoor te zeggen, had De La Court niet milder gestemd. Uiteindelijk werd Dirk berooid – z’n laatste schamele bezittingen waren hem immers ook nog afgenomen – over de grens van de Commanderije gezet en voor twaalf jaar verbannen.

En hoe verging het Jan de Willem Penninx? Zijn vader probeerde hem vrij te krijgen. De drost stelde dat het gepleegde vergrijp niet alleen tot een lijfstraf, maar zelfs tot de doodstraf zou kunnen leiden, zodat van de verzochte invrijheidsstelling geen sprake kon zijn. De schepenen besloten dan ook niet op het verzoek van vader Penninx in te gaan.

De voortdurende verhoren van Jan begonnen intussen steeds meer barsten in zijn verdediging op te leveren. De discrepanties die er tussen de beweringen van Jan en die van andere getuigen zaten, zouden hem wel eens de das – of de strop – om kunnen doen. Met name de reden die Jan had opgegeven voor het laten repareren van zijn snaphaan, vlak voor de aanslag, namelijk het voornemen om de hond van Lenard Alards van Dinther op de Verrehei dood te schieten, bleek niet te kloppen.

‘Ik ben op een avond, toen ik van Boekel afkwam, door die hond aangevallen. Dat beest deugt niet.’

‘Wat voor een soort hond is dat eigenlijk?’

‘Ja, dat weet ik niet, ’t was immers toen al donker.’

‘En hoe lang daarna heb je Lenard op het gedrag van die hond aangesproken?’

‘De volgende dag, op Vastenavond-zondag, ten huize van Peter Verbossen in de Deel bij het Sint Anthoniskapelleke.’

‘En zou Lenard er dus geen moeite mee hebben gehad als je die hond zou hebben doodgeschoten?’

‘Nee, Lenard vond ook dat het beest niet deugde.’

Maar Lenard bleek van niets te weten. Bovendien was zijn hond al anderhalf jaar dood!

De eerdere bedreiging van Jan aan het adres van de drossaard – hij zou hem wel eens onder diens kont schoppen – deed zijn zaak ook geen goed. En hij zou de dag na het schot door het raam van de drost hebben gezegd dat het nu nog een droge kogel betrof, maar dat er een natte kogel zou volgen!

Nee, voor de schout was het wel duidelijk. Maar: de confessie, de bekentenis van Jan ontbrak! En daarom bepleitte de drost de inzet van de torture, de scherpe examinatie. Martelen! Of de schepenen daarmee in willen stemmen? (Bron: Gemeentearchief Gemert-Bakel, RAG, no.77).

1761

Wist u dat …

Het ongekend breed georganiseerde getuigenverhoor, opgezet in de speurtocht naar de leiders en voortrekkers der oproerkraaiers, leverde terloops heel wat aardige dorpswetenswaardigheden op. Wist u bijvoorbeeld dat de welhaast lopende band-aanpak van de barbier en zijn knechtjes om de mannen te helpen die allemaal op zowat hetzelfde moment bij hem binnenkwamen om zich te laten scheren, de ‘scheerbaan’ werd genoemd? Die scheerbaan was natuurlijk dé roddelplek van het dorp. Voor de mannen dan toch. En wist u dat chirurgijn De Fost, in zijn behandelingen niet bepaald fameus als zachtaardig, de trotse eigenaar van een klavecimbel was en ’s avonds met een fluwelen aanslag de toetsen van dat instrument beroerde? En zegt ‘de koude pisse’ u iets? Het was de reden die verdachte Jan de Willem Penninx opgaf voor zijn afwezigheid op een bepaalde dag; hij moest steeds naar ‘het gemak’. Wist u dat de buijtenslandse mensen die tot schaamte van de Gemertse dorpsbestuurders hadden meegeluisterd naar het voorlezen van het protestgedicht, een Eindhovenaar en een man uit Venraij waren? En dat vrijwel alle verhoorde vrouwen een beroep opgaven? Er waren echtgenotes die letterlijk op de winkel van hun man pasten. Velen verdienden hun geld als spinster of spoelster, vlasklopster of naaister. “Wint haar kost met wassen en plassen” is een vaak gebezigde term, en er waren dienstmeiden, akkerbouwsters, herbergiersters en tenslotte ook een vroedvrouw en een vrouwelijke molenaar, een ‘mulderinne’. Sommigen gingen ‘op chique’. De vijftigjarige Christina van Gemert: ‘Ik hou compagnie met pintjes-gelag voor de principaalste ingezetenen.’2011-2 oud recht3

Wat u natuurlijk wel wist dat is dat de kermis een uiterst belangwekkend feest was. Niet alleen de eigen kermis, ook die van de buurdorpen hadden een vaste plek in het jaarritme van de Gemertse inboorlingen. Lichtpuntjes in een verder grijs bestaan! Op 15 oktober werd in Gemert de vogel geschoten en beproefden bijvoorbeeld veel inwoners van Erp hun geluk door hier een keer op de houten papagaai te komen schieten. En een week later toog men vanuit Gemert massaal naar Erp, want dan hielden ze dáár kermis en werd de Erpse vogel langzaam maar zeker en interlokaal aan splinters geknald.

Wat u ook wist, want dat is voor u altijd een geruststellende zekerheid geweest: Gemert beschikte over een nachtroeper. Gerard Brouwers vervulde deze belangrijke positie met passie, maar in de nacht van het schietincident heeft hij geen schot gehoord. Terwijl hij toch op het moment van de knal in de Haageik liep, driehonderd meter van het huis van de drost, die op de hoek van de Schoolstraat woonde. En terwijl in een ander huis in de straat Maria van de Vondervoort, die op dat moment haar kindje de borst gaf, door de plots zo ruw verstoorde stilte ineens geen stuwing meer had.

Wat u nog niet wist: er is al eerder een aanslag op De la Court voorbereid. Vrijschut Tonij Janssen bijgenaamd de Leemen Lieve Heer is één van de informanten. De drossaard kwam op een late avond uit Handel terug en werd in het Molenbroek opgewacht door Albert van Soenst alias la Fleurke uit Boekel, Jan de Willem Penninx en Jacobus van Duijnhoven. Ook de naam van Vreijns Tonis, hij woonde aan de Doonheide, werd genoemd. Ja, zelfs de naam van dokter Aelders is in dit verband gevallen! Getuige Jan Peters van Melis stelde over het opwachten van de drost door enkele personen in het Molenbroek letterlijk: ‘Het komt van of door de dokter dat zij met hun drieën de drossaard aan ’t Molenbroeck zouden opgewacht hebben.’

Toen de haan van het geweer werd overgehaald, heeft de drossaard gemaakt dat hij wegkwam. Hij herkende blijkbaar dat geluid van het op scherp zetten van de snaphaan en had het geluk dat het stikkedonker was.

Bekijk PDF

GH-2011-02 Brouwerij Het Anker

BROUWERIJ HET ANKER

(dit is een vervolg op: “Meerdere Gemertenaren stammen ook af van Laurens Morees (Bavaria)” in Gemerts Heem 2007 nr.1)

Bertus van Berlo

In het eerste deel zagen we dat Carel Lucas Swinkels (van 1842) de brouwerij in Lieshout vaarwel zei. Hij trouwde een Gemertse en startte in 1880 een eigen brouwerij aan het Ridderplein (toen Kerkstraat geheten; het plein was er nog niet). En dat op de locatie ten zuiden van het Heerehuys, dat in 1880 overigens ook nog gebouwd moest worden. Het eerste deel over brouwerij ‘Het Anker’ eindigde in 1896, bij de geboorte van het tiende en jongste kind, Anna.

Dit tweede deel bestrijkt de periode 1896 – 1912.

Brouwer Carel Lucas Swinkels overlijdt

De Gemertse winkelier Theo van Berlo zette in Gemert zowel in 1896 als in het jaar daarna zijn handtekening onder een akte van de burgerlijke stand. Hij deed dat samen met de ambtenaar, tevens burgemeester, Frans Buskens. Hij tekende in januari 1896 bij de geboorte van het jongste kind Anna Swinkels, net als vader Carel Lucas. Anderhalf jaar later zet hij opnieuw met Buskens zijn handtekening onder een akte, maar nu onder de overlijdensakte van dezelfde Carel Lucas. 54 jaar oud zijnde is de bierbrouwer op zondag 20 juni 1897, ‘des namiddags om tien ure’, overleden. Hij liet vrouw en de nog acht levende kinderen na, waarvan de jongste anderhalf jaar jong.

‘Hij was rechtvaardig en onberispelijk onder zijn medemenschen’ , staat er op zijn bidprentje te lezen, ‘hij leefde voor God (en zijn huisgezin)’. Kennelijk was Carel Lucas al langer ziek, getuige de verdere tekst: ‘Mijne ongeneesbare kwaal wilde niet genezen; ik zocht den bijstand der menschen (der geleerden) maar er was er geen. Toen heb ik gezegd: Heere uw wil geschiede’; Carel Lucas Swinkels werd begraven op het kerkhof van de St. Jan, waar zijn grafsteen nog te zien is.

Carels’ vrouw Antonia (Tonna ) Swinkels – Van Lijssel (geboren in de Broekstraat) zou nu de spil van de brouwerij tegenover het kasteel worden. Voor haar was het overigens een tijd van verlies van familieleden. In januari 1895 overleed haar moeder; in 1897, op 13 februari, haar vader; op 18 februari in Lieshout haar schoonmoeder, in juni van dat jaar haar man en een jaar later, in 1898, haar broer Jan.

Uit de afwikkeling van de nalatenschap van Carel Lucas blijkt onder meer uit welke plaatsen producten voor de brouwerij in Gemert werden aangekocht. Zo kwam de hop onder andere uit Luik en Nürnberg; de gerst uit Veghel en Heeswijk; brouwerswaren uit Maastricht en Sittard; en likeuren, jenever en cognac (van de zaak van J. Pernot) van afzonderlijke adressen uit Den Bosch.

2011-2 ank1

De Vlucht… en Het Anker

Enkele jaren voor de dood van Carel maakten Tonna en hij kennelijk nog volop plannen. Want gebrouwen bier moet ook afgezet worden. En wat is er mooier om dat te doen in eigen café´s? Wellicht daarom kocht en herbouwde Carel Lucas in 1893/94 aan de Heuvel (nr. 81) in Gemert het pand dat bekend is als ‘De Vlucht naar Egypte’.1 Het strategisch aan de weg naar Beek en Helmond gelegen huis is in die periode formeel verbouwd van werkplaats tot ‘woonhuis en stal’. En wel per juli 1893, volgens het register grondbelasting. Carel Lucas Swinkels koopt het onroerend goed van fabrikant Hendrikus van den Akker, die kort eigenaar is geweest. Vanaf 1904 is een J. v.d. Elsen de drankwetvergunninghouder van ‘De Vlucht…’ 2

2011-2 ank2

 

Naast ‘De Vlucht…’ waren Carel en Tonna in 1897 ook eigenaar van het pand gelegen tegenover het kerkhof van De Mortel, op de hoek St. Antoniusstraat/Renseweg. Het is bekend als café Het Anker, dezelfde naam als die voor de brouwerij/café in Gemert gebruikt werd. Waarschijnlijk kende De Vlucht … of Het Anker ook een beugelbaan. Zo´n baan behoorde namelijk ook tot de nalatenschap van Carel-Lucas.

Bierbrouwster Tonna Swinkels -Van Lijssel

De vraag is wie er na de dood van Carel Lucas feitelijk de roerstok in de brouwerij hanteerde? Was dat het bestaande personeel? Tonna met haar 8 kinderen zal het toch niet zelf gedaan hebben? Kwam er hulp uit Lieshout? In ieder geval waren de kinderen nog te jong om de fakkel over te nemen. De oudste zoon, Frans, was net 15 jaar jong bij het overlijden van zijn vader. De feiten wijzen erop dat de brouwerij in ieder geval bleef voortbestaan. En Tonna en de kinderen bleven tot 1921 ook eigenaar van de Vlucht naar Egypte. Bij het regelen van de nalatenschap van haar man staat Tonna bij de kantonrechter omschreven als ´bierbrouwster en koffiehuishoudster´. Dus naast haar moederschap en de bedrijfsleiding was er nog het gastvrouwschap aan de Kerkstraat/Ridderplein. Ook uit een akkefietje met de ´Heeren Burgemeester en Wethouders´ aan het begin van de 20ste eeuw blijkt dat de brouwerij annex café gewoon in bedrijf is. Of was het een burenruzie?

Buurman burgemeester Buskens

Na het overlijden van Carel Lucas werd er naast de brouwerij namelijk een statig pand gebouwd (1899). Met als opdrachtgever/bewoner Frans Buskens. Die was vanaf 1886 tot maar liefst 1928 burgemeester van Gemert 3. Het pand staat er nog: het is het Heerehuys aan het Ridderplein. Tonna had sindsdien een buurman annex burgemeester.

Er kwam zelfs een formeel B&W-besluit aan te pas voor het stellen van ´nieuwe voorwaarden´ voor de exploitatie van de brouwerij van Tonna, (besluit van 4 april 1905). Ze mag een bij de brouwerij gelegen kuil niet meer vullen met ´schrobwater, spoelwater en ander vuil water uit de bierbrouwerij, mouterij of van elders afkomstig´. Ze moet een van harde stenen gemetselde put laten bouwen, met voldoende inhoud. Deze moet in goede staat gehouden worden en afgedekt met een houten of stenen dek. Hij moet ook op tijd geledigd worden, ´met wegvoering van den inhoud buiten de kom der gemeente.´ Mogelijk wil de burgemeester vanuit zijn slaapkamer niet meer de inhoud van de kuil (of te maken put) zien en/of ruiken.

Tonna laat de gemeenteheren weten dat deze vlieger niet opgaat. Vanwege ´de daaraan verbonden kosten en moeilijkheden´. Wel wil ze de kuil dempen en het water uit de brouwerij via een riool voortaan lozen op het riviertje De Rips. De verbinding met dit riviertje vindt plaats via een pijpleiding in of bij, in ieder geval evenwijdig aan de buitengracht van het kasteel. En dat richting wat nu Hoefpoort heet. Die kasteelgracht loopt nog pal voor Tonna´s pand, want het Ridderplein is nog niet aangelegd; de kasteeltuin heeft nog de oorspronkelijke omvang. Ze overlegt bij haar schrijven een plattegrond van het rioolsysteem en meldt dat zij van de ´Heeren Gedeputeerde Staten van Noord-Brabant´ alvast vergunning heeft gekregen voor het leggen van buizen in de grond van de provinciale doorgaande weg. Ze verzoekt daarom beleefd om het besluit van 5 april in te trekken en toestemming te verlenen voor lozing op De Rips. Aldus gebeurt kennelijk op 8 augustus van 1905.

Op de plattegrond behorende bij de brief over het riool staat nog eens duidelijk aangegeven dat de brouwerij ook een café kent. Het is het vertrek dat links naast de voordeur ligt, dus rechts van de poort, als je met de rug naar het kasteel staat.

De Gemertse brouwerij kende overigens al een andere put. Deze waterput was met een loden pijp verbonden met de brouwerij; met een waterpomp van het merk Norton. De put met een doorsnede van 1,7 meter is ontdekt tijdens een archeologisch veldonderzoek op 20/21 oktober 2010.4 Zij zorgde voor een grote capaciteit aan schoon brouwwater voor de brouwerij. In de familie Swinkels ging het verhaal dat het Gemertse water toen beter was dan dat in Lieshout. 5 In en buiten Gemert moet nogal wat bier gedronken zijn gemaakt van water uit deze in 2010 ontdekte waterput.

Verkopen en kopen

Aan het einde van de 19e eeuw is Tonna´s ouderlijke boerderij aan de Broekstraat 2011-2 ank3(bekend als “hoeve aan de Stinckert”) verkocht aan familie Groeneweg. Zelf koopt ze in januari 1904 het tegen haar huis aangelegen pandje van de erven Van Elten, met een stuk grond nabij het huidige Gelind/gemeentehuis. Het pandje van de Van Eltens werd in twee rondes in het openbaar verkocht. De eerste ronde vond plaats bij de andere buur van de Van Eltens, ´ten herberge van Petrus Leonardus van Berlo´.6 De tweede, finale ronde, vond plaats in de herberg van Tonna. Landbouwer Joost de Louw kocht formeel het pandje en de grond voor zowel Tonna als voor caféhouder en notarisklerk Peter van Berlo. De laatste kocht daarmee een erfdienstbaarheid af, terwijl het onroerend goed naar Tonna ging. In de jaren ’30/’40 van de vorige eeuw werd het pandje gebruikt als opslagruimte, terwijl op de binnenplaats een varken werd gehouden. Op de grond van dat huisje is in de jaren vijftig het huis Ridderplein 43 gebouwd.

In 1900 laat Tonna bij Het Anker in De Mortel woonruimte bijbouwen. Deze ruimte is bedoeld voor Frans van Zutphen, sinds 1899 exploitant van Het Anker. Voor die tijd waren de exploitanten familie Jansen (met koek- en broodbakkerij) en familie Van Hout-Geene.

Dorst: vooral jenever en ook bier

Voor de omzet van een brouwerij is het natuurlijk van belang dat de mensen dorst hebben. De Nederlander drinkt na 1800 vooral koffie, thee en jenever. In Nederland was rond 1900 de jenever kennelijk populairder dan in België, waar bier veel vaker genuttigd werd. Dit had ook te maken met de prijsverhouding tussen jenever en bier. Sinds 1863 kostte een glaasje jenever in Nederland evenveel als een pint bier. Terwijl het alcoholgehalte bijna het tienvoudige was. Het hoofdelijk jenevergebruik in Nederland was dan ook indrukwekkend. In het laatste kwart van de 19de eeuw: tussen 8 en 10 liter.

De (kerkelijke) acties tegen drankmisbruik in die tijd doen vermoeden dat de lokale situatie een ramp was. Er zijn cijfers bijgehouden over het hoofdelijk (zuiver) alcoholverbruik in Nederland (uit jenever, bier en wijn). In 1906 was dat 5 liter per persoon; in 1930 ongeveer 2½ liter: in 1935 circa 2 liter en in 1993 7 liter.

Einde twintigste eeuw dronk de Nederlander veel minder bier dan nu, mogelijk vanwege de populariteit van jenever. In het eerste deel van dit verhaal is al gemeld dat het bierverbruik per hoofd van de gemiddelde bevolking rond de eeuwwisseling is gestegen van 38 liter in 1890 tot ruim 42 liter in 1900; aan het begin van 1900 neemt het af. Het hoofdelijk bierverbruik in welvarend Nederland in het jaar 2000 was iets boven de 80 liter, dus het dubbele in vergelijking met een eeuw daarvoor.

Maar dat is toch weinig in vergelijking met onze zuiderburen, die internationaal aan de top staan. Zeker in de periode tussen 1900 en 1910 met meer dan 200 liter hoofdelijk bierverbruik per jaar.7 Het kan natuurlijk best zo zijn dat de Gemertenaren een ander drankpatroon hadden dan het gemiddelde in Nederland. Misschien was er wel sprake van “Belgische toestanden”.8

Gemert een ”natte” gemeente

In reactie werd in 1909 in Gemert een (katholieke) drankbestrijdersvereniging voor mannen opgericht, in 1916 gevolgd door een voor vrouwen. In Brabant legde men zelfs een verband tussen het drankmisbruik en de hoge kindersterfte. In de periode tussen 1874 en 1890 nam het aantal brouwerijen in Brabant toe van 186 naar 219.9 Ook Gemert stond in de eerste decennia van de twintigste eeuw bekend als een ´natte gemeente´; met ingang van 1922 werd vermoedelijk zelfs om die reden de kermis met twee dagen bekort.10 Gemert heeft een rijk horecaverleden en dat is alleen mogelijk bij voldoende gebruikers.11

Bij de koop van het pandje Van Elten aan het Ridderplein in 1904, was Tonna de 50 jaren inmiddels gepasseerd. Vraag is wat de rol van de kinderen werd bij de brouwerij en de cafés. Het ligt voor de hand dat de oudste zoon Frans, bijgenaamd ‘de rooije’ (Gemert, 1882 – Den Bosch, 1950), daar een belangrijke rol bij heeft gespeeld.

2011-2 ank4

In 1908 slaat de 25-jarige zijn vleugels uit en trouwt met de 30-jarige Petra F. Groeneweg uit het Binderseind. Petra is een dochter van de koper van het ouderlijk huis van Tonna in de Broekstraat, kuiper Jan Baptist Groeneweg. Volgens een bron is het zelfs al het tweede huwelijk van Frans. Voor Tonna moet het een dag met gemengde gevoelens zijn geweest. Haar oudste zoon treedt in de voetsporen van zijn vader, die er niet meer bij is. Misschien daarom wel zijn onder andere de brouwende broers van zijn vader getuige bij zijn huwelijk: de 56-jarige Jan Swinkels uit Lieshout en de 52-jarige Janus Swinkels uit Schijndel. Zij staan op een groepsfoto uit 1908 die ter gelegenheid van het huwelijk wordt gemaakt. En wel op de binnenplaats van de brouwerij aan de Kerkstraat/Ridderplein in Gemert.

Zonen Frans en Cor brouwen in Hilvarenbeek

´De rooije´ blijft niet in Gemert. Al bij zijn trouwen woont hij formeel in Hilvarenbeek. Daar heeft hij brouwerij De Arend aan het Vrijthof overgenomen. Deze werd het jaar daarna stilgelegd en Frans werkt in 1909 in de andere, nabijgelegen, brouwerij De Roos, op de hoek Vrijthof/Wouwerstraat. In dat jaar komt ook Cor Swinkels, de tien jaar jongere broer van Frans (geboren in 1892, overleden in 1959), naar Hilvarenbeek om het brouwersvak daar te leren. In 1912 gaat Cor weer terug naar Gemert. Vermoedelijk om als begintwintiger thuis de ouderlijke brouwerij voort te zetten.12

NOTEN:

1. “De Vlucht..”aan de Heuvel (ter hoogte van de Hazeldonklaan) is in 1966 gesloopt. Bron: gemeentearchief Gemert-Bakel.

2. De Vlucht was begin 20ste eeuw het ouderlijk huis van de latere wijkverpleegkundige ‘zuster’ Van den Elzen, dochter van Jan en Mina van den Elzen-Baggermans-bron: A. van de Kimmenade-Beekmans Van Pesthuis tot Wijkgebouw, Gemert 1991 p. 96.

3. Van de Kimmenade-Beekmans, A., e.a. Tweehonderd jaar gemeente Gemert , Gemerts Heem nr. 4 , 1996.

4. Bink, drs. M., rapport “Gemert, ’t Gelind – De waterput van brouwerij ’t Anker.”, BAAC B.V., Den Bosch, maart 2011.

5. Karel Janssen (Swinkels ) Gemert in 2011, kleinzoon van Tonna en getogen in de brouwerij.

6 . De herberg van Peter van Berlo is gesloopt voor de bouw, in 1918, van de nieuwe Hanzebank aan het huidige Ridderplein (nu café de Veldwachter). Bron Ad Otten, Anekdotisch bankboek, Gemert, 2002.

7. Uytven, Raymond van, Geschiedenis van de Dorst, Leuven, 2007, pag. 252.

8. In de brouwersbranche was er in ieder geval contact vanuit Gemert met de zuiderburen. Zo was Gemertenaar Pieter Bijvoet, zoon van een Gemertse brouwer, begin 20e eeuw hoofdredacteur van het zowel in Nederland als Belgie toonaangevende vakblad “Het Bier”. Bijvoet was de enige Nederlandse redacteur. Zie : Otten, Ad, Alles te koop, Gemert 1992, pag. 52.

9. Swinkels, Antoon, en Peter Zwaal , Biografie van een brouwerij en een familie uit Lieshout , 2008.

10. Kimmenade A. van de, Van Pesthuis tot wijkgebouw, Gemert 1991.

11. Zie ook: Winkelmolen, Jan, ‘In Gimmert hébbe ze ‘m gaër’, Gemert 2009.

12. Bevolkingsregister Gemert; zie ook ‘noot 9’.

Met dank aan Mariet Adriaans en (voor de groepsfoto) Monique van Straten – Van der Meulen en A. A. L. Peters.

Bekijk PDF

GH-2011-02 Middeleeuwse pauselijke Bulla in de Kromstraat

MIDDELEEUWSE PAUSELIJKE BULLA IN DE KROMSTRAAT

Ad Otten & Jan Timmers

Het was in april 2010 dat Anton van Boekel uit De Mortel zijn detector eens wilde beproeven in de net buiten het Mortelse gelegen Kromstraat. Het was niet de eerste keer dat hij daarmee aan de slag ging, maar daar, zo wist hij, liggen verschillende boerderijen waarvan de oorsprong terugvoert tot in de middeleeuwen, dus wie weet…. In de Kromstraat nam Anton het eerste zandweggetje rechts dat midden over een akker voert. Zijn detector reageerde vrijwel meteen: ‘pieppiep, pieppiep’. Hij stond midden op het weggetje maar evengoed toch even nakijken. Het bleek een bruingrauw hard schijfje, amper 10 centimeter onder het maaiveld.

Binnen een paar dagen werd het door collega-speurders op www.pieppiep.nl herkend als een pauselijk loden zegel, een zogeheten bulla, van Johannes XXII, paus in de periode 1316-1334.

De meest brandende vraag is nu: ‘hoe komt zo’n middeleeuwse pauselijke bulla terecht in het zandwegprofiel dat hier over een hoge akker voert? Wie verliest nu ‘onder weg’ een pauselijk zegel? Dat moet ook vroeger toch beschouwd zijn als iets belangrijks en als iets van heel bijzondere waarde? Het is een vrijwel identiek zegel als dat er hangt aan de oorkonde waarmee paus Eugenius IV in 1436 instemde met de stichting van de zelfstandige parochie Gemert, los van de oerparochie Bakel.1 De bulla die Anton van Boekel vond dateert echter uit een periode van nog ruim een eeuw verder terug in de geschiedenis. Wat zou de paus toen in Gemert met een pauselijk zegel hebben willen bekrachtigen? Een Gemertse oorkonde uit de periode 1316-1334 waaraan een pauselijk zegel ontbreekt is niet bekend. Dus ook die moet zijn kwijtgeraakt? Bijgevolg kunnen we naar de inhoud van dat charter slechts gissen. Zou de uit 1270 daterende kerk een aparte status gekregen hebben? Zouden de Heren van Gemert bevestigd zijn, of juist niet, in bepaalde rechten over de van oorsprong eigen-kerk? Of moeten we er ernstig rekening mee houden dat de gevonden bulla misschien wel niks met Gemert te maken heeft? Dat die gewoon met zand en puin van elders hier op die zandweg terecht is gekomen?

Over de bulla valt hoe dan ook wel een en ander te vertellen. Pauselijke bulla’s waren eeuwenlang hetzelfde. Aan de ene kant de hoofden van de apostelen Petrus (rechts) en Paulus (links) met daarboven de afkorting SPASPE dat staat voor ‘Sanctus Paulus Apostulus Sanctus Petrus Episcopus’ (vertaald: ‘heilige apostel Paulus en heilige bisschop Petrus’). Aan de ommezijde van de bulla vinden we vervolgens de naam van de paus. In het geval van de bulla uit de Kromstraat lezen we daar: JOHANNES PP XXII. Van deze paus weten we dat hij niet resideerde te Rome. In 1316 volgde hij namelijk Clemens V op als de tweede paus in ballingschap te Avignon en hij zou er als Johannes XXII ook overlijden op 4 december 1334. In zijn regeerperiode wist hij het Pauselijk gezag niet te herstellen.2 Avignon zou nog tot 1377 de zetel blijven van de paus, terwijl het daarna zelfs nog tot 1408 de residentie is van zogenaamde ‘tegenpausen’

2011-2 bulla1Men zou zich af kunnen vragen of de gezagscrisis van de paus in die periode ten grondslag gelegd kan worden aan het zomaar ‘verliezen’ van pauselijke zegels. Het was met name het Duitse Rijk en grote delen van Italië die behoorden tot de antipauselijke partij. Binnen het Duitse Rijk was er echter ook een partij van welfen die weer wel pausgetrouw was en daartoe hoorde doorgaans ook Holland, Zeeland, Brabant, Limburg en Gelre, zeg maar ‘de Nederlanden’. Erg waarschijnlijk lijkt het niet dat de gezagscrisis waarin de paus verkeerde ten grondslag gelegd kan worden aan de in het ‘open veld’ gevonden pauselijke zegel.

Verloren voorwerpen?

De intrigerende vraag blijft overeind: ‘hoe komt zo’n middeleeuwse pauselijke bulla terecht midden in het zandwegprofiel dat hier over een oude akker voert? Wie verliest er nu in het open veld een pauselijk zegel? Die moet toch ook vroeger beschouwd zijn als iets belangrijks en als iets van heel bijzondere waarde. Ja toch?? De meeste metalen voorwerpen die met een metaaldetector worden gevonden zijn in de praktijk meestal tamelijk waardeloze voorwerpen. Oude spijkers, kleine stukjes metaal die afgebroken zijn van allerlei soorten voorwerpen, die zijn te beschouwen als afvalproducten. Ze raken bij het huisvuil en komen op de mesthoop terecht. Samen met het mest worden ze verspreid over de akker.

Daarnaast is er nog een categorie metalen voorwerpen die niet kapot zijn en feitelijk nog bruikbaar waren. Ze zijn te beschouwen als verloren voorwerpen. Voorwerpen die verloren raakten bij het bewerken van de akker. Soms zijn het delen van gereedschap of werktuigen, maar het gaat ook om metalen knopen en gespen, die tijdens het werk loslaten van kleren of schoenen. Ook (trouw)ringen kunnen tot deze categorie worden gerekend.

Tenslotte is er de derde categorie, bestaande uit waardevolle voorwerpen, voorwerpen die op een of andere manier een bepaalde waarde vertegenwoordigen. Zo worden er met metaaldetectoren regelmatig munten gevonden. Het zijn soms maar “gewone” duiten, soms zijn het zelfs gouden munten, maar ze vertegenwoordigen allemaal een zekere financiële waarde. Daarnaast worden er ook religieuze voorwerpen aangetroffen, zoals heiligenmedailles, pelgrimsinsignes en reliekhouders. Deze voorwerpen vertegenwoordigen misschien niet altijd een hoge financiële waarde, maar zeker wel een religieuze waarde. Het gaat om gewijde voorwerpen, die op grond daarvan als waardevol kunnen worden beschouwd. De bulla die in de Kromstraat werd gevonden valt ook duidelijk in deze categorie. Het is misschien niet een gewijd voorwerp, maar het is afkomstig van de paus en heeft op grond daarvan een zekere heiligheid.

Van deze laatste categorie waardevolle metalen voorwerpen die op akkers worden gevonden, kunnen we ons veel moeilijker voorstellen dat ze zomaar verloren of kwijtgeraakt zijn. Op waardevolle spullen ben je nu eenmaal zuinig. Dat geldt nu, maar dat gold vroeger in nog hogere mate.

Onderzoek op akkers

Nog maar kort geleden heeft Johan Verspay in Veldhoven een onderzoek uitgevoerd naar voorwerpen die aangetroffen worden in de zwarte grondlaag van oude akkers. Oude akkers zijn in de loop van eeuwen bijna jaarlijks voorzien van mest. De mest bestond uit allerlei soorten organisch materiaal, vermengd met zand. De akkers werden langzaam aan steeds verder opgehoogd en de zwarte grondlaag werd steeds dikker, soms tot meer dan een meter dik. Bij het onderzoek in Veldhoven is de gehele zwarte grondlaag onderzocht op voorwerpen door deze in kleine vakken laagsgewijs uit te zeven en met metaaldetectoren te onderzoeken. Van de metalen voorwerpen die werden aangetroffen kon inderdaad geconstateerd worden dat ze in bovenstaande drie categorieën ondergebracht konden worden: afvalproducten, verloren voorwerpen en waardevolle voorwerpen. Voorwerpen uit de eerste twee categorieën werden in alle vakken en lagen verspreid aangetroffen. Het gaat daarbij dus echt om een willekeurige verspreiding. Iets wat je bij afval of verloren voorwerpen ook zou verwachten. Maar bij de derde categorie, die van de waardevolle voorwerpen, was iets speciaals aan de hand. Die voorwerpen werden niet in alle vakken aangetroffen, maar steeds in een beperkt aantal vakken dicht bij elkaar. Die waardevolle voorwerpen werden wel op allerlei dieptes, maar steeds in de buurt van elkaar aangetroffen. Met behulp van statistische berekeningen kon worden aangetoond dat hier geen sprake van toeval kon zijn. Het kan niet anders of deze voorwerpen zijn bewust en met opzet op een speciale plaats op de akker achtergelaten of begraven.3

Gewijde grond of oogstdankgave?

Mensen brengen bewust waardevolle voorwerpen naar eenzelfde plaats op de akker om ze daar met opzet achter te laten of te begraven. Waarom doen ze dat? Het kan bijna niet anders of het heeft te maken met de functie van de akkers en met de opbrengst er van. Een mislukte of juist een rijke oogst heeft grote gevolgen voor de gebruiker van de akker. Door de eeuwen heen hebben boeren dingen gedaan om gods hulp af te smeken voor een goede oogst. Er werden langs wegen in akkers soms hagelkruisen geplaatst tegen onweer en hagel. Er werden tijdens de kruisdagen processies door de velden gehouden en nog niet eens zo veel jaren geleden ging elke boer op palmzondag de rogge in het veld palmen. Daarbij werden in wijwater gedoopte palmtakjes (feitelijk waren het buxus takjes) in een hoek van de akker in de grond gezet. De akker werd daarmee gewijde grond en de oogst zou daardoor beschermd worden.4 2011-2 bulla2

Het is heel goed voor te stellen dat boeren in voorgaande eeuwen hun akkers hebben “gewijd” door middel van rituele handelingen, waarbij kostbare voorwerpen zoals munten of religieuze voorwerpen steeds op dezelfde plaatsen op hun akkers werden ingegraven.

Het omgekeerde is echter ook mogelijk. De waardevolle voorwerpen worden dan niet in het voorjaar achtergelaten om een goede oogst af te smeken, maar de voorwerpen dienden als een soort oogstdankgave. Het is vergelijkbaar met de votiefgaven die op veel pelgrimsplaatsen als dank voor genezingen of andere “wonderen” werden geschonken.5 Het is goed denkbaar dat boeren zich verplicht voelden om na een goed gelukte oogst in barre weersomstandigheden hun dank daarvoor te uiten middels het ritueel van een “schenking” in de vorm van een kostbaar voorwerp.

Welk van deze twee mogelijkheden van toepassing is op onze pauselijke bulla weten we (nog) niet, maar dat de bulla opzettelijk en bewust is achtergelaten is een feit.

Wie en wanneer?

Dan rest de vraag natuurlijk nog wie de “schuldige” schenker was en wanneer hij of zij dat deed. Het was niet zo maar een boer. De “dader” kon beschikken over een bulla. Dat betekent dat hij naar alle waarschijnlijkheid ook de beschikking had over de oorkonde waaraan de bulla oorspronkelijk was bevestigd. Pauselijke oorkondes werden niet aan gewone boeren afgegeven, maar waren meestal bedoeld voor kerkelijke instellingen. Onze dader moet dus een goede relatie gehad hebben met de betreffende kerkelijke instelling. Het gaat op zijn minst om een priester, pastoor, kloosterling of kanunnik. Zoals al gemeld is een pauselijke oorkonde uit de periode 1316-1334 die met Gemert of een Gemertse instelling te maken heeft vooralsnog niet bekend. Wie weet komen we er nog eens achter aan welke oorkonde de bulla eens was bevestigd. Dan zullen we misschien ook meer kunnen zeggen over de persoon die verantwoordelijk was voor de offergave.

Dat de bulla zelf uit de periode 1316-1334 dateert wil overigens niet zeggen dat de bulla in die periode “geofferd” is. Het is zelfs waarschijnlijk dat dat pas (veel) later is gebeurd.

 

NOTEN:

1. Ad Otten, De vestiging van de Duitse Orde te Gemert 1200-1500, Gemert 1987, blz.113.

2. J. Chantrel (vertaald ddor J.H. Wensing), Levens der Pausen, 15de deel, Utrecht 1867, blz. 142-175 Joannes XXII.

3. Informatie over het onderzoek in Veldhoven en de resultaten ervan is mondeling medegedeeld door de onderzoeker Johan Verspay.

4. Bernard van Dam, Oud Brabants Dorpsleven, Eindhoven 1972, p. 47; Wim van de Wouw, Rogge Palmen, http://www.cubra.nl/brabantslandschap/61wimvandewouwpalmpasen.htm

5. Zo bijvoorbeeld in Handel. Peter Lathouwers, In eeren ende oirbaer onser vrouwen te Haenle, Gemert in Beeld nr 13, Gemert 2005

Bekijk PDF

GH-2011-02 Dribbelhei verklaard

DRIBBELEI VERKLAARD

Jacques van der Velden

Aanleiding. Onlangs ontdekte men op grond van waarnemingen dat de visvijver De Dribbelei in het verleden een veel grotere plas moet geweest zijn.1 Aan de hand van geologische kaarten en bodemonderzoek is duidelijk geworden dat in het gebied De Dribbelei-De Stroom een smeltwatergeul van grof zand en grind ligt die door stuifzand en planten is dichtgeslibd (zie reconstructie geprojecteerd op het huidige stratenplan 2). Deze geul begint op de Peelhorst en gaat verder in de Centrale slenk. Daar waar ze zich bij de Peelrandbreuk in de slenk stort heeft zich het gebied van de grote waterplas gevormd. Veel grof zand en grind zijn daarbij meegevoerd. Meestal zijn dit soort geulen nauwelijks zichtbaar in het landschap, maar deze is minder overstoven, waardoor de hoogteverschillen groter zijn gebleven. Mogelijk heeft de dekzandrug Oudestraat daarin een rol gespeeld. Na de ijstijd zijn veel waterlopen dit soort geulen gaan volgen. Deze waterplas vormde waarschijnlijk één geheel met De Beek, de oude benaming voor de benedenloop van de Kasteel-Rips.3 Ik denk dat het hier om een langwerpig komvormig moerassig gebied gaat, waarvan de zuidelijke helft nu zichtbaar is als visvijver. Op de topografische kaart van 1973 is deze vijver nog als een laagte te zien (zie hoogtelijn 15 op Afb.1). Het gebied waarin de visvijver is gelegen wordt ook wel De Dribbelei genoemd. In de grote waterplas heeft zich laagveen kunnen vormen, waardoor deze vermoedelijk al in het begin van de 14e eeuw dreigde dicht te slibben, aanleiding genoeg om haar te ontginnen.42011-2 drib1

Topografische kaart 1973.

Ontginning. Om zo’n gebied te ontginnen moet het eerst ontwaterd worden. Ik ga er van uit dat men hiervoor geen bemalingwerktuigen nodig had, omdat de hoogteverschillen niet al te groot waren. Aan de hand van een schematische voorstelling ga ik nu stap voor stap door het proces (Afb.2). Door de aanvoer B en vervolgens de afvoer C af te dammen wordt het water van De Beek gescheiden van de plas. Vanwege de komvorm zal er altijd water blijven staan in de plas en is het dus noodzakelijk om vanuit het midden, het diepste punt, een afvoer te maken. Bovendien moet het water van de bovenloop van De Beek buiten de plas om afgevoerd worden. Het is dan logisch om dit water via een omleiding aan te sluiten op de afvoer van het midden van de plas. Dit gebeurt op punt A. Het lijkt mij duidelijk dat deze waterlopen diep genoeg moeten liggen om natuurlijke afloop mogelijk te maken. Ter vergelijking zijn de punten A, B en C ook aangegeven op de topografische kaart van 1973 (Afb.1). Na ontwatering kan eventueel de nog aanwezige moer uitgebaggerd en vervolgens het gebied omgeploegd en verkaveld worden. Dit scenario lijkt mij heel aannemelijk. De diepe waterloop die vanaf punt A dwars door een langgerekte dekzandrug is gegraven vormt de kortste weg naar een lager gelegen gebied. Over deze 2011-2 drib2rug loopt van oudsher de Oude Strate ‘Oudestraat’ [1326]5. Deze waterloop heeft de toepasselijke naam De Doregraaf gekregen, vanwege het doorgraven van deze rug. Deze naam duikt in 1326 voor het eerst op in het oorkondenboek van Gemert.6 Ergens na de invoering van het kadaster en vóór 1900 is de waterloop A C’ gegraven. Op deze manier wordt ook het noordelijke stuk beter ontwaterd (Afb.3).2011-2 drib3

.Vermeldingen. De oudste schrijfwijze van Dribbelei is de meervoudsvorm dribbeleden [1409] (Afb.4).8 Anderhalve eeuw later schrijft men Dribbelhei [1562] en daarvoor al vanaf het einde van de 15e eeuw ontstaan afwijkende vormen met dubbele ll en schrijfwijzen, zoals driebbel, drippel, dribbel en drybe.9 Door onbekendheid met de betekenis van het eerste lid is blijkbaar herinterpretatie ontstaan. Die Dribbeheysche wech [1413], met h in plaats van l, is volgens mij te wijten aan een schrijffout.10

Aen der Dribbeleden [1409]

Die Dribbeheysche wech [1413]

Die Dribbeley [1415]

Den Dribbeleyschen wech [1421]

Vander halver Dribbeley [1421]

Van die Dribbelie [1421]

Die Dribbelye [1421]

Die Drybleye [1421]

——————————

Dribbeley [1482]

Driebbelley [1483]

Dribbely [1507]

Drippelly [1529]

Dribbelly [1540]

Drybeley [1556]

Dribbelheyt [1562 – 1802]

Tab.1 Vermeldingen Dribbelei

Betekenis. Ik ga uit van de acht oudste schrijfwijzen in de tabel boven de stippellijn, omdat ze in de basis nauwelijks van elkaar verschillen (Tab.1). We mogen denk ik dan concluderen dat dribbelei gevormd is uit drib, dribbe en lede, lei of lie. Het Middelnederlandse [1200-1500] lede – lee, leide – lei of liede – lie betekent ‘watergang, waterloop’ of ‘waterleiding, afwatering, wetering, afvoerkanaal’. In het algemeen een gegraven of vergraven waterloop.11

Het Middelnederlandse woord dribbe betekent ‘kwaadaardige vrouw, valsch wijf, eigenlijk: vuil vrouwmensch’ en is verwant aan drab, drabbe ‘droesem, bezinksel, troebele of dikke vloeistof’ en het Engelse woord drab ‘hoer’. Drab is van dezelfde stam als het oudere woord draf ‘bezinksel na het brouwen’. Verder zijn verwant de werkwoorden dribbelen ‘bevuilen’ en dribben ‘lasteren, kwaadspreken, iemand zwart maken’.12 Het Gemerts dialect kent het woord drabbek ‘modder, slijk’. Ow klompe zitten álleng onder d’n drabbek.13 2011-2 drib4Mij lijkt dat de oorspronkelijke betekenis van drib, dribbe ‘vuil’ was. Deze algemenere betekenis beperkt zich niet tot vrouwen en is ook van toepassing op zaken zoals een lei. Hiervan uitgaande zou dribbelei ‘vuile of drabberige waterloop’ kunnen betekenen, alhoewel een nieuw gegraven lei daar in eerste aanleg niet voor in aanmerking komt.

 

 

Waterdribbe. Deze naam vond ik in een leerboekje voor land- en tuinbouwscholen, dat in 1900 werd uitgebracht door 2011-2 drib 5een leraar aan de Rijkslandbouwschool te Wageningen. Onder het hoofdstuk Waterafvoer wordt beschreven welke rol “de waterdribbe of waterdrieblad, Menyanthes trifoliata” speelt in de laagveenvorming.15 Deze naam heb ik verder nergens anders gevonden.16 Heeft dribbe in de naam waterdribbe ‘waterdrieblad’ misschien ook de betekenis ‘vuil of drab’? Het is een plant (kruid) uit de Gentiaanfamilie (Afb.5). In Nederland is waterdrieblad vrij algemeen. De soort komt voor in meren, poelen en sloten, vooral in moeras- en veenstreken. De stengels zijn kruipend of ze wortelen onder water in de modder. Dit soort planten sterft jaarlijks af. De afgestorven plantendelen boven het water zakken naar de bodem. Bij het verwelken in de lucht begint de ontbinding. In het water, van de lucht afgesloten, gaat dat langzaam verder. Omdat dit proces zo langzaam gaat, vormt er zich een steeds dikker pakket moer of plantenmodder op de bodem. De verlanding van waterplassen door veenvorming wordt onder andere door deze plant ingeleid. Een laagveenvormer van het eerste uur. Rembertus Dodonaeus in zijn Cruydt-Boeck uit 1608 verwijst naar Trifolium Palustre of water claveren. Trifoliata betekent ‘drie bladen’ en palustre ‘moeras’.17 Andere Nederlandse namen zijn scheurbuikklaver van het Latijnse woord scorbutus en waterklaver of veenklaver.18 Klaver, omdat klaver ook een drieblad is. Thee van gedroogde bladen werd als middel tegen scheurbuik toegediend. De bekende Berenburger kruiden bevatten onder andere: waterdrieblad, alsem, kalmoes en gentiaan. Het was ook een substituut voor hop in bier. De Engelse naam ‘bog hop’ duidt op het gebruik van de bladeren als smaakmaker bij de bereiding van bier.19 In oost-Engeland vond ik een natuurgebied met de naam: ‘North Lincolnshire Coversands and Clay Vales’. Letterlijk vertaald: ‘dekzanden en klei dalen’. Bijna het hele gebied is bedekt met glaciale afzettingen van keileem, dekzanden en smeltwaterafzettingen van zand en grint. Dat lijkt aardkundig sterk op onze smeltwatergeul. In het rijtje met karakteristieke plantensoorten vond ik onder andere Meyanthes trifoliata (bogbean) en Myrica gale (bog-mirtle).20 Dit gebied staat bekend om zijn polders en moerassen. Alles bij elkaar genomen denk ik dat dribbe in waterdribbe ook de betekenis ‘vuil of drab’ kan hebben. Misschien werd de moerassige waterplas De Dribbelei-De Stroom oorspronkelijk met dribbe ‘vuile of drabberige waterplas’ aangeduid en werd daarom haar ontwateringloop dribbelei genoemd.

 

Slot. De fantastische verhalen onder de bewoners van Boekent over de sloten en (moer-?) putten van de Dribbelei. Vele koeien zouden er in de loop der tijden verzopen zijn; kinderen mochten er niet spelen, want het was er veel te gevaarlijk.21 Dit gevaar zou wel eens heel reëel kunnen zijn wanneer we denken aan dit soort van oorsprong moerassig gebied. Moer biedt onvoldoende samenhang om er overheen te lopen. Ook voordat de visvijver gegraven was stond de Dribbelei in de winter en het voorjaar regelmatig blank. Het graven van de Lei heeft het gebied dus niet veel droger gemaakt. Men heeft geen rekening gehouden met de aanvoer van grondwater van de Peelhorst. De diepe sloten vormden ook een gevaar op zich. De Doregraaf liep vroeger langs onze bleek. Als kind mochten wij daar niet spelen. Omdat het een gegraven waterloop is, was de slootkant erg steil en bovendien erg hoog, zeker voor een kind. Eenmaal in de sloot kon je er dus moeilijk uitklauteren.

Conclusie. Omdat 500 jaar later slechts één document getuigt van de plantnaam waterdribbe is het niet redelijk om deze plantnaam voor het ontstaan van de naam dribbelei te gebruiken. Het lijkt mij wel aannemelijk dat dit moerassig gebied met dribbe ‘vuil, drabbig’ werd aangeduid. De nieuw gegraven leden zullen in eerste instantie deze kwalificatie niet hebben gehad. De betekenis dribbelei ‘ontwateringsloop v/e moerassig gebied’ lijkt mij dus de beste mogelijkheid. Later is die naam overgegaan op het hele gebied.

Met dank aan Jan Timmers en Jos van Schijndel.

 

BRONNEN

1. GH 2010, Jrg.52, nr.4, p.8 Jacques van der Velden Gemert Verklaard (2). Huidige landschap.

2. GH 2008, Jrg.50, nr.1, p.13-15 Jan Timmers, De Rips en De Beek, Het tracé van de beek, p.14.

3. Zie noot 2.

4. GH 2008, Jrg.50, nr.1, p.13-15 Jan Timmers, De Rips en De Beek, Chronologie van het graafwerk, p.15.

5. GH 2008, Jrg.50, nr.1, p.13-15 Jan Timmers, De Rips en De Beek, De Doregraaf, p.15.

6. Zie noot 4.

7. Grote Historische topografische Atlas ± 1905 Noord-Brabant schaal 1:25.000, Uitgeverij Nieuwland. Beek en Donk, Verkend in 1897. Uitgave 1900, p.650. Zie Afb.3.

8. http://www.heemkundekringgemert.nl/Gemertse%20Bronnen%20deel%209.pdf Commanderij Gemert ca.1500, Gemertse bronnen dl. 9. Dribbeleden.

9. GH 1982, Jrg.24, nr.4, p.100-101 Ad Otten, Niet Dribbelhei maar Dribbelei. Schrijfwijzen (8x), Lei, Dribbe.

10. http://www.heemkundekringgemert.nl/Gemertse%20Bronnen%20deel%209.pdf Commanderij Gemert ca.1500, Gemertse bronnen dl. 9. Dribbeheysche.

11. De Vlaamse Gemeentenamen. Verklarend Woordenboek. F. Debrabandere, M. Devos, P. Kempeneers, V. Mennen, H. Ryckeboer, W. Van Osta, 2010. Pag.143. Lemma Lede; Van d’n Aabeemd tot de Zwijnsput, Toponiemen in de cijnskring Helmond vóór 1500 in naamkundig en nederzettingshistorisch perspectief. Door H.Beijers en G. van Bussel, 1996. Lemma Lei/Leien.

12. http://www.wnt.inl.nl/ Instituut voor Nederlandse lexicologie (INL). lemma dribbe, dribben, waterklaver, scheurbuik.

13. Gemerts Woordenboek, W.J. Vos en M.A. van der Wijst, 1996. Pag.50. Lemma drabbek.

14. Zie noot 8.

15. Aardrijkskundig-landbouwkundige beschrijving van Nederland. Pag. 46. B.J.Schroven, 1900; Google Boeken: zoek ‘dribbe’ < waterdribbe.

16. Waterdribbe afwezig! http://www.meertens.knaw.nl/pland/woordenboekartikel.php?term=Waterdrieblad; http://nl.wikipedia.org/wiki/Waterdrieblad; Woordenboek van de Brabantse dialecten, Deel III, Sectie 4: De wereld tegenover de mens, Afl. 3, Flora, Dr. J.Swanenberg m.m.v. dr. H. Brok. 2002, uitgeverij Van Gorcum.

17. http://www.wnt.inl.nl/ Instituut voor Nederlandse lexicologie (INL). lemma water(waterklaver), scheurbuik.

18. Zie noot 17.

19. http://www.cvni.org/wildflowernursery/wildflowers/bogbean

20. http://www.english-nature.org.uk/Science/natural/profiles%5CnaProfile34.pdf

21. GH 1982, Jrg.24, nr.4, pag.100-101 Ad Otten, Niet Dribbelhei maar Dribbelei.

Bekijk PDF