GH-2010-03 Gemertse sigaren

Ad Otten

 In de periode van 1900-1960 telde Gemert een flink aantal kleine sigarenfabriekjes. Vele senioren van Gemert kennen de sigarenfabrikanten van toen nog wel. In alfabetische volgorde noemen we: Janus van Berkel (Kerkstraat), Antoon van Berlo (Pandelaar), Johan van den Broek (Nieuwstraat), Van den Burgt (Kruiseind-Krengelhoek), Antoon en later Frans Corstens (Kerkstraat/Ridderplein), Willem van Kemenade (Kerkstraat), C. Keunen (Molenstraat), Thé van Schijndel (Kruiseind), Firma Van der Tak & Co. (Nieuwstraat), Gebroeders Verbrugge (Kruiseind), Pauwke Verhees (Pandelaar), Marinus Vos (Kruiseind) en Jan Wijn (Kerkstraat). En er zijn er beslist nog meer geweest. Wie helpt ons aan nog meer namen? En wie helpt ons aan Gemertse sigarenmerken want daarvan is in feite nog minder bekend. Tot dusver kennen we slechts van Pauwke Verhees het merk ‘Valkenier’, van Marinus Vos de merken ‘Gemertse Bolknak’, ‘Grandeur’ en ‘Jan I’ en van Thé van Schijndel (alias Té Hèèj) – de laatste sigarenfabrikant in Gemert – kennen we ‘Don Carlos’, ‘Maximiliaan 11’, de sportsigaar ‘Hercules’, en pijptabak ‘De Herder’. In augustus 1967 vierde laatstgenoemde Thé van Schijndel een feestje. Hij was vijftig jaar tabak- en sigarenfabrikant. De Traverse van 3 augustus 1967 wijdde er een artikeltje aan. Met z’n twaalf jaar had Thé, zoon van wever Driek van Schijndel, het sigarenmakersvak geleerd bij Johan van den Broek in de Nieuwstraat. Tien jaar later, het was in 1917, begon hij in het Kruiseind voor zichzelf en in 1920 had hij zelfs 6 mensen in dienst. Naarmate de jaren vorderden werd de concurrentie echter almaar zwaarder en hij werd van lieverlee weer zzp’r, ook al kende men toen dat begrip nog niet. In 1967 was hij, inmiddels 72 jaar, de laatste sigarenfabrikant van Gemert.

Bekijk PDF

GH-2010-03 Jensen al in 1879!

Ad Otten

 Het stond in de door de Genealogische Werkgroep Land van Cuijk en Ravenstein uitgegeven ‘Regesten op het notariaat Gemert”. Op 11.11.1879 verscheen landbouwer Godefridus (Friedje) van Zeeland met zijn broer Hendrik Adriaans van Zeeland voor notaris Van Kemenade. Friedje was boer op het Slotje in de Deel en zijn broer Hendrik was herbergier van Cambrinus op de Markt in Gemert, op de plaats waar nu de Rabobank staat. Bij notariële akte werd vastgelegd dat Hendrik van zijn broer vele roerende goederen ‘om niet’ voor tien jaar in bruikleen kreeg waaronder “eene jensbaan met vier ballen en twee stokken,” alsmede een krijtbak en naar het schijnt een hele café-inventaris met 88 jeneverglaasjes en tientallen bierglazen met tinnen deksels in verschillende maten.* Maar het gaat ons hier vooral om de jensbaan. Kennelijk werd er dus in 1879 in Gemert al gejenst. Honderd jaar later is de jenssport in Gemert nog steeds populair en heel lang heeft in Gemert ook een heuse jensbond bestaan, waarbij in 1965 nog aangesloten waren de jensclubs Goede Hoop, Heuvel, Keulsche Kar, Nooit Gedacht en Ons Genoegen. Jaarlijks werden er kampioenschappen gehouden. En hoeveel Gemertse kampioenen zijn er uiteindelijk wel niet ‘wereldkampioen’ geworden door de concurrent uit Bakel, Deurne of Mierlo te verslaan? Maar nu is die beroemde jenssport bijna ter ziele. Een sport die moet zijn ontstaan toen voor ‘het houden van een biljard’ caféhouders een belasting werd opgelegd. Een tot dusver onbekend gebleven initiatiefnemer liet een gat boren in de biljardtafel, zette ‘nen beugel erop, paste de spelregels aan en toen was een nieuwe tafelsport geboren die buiten de belastingregels viel. Gemert was een centrum van die jenssport en verder werd de sport ook beoefend in Bakel, Deurne, Mierlo, Beek en Donk en zeker in nog wel een paar andere plaatsen in de regio. Het wordt tijd dat iemand zich eens flink verdiept in deze voor onze regio unieke sport.

*Gemeentearchief Gemert-Bakel AG 084 Archieven Notarissen invnr.58 akte 311.

Bekijk PDF

GH-2010-03 Gemertse fietsen: de Handeliafiets van Kis van der Aa

 2011-4 kap0

Ad Otten

Twee jaar geleden werd in Gemerts Heem al geattendeerd op een Gemerts fietsmerk uit het verleden, te weten “Ridders”, het fietsmerk van Graard de Jonker (Jonkers) uit het Binderseind. Een krant van exact 100 jaar geleden attendeerde ons nu op een Gemertse fiets uit een nog veel vroegere periode. 2010-3 kap2Het betreft een Handelse fiets van smid en kastelein Kís van der Aa die na zo’n 15 jaar ‘handel in rijwielen’ in 1910 uitpakte, met een eigen fietsmerk van eigen fabrikaat onder de naam ‘Handelia’. Een naam die tot op de dag van vandaag nog altijd, en tot ver buiten Handel, bekendheid geniet als Hotel Handelia. De oorsprong van ook deze naam ligt bij dezelfde Kís van der Aa die van vele markten thuis was… Hieronder volgt het krantenbericht uit De Zuid-Willemsvaart van 19 maart 1910:

Handel. Het is C.W. v.d. Aa gelukt na een vijftienjarige ondervinding, een rijwiel samen te stellen, dat alles overtreft in gang en kwaliteit, maar vooral in prijs niet te evenaren is; dit is het Handelia rijwiel! Honderden attesten voorhanden.

2010-3 kap1

*Gemeentearchief Gemert-Bakel AG 084 Archieven Notarissen invnr.58 akte 311.

Bekijk PDF

GH-2010-03 Macropedius in het Engels

Henk Giebels

Onlangs verscheen aflevering 13 van European Medieval Drama.1 Dit speciaalnummer van het internationale Engelstalige jaarboek over Middeleeuws toneel is gewijd aan de beroemde toneelschrijver en onderwijsman Georgius Macropedius, die in 1487 in Gemert geboren werd onder de naam Joris van Lanckvelt.2 Het is niet het eerste Engelstalige werk over Macropedius. Dat verscheen 38 jaar geleden al in New York, in een serie over de grote auteurs van de wereld.3

Het jaarboek bevat zeven artikelen over Macropedius.4 Bovendien is de volledige 2010-3 mac1Engelse vertaling van zijn meesterwerk ‘Hecastus’ er aan toegevoegd. Na een Introduction van de Amsterdamse hoogleraar en eindredacteur Jan Bloemendal volgt een artikel van ondergetekende onder de titel Macropedius’s Life and Times. Dit artikel heeft enkele bijlagen.5 In de laatste bijlage staat een overzicht van de 36 verschillende uitgaven van de Epistolica, Macropedius’ schoolboek over de kunst van het schrijven van brieven, in de periode 1543-1649. In het volgende artikel, Macropedius’s Drama in an International Context, schetst Jan Bloemendal de grote betekenis van Macropedius voor het Europese toneel. Louis-Peter Grijp, hoogleraar te Utrecht, beschrijft vervolgens de muziek en liederen die door Macropedius werden gecomponeerd: Macropedius and Music: Georgius Macropedius as a Composer of Songs for the Theatre and Other School Performances. In de bijlagen worden drie liederen in een moderne notatie gepubliceerd, zodat ze zo kunnen worden gelezen en uitgevoerd. Hij komt tot de conclusie dat Macropedius als componist slechts over bescheiden kwaliteiten beschikte.

Agnes Sneller, voormalig hoogleraar aan de universiteit van Boedapest, Hongarije, beschrijft de rol van de vrouw in de toneelstukken van Macropedius: The Plays of Georgius Macropedius: A Gender View. Frans-Willem Korsten, literair theoreticus en hoogleraar in de literatuur in Leiden en Rotterdam vergelijkt Macropedius’ toneelstukken met die van schrijvers als Brecht en Beckett. Zijn artikel heeft de interessante titel: ‘But did they not, with it, burn the excrements as well?: Macropedius’s Experimental Plays, or Humanism as Avant-garde. Hij komt tot de conclusie dat Macropedius een kwalitatief zeer hoogstaand toneelschrijver is. Yehudi Lindeman, voormalig hoogleraar aan de McGill universiteit in Montreal, Canada, vergelijkt Macropedius’ onderwijskundige en opvoedkundige ideeën met die van Erasmus: Macropedius’s Rebelles and Erasmus’s Principles of Education. Hij vertaalde al eerder twee toneelstukken van Macropedius in het Engels. Oud-Gemertenaar en voormalig leraar Grieks en Latijn, Frans Slits, publiceert een artikel over Macropedius en diens reken- en wiskundeboek Macropedius and Arithmetic: Brevis calculandi ratio. Hij laat onder andere zien hoe Macropedius het rekenen met Arabische cijfers in plaats van met Romeinse cijfers introduceerde. Tenslotte wordt de artikelenreeks afgesloten met een complete Engelse vertaling van Macropedius’ toneelstuk ‘Hecastus’, een zeer 2010-3 mac2succesvolle Latijnse bewerking van het Middelnederlandse stuk ‘Elckerlijc’, dat talrijke drukken, vertalingen en opvoeringen kende in de 16e en 17e eeuw. De vertaling is van de hand van de Engels-Canadese oud-hoogleraar uit Toronto, Christopher C. Love.

Onze Gemertse Macropedius is in Nederland, België en Duitsland al goed bekend vanwege zijn toneelstukken en werken voor het onderwijs. Mogelijk wordt dat met het verschijnen van dit Engelstalige jaarboek in de rest van de wereld ook zo. En misschien raken ook een paar Gemertenaren (nog) meer geïnteresseerd…

 

 

2010-3 mac3

 

 

 

 

 

NOTEN:

1. EMD 13, European Medieval Drama 13 (2009). The Latin Playwright Georgius Macropedius (1487-1558) in European Contexts, ed. Jan Bloemendal; Brepols Publishers, Turnhout 2010; ISBN 978-2-503-53091-8, 233 pagina’s, €72.

2. Zie

3. Thomas W. Best, Macropedius, New York 1972, Twayne’s World Authors Series, no. 218. Dit werk beschrijft en analyseert alle toneelstukken van Macropedius op een heel interessante manier.

4. Een aantal van deze artikelen verscheen eerder in een Nederlandstalige bundel die uitgegeven werd ter gelegenheid van een symposium over Macropedius dat in 2008 in Utrecht plaatsvond: Macropedius 1558-2008. Macropedius in Europese context. Teksten van de voordrachten gehouden op 3 oktober 2008, onder redactie van Jan Bloemendal, (Florivallis) Amersfoort 2008; ISBN 978-90-75540-39-0.

5. In de Nederlandstalige bundel verscheen een andere bijlage: een overzicht van alle 175 vrienden en kennissen van Macropedius.

Bekijk PDF

GH-2010-03 Einattenhof en Einattensteen

 

Ad Otten

Veel straten op de Molenakker zijn genoemd naar vroegere kasteelbewoners van Gemert, de commandeurs van de Duitse Ridderorde, oftewel de Teutonen. Virmundt, Van Loe (uit te spreken als Van Loo), Wachtendonk, Wassenaar en Cortenbach. Logisch dat een nieuwe straat gelegen temidden van deze straten ook een naam moest krijgen die verwijst naar één van de vroegere ridderheren van Gemert. De keuze viel daarbij met Einattenhof op het oud-adellijk geslacht Van Einatten, dat in de vijftiende en zestiende eeuw, om precies te zijn van 1482 tot 1571 maar liefst drie commandeurs van die naam naar Gemert bracht. Dat waren Mathiaan, Henrick en Wijnant van Einatten. Van het Zuid-Limburgse adellijk geslacht Van Einatten is van oudsher de afstamming van Karel de Grote bekend en het bijzondere is dat de drie genoemde commandeurs in Gemert voor nogal wat nakomelingen zorgden, waardoor zo’n 4 à 500 jaar later van nagenoeg elke oud-Gemertse familie ook de afstamming van Karel de Grote kan worden aangetoond. Om dat ‘hard’ te maken bracht de heemkundekring al in 1993 een boek uit onder de titel ‘Stammen alle Gemertenaren af van Karel de Grote?’ Het was een boeiende puzzel, die door heel Nederland vooral bij genealogen gretig aftrek vond.1 De auteurs van het boek maken duidelijk dat het antwoord op de in de boektitel vervatte vraag ‘ja’ is.

Vermeldenswaard is nog dat van dertien van de vijftien ‘commandeurskinderen Van Einatten’ bekend is, dat zij opgroeiden in het omgrachte huis dat in 1587 de bestemming kreeg als Latijnse School. Dat is dus op de locatie van de Gemertse Heemkamer en het huidige gemeentearchief Gemert-Bakel aan de Ruijschenberghstraat.

Van de adellijke Van Einattens is bij de Bouwhistorische Dienst in ‘s-Hertogenbosch bovendien de oudste Gemertse wapensteen bewaard gebleven. De inmiddels meer dan 500 jaar oude wapensteen-in-mergel sierde vroeger de voorgevel van het zogeheten Huis van Gemert, het refugiehuis van de Commanderij van Gemert in ‘s-Hertogenbosch. Beeldhouwer Toon Grassens van de Stichting Gemert Vrijstaat heeft van die wapensteen een perfecte replica gemaakt die in het voorjaar van 2010 een plaats kreeg aan de achtergevel van de Latijnse School. Toon maakte daarvoor bovendien aan de hand van het origineel de wapensteen zoals die er 500 jaar geleden in kleur moet hebben uitgezien. De achtergevel van de Latijnse School biedt sedert afgelopen voorjaar een heraldisch curiosum met naast elkaar twee ‘corporele documenten’ die 500 jaar ‘verschil’ maken.

Ook de Molenakker biedt in de nieuwe straat Einattenhof nog een heraldische herinnering aan de Van Einattens met de naam van het daar gebouwde appartementencomplex ‘Merlettenhuis’. Deze naam is namelijk ontleend aan de merletten, dat zijn heraldische eendjes, die voorkomen in het familiewapen van de Van Einattens.2010-3 einatten

En tot slot is het eigenlijk toch wel aardig om met enige historische feiten aan te geven van welk hoog aanzien ‘onze’ commandeurs Van Einatten, respectievelijk ‘onze’ voorouders, wel niet waren… De Gemertse commandeur Mathliaen van Einatten valt de grote eer te beurt om per charter van 8 november 1496 door Maximiliaen aartshertog van Oostenrijk, tevens Duits keizer, te worden ‘gecommiteerd’ om in zijn naam de inhuldiging te ondergaan van Heer van Grave en het Land van Cuijk.2 Henrick van Einatten, de opvolger van commandeur Mathliaen in Gemert, wordt in juli 1539 gesignaleerd in het gevolg van koningin Maria van Hongarije bij haar inhuldiging in ‘s-Hertogenbosch als regentes over De Nederlanden. Hij treedt daar op naast illustere figuren als de bisschop van Palermo, de hertogin van Milaan, de markgraaf van Bergen op Zoom, de prins van Chimay en de ‘ambassiateurs van Vrankrijk en Engelant’.3

NOTEN:

1. Willy Ivits en Hans Vogels, Stammen alle Gemertenaren af van Karel de Grote?, Gemert 1993.

2.Archief Grave – charternr.75 dd 8.11.1496 (met dank aan Wim Jaegers)

3.zie noot 1 blz. 38.

Bekijk PDF

GH-2010-03 Uit het oud-rechterlijk archief van Gemert (1)

Simon van Wetten

De auteur is bezig met het ontsluiten van het complete archief van de criminele en civiele rechtszaken die in de 16e, 17e en 18e eeuw in Gemert hebben gespeeld. Het levert een berg aan kwesties over testamenten, burenruzies en niet betaalde schulden op. Het geeft zicht op een bijkans onafzienbare reeks vecht- en steekpartijen en andere vormen van criminaliteit. Maar het geeft ook een verrassend beeld van de Gemertse samenleving in vroegere dagen.

Simon zet de meest aansprekende, ontroerende en typische voorvallen om in anekdotes waarvan u hieronder alvast enige voorbeelden aantreft. Hij heeft er inmiddels ruim honderdvijftig en dat aantal zal nog flink uitdijen (Red.).

1664 Daar is geen touw aan vast te knopen

Daar stonden ze toch wel beteuterd te kijken, de vorster én de ondervorster, beide leden van het stoere geslacht Van Puijffelick. Je zou haast gaan geloven in tovenarij. Gisteravond een half uur werk gehad met het vastkluisteren van Herman Heijbessemer. De smid heeft nog geholpen. Het been van de gevangene gemeen krap omsloten door het ene einde van de ketting, het andere einde met een grote kram stevig verankerd aan een stijl. De deur van de gevangenenkamer, hoog in het kasteel, driedubbel op slot. Met die deur was vanmorgen, toen ze Herman eten kwamen brengen, ook niets mis. Maar toen Jan van Puijffelick het slot opendraaide en de deur openduwde, bleek de kamer leeg. Z’n neef Lucas van Puijffelick, stoer of niet, liet het bord en de kroes uit zijn hand vallen. Niet te bevatten! Het raam stond open. Er hing een touw uit, vastgemaakt aan de ketting die de bewegingsvrijheid van Heijbessemer gisteren nog tot een minimum had beperkt, maar vannacht blijkbaar het houvast naar Hermans’ vrijheid was geweest.

‘Lucas, dat touw lag hier gisteravond toch niet, wel?’

‘Nee, Jan, maar wel wat lijnwaad en stro. Kijk, daar heeft ie een zeel van gemaakt.’

‘Ik zou er niet aan durven gaan hangen, zo hoog.’

‘Als ie dat heeft aangedurfd dan zal die vent nog wel meer op z’n kerfstok hebben gehad dan wij al dachten.’

Inderdaad, die Herman Fransen alias Heijbessemer was van het woestere type. Hij heeft een tijdje in Gemert gewoond met zijn bijzit, Maria Schepers. Zijn eigen vrouw had ie in Sint Oedenrode laten zitten, nadat hij het arme, zwangere mens zodanig had geslagen dat haar kindje vroegtijdig en dood werd geboren. En Maria moest het ook vaak ontgelden. Pas nog had hij haar in de gracht gegooid en met een stok ondergehouden. ’t Was dat enige passerende personen zo dapper waren om in te grijpen, anders was het vrouwke zomaar verdronken. Maar om dat soort delicten was Herman niet in de ijzers geslagen. Nee, de prioriteiten van de landdrost van de Meierij lagen niet bij het beschermen van mishandelde vrouwen. Heijbessemer, die blijkbaar meer dan alleen bezems kon binden, had vals geld uitgegeven en dáárom werd ie door de autoriteiten gezocht.

1665 De plank misslaan2010-3 oud-recht1

Vergeet nooit de naam van een predikheer! Timmerman Jan Heijnen en kuiper Claes Maessen, allebei 26 jaar, hebben hard gewerkt in het klooster van de predikheren, aan het Binderseind. Zij hebben daar de cellen en ‘beschutselen’ van de kloosterlingen, gemaakt van dennendelen en planken, afgebroken. Een soort beeldenstorm? Een klein beetje wel! De predikheren mochten sinds 1648 niet meer als kloostergemeenschap bijeen zijn. Gemert werd toen bezet door het Staatse leger. In 1649 was de kloostergemeenschap noodgedwongen naar Mechelen verhuisd. Toen Gemert in 1662 de status van soevereine heerlijkheid van de Duitse Orde terugkreeg, was een aantal predikheren teruggekomen, als leraar aan de Latijnse school. Maar hun cellen hadden ze niet meer nodig, dat mocht niet meer. Mediteren moest voortaan in Mechelen.

Jan en Claes hadden die planken in het klooster boven de kerk op de zoldering gezet, vóór tegen de gevel, en die planken waren tussen maandag- en dinsdagnacht verdwenen. De schout en schepenen, kordate lieden als zij waren, organiseerden meteen op verscheidene plaatsen een huiszoeking. En zo kwamen zij in het woonhuis van Jan Claessen en diens vrouw Luijtje Jegers.

De schout: ‘Eens zien wat we hier hebben. Vijf planken, omtrent de 10½ voet lang, en nog negen delen met een lijstje, 8 voeten lang. Met een lijstje nota bene! Die komen voorzeker uit het predikherenklooster.’

Jan Claessen: ‘U spreekt juiste woorden, heer schout. De vader van mijn vrouw heeft ze van een predikheer gekocht.’

De schout: ‘En hoe heette die predikheer?’

Tja, dat waren Jan, Luijtje en vader Jan Jegers alle drie vergeten. Pijnlijk!

De vorster bracht de planken naar het huis van de secretaris en onze Jan en Claes, kenners van die planken, werden er bij gehaald.

De schout: ‘Mannen, zijn dit de bewuste planken?’

Jan en Claes verklaarden dat die planken ‘zeer gelijk zijn’ aan de planken die zij uit het klooster hadden gebroken, maar de ‘perfecte’ waarheid konden ze helaas niet geven.

2010-3 oud-recht2Nogmaals, het bestond uit kordate lieden, dat span van schout en schepenen. Een ingeving leidde hen naar het huis van Jan, de timmerman. Nee, de ontbrekende planken stonden daar niet, maar bezijden de trap waarop je bij Jan naar de zolder kon klimmen, stonden wel twee ramen!

De schout: ‘Die ramen, van wie zijn die?’

Jan zei niets. Dat had ook geen zin. Het waren ramen die je als timmerman niet in je eigen vensters deed. Dan zou je je eigen glazen ingooien!

De schout: ‘Onder dit glas met raamke staat “Dominus Abraham Melchiors, kanunnik te Oirschot, 1643”, en dit glas, daar staat een wapen op afgebeeld, met daaronder: “Jan van Dinther, 1643”. Je wilt toch niet zeggen dat…’

Jan zei niets.

1690 Impregneren

‘Seks’, heer schout Johan Ambrosius Cox, kent u dat woord? Gebruikt men in uw tijd dat begrip? Nou, de schout kende in ieder geval wel andere omschrijvingen. En hij had er géén begrip voor. Hij wees op het plakkaat van 1 april 1683, op het stuk van defloratie:

‘Een jongeman, verlijdende een eerlijke dochter en haar door het bijslapen of vleselijke conversatie impregnerende, is gehouden een boete van 100 gulden te betalen.’

Wijnandt Dirck Coolen had zich niet ontzien door middel van schone woorden en trouwbelofte de dochter van Claes Thomas Strijbos te misleiden (en tegelijkertijd te vérleiden). Het meiske heette Maria.

‘Op deze familie valt, buiten dit geval, niets ter wereld aan te merken. Maar Wijnandt heeft Maria wél bezwangerd.’

De schout legde met graagte de bijbehorende boete op!

Gaat het te ver om ruim drie eeuwen na dato aan schout Cox uit te leggen dat de zo ongeveer enige man die verlijden kan, een notaris is? En dan geen skon meidje, maar een akte. Díé wordt door een notaris verleden. Ja, dat gaat inderdaad te ver. We laten dít verleden rusten …

1760 Op tijd naar huis

Zou het plakkaat van 15 juli 1760 eigenlijk al gelden? We hebben het hier over het placcaet door de heer Landcommandeur der Balije Alden Biessen als soevereine grondheer van Gemert geëmaneerd, en op 24 juli van datzelfde jaar met klokkenslag aan het volk na de Hoogmis gepubliceerd. U en ik hádden het dus kunnen weten…

Het was vanaf dat moment verboden – en wel op een boete van 25 gulden, € 11.- aan de herbergiers van Gemert om ’s avonds na tien uur te tappen. En dat niet alleen, nee, de klanten en gasten dienden op dat moment te vertrekken!

2010-3 oud-recht3Berber, de weduwe van Jan Oswolt Robert, dreef anno 1760 ook een herberg en dreef de klanten vanaf die 24ste juli niet om 22.00 uur naar buiten. Zo’n type was zij nu eenmaal niet, zoiets doe je als gastvrije cafébazin niet. En al helemaal niet als Jantje Manders en N.N. Clefort, beide inwoners alhier, nog in je staminee zitten. Op 27 juli, drie dagen na de afkondiging van het plakkaat, ging de deur open, zowat de gehele Gemertse politiemacht, bestaande uit de vorster, de schutter en de vrijschutter, kwam binnen en Berbertje moest bloeden. Zij werd gecalengeerd, beboet.

Maar Berber was het er blijkbaar niet mee eens, zij betaalde de boete niet, en dat is de reden waarom ook dit incidentje vereeuwigd is in Gemerts Rechte(r)lijk2010-3 oud-recht4 Archief.

Bekijk PDF

GH-2010-03 De Broekstraat van weleer (8- slot)

Oude tijden keren niet weer

 

Adriaan van Zeeland en Simon van Wetten

Nog even, en dan … Eindelijk mogen we weer een andere kant op kijken! Acht afleveringen hebben de auteurs, steeds naar links turend, de Broekstraat van Heuvel naar Boekent en terug bewandeld, beschreven en bejubeld. Na het voltooien van dit slotepos over de meest authentieke rand van Gemert kunnen we u, na een bezoekje aan de fysiotherapeut, eindelijk weer recht in de ogen kijken, zelfs al staat u rechts van ons.

Nog drie huizen te gaan tot de finish.

De Pieckhof, Broekstraat 39-39a

Net voordat je linksaf via Daalhorst de wijde wereld in kunt, treffen wij aan onze 2010-3 broek1linkerhand de Pieckhof aan.Tweehonderd jaar geleden woonde hier een familie Pieck en in het oude landboek wordt de naam van eigenaar Thonis Peters al verlengd met “Pieckhof”. Van medio 19de eeuw boerden er in opeenvolging families Van de Weijer. De laatste is Jan van de Weijer met zijn vrouw Tonna van Rooy. Het echtpaar bleef kinderloos maar Jan stond bij iedereen bekend als secretaris van d’n Eierbond in Gemert. Enige tijd na het overlijden van ‘zijn’ Tonna (1959) verkocht hij de Pieckhof aan buurman Piet van Stiphout. En daarna duurde het niet lang of het kwam in de Broekstraat al tot een vroegtijdse boerderijopsplitsing. In 1965 trouwde Albert Rooijakkers uit de Broekstraat met Christien Theunissen uit de Donk. Zij kochten het voorhuis van De Pieckhof en Albert moderniseerde dat eigenhandig. Het achterste deel met twee dubbel staldeuren bleef nog een kleine drie decennia stal, vooraleer Harrie Hagelaars (kleinzoon van Piet van Stiphout), later met Marita, zich in deze helft van de Pieckhof nestelde. Als boerenzoon trok Harrie al vanaf zijn twaalf jaar met paard en kar zelfstandig naar de Tweede en de Derde Steeg om te hooien in ’t Broek, maar Harrie kiest uiteindelijk toch niet voor een bestaan als boer maar voor de techniek. Paardenstal, varkensstal, schuur en een mysterieuze ‘vetput’ in de Pieckhof verbouwt hij in 1992/1993 tot woning.

Met Albert Rooijakkers in het oorspronkelijke voorhuis filosoferen we over de schrijfwijze van zijn achternaam. Albert stamt uit de Broekstraatse familie R(o)o(ij)(y)a(c)(k)kers en je zou zeggen dat de nakomelingen van dat geslacht hun achternaam op identieke wijze schrijven. Maar dat is niet zo. Een tante van Albert aan moederskant, dus objectief in deze materie, zat in het onderwijs. Zij stelde dat de Gemertse uitspraak van de twee ‘o’s’ in Rooijakkers die klinkers afkneep en dat daarom vaak werd gedacht dat je ‘Roijakkers’ hoorde te schrijven. Maar als je in het onderwijs zat dan prikte je daar natuurlijk doorheen en wist je dat de naam met twee ‘o’s’ geschreven moet worden!2010-3 broek2

Albert is geboren en opgegroeid in het huis waar nu de Van Bommels wonen en is qua domicilie dus uiteindelijk maar vijftig meter opgeschoven.1 Het sleutelwoord van Alberts jeugd is “afgeblokt”. Alle ambities die Albert had werden afgeblokt. De kans om makelaar te worden? Vader Rooijakkers zei dat je daar je brood niet mee kon verdienen. Geld lenen bij de Boerenleenbank om het half ingestorte bedoeninkske van Boertje van der Asdonk te kopen.2 Of Albert iemand had die borg stond? Nee, niemand. Dan maar piloot worden! “Ge vaalt d’n uurste kaër al aojt de loocht,” meende de familie. Alles werd afgeblokt. Het werd dus vier jaar landbouwschool. Daar was ook een 2010-3 broek3leraar Scheepers aan de Ambachtsschool, die het vak ‘weven’ gaf. Hij kwam bij Albert thuis, betoogde dat het landbouwbestaan geen toekomst had. Weven, dat was het! Maar Albert koos voor het beroep van metselaar, wilde niet tussen vier muren zitten. Wel muren metselen. Het was de opmaat van een zeer druk bestaan. Albert kocht de (halve) Pieckhof – hij had nu geen borg meer nodig – en brak het huis op de kap na helemaal af. Voordat u bouwkundige vragen gaat stellen: de kap stond zolang op stempels. Tussendoor haalde Albert zijn aannemersdiploma in Eindhoven en moest daar op de fiets naar toe. De aankoop van een NSU-brommer werd in huize Rooijakkers als een zeer overdreven en veel te luxe uitgave beschouwd, maar met 400 geleende guldens van Boerenleenbank-directeur Jan Swinkels werd dit voornemen nu eens niet afgeblokt.

2010-3 broek5

Overdag metselen, ’s avonds naar school en ’s nachts in de varkensstal slapen in de tijd dat de zeugen moesten biggen. In de ijskoude winter van 1963 overleed vader Rooijakkers en Albert werd als oudste zoon ook nog eens voogd over de drie jongste kinderen. Toen zes jaar later zijn broer Jan door een tractorongeluk overleed, heeft Albert de boerderij een half jaar draaiend gehouden. Dat ongeluk kwam volgens Albert door het feit dat zijn broer met klompen de ijzeren pedalen van de tractor bediende. Die klompen waren bij het inkuilen spiegelglad geworden.3

Het leven van Albert is bepaald niet zonder tegenslagen verlopen. Ook in de Broekstraat krijgt niemand een garantie op een gelukkig, hèndeg leven.

Het Begijnhof2010-3 broek6

Op onze heenweg door de Broekstraat zijn we al de boerderij tegengekomen die getooid is met de schone naam “Het Begijnhof”. Deze boerderij werd gebouwd nadat de oorspronkelijke hoeve met dezelfde naam op 18 mei 1895 was afgebrand. Het oude Begijnhof stond aan de overzijde van de weg. Jazeker, de plaats waar we nu, op de terugweg en naar links kijkend, langs lopen! Het aardige is dat Harm, de zoon van wijlen Bart van de Laar, weer terug overgestoken is. Hij heeft tegenover zijn ouderlijk huis, dus op de gronden waar ooit het oude Begijnhof stond, een nieuw huis gebouwd. Harm ondersteunt zo het credo dat de geschiedenis zich herhaalt en heeft er nog een schepje bovenop gedaan door twee van zijn stieren de naam Soeterbeek mee te geven. Als ze dat op het KI-station in de vrouwelijke lijn doortrekken, dan hoeven de koeien niet uitsluitend als Klara 1, 2, 3, enz. door het runderleven te gaan. De koffiemelk in de koffie die u drinkt terwijl u dit artikel leest, zou dan best eens het extract van de melk van de bevallige en altijd aanstekelijk loeiende koe Klara Soeterbeek 6 kunnen zijn.

Het klooster Soeterbeek en de Broekstraat hadden een band, de zusters uit Nederwetten hadden hier bezittingen. De Augustinessen van het klooster waren weliswaar geen begijntjes, maar in tijden van vervolging was het wel zo handig om een uitwijkplaats in Gemert te hebben en nóg veiliger was het dan om zogenaamd begijn te zijn in plaats van kloosterlinge. Zo ongeveer zal de naam Begijnhof zijn ontstaan.

Aan de Stinckert

2010-3 broek8

We weten het: bewoners van “De Stinckert” voelen zich soms wat ongemakkelijk bij de naam van hun boerderij. Helemaal niet nodig natuurlijk, want het is wel één van de allermooiste boerderijen die we in Gemert hebben. En de naam, in vervlogen tijden altijd gespeld als “Aen de Stijnckaert”, slaat bovendien niet eens op het huis, 2010-3 broek9maar op de wijde omgeving. Eén van de gedachten over die eigenaardige naam is dat er in dit toen drassige stukje van Gemert vlas werd geroot.4 Dat proces levert een behoorlijke stank op. Een nog aardiger en tegelijkertijd griezelige theorie is gebaseerd op het feit dat er, wel in een ver verleden maar niet zó ver weg, twéé galgenvelden in het achterland van deze boerderij lagen. Het ene in het verlengde van de huidige Galgenveldse weg, net over de Snelle Loop (aan de oude weg naar Beek!). Daar stonden de Beekse galgen. Het andere galgenveld lag op Milschot, een eindweegs stroomopwaarts aan de Snelle Loop, maar wel bereikbaar middels dezelfde Galgenveldseweg. Daar stonden de Gemertse galgen. Soms hingen daar al een tijdje de ter dood veroordeelden, in weer en wind. En als de wind dan enigszins verkeerd staat …

De eeuwenoude boerderij was nog niet zolang geleden het decor van autogarage Van de Laar. Daarna woonde er een paar jaar een dierenarts en nu is het de monumentale woonstee van de familie Van Helvoort.

2010-3 broek10

 

Slot

We zijn terug bij de hoek Heuvel-Broekstraat, de plek waar nu “De Zoete Moeder” herrijst en waar we twee jaar en acht afleveringen geleden aan onze progressieve, links georiënteerde wandeltocht door deze prachtige straat begonnen. We hopen dat we de hoeven en huizen, de bewoners en vooral de sfeer van dit nog immer landelijk stukje Gemert goed over het voetlicht hebben gebracht. En als over honderd jaar de nieuwe rage van hoogbouw in Gemert ook deze straat in de houdgreep heeft genomen, dan kunnen de bewoners van al die verdiepingen de acht elektronisch gebundelde afleveringen van “Gemerts Heem”, gezellig zittend bij het elektrisch haardvuur, nog eens aanklikken en tegen elkaar zeggen: “Wat was het hier toen schoon!” Ze bedoelen dan natuurlijk: SKON!

NOTEN

1. Zie aflevering zeven in Gemerts Heem 2010 nr.2.

2. Zie aflevering zes in Gemerts Heem 2010 nr.1.

3. Zie ook aflevering zeven.

4. roten = de stengels van vlas aan de werking van water blootstellen teneinde de bastvezels los te maken.

 

 

Bekijk PDF

GH-2010-03 Het Vrijthof

Begraven in en rond de kerk

Ton Thelen

Een korte voorgeschiedenis

 

De kerk van Sint-Jansonthoofding is gebouwd tussen 1437 en 1455. In 1437 werd de parochie Gemert als zelfstandige parochie opgericht, afgescheiden van de oude parochie Bakel die viel onder de abdij van Echternach. De oprichting van een zelfstandige parochie was het gevolg van het feit dat het hele gebied van Gemert toebehoorde aan de Duitse Orde.

De Duitse Orde bestond uit edellieden die plechtig beloofd hadden dat zij zich voor de verdediging van het geloof zouden inzetten en zouden zorgen voor pelgrims naar het Heilige Land en voor behoeftige mensen in hun omgeving. De Duitse Orde had daarnaast eigen priesters, waarover de bisschoppen niets te zeggen hadden.

Doordat veel edellieden lid werden van de Duitse Orde, waarmee ook hun bezittingen aan de Duitse Orde vervielen, en doordat talloze adellijke personen veel land en kerken aan de Duitse Orde schonken, breidde het bezit en de macht van de Orde zich over heel Noordwest-Europa uit. Om dat allemaal te kunnen besturen, verdeelde zij dat bezit in drie grote gebieden, die weer verdeeld werden in landcommanderijen en commanderijen. Gemert was zo’n commanderij. Bij een commanderij behoorde een huis of kasteel en een kapel of kerk. Gemert is in die zin bijzonder dat kasteel en kerk (bedoeld tevens als parochiekerk) zijn gebouwd volgens een vooropgezet plan om Gemert te doen uitgroeien tot een geestelijk-cultureel centrum voor de regio, passend in de bovenregionale politiek van de Duitse Orde in de Zuidelijke Nederlanden, waarbij de commanderij op de nominatie stond tot landcommanderij te worden verheven.1

De kerkhof

Zoals bij alle kerken en kapellen ligt er een hof rondom de parochiekerk van Gemert. De naam kerkhof wil niet zeggen dat er alleen maar mensen begraven werden. De begraafplaats was maar een deel daarvan. Zo’n kerkhof had veel functies: hij werd gebruikt voor rechtspraak, er werd kermis gevierd, op de feestdag van de patroonheilige, 2010-3 vrijthof1meestal de dag waarop de kerk werd ingewijd, het was een ontmoetingsplaats en een stuk grasland waar men zelfs het vee op liet grazen, hoewel dat niet gewenst was. Veelal was er ook de school op gevestigd. Zo ook in Gemert, al genoemd in 1582. Hij lag in de noordwesthoek, langs een zandweg. In 1843 is het gebouw afgebroken, nadat de school het jaar daarvoor in een vlakbij vrijgekomen spinfabriek was ondergebracht.2 De kerkhof was voorts een vrijplaats, waar men asielrecht genoot. Dit was een oud recht, ouder dan het christelijke geloof, dat oorspronkelijk verbonden was aan het gebouw van de tempel, eigendom en woonplaats van de goden. Ieder die deze heilige ruimte betrad, begaf zich in de macht van de goden. Geen kwaad mocht hem geschieden door mensenhand, de godheid zelf strafte of beschermde. In de vierde eeuw ging dit recht over op de kerk en later de kerkhof. Maar het was niet de bedoeling dat misdadigers zo hun straf konden ontlopen. Met allerlei bepalingen, die niet overal hetzelfde waren, werd dat in de hand gehouden. Bovendien was die vrijdom van beperkte duur, meestal niet meer dan drie dagen. Geheel uitgesloten van asiel waren moordenaars, brandstichters, rovers en personen die op gewijde plaatsen een misdaad hadden begaan. De naam ‘vrijthof’, die in sommige plaatsen nog voorkomt, herinnert aan dit oude recht.3

De begraafplaats

De hof om de kerk was door een heg, muur of gracht afgescheiden van de wereld daarbuiten. De gehele kerkhof was gewijd terrein, een ‘temenos’, een uit de profane wereld ‘uitgesneden’ terrein. Het deel dat tot begraafplaats was bestemd, heette de ‘cimiteria ecclesiae’, de ‘kerkelijke slaapsteden’, waar de doden uitrusten van de vermoeienissen des levens, in afwachting van de wederkomst van Jezus Christus aan het einde der tijden, op de Jongste Dag, als zij ‘die Hem behoorden met Hem uit de dood zouden opstaan’2010-3 vrijthof2.

De ingang van de kerkhof was de zwakste schakel. Om te voorkomen dat hier dieren, die in steden of dorpen gewoon rondliepen, deze ruimte konden betreden, was aan de ingang een rooster aangebracht. Volgens het bijgeloof hield het ook de duivel tegen: met zijn bokkepoten of paardevoeten kon hij niet daarover heen.4 Ook in Gemert scheidde een rooster het profane en sacrale domein. Verordeningen van de burgerlijke overheid werden hier, naast het gemeentelijk klokkenhuis, afgekondigd. Aldus profiteerde de overheid van de sacrale kracht die uitgang van dergelijke overgangsplaatsen, wat haar regelgeving extra gewicht gaf.5

Begraven in de kerk

Het kerkgebouw was evenals de kerkhof een gewijde plaats, waar men contact kon hebben met God, met Christus en de heiligen. De meest heilige plaats in de kerk was die dicht bij het altaar, dat vanaf het einde van de vierde eeuw verrees boven het graf van de martelaren 2010-3 vrijthof3die voor het ware geloof waren gestorven. De graftombes van martelaren trokken andere graven aan. Aan het begin van de 9de eeuw werd bij deze praktijk aangesloten, doordat sedertdien begraven in de kerken officieel was toegestaan. Maar dat was een voorrecht voor allereerst de geestelijken en daarna verdienstelijke leken, belangrijke en vermogende personen. Hoe dichter bij het altaar begraven, hoe meer men in de geur van heiligheid vertoefde, bij Christus die voor de mensheid was gestorven, maar ook hoe voornamer of rijker men was.6

Het priesterkoor, dat alleen toegankelijk was voor leden van de Duitse Orde en voor het dorpsbestuur, was als begraafplaats voorbehouden aan commandeurs. Blijkens een 18de-eeuws document zijn hier begraven: Hendrik van Eynatten (†1544), Wijnant van Eynatten († 1570), Hendrik van Holtrop († 1630) en Ambrosius van Virmundt († 1684). Ook Ulric van Hoensbroek († 1655), die de commanderij uitleverde aan de Staten-Generaal (1648-1662), en Bertram van Loë († 1712) zijn hier ter aarde besteld.7 Bij de vernieuwing van de vloer van het priesterkoor in 1952-1953 zijn deze graven aangetroffen en (alle?) geopend. Helaas is de opmetingstekening die Willem Vos sr. toen op verzoek heeft gemaakt, door de eigenaar niet ter inzage gegeven. In elk geval bleek één commandeur in zijn mantel begraven te zijn. 2010-3 vrijthof4Daarvan restten de zilverdradige biezen en het ordenskruis van de mantel en is ook het gedragen zilveren borstkruis bewaard gebleven. Behalve enkele scherven van geslepen glas zijn ook muntjes aangetroffen. Het gaat hier waarschijnlijk om een oud voorchristelijk gebruik, dat ondanks een kerkelijk verbod lang gehandhaafd is gebleven. Wat iemands eigendom is geweest komt hem volgens die oude opvattingen ook in de dood toe. Het moet in elk geval voor zijn gebruik aan de levenden worden onttrokken. Welnu, het meegeven van enkele muntstukken (later vervangen door waardeloze) is niets anders dan het afkopen van het bezit van de dode uit angst dat de dode de overlevenden niet rustig in hun bezit zal laten.8 Het is te betreuren dat alle vondsten uit die graven, op de zilverdradige stukken na, in particuliere handen zijn terechtgekomen en niet als cultureel erfgoed voor de gemeenschap behouden zijn. De zerken zelf zouden al aan het einde van de jaren twintig van de 19de eeuw uit de kerk verdwenen zijn.9

In het Gemertse dodenregister staat van enkele voorname personen vermeld dat zij ‘in templo’ begraven zijn; en dat moet dan zijn geweest in het schip van de kerk. Pater Ed. Loffeld van de Congregatie van de H. Geest noemt onder andere de ‘zeer adellijke dame’ Margaretha de Bruninx († 1664), de gelijknamige freule Maria († 1664), de weduwe van schout Walram van den Boogaert († 1673), Matthias de Becker en zijn echtgenote Justina († 1675) en Johannes Baptista († 1677), de zoon van secretaris Johannes van der Lee.10 Of in de periode 1648-1662, toen de kerk in protestantse handen was, begraving van protestanten binnen of buiten heeft plaats gehad, is gelet op hun zeer geringe aantal niet te verwachten. Was dat wel het geval geweest, dan zou de begraafplaats nadien opnieuw gewijd moeten worden, wat wel gebeurd is met het kerkgebouw, aangezien het protestantse gebruik beschouwd werd als ontheiliging. Of ooit de zojuist genoemde graven (en zerken) gevonden zijn, is een onbeantwoorde vraag. Evenmin gevonden, maar wel dankzij zijn testament bekend, is het graf van de weldoener van de armen, Godert van Werme († 1454). Hij had bij testament een hoeve aan de kerk geschonken, de Armenhoeve, waarvan een deel van de opbrengst jaarlijks verdeeld werd onder de armen. In dat testament stond ook dat op zijn sterfdag de grafzerk bedekt moest worden met een kleed, dat er brandende kaarsen bij geplaatst moesten worden en er voor zijn zieleheil werd gebeden. De armen die dan voor hem baden, konden een brood gaan halen op de Armenhoeve. Nog tot in de jaren dertig van de twintigste eeuw was deze brooduitdeling in zwang. Het graf van Godert van Werme lag volgens het testament pal voor het heilig kruisaltaar, dat zich bevond in het midden van het koorhek dat het priesterkoor afscheidde, en bestemd was voor de parochianen.11

Omdat de kerkvloer als gevolg van het begraven vaker openlag, kon het behoorlijk stinken in de kerk. Vandaar de naam ‘rijke stinker’ voor mensen die veel geld hebben. Begraven in de kerk was dan ook een gewilde inkomstenbron. Vanwege het ongemak, de stank en het onhygiënische werd aan het begin van de negentiende eeuw het begraven in de kerk echter verboden. Bij Koninklijk Besluit van 1827 was het vanaf 1 januari 1829 definitief niet meer toegestaan om de kerk nog als begraafplaats te gebruiken.

De begraafplaats buiten de kerk

Dorpelingen van gewone komaf of zonder een maatschappelijke positie van aanzien werden buiten de kerk op de dodenakker begraven. Op de kerkhoven werd (aanvankelijk) vrijwel uitsluitend de mindere begraven. Een eenvoudig houten kruisje, of een plank met enkel zijn naam was het enige dat de plaats aanwees waar de overledene rustte. Aangenomen mag worden dat Gemert hierop geen uitzondering vormde, omdat het vrij algemeen voorkwam. Die situatie bracht ook met zich mee dat na verloop van tijd vanwege het vergankelijke materiaal men niet meer wist wie2010-3 vrijthof5 en/of waar begraven lag. Bij begraving kon men op beenderen van anderen stuitten. Deze werden dan in een zogenaamd knekelhuisje bewaard. Dit hield verband met het geloof in de lichamelijke opstanding uit de dood. Knekelhuisjes kwamen meer in de steden voor vanwege de beperktere ruimte en het grotere inwonertal.12 Het kerkhof was grotendeels een grasvlakte, wat uitnodigde er vee op te laten grazen. Op een tekening van de kerk en het kasteel uit de 18de eeuw is te zien dat iemand vee drijft langs de zuidzijde van de kerk, dat kan zijn op de kerkhof of op een toen wellicht langs de gracht gelegen pad, die dan uitliep op een poort in de kerkhofmuur, te zien op een schilderij van rond 1815. De west- en oostzijde diende in elk geval als begraafplaats. Op de prent van Romein de Hooghe (1700) staat aan beide plaatsen een vermoedelijk stenen kruis. Dit kan wijzen op een zogenoemd ‘eigen graf’, wat duidde op meer welstand, en kon ook in de vorm van een zerk of monument de plaats en daaraan verbonden rechten markeren. Maar wellicht stelde de Duitse Orde beperkingen aan het begraven in de kerk.13 Weinig gewild was de noordkant van een kerk. Niet alleen omdat er maar weinig zon kwam, maar ook vanwege de bijgedachte uit vervlogen tijden dat het noorden de woonplaats was van de goden, dus heidens.14 In Gemert heeft toch ook de noordzijde van de kerk als begraafplaats gediend. De aanleg van een afgebakende begraafplaats op de kerkhof lijkt in Gemert dan ook niet het geval, althans pas in de tweede helft van de 19de eeuw is daarvan duidelijk sprake.

Omdat zowel het begraven in de kerk als op de kerkhof daarbuiten tot hindernis, stank, en onregelmatigheden leidde, werd meer en meer aangedrongen op overheidsbemoeienis, mede ook uit oogpunt van gezondheid en hygiëne. Door de inlijving van Nederland bij Frankrijk in 1810 werd hier de Franse wet van 1804 van kracht die het begraven in kerken verbood. Bovendien moesten begraafplaatsen op 35 à 40 meter buiten de bebouwde kom zijn gelegen. Goed en wel een maand na zijn terugkeer in Nederland herstelde Willem I bij Koninklijk Besluit van 24 december 1813 de oude begrafenisrechten. Wel stelde hij tevens een commissie van geneeskundigen in, die de eventuele schadelijke gevolgen hiervan moest onderzoeken. Pas in 1824 kwam een rapport gereed, waarvan de uitkomst zijn beslag kreeg in het Koninklijk Besluit van 22 augustus 1827. Het begraven in kerken was per 1 januari 1829 weer verboden en vóór die datum was elke gemeente met meer dan 1000 inwoners verplicht een openbare begraafplaats aan te leggen buiten de bebouwde kom, op een afstand van meer dan 35 meter, en moest het oude kerkhof rondom de kerk worden gesloten. Het is onduidelijk of dit tevens inhield dat daarmee alle kerkhoven nu eigendom van de burgerlijke gemeente waren. In vele opzichten liet de wet aan duidelijkheid en nauwkeurigheid te wensen over. Wat de wet in elk geval ook teweegbracht is dat sedertdien de kerken met meer vaste banken bemeubeld konden worden, omdat niet steeds de vloer voor een begraving geopend werd.152010-3 vrijthof6

De kerkhof lag ingeklemd tussen de kasteelgracht ten zuiden en de woningen en achterliggende tuinen langs de straat ten noorden van de kerk. In de behoefte aan meer ruimte voor het begraven van de overledenen kon alleen worden voorzien door grond te verwerven aan de westzijde van de kerk. Uitbreiding heeft vanaf 1828 in die richting plaatsgevonden. Een eerste aanzet ging uit van de burgerlijke gemeente, die ingevolge de wet van 1827 grond aankocht voor een nieuwe begraafplaats. Begin september 1828 keurden Gedeputeerde Staten de aankoop goed van enkele percelen grond, bestemd voor begraafplaats en een weg daarheen.16 Deze percelen lagen aan de overzijde van de zandweg (de kerkstraat) achterdoor, die liep van De Haag richting kasteelgracht en van daar in westelijke richting afboog langs de gronden van het kasteel. Deze algemene begraafplaats stond onder haar beheer en daarmee lijkt inderdaad het begraafrecht voortaan aan de burgerlijke gemeente voorbehouden. Immers begin juli 1830 bevestigen Gedeputeerde Staten het gemeentebestuur in zijn standpunt om aansluitend op de nieuwe beleidslijn geen begraving toe te staan van lijken op de oude en vervallen kerkhoven in gemeenten, “alwaar den nieuw aangelegden begraafplaatsen reeds genoegzaam ingericht zijn, om de lijken van afgestorvenen te ontvangen”. Ingevolge de gemeentelijke bepalingen van 10 juni dienaangaande noteerde het college van B&W dat op 5 juli het eerste lijk en daags daarna het tweede lijk op de nieuwe begraafplaats ter aarde was besteld. Tien jaar later werd er ondanks ernstige maatregelen, hoe ongaarne men die ook nam, nog geen gebruik gemaakt van de nieuwe begraafplaats en bleef alles bij het oude.17

In strijd met de wet wilde het kerkbestuur in 1843 toch het oude kerkhof weer in gebruik nemen. Districtcommissaris Carel Wesselman waarschuwde het kerkbestuur dat men zonder toestemming van Gedeputeerde Staten het oude kerkhof niet mocht openen. Door een handige zet, naar het schijnt, slaagde men in de opzet. Door het schoolgebouwtje in de noordwesthoek van de kerkhof af te breken voldeed de omvang van de te openen begraafplaats aan de wettelijke vereisten. Bovendien lag de begraafplaats op 35 meter afstand van de naaste woningen. Voorwaarde was wel nog dat de bomen gerooid moesten worden, de kuilen gedicht, de begraafplaats werd afgesloten met een muur of heg en onder toezicht bleef van de plaatselijke politie.18 Hoezeer de bevolking hechtte aan de eigen begraafplaatsen bleek wel kort daarna toen voor een lange reeks van jaren een deel van de nieuw aangelegde begraafplaats door de gemeente werd verpacht als grasland, telkens voor vijf jaar, ingaande maart 1850, en voor het laatst eindigend in 1917!19 En in 1852 verkocht de gemeente een perceel dat ten noorden grensde aan het goed van de weduwe van Hendrik Frunt en ten zuiden aan de katholieke begraafplaats en ten westen aanlag tegen het kerkpad.20 In 1853 kreeg jonkheer Adriaan van Riemsdijk verlof een eigen begraafplaats te mogen inrichten. Wel moest hij zelf zorgen voor een toegang over de kasteelgracht.21 De vergroting van de kerk in de jaren 1853-1854 bracht met zich mee dat de begraafplaats aan de westkant door het verlengde kerkfront en de inpandige toren te klein was. Het kerkbestuur vroeg en kreeg van de bisschop toestemming om een in 1859 een beschikbaar gekomen stuk grond te kopen (voormalig Duitse Ordegoed) van de erven Van Riemsdijk. De noodzaak om de begraafplaats te vergroten deed het kerkbestuur aan het gemeentebestuur vragen om een deel van de toegang tot het oude kerkhof, welk strookje grond van de gemeente was, te verkopen.22

De aanleg van de begraafplaatsen in de gemeente Gemert voldeed aan de nieuwe Wet op de lijkbezorging van 1869. Daarin was onder meer bepaald dat elke gemeente minstens één algemene begraafplaats had, gelegen op minstens 50 meter van de bebouwde kom.23 Dit leverde in Gemert geen problemen, wel was de verhouding tussen kerkbestuur en gemeentebestuur als beheerder van de begraafplaats niet erg duidelijk. Zo vroegen Gedeputeerde Staten aan de gemeente of de in 1874 gehouden enquête wel juist was ingevuld waar de gemeente had opgegeven dat alle begraafplaatsen onder zijn beheer vielen. En wat was een algemene rooms-katholieke begraafplaats?24 Wel heel verbaasd keek het kerkbestuur toen in 1917 bleek dat de kerk en kerkhof – abusievelijk (?) – op naam stonden van de burgerlijke gemeente.25 ”Pastoor zonder kerk te Gemert”, zo schreef pastoor L. Poell.

Zowel links als rechts van de kerk kon men naar het achterland. Aan de linkerkant, de zuidzijde van de kerk, ‘het rijke kerkhof’, leidde dit tot overlast. Men liep zo maar tussen de graven door en spelende kinderen hadden al helemaal geen aandacht voor de doden. Het kerkbestuur besloot toen een omheining aan te brengen. De bisschop gaf in 1869 toestemming om daarvoor geld uit te geven.2010-3 vrijthof7

Het nieuwe kerkhof

In 1902 werd aan de westzijde een geheel nieuwe begraafplaats aangelegd. Daarbij werden de oude begraafplaatsen aan de zuid- en de noordkant van de kerk opgeheven. Het gietijzeren hekwerk kreeg een nieuwe bestemming op de begraafplaats van de parochie De Mortel 26 In de beleving en symbolische betekenis van een begraafplaats is de nieuwe begraafplaats heel bijzonder. Vanaf het altaar in de kerk loopt een rechte lijn naar de calvarieberg in het westen. De calvarieberg is gebouwd door de firma J.A. Oor te Roermond, die ook enkele beelden leverde voor het interieur van de kerk.27

Niet alleen het kerkgebouw is georiënteerd, ook de begraafplaats past in die symboliek. Ligt het altaar op het oosten, waar Christus zal verrijzen, de begraafplaats ligt op een rechte as op het westen. Het westen staat in de beleving voor de dood, daar gaat de zon onder, terwijl aan de andere kant van de lijn, het oosten, de zon opkomt. Leven en dood zijn zo op een prachtige wijze met elkaar verbonden. De doden zijn op een enkele uitzondering na allemaal met het gezicht gekeerd naar het oosten, wachtend op het einde der tijden als zij uit hun graf zullen opstaan. Links van de calvarieberg, die het sterven van Christus in herinnering brengt, liggen priesters begraven. Vanuit het kruis gezien is dat de rechterzijde, de kant waar het hart van Christus gedacht werd en waar Maria stond. Maria is de moeder van Christus en daarmee de moeder van de Kerk. Vandaar dat aan haar zijde ook de bedienaren van de kerk zijn begraven. De kruisvorm van de hoofdpaden versterkt de sterk symbolische vormgeving van de begraafplaats. De sobere inrichting past in de afstandelijke beleving van de dood. Maar de sociale status tijdens het leven is niet vergeten. De ‘aanzienlijken’ en welgestelden liggen begraven langs de zichtlijnen, de paden van het dubbele kruis.

2010-3 vrijthof8Deze inrichting en symboliek is in de jongste tijd losgelaten. In 1992 is achter het oude kerkhof een nieuwe begraafplaats aangelegd, met een geheel eigen karakter. Daarin is ook een columbarium aangebracht, waarin de urnen, de askruiken, geplaatst worden van de gecremeerde overledenen. Crematie is pas in 1959 bij wet niet meer strafbaar gesteld, ondanks bezwaren van de kerken. De Katholieke Kerk stond pas in 1964 openlijk crematie toe.28

NOTEN:

1. J. Mertens, ‘Gemert, de parel aan de Biesense kroon’ in: T. Thelen (ed.), Soevereine Heerlijkheid Commanderij Gemert (Gemert 2009), 10-36.

2. Peter van den Elsen, De Komschool (Gemert 1978), 11, 24-25.

3. H.L. Kok, Thanatos. De geschiedenis van de Laatste Eer (Berne 2005), 69-71.

4. Begraven en begraafplaatsen, Uitgave Teleac (Utrecht 1994), 38-39.

5. Ad Otten, Elke seconde telt…400 jaar Gemertse brandweer (Gemert 1999), 3, 163.

6. Cees van Raak, Dodenakkers (Amsterdam 1995), 20-23.

7. Archief Gemeente Gemert-Bakel (AG), parochiearchief St. Jan, inv.nr. 040-241.

8. H.L. Kok, Funerair Lexicon (Maastricht 2000), 103.

9. P.C. Bloys van Treslong, Genealogische en heraldische gedenkwaardigheden in en uit de kerken der Provincie Noord-Brabant (Utrecht 1924), 197-198.

10. Gemertsche Courant, 27 november 1953.

11. Ad Otten, De vestiging van de Duitse Orde in Gemert 1200-1500 (Gemert 1987), 118-120, 150-154.

12. Thanatos, 73-78.2010-3 vrijthof9

13. Begraafplaatsen als cultuurbezit, uitgave De Terebinth (Den Haag 1992), 14-15.

14. Thanatos, 13.

15. Thanatos, 114-119.

16. AG, Gemeentearchief Gemert, inv.nr. 003-2271, diverse stukken.

17. AG, Gemeentearchief, inv.nr. 003-2272, diverse stukken.

18. AG, Parochiearchief St. Jan, inv.nr. 040-248, diverse stukken.

19. AG, Gemeentearchief, inv.nr. 003-2273, 2274, diverse stukken.

20. AG, Parochiearchief St. Jan, inv.nr. 040-248, diverse stukken.

21. AG, Gemeentearchief, Uitgaande brieven B&W, inv.nr. 002-73, nr. 363.

22. AG, Gemeentearchief, inv.nr. 003-2276, uitbreiding begraafplaats.

23. Funerair Lexicon, 320, 341; J.J. Fahrenfort en C.C. van de Graft, Dodenbezorging en cultuur (Amsterdam 1947), 73-75.

24. AG, Gemeentearchief, inv.nr. 003-2286, Staat toestand begraafplaatsen.

25. AG, Parochiearchief St. Jan, inv.nr. 040-235; Officieel Kerkbericht, 16 en 22 september 1917.

26. AG, Gemeentearchief, inv.nr. 2276-2277; Parochiearchief St. Jan, inv.nr. 040-248; Notulen Kerkbestuur, 1902; Bisschoppelijk Archief ‘s-Bosch, Ingekomen brieven, 8 januari 1903.

27. Ton Thelen en Wil van Lierop, Langs velden en wegen (Gemert2006), 61-62.

28. Funerair Lexicon, 50-53.

Bekijk PDF