GH-2004-03 678 jaar Doregraaf

Ad Otten

 

De oudste vermelding van Doregraaf dateert uit een oorkonde van 1326. Dus reken maar uit 2004 min 1326 is 678!

Die oorkonde beschrijft de met palen afgebakende rechtsgebieden van ridder Diederik van Gemert aan de ene zijde en de Commandeur van de Duitse Orde aan de andere zijde. De waterlaat Doregraaf wordt in deze Paalbrief als grens genoemd tussen de toenmalige Vrijheren van Gemert, vanaf de brug op ‘de Oude Strate totter Broeck toe’.

Dat de Oudestraat oud is, hoef je niemand te vertellen. Dat het tracé van die weg echter exact parallel blijkt te lopen aan de pas in het begin van de twintigste eeuw in onze aardkorst gevonden Peelrandbreuk intrigeert overigens iedereen. Geschiedenis zit vol verrassingen.

De nog steeds bestaande Doregraaf achter de nieuwe VMBO-school aan de St. Josephstraat blijkt als waterlossing en scheiding dus zo’n zevenhonderd jaar oud. Dat dwingt respect af. De Doregraaf is niet langer zomaar een sloot. Het graafwerk van de Dribbellei via de Groenendaal naar ’t Broek (zuidelijk van de Broekstraat) heeft indertijd veel middeleeuws zweet gekost. Spitwerk, eerst dwars door de dekzandrug waarover de Oudestraat loopt en daarna nog zo’n anderhalve kilometer door zuigende broekgronden. In het Middelnederlandsch Handwoordenboek wordt “doregraven” uitgelegd als “door graven zich ergens toegang of uitgang verschaffen”. De Doregraaf was van grote betekenis voor het in cultuur brengen van het ommeland en diende bovendien ter voorkoming van wateroverlast in het dorpscentrum. Het algemene belang blijkt uit meerdere oude archiefstukken. Vanaf de zestiende eeuw schrijven in Gemert de ‘ordonnantien vande waterlaten’ voor, dat ‘de graaf’ op tenminste acht voeten breed moet worden gehouden, op straffe van een fikse geldboete voor alle aanliggende eigenaren die daar niet aan voldoen. Dankzij deze ‘keuren en breuken’ kon er tot in de twintigste eeuw op de Doregraaf worden geschaatst en nog in 1888 was het zo’n diep water dat daarin oud-burgemeester Gerard Slits kwam te verdrinken…

In 1986 werd het voortbestaan van de Doregraaf bedreigd. Met de aanleg van de Zuid-Oostelijke randweg tussen Heitsveld en Beeksedijk zou de waterlaat in zuidelijke richting opschuiven tot aan de geplande Oost- en Zuid-Om. De oude bedding wilde men wel ongemoeid laten maar de vraag was of die dan nog toekomst had. De Doregraaf was nog slechts bij een enkeling bekend en voor het behoud van een naamloze sloot leek niemand te porren…

Onverwacht kwam er hulp. De Gemeentelijke Technische School aan de Sint Josephstraat schreef een prijsvraag uit voor een eigennaam. Ingewonnen advies bij de Heemkundekring leidde tot het voorstel de school ‘Doregraaf’ te heten. Al in oude tijden gingen namen van wegen en waterlopen over op aangrenzende gebieden of gebouwen. Dus waarom niet? En zo raakte Doregraaf weer bekend in het Gemertse land. En al loste die schoolnaam amper tien jaar later alweer op onder de nieuwe koepel Commanderij College, de vertrouwdheid met ‘doregraaf’ bleef.

En of het die vertrouwdheid is geweest? Wie zal het zeggen? Met de vorig jaar gerealiseerde nieuwbouw van de VMBO-school was er in elk geval weer aandacht ook voor een functionele en aangeklede erfscheiding aan de achterkant. In samenwerking met de gemeente lijkt zelfs de trend gezet voor het herstel van de vroegere functie van Doregraaf als waterlossing. Het overtollige regenwater – van Dribbellei tot en met VMBO-school – wordt inmiddels via de oude Doregraaf geloosd op het natuurlijk aangelegde rietvijvercomplex bij de rotonde tussen Zuid-Om en West-Om.

 

GH-2004-03 De Franse Tijd in zicht; Het Gemerts Schepenprotocol IV

Simon van Wetten

Werpt niet elke tijd haar schaduw vooruit? De Fransen waren in januari 1793 nog niet hier, maar vanuit het zuiden trok iets ondefinieerbaars over onze contreien. De lucht vulde zich met francofone timbres, de zwier van de regenboog aan het hemelgewelf kreeg de kleur van de Franse tricolore, en was daar niet het verre geluid van tromgeroffel en revolutionair gezang?

Trouwens, er waren al wel Fransen in Gemert, maar die waren juist op de vlucht voor de revolutie.

Op heden, de 22ste januari 1793, compareerde voor ons, Hendrik Strijbos en Gijsbert Verhofstadt, schepenen, en voor Godefridus Thomas Snoeckx, tweede secretaris van Gemert, meester Johan Joseph Frederick Meijer, drossaard en eerste secretaris van Gemert, en deze geeft te kennen dat mevrouwe de gravin De Banaston, thans hier in Gemert residerende, gisteren omstreeks 10 uur in de morgen aan hem een briefje heeft gegeven met de volgende inhoud:

Ik, ondergetekende, verklaar voor meester Meijer, drossaard van Gemert, vandaag – 21 januari 1793 – aan monsieur Castel, notaris te Parijs, te hebben gestuurd een blanco handtekening op papier met nationaal zegel,met een bestemming die aan de genoemde publieke officier bekend is, en die ik heb gemerkt met twee tekens. Deze merktekens zullen dienen als teken van herkenning en zullen fraude tegengaan. Deze maatregelen heb ik genomen vanwege de moeilijkheden in Frankrijk.¹

Gravin De Banaston, geef haar eens ongelijk, was naar het noorden gekomen omdat edellieden na de Franse revolutie een verhoogd risico liepen om vroegtijdig aan hun eind te komen. En nu de gravin haar leven had gered, wilde zij vervolgens ook haar bezittingen redden.

Ruim een maand later, op 1 maart, kwamen vijfentachtig Franse ruiters in Gemert aan. Op het mertveld werd een vrijheidsboom opgericht en er dansten naar verluid 1500 Gemertenaren (op een bevolking van 3500 zielen) rond die boom. Dat was dus dringen, en het bewijst dat velen redenen meenden te hebben om blij te zijn. Maar ja, de militaire situatie dwong de Fransen zich uit Brabant – en dus ook uit Gemert – terug te trekken, en de revolutionaire strijders werden nagekeken door 1500 beteuterde mensen. Beteuterd? Ja, want de dansers rond de vrijheidsboom zouden nu wel eens gezien kunnen worden als heulers met de vijand!

Andries van den Crommenakker en Andries Blox, beiden ingezetenen van Gemert, hebben op verzoek van dorpsgenoot Jan van den Crommenakker zich borg gesteld ter somma van 800 gulden, door de Hooggeboren heer Baron Van Reischach, landcommandeur van de Duitse Orde, als boete aan Jan opgelegd vanwege diens wangedrag ter gelegenheid van de aankomst van de Fransche Nationalen in Gemert. Joanna Maria Staaijakkers, weduwe van Johan van Zeeland, doet hetzelfde voor haar zoon Hendrik, die eenzelfde boete opgelegd heeft gekregen.²

De visite van de Franse ruiters was blijkbaar niet geheel schadevrij verlopen. Er was méér gebeurd dan het omzagen van een enkel (vrijheids)boompje. Landcommandeur Van Reischach stuurde een resolutie.

Resolutie op het request van de requesentanten (representanten?) van de gemeente Gemert, om tot last van de gemeente een kapitaal van 2000 gulden te negotieeren. Het geld is nodig om het deficiet te herstellen, veroorzaakt door de excessen van de Fransche Nationale krijgsbenden.³

Akkoord, héél schokkend leek dit alles zeker niet, maar de bakens werden nogmaals verzet, en de “Fransche Nationale krijgsbenden” omschreef men vanaf de laatste week van september 1794 ineens als “onze brave wapenbroeders.” Dat moest ook wel, want de Franse generaal Salme trok met zijn troepen door Gemert en resideerde vervolgens in het kasteeltje van Beek en Donk, te dichtbij voor de Gemertse burgers om een grote mond open te trekken over de nieuwe machthebbers. Tekenend is het briefje van burger Reinier van der Putten aan de leden van de Administratie over het Overwonnen Land, gevestigd in Den Bosch. Van der Putten reageerde op een publicatie met betrekking tot de “bestiering der regeringen van de onderscheiden gemeentens”. Hij wees op het feit dat J.J.F. Meijer op het naderen van onze brave wapenbroeders was gevlucht, en zijn post als drost en fungerend secretaris op schandelijke wijze had verlaten. Daarom bood Van der Putten, eertijds schepen maar in die functie geschorst vanwege zijn “patriotse en vrijheidslievende manier van denken”, zich voor de post van secretaris aan.4

En Reinier van der Putten werd aangesteld, 15 Ventôse, 3e jaar. Ventôse, dat is de Windmaand, en de 15e dag van die maand in het jaar 3 was eigenlijk 5 maart 1795. Maar de oude datering, dat mocht even niet. Er zou voorlopig een nieuwe wind gaan waaien!

NOTEN:

(eerdere afleveringen van “Het Gemerts Schepenprotocol” in: Gemerts Heem 1997, nrs. 2 en 3, en GH 2000 nr. 1.

1. R158, aktenummer 23.

2. R158, aktenummers 105+110, 18 april 1793.

3. R158, aktenummer 123, 25 mei 1793.

4. R159, aktenummer 49.

GH-2004-03 Gemertse priesterstudentenclub ‘Edward Poppe’

 

Sjef Verhoeven

Ondergetekende, Sjef Verhoeven geboren 11 maart 1924 in de Nieuwstraat te Gemert, volgde de klein-seminarie opleiding van 1937 tot 1944 op het Damiaan-college van de Paters Heilige Harten (SS.CC) te Sint Oedenrode.

Vanaf de dag dat je voor priester studeerde was je een ‘priesterstudent’ en moest je je ook als zodanig gedragen. In Gemert was het in die tijd heel duidelijk de wens van de parochiegeestelijken dat je – voor de vakantietijden, thuis bij je familie – lid hoorde te zijn van de exclusief voor priesterstudenten in Gemert opgerichte: Priesterstudentenclub ‘Edward Poppe’. De club was genoemd naar een voorbeeldige Vlaamse priester die is overleden in het jaar dat ik werd geboren. Hierna volgt een korte levensbeschrijving van deze persoon.

Biografische schets van Edward Poppe1

Edward Poppe werd geboren in december 1880 te Temse (België). Hij was de derde in een gezin van elf kinderen. Vader was bakker. Edward, een voorbeeldige leerling die uitblonk in alle vakken, wilde priester worden. Zijn vader stemde toe op voorwaarde dat hij er vooral voor het volk zou zijn. Edward studeerde in Leuven en werd op 1 mei 1916 in Gent tot priester gewijd. In deze stad werd hij kapelaan in een arme parochie die hij in korte tijd tot bloei bracht. Hij werkte ook als geestelijk adviseur te Leopoldsburg. Toen Edward ziek werd, werd hij rector bij de zusters in Moerzeke. In deze periode verandert er door toedoen van Paus Pius X nogal al wat in de kerk.

Edward wordt de bezielende leider van de zogeheten ‘Eucharistische Kruistocht’. Voor de jeugdigen schrijft hij een bijzondere catechese (“Bij de Kindervriend”). Tijdens zijn ziekte neemt hij nog tal van taken op zich. Hij was geestelijk leider van priesterstudenten die in dienst moesten en ook leidsman van de verpleegschool. Hij gold als voorbeeld voor ontelbare priesters. Na een lang ziekbed overleed hij op 10 juni 1924. Op 3 oktober 1999 is hij door paus Johannes Paulus II zalig verklaard.

Activiteiten Gemertse priesterstudentenclub

Zo’n 70 jaar voor de zaligverklaring van deze Edward Poppe werd in Gemert al een priesterstudentenclub naar deze persoon genoemd. Blijkens een aantekening van mijn broer Hein Verhoeven op de achterzijde van een portretfoto van ‘de Weleerwaarde Heer Piet van Ganzewinkel’ was Piet de eerste voorzitter en één der oprichters van de studentenclub. Piet studeerde aan de Latijnse School van Gemert van 1918-1924 en droeg op 29 juli 1931 zijn eerste H. Mis op. Drie maanden later vertrok hij naar Amerika.

Vanuit de parochie Gemert werd er een kapelaan aangewezen als geestelijk adviseur van de studentenclub. En er was ook een reglement voor de goede gang van zaken. De club stond onder leiding van een door de studenten uit de eigen leden gekozen bestuur met een voorzitter, secretaris en penningmeester. De voorzitter leidde de vergaderingen, de secretaris maakte de verslagen en de penningmeester moest zorgen voor het innen van de contributie en andere geldelijke zaken.

In de vakantietijden werd altijd wel ergens een beschikbare ruimte gevonden voor de activiteiten van de club. Eenmaal per week, op een vaste tijd, was er een bijeenkomst voor alle leden. Dan werden er plannen gemaakt en een activiteitenrooster opgesteld. In het ‘clubhuis’ kon men in de morgen- en middaguren terecht om te kaarten, te schaken of te dammen. In de grote vakantie werd van de leden verwacht dat ze bij gelegenheid van een priesterfeest het ouderlijk huis en de feestzaal van de neomist zouden versieren en in de feeststoet mee optrokken met het vaandel van de club en dat er op de receptie bij de familie van de neomist een kleine toespraak werd gehouden door hun voorzitter.

Elke vakantie had weer eigen activiteiten. Zo werd er in de kerstvakantie een extra avond georganiseerd voor de families van de studenten. In de grote vakantie werd er een bedevaart georganiseerd naar een Mariaoord. We organiseerden ook fietstochten zowel grote als kleine, maar altijd met een pick-nickgelegenheid. En ‘in’ waren we ook voor een voetbalmatch, bijvoorbeeld op Huize Padua.

Dat is wat ik me zo nog allemaal herinner van zo’n 60 tot 65 jaar geleden. In de jaren van 1937 tot 1944 heb ik volop meegedaan met alle aktiviteiten van de Gemertse priesterstudentenclub.

Van de foto uit augustus 1930, die werd afgedrukt in het laatste nummer van de jaargang 2003 van Gemerts Heem, herken ik nog bijna alle 19 koppen, ook al waren die wel allemaal vele jaren ouder dan ik. Van deze 18 Gemertse priesterstudenten zijn er 13 terug te vinden in de naamlijsten van de Latijnse School als zijnde daar afgestudeerd en priester geworden.2 Van de resterende personen (de nrs. 4, 7, 10, en 11) weet ik niet zeker of die ook op de Latijnse School studeerden. Zeker is wel dat de nr. 14 niet zoals genoemd J.van der Wijst is, maar mijn broer Marinus Verhoeven. ‘Onze’ Marinus heeft indertijd drie jaar gestudeerd in het Missiehuis van de Paters van de Heilige Geest in Weert. Hij staat op de foto naast zijn (en ook mijn) broer Hein.

Wat de naam O.N.S. zou kunnen betekenen daar weet ik niets van. De baretten van mijn broers herinner ik me nog goed ook al droegen we die in onze tijd niet meer.

NOTEN:

1. De biografische gegevens zijn ontleend aan www.heiligen.net

2. Vgl. M.H.J. Pennings, 375 Jaar Latijnse School Gemert, 1962

Noot van de redactie:

Ook Martin van Moorsel C.S.Sp reageerde op het kapittelstokje betreffende de Gemertse Priesterstudentenclub in GH2003 nr.4. Hij bevestigt in grote lijnen wat Sjef Verhoeven in het hier bovenstaande schrijft. Bovendien blijkt dan dat de traditie en evenementen van de jaren dertig in de jaren vijftig en zestig (wanneer Martin lid is van de club) nog steeds bestaan. Ook Martin heeft geen verklaring voor de afkorting O.N.S.

GH-2004-03 Gemert voor vijfhonderd jaar deel 3

 

Simon van Wetten

Een fors deel van het Gemerts schepenprotocol is inmiddels door de auteur van dit artikel getranscribeerd. De periode 1473-1696 is verwerkt, de periode 1771-1810 óók.¹ Twintigduizend minuutakten geven stuk voor stuk een fragmentje van de Gemertse geschiedenis weer. Die fragmenten kunnen op verschillende manieren en in diverse combinaties aan elkaar worden geplakt. In “Gemert voor vijfhonderd jaar” wordt het dorp, zoals het er een half millennium geleden ongeveer uit heeft gezien, in samenwerking met tekenaar Koos Brisco in beeld gebracht. Het is goed om te benadrukken dat de volgorde van objecten, gebouwen en hun bewoners heel goed en dus waarheidsgetrouw uit de eeuwenoude mededelingen van de dorpsbestuurders is te destilleren, maar dat naar de vorm van die gebouwen en objecten en hun onderlinge verhouding en afstand slechts te gissen valt. Deze derde aflevering gaat over:

De Molenstraat en de watermolen

Heeft niet elk dorp in Brabant een Molenstraat? En in hoeveel van die straten her en der staat dan nog een molen? In een tijd dat we allemaal recht van wind hebben, is het met het aantal molens droevig gesteld. En dat terwijl in het middeleeuwse Gemert – en ook in de eeuwen daarna – de Moelenstraet kon bogen op een heel haffel molens! Ga maar na, het begon al met de middeleeuwse wrijfmolen, niet ver van de hoek met de Haageik, ter zijde van de roemruchte rivier de Roeyspe, die wij, mits behorend tot een bepaalde generatie, beter kennen als de Rips. Vervolgens leidde in de bocht van de Molenstraat een breed pad naar de watermolen. Verderop passeerde de Molenstraat de Molenakker, welke akker in de hoogtijdagen van het molenbedrijf door maar liefst drie molens werd omzoomd. Van die drie was de molen op de plaats waar nu de Eendracht staat de oudste. Maar ook halverwege, ter hoogte van de Sleutelbos, heeft een molen gestaan: een rosmolen, aangedreven door 1 pk. En dicht bij de huidige Cortenbachstraat draaiden in een nog niet zó ver verleden trots de wieken van graanmolen “De Peperbus” boven een belt, achter het huidig adres St. Annastraat 7, dat toen het molenhuis was.²

Kortom, de Molenstraat heeft (had) recht op haar naam!

Wij vatten in deze aflevering post in de (binnen)bocht van de Molenstraat, en na eerst een wijle nagedacht te hebben over de zoektocht der mensheid in het algemeen en die van de Gemertenaren gedurende de afgelopen vijfhonderd jaar in het bijzonder (blik dus op oneindig) herpakken wij ons en zien we tussen twee huizen door de watermolen, nog in bedrijf en in volle glorie.

Tot wanneer is de watermolen in bedrijf geweest? Welaan, in 1544 werden de molens van Gemert, óók de watermolen, opnieuw verpacht:

Heer Hanrick van Eijnatten, commandeur des huijs van Gemert, heeft verpacht en verhuurd twee windmolens en een watermolen en een rosmolen, aan Dierck Hanrick Diercks soen die Molder en diens zoon Bartholomeus, voor de tijd van zes jaar (maar tussentijds, na drie jaar, opzegbaar).

Pachtsom: elk jaar 64 mud rogge en 6 Rijnsguldens. Bovendien moet al het koren dat het huijs van Gemert toebehoort, zonder molster (=maalloon) worden gemaald.

Onderhoud en reparaties van het binnenwerk, het camrutsel, sceef en cups dienen door de pachter te geschieden. Mocht een molen voor onderhoud stilstaan en is een andere molen ganckachtig, dan moet er daar meer worden gemalen. De molder dient te waken voor storm en brandschade. Is het aan zijn nalatigheid te wijten dat de molens zouden verongelukken, dan is hij voor de reparatie aansprakelijk.³

Tot die tijd en wellicht ook nog wel daarna werd de hele omgeving in naamgeving en inrichting door de aanwezigheid van de watermolen beïnvloed. Zelfs dit laatste werkwoord past bij de watermolen! Achter de molen, langs de Beverdijk, lag de Vloed; daar strekte zich het ‘stuwmeer’ uit, het bassin waar het Ripswater opgespaard werd totdat de mulder de tijd rijp achtte om het schot van de watergang bij het rad omhoog te trekken en daarmee het hele mechanisme van de molen in werking te zetten. En de ferme watermassa die dan ‘naar beneden’ kwam noopte het dorpsbestuur tot het laten bouwen van een hoge brug, honderdvijftig meter stroomafwaarts, daar waar de Rips de Haageik kruiste.4 Daarnaast was er in dit stukje Gemert – zo’n 200 bij 70 meter – sprake van sluisjes, dijken, dijkoverlaten, sloten, het Molenwiel en afwateringsgracht De Rijt. Ook de namen van de huizen en velden werden ingegeven door de aanwezigheid van de watermolen en de Vloed. De hoeve Ter Watermolen in de Haageik, de Vloedakker, de Waterbeemd en de Itterman zijn daar voorbeelden van.5

In 1559 en 1560 werd het woord ‘watermolen’ nog twee keer aan het schepenprotocol toevertrouwd: akkerland omtrent de watermolen neven het Molenwiel en een stuk land aan de watermolen over ’t Berchsken.6 Ook in januari 1581 werden de watermolen, de Rips, ’s Heerenvloet, de Rijt en de sluis in één adem (lees: één akte) genoemd, maar dat is natuurlijk geen garantie dat de molen nog in bedrijf was.7

In 1616 verkocht commandeur Hendrik van Holtrop een huis en hof geheten den Waterbempt, met het akkerland daarbij geheten den Itterman. In de belending worden “de grave met de wal” en “de Rups” genoemd. In deze akte werd ook herinnerd aan het recht dat bij dit huis hoorde, namelijk om “water van de molengraeff naar de Rups af te halen naar de sloot neven den Itterman”.8 Kortom, als de watermolen toen nog zijn plaats in het landschap had gehad, dan zou hij in deze omschrijving eigenlijk wel een plekje verdiend hebben. Het is daarom niet zó’n boude veronderstelling dat de watermolen tussen 1581 en 1616 is afgebroken. De resten en fundamenten hebben vervolgens vierhonderd jaar liggen wachten totdat zij werden opgegraven.9

Op de bijgaande tekening kijken wij tussen twee huizen door. De Domhof links en de Waterbeemd rechts.

Nog een huis aan het pad naar de watermolen

Als je naar de belendingen kijkt die bij elke transactie rond het huis met de naam “Waterbeemd” worden opgesomd, dan wisselen de namen van de eigenaren van de belendende percelen nog wel eens! En ook vaste gegevens, zoals de Molenstraat, de watermolen, de Rips en het molenwiel worden dan weer wel en dan weer niet genoemd. Na heel veel puzzelwerk en telkens weer van voren af aan beginnen komen we uiteindelijk tot de conclusie dat er achter de Waterbeemd aan het Molenpad nog een tweede huis gestaan moet hebben en dat even verderop in de Molenstraat (richting Handel) ook nog twee huizen of hoeven gestaan moeten hebben.

Bij het huis “de Waterbeemd” (1):

De familie die haar achternaam aan dit huis te danken had, kan Gherit Arts (alias van de Waterbeemd) als stamvader aanduiden. Hij zwaaide de scepter in de Waterbeemd in de laatste dertig jaar van de 15e eeuw. Gherits dochter Heijlwich was in 1532 de eigenaresse van “het huijs aan de watermoelen”. Het lijkt erop dat er tussentijds een erfsplitsing moet hebben plaatsgevonden, en dat er naast de Waterbeemd maar een eindweegs verder de Molenstraat in ook een huis gestaan moet hebben met een poort etcetera die in vroeger tijden eigendom was van de familie Van Gemert, en waarin ‘nu’ – in 1532 – het gezin van Jan van de Nuwenhuys woonde.10 Dit huis was “dat goet ter Watermolen”, dat niet verward moet worden met ‘de hoeve ter Watermolen’ in de Haageik ter hoogte van de plaats waar nu apotheker Lindner is gevestigd. Het is niet verwonderlijk als het u nu wat begint te duizelen. Maar het ligt echt niet aan u. Ik sleep u vanaf hier mee in een welhaast onontwarbare kluwen van gegevens en ik kan u alleen maar sterkte wensen.

Het nichtje van Heijlwich, Catelijn dochter van Claes van de Waterbeemd, bewoonde in 1543 het “huijs omtrent de watermoelen”, waarbij aan de belending valt af te lezen dat het hetzelfde huis is als dat van tante Heijlwich elf jaar eerder.11

Het is die belending die ons houvast biedt. De buren wisselen, maar de “gemeijnsteegh” (= het pad naar de watermolen) en de “gemeijn- of Moelenstraet” bewijzen dat dit huis in de vork van het pad en de Molenstraat moet hebben gestaan, op de plaats die wij kennen als het pand Kuppens – ook al gaat die naam niet meer op.12

Bij het huis “aan de Watermoelen”, de Domhoef (2):

In 1488 was Jan Claes die Cremer de eigenaar van het “huijs aen den Watermoelen”. Het stond links van het pad naar de watermolen, want de belending wordt beschreven als: neven die Rops, des heerenerf en het molenwiel.

In 1517 werd dit huis voor het eerst “Domhoef” genoemd: De provisoren der Tafel van de H. Geest verkopen aan Jan Claes Mijssen en aan Hillegont Cornelis Vogels dochter een huis en hof bij de watermoelen, geheten den Domhoef, neven die Royspe, de weg waarover men naar de watermolen gaat, den Molenwiel en dat Sandervoirt. (Is “Sandervoirt” de oude benaming voor de Molenstraat?)

In tweeëntwintig jaar tijd verwisselde het huis nog drie keer van eigenaar. Klompenmaker Jan Claes Mijssen verkocht het aan Hanrick Goessen Clercks, die op zijn beurt de Domhoef overdeed aan Hanrick Jan Berchs, en die sloot de navolgende “deal” met Noeij Goessen Clercks:

Noeij Goessen Clercks soen heeft gepacht en gehuurd van Hanrick Jan Berchs een hostat geheten den Domhoef, voor de tijd van zes jaar. Pachtsom: elk jaar een sester rogge, te betalen aan de pastoor van Gemert. Ook nog 2 Rijnsguldens per jaar, en bovendien zal Noeij een huis zetten op die grond. Het huis zal dan op een goede manier geschat worden en de waarde wordt afgetrokken van de huurprijs.

Nieuwbouw dus, in 1539. Blijkbaar nodig. De Domhoef was op dat moment nog slechts een ho(f)stat, een leeg erf, waar voorheen een woning stond.13

Bij het huis aan de watermolen, de Ytterman ofte Helle(3):

In 1532 verkocht Marij Jan Everets, met “de alde brieve”, een huis en hof aan die Watermoelen geheten die Helle, neven een gemeijnsteeg, erve Jan Nuwenhuys, erve Heijlke van de Waterbempt en die Ruepse. De nieuwe eigenaar heette Gheret Jans van Zoemeren.14 De oude brieven waarvan sprake is, impliceren dat dit huis er al een tijd stónd. “Die Helle” is het gebied dat de overgang vormde van de watermolenomgeving naar het Molenbroek.

Dit huis krijgt spoedig daarna in de minuutakten van het schepenprotocol de naam “de Itterman” mee.

Ariaen Claes Wouters heeft met alde brieven verkocht aan Aert Aerts van den Hilecker een huis, schuur en erf te Gemert in die Helle neven erve Jan van den Nuwenhuijs, een steghe, die Ruespe en erve Lijn Claes. 13 november 1545

Jan Gherets Verhoeven, in zijn volle bedde, heeft overgegeven aan Ariaen Claes Wouters een jaarlijkse cijns van 9 Rijnsgulden en 11 stuivers uit een huis, hof en erf geheten den Ytterman. 13 nov. 1545 (veranderd in: 27 juni 1551)

Marij en Luijtgard, dochters van Jan van den Nuwenhuijs, erven van hun vader een huis, hof, schuur, bakhuis en erf, waarin vader Jan en zijn vrouw Heijlwig zijn gestorven, behalve die grote camer metten hoefken ende den solder daarboven gelegen, geheten dat goed ter Watermolen, gelegen langs den Ytterman, erve Grietken Theuwens, die Moelenstraet en de brede graeff aan den Ytterman. 19 april 1550

Aert Aerts soen van den Hijlecker, in zijn volle bedde, heeft met alde brieven verkocht aan Jan Gherets soen Verhoeven een huis, hof, schuur en erf te Gemert geheten den Ytterman, neven erve der kinderen Jan van den Nuwenhuijs, een steghe, de Ruespe en erve Lijn Claes. 26 juni 1551

Uit de geciteerde vier akten blijkt dat het huis “in die Helle” hetzelfde is als het huis met de naam “de Itterman”, en dat het huis “de Waterbeemd” hier impliciet naast “dat goed ter Watermolen” wordt genoemd, want Lijn Claes uit de belending is ongetwijfeld Catelijn dochter van Claes (en de bewoonster) van de Waterbeemd.15

Is het al te wild te opperen dat de Itterman een afsplitsing van de Waterbeemd moet zijn geweest en aan de Molenpad achter de Waterbeemd moet worden gesitueerd? De belendingen en eigenaren in de geciteerde akten lijken dan op hun plaats te vallen…

BIJ DE TEKENING VAN KOOS BRISCO

De tekenaar staat in de Molenstraat anno 1500, en ziet in de doorkijk tussen de Domhoef (links) en de Waterbeemd (rechts) in de verte de watermolen. Een vermoedelijk achter de Waterbeemd gelegen huis, mogelijk het achterhuis, later bekend als de Itterman, blijft in deze tekening buiten beeld evenals het een eindweegs verder in de Molenstraat gelegen “Goet ter watermolen”.

VERANTWOORDING

Zoals reeds in de inleiding gesteld: de mededelingen van de dorpsbestuurders van weleer staan als een huis. Maar of de huizen op de tekening er ook staan zoals ze destijds stonden…?

Om die reden is een “denktank” van vier personen ingesteld om de onderlinge kennis uit te wisselen en op die wijze te trachten zo dicht mogelijk bij de waarheid van toen te geraken. Mijn dank gaat daarom wederom uit naar Koos Brisco, Ad Otten en Jan Timmers.

Eerdere artikelen over de omgeving van de watermolen zijn verschenen in Gemerts Heem 1985, p. 42-55 (Ad Otten, Watermolen en Beverdijk), in GH 1998-4 (een themanummer over de watermolen), en in GH 2003-3 (waarin aandacht voor de “Hoeve ter Watermolen”)

NOTEN:

1. Het oudste protocol in het Rechterlijk Archief (zo worden de boeken van de schepenen genoemd) dateert van 1473. In 1810 hield de schepenbank op te bestaan en werd vervangen door een vorm van gemeentebestuur zoals wij die nu nog kennen.

2. Tot een zestig jaar geleden maakte de St. Annastraat nog deel uit van de Molenstraat.

3. R105-264

4. Zie de eerste aflevering van deze serie, in GH 2003-3.

5. Itteren is in Middelnederlands: herhalen, repeteren, vloeien. Herhaaldelijke overstromingen?

6. R107-70 en 170

7. R110-1155

8. R113-352

9. Zie GH 1998-4: een themanummer gewijd aan de opgraving van de watermolen.

10. Aan het eind van de 15e eeuw werden Jan van Gemert (“daarvoor Dyrck van Gemert”) en Godert van Gemert aangeduid als de vroegere eigenaren van “de Waterbeemd”. Vervolgens verkocht Jacop van de Hugevoert, weduwnaar van Lijsbet, de dochter van Jan van Gemert, een “huijs, hof met wijer in de Moelenstraet” aan Jan van de Nuwenhuys, in juni 1505. (Zie R98-23 en R99-538).

11. Het huijs aan of omtrent de Watermoelen moet niet worden verward met de hoeve Ter Watermoelen, die in de Haageik stond, en die is besproken in de eerste aflevering van deze serie, in GH 2003-3.

12. De serie akten die de bewijsvoering rond het huis “de Waterbeemd” inhoud geven: R95-28+89, R96-15+19+311, R98-23, R99-44+384+538+700, R103-248+426, R105-94.

13. De serie akten die de bewijsvoering rond het huis “de Domhoef” inhoud geven: R97-136, R100-239, R103-105+106+140+187, R104-249.

14. R103-118.

15. R105-400+401+830+963.

GH-2004-03 Holle wegen en de vorm van oude akkers

 

Jan Timmers

Oude akkers hebben als kenmerk dat ze in de loop van de eeuwen dat ze in gebruik zijn geweest, langzaam werden opgehoogd met allerlei vormen van organisch materiaal, veelal vermengd met zand. Deze manier van bemesten heeft er voor gezorgd dat een dikke zwartgrijze eerdlaag ontstond met een dikte van soms meer dan een meter. Langzaam groeide de akker omhoog, maar niet overal even veel.

De randen van oude akkercomplexen komen voor in verschillende vormen. De meest voorkomende vorm is dat de hoogte van de akker naar de rand toe langzaam minder wordt. Hierdoor ontstaat een bolle vorm. Dat is de reden dat oude akkers heel vaak bolle akkers worden genoemd. De randen van deze akkers kenmerken zich dus in feite door het ontbreken van een direct zichtbare grens. De akkerrand is even hoog als het aangrenzende wegdek.

Op andere plaatsen bestaat de rand van de akker uit een zogenaamde steilrand. Een zichtbare terreintrede die in het ene geval slechts een hoogte van nog geen halve meter heeft, maar in sommige gevallen meer dan 1 meter bedraagt. De akker is in de loop van de tijd verhoogd helemaal tot aan de rand van de akker toe. Tegelijkertijd werd vaak op het gebied dat juist aan de akker grensde jarenlang allerlei organisch materiaal verzameld voor de mestbereiding. Soms werd dat gebied zelfs afgeplagd. Daardoor is dat terrein steeds lager komen liggen. Door het verhogen van de akker en tegelijkertijd het verlagen van het aangrenzend gebied zijn de steilranden ontstaan.

Bij sommige akkercomplexen zien we beide vormen tegelijkertijd optreden. De akkers hebben in zijn geheel een bolle vorm, terwijl de randen soms gedeeltelijk bestaan uit steilranden.

De hogere steilranden waren begroeid met hakhout. Hierdoor werd het zand en daarmee de steilrand zelf op zijn plaats gehouden. Door de aanplant van het hakhout trad geen of nauwelijks erosie op. Juist hierdoor kon de steilrand aanzienlijke hoogten bereiken. Deze hakhoutranden zijn op diverse plaatsen in de gemeente Gemert-Bakel nog aanwezig. Het hakhout wordt niet meer onderhouden, dat wil zeggen, niet meer regelmatig gekapt, zodat de begroeiing nu is doorgegroeid tot bomen. De nog aanwezige stobben verraden echter de oorspronkelijke hakhoutfunctie. Soms is de begroeiing van de steilrand verdwenen, waardoor de laatste decennia alsnog erosie en soms zelfs egalisatie is opgetreden.

Holle wegen

Op sommige plaatsen, waar oude akkers in de directe nabijheid van elkaar liggen, resulteerde het bovenomschreven verschijnsel in het ontstaan van lager gelegen terreintjes en holle wegen tussen twee akkers. Bij een holle weg liggen aan weerszijden oude akkers, die langzaam hoger werden, terwijl de weg zelf door het afplaggen steeds lager kwam te liggen. Soms heeft alleen het beginstuk van een weg het karakter van een holle weg. De weg loopt dan langzaam omhoog tot op het akkerniveau en loopt dan verder over de akker door.

De Belgische historisch-geograaf Dussart bracht vlak na de tweede wereldoorlog een tijd in Bakel en Milheeze door en beschreef het landschap dat hij zag nauwkeurig. Hij geeft een bijzonder fraaie omschrijving van steilranden en holle wegen, op basis van wat hij in 1947 zelf zag en hoorde van de bewoners van Bakel. Citaat:1

“De wegen die langs de velden lopen – en soms ook die er dwars doorheen gaan – (zoals de Akkerweg in het zuiden van Milheeze) – zijn diep uitgehold, soms 2 à 3 meter lager liggend. Elders scheidt een merkbare onderbreking in de lichte helling de “akker” van de weilanden, welke zich op een lager niveau uitstrekken (Benthem).

Het hoog gelegen niveau van de akkers is het duidelijkst zichtbaar waar de bewoners de randen uitgegraven hebben en een verticale wand aanbrachten (bijv. op verschillende plaatsen in Milheeze). Daar hebben wij de buitengewone dikte van de grondlaag kunnen vaststellen: meer dan 60 cm en vaak nog dikker tot bijna 1 meter. De dikte van deze grondlaag heeft echter niets ongewoons. Men kent het oude systeem van bemesting dat in de zanderige gebieden van West-Europa in zwang was. Het strooisel in de stallen bestond hoofdzakelijk uit graskluiten uit de heide. Het doel hiervan was om zoveel mogelijk mest te verkrijgen, die zeer vruchtbaar was dankzij de plantaardige organische stoffen en de humus in de graskluiten.”

In een voetnoot voegt Dussart nog toe: “Men heeft ons verzekerd dat zij (de steilranden, JT) te wijten zijn aan het af en toe wegnemen van aarde, die vroeger als strooisel in de schaapskooi gebruikt werd.”

De steilranden ten zuiden van Milheeze en ook aan de zuidkant van Bakel zijn nagenoeg allemaal verdwenen. In Bakel kennen we nog steilranden op Geneneind, Nuyeneind en Benthem. In Gemert zien we een dergelijke steilrand als begrenzing van de akker van de middeleeuwse hoeve Nieuwenhuizen op Milschot.

Een gedetailleerde inventarisatie van nog aanwezige steilranden, maar ook van verdwenen steilranden zou wenselijk zijn. Sommige steilranden hebben een zodanige hoogte dat ze op de grootschalige topografische kaart van Nederland worden aangegeven. Voor de meeste geldt dat echter niet. Steilranden en holle wegen als begrenzing van oude akkers komen nauwelijks meer in Noord-Brabant voor. Ondanks het verdwijnen van steilranden en holle wegen, vormt Gemert, maar vooral Bakel een positieve uitzondering. Behoud en herstel van deze cultuurhistorisch zo waardevolle landschapselementen is noodzakelijk.

Afmeting van oude akkers

Over het ontstaan van oude akkers en hun voorgeschiedenis is in Gemerts Heem al eerder geschreven.2 De dikke zwarte eerdlaag (het esdek) die in de loop der tijd op een akker is opgebracht, blijkt niet overal even dik te zijn. Het oorspronkelijk oppervlak waarop de akkers destijd werden aangelegd, bezat veel meer reliëf dan nu zichtbaar is. De ophogingen van de akker hadden kennelijk niet alleen als doel om humusrijke grond aan te voeren, maar ook om voorkomende laagtes op te vullen en op die manier de akker als geheel te egaliseren.

In afbeelding 2 is schematisch aangegeven hoe grote akkercomplexen in de loop der eeuwen zijn gegroeid3. In de vroege Middeleeuwen werden de hoogste delen van het landschap bewoond en ontgonnen tot kleine akkers. In de late Middeleeuwen verdween de bewoning naar lager gelegen gronden en werden op de hoger gelegen delen de oudste nog relatief kleine akkers aangelegd. De percelen op de akkers waren niet omgeven met bomen of struiken, maar de akker als geheel wel, om te voorkomen dat loslopend vee en wild de oogst beschadigde. De oude akkers, omgeven door houtwallen, lagen soms dicht bij elkaar, slechts van elkaar gescheiden door een brede strook lager gelegen grond met vaak daarop een pad of weg. Aan de noordkant van Bakel op Geneneind treffen we nu nog een dergelijk patroon van relatief kleine akkers aan, elk afzonderlijk gekenmerkt door de bolle vorm of door een begrenzing in de vorm van begroeide steilranden.

Op andere plaatsen werden in de loop van de tijd ook de lagere delen tussen de afzonderlijke akkers opgehoogd en opgevuld. De begroeiing verdween en meerdere kleine akkers groeiden aan elkaar tot één groot akkercomplex. Ook op het uiteindelijke akkercomplex waren geen zichtbare perceelsscheidingen aanwezig in de vorm van sloten, heggen of houtwallen.

We komen tot de conclusie dat het ontstaan van de akkers niet zo’n constant en uniform ontwikkelingsproces is geweest dan tot voor kort werd verondersteld. Het “groeien” van de akker, zowel in hoogte als in omvang, is met horten en stoten tot stand gekomen. Net als bij zoveel andere historische ontwikkelingen is er sprake van een dynamisch proces dat door allerlei omstandigheden, afhankelijk van plaats en tijd, soms juist wel, anders juist niet werd gestimuleerd.

Een andere conclusie is dat oude akkers geen uniform uiterlijk hebben. Ze dragen de kenmerken van hun eigen ontstaansgeschiedenis met zich mee. Sommige akkers zijn bol, andere minder, sommige akkers zijn groot andere veel kleiner. Vaak worden juist de grote akkercomplexen gezien als het meest waardevol in cultuurhistorische zin. De kleinere akkers daarentegen, zeker als ze in elkaars nabijheid liggen, vertellen vaak meer over hun ontstaan en roepen meer dan de grote akkercomplexen het beeld op van het laat Middeleeuwse landschap.

NOTEN:

1. F. Dussart, Structure agraire et paysages ruraux dans la commune de Bakel (Brabant Septentrional), Luik 1947. Speciaal voor burgemeester en wethouders van de gemeente Bakel en Milheeze liet Dussart een vertaling uittypen, “met oprechte dank voor de verleende hulp”. Uit deze vertaling is geciteerd.

2. Jan Timmers, Cultuurhistorische en archeologische waarden van oude akkers, Gemerts Heem 1994, nr 3, blz 77-86

3. Chris de Bont, ‘…al het merkwaardige in bonte afwisseling…’, Een historische geografie van Midden- en Oost-Brabant, Bijdragen tot de geschiedenis van het Brabants Heem deel 36, Waalre, 1993, pagina 80.

GH-2004-03 Gedoentjes in de Paandeler roond 1930 (1)

 

Toon van Zeeland

(dialectspelling W.J. Vos)

Ik bén geborre in de Paandelaorse Kampe, nummer A 171. Swèrres ginge waj aald aachterdùr óvver pèdjes no de kéérk èn de Kómskool. Elaën sóndes kwaome waj óp d’n hárde wég as we no de kéérk òf no de lírreng ginge. Uurst ging ’t óvver ’n slingerend pèdje mí viejr hákse bóchte. As sommers án wírskante de korrevèèlde gòlfde, wás ’t nèt òf we – krèk as Moozes – dùr de Rooj Zaë liejpe.

’t Uurste bedrejf wás de kefee van Piet Línders èn z’n Tooj. Dè hiejt “de Fállie”. Áchter de kefee han ze daor ok nòg ’n handboogskiejterééj, “Doele Hulstkamp”. As bajverdienste han ze nòg ‘ne groute kírzenboogerd.

’n Bietje wejter lág ’t gedoentje van de Gebroeders Vòs. Willem wás d’n ársietékt, Jakòb lajde d’n timmerwinkel, Sjèf wás de mètselaor èn Mies d’n uuperman. Jan, d’n awdste, de koolenboewr, uuperde ok mee as ie ’t nie te druk ha mí de koole. Baj mínne weet waor haj ok d’n uurste mí ’n spèrzievèld.

Dan liejpe we vùrbaj d’n Aojversnéést (’n stuk òf viejr èrbèèrsheuskes tusse de Vòsse èn de boerderééj van Verhòfstadte èn dan krèk óvver ’t Lùpke lág de klómpemaokerééj van Jaones va Skejndel (“de Fladder”).

Iejt wejter stón ónder ‘ne kestánjenbom aald ’n gaël outobus van de gebroeders Manders. Vòlges de geruchte waore dè leej van de Òsse bènde. Dortíggenóvver stón ‘nen blòk van vééjf kléén wùnnengskes. In aën ‘rvan ha Pawke Verhees ’n tebákskèrverééj, “De Valkenier”. Vùrbaj ’t lééste haojs van diejen blòk liejp ’n haël smaal pèdje no de meule in de Deel.

Wor naw de Paandelerskool stí, lág vruuger ’n wielerbaon. Èn dan kwam de kefee van Kís “Vòs” (van de Vossenberg), “’t Vòssekamp”. Dè wás aën van de waajnege kefees mí ‘nen tenaëlzaol. Ópzééj, án de kant van de wielerbaon (naw Paandelerskool) han ze ok nòg ’n bákkerééj.

In ’t vòlgend heuske án dezèlfde kant hadde de taojswaëverééj van Driek Pénnengs. In ’t lééste heuske van dien blòk van viejr zaot Drieka “d’n Brèsser” mí ’n gruuntewinkelke. Látter hé ze nòg laang in ’n rééj wùnnengskes án d’n óvverkant gewond èn winkel gehaawe, in ’n heuske nívve Jan d’n Braower, tíggenóver de Paandelerskool.

Naw gon we wír no rèchs èn kòmme dan baj de mánnuufáktuurezaok van Poules Baow. Dornaëve hadde de gruuntewinkel van Van Skejndel, ok wél “d’n Tejk” gehaajte. Hullie-jen buurman wás “de Nílles” mí z’n kópperslaagerééj. Èn ’t lééste bedrejf wás de maandemaokerééj van Jehan van Dómmele.

Ik wil ok nòg ’n pár bedrejfkes nuujme die Riek Dónkers-van d’n Èkker vergaëten is. Nívve de gruuntewinkel van de daames Mikkers hadde de pòtten- èn pannenwinkel van “d’n Ejzeren Bòl”. ’n Pár dùrre wejter wás de tebákswinkel van Theo van Schijndel (òfwél “d’n Hèèj”). Ik gelaojf dè alle Van Skejndels wél ‘nen bajnaom han, anders kaosde ze nie aojt mekaor haawe. Haj ging ‘r iederen dág zèèlf mí de fiets óp aojt um z’n waor án de man te brénge. Óp aën van die tòchte is ie jammerlek veróngelukt.

Wír wa wejter wonde Anna Fleskens (“de Flés”). Ze ha tebákswaore èn snoep. Bovve de deur hing ’n wónderlek reklaomebòrd. As ge van de kant van de kéérk kwaampt, laosde d’róp in rooj létters: “In uw pijp”. As ge d’r rèècht vùr stoond, stón ‘r in witte létters: “Ster Tabak” èn as ge dan vùrbaj waort èn umkeekt, stón ‘r in blaow létters: “Rookgenot”. As waj sóndes aojt de kéérk kwaome, mönde waj daor vùr ‘ne sènt gon koupe. Dè wás aald ‘tzèlfde: ‘ne sjeklaoden bròk. Die zaote in ’n groute kertónnen dous, afgedékt mí ’n gummie vèl mí ’n sneej ‘rin. Dor kaoste krèk mí oew haand dùr um ‘r ínnen aojt te vatte. Dè waor spannend want af èn toew viejte ‘r ínne mí ’n sejfer án d’n ónderkant èn dan hadde prejs.

Iejt wejter wonde de Bubbelkes mí d’r kante mutse. In de Niewstraot wonden ok nòg Smulders mí z’n klírmaokerééj. Èn in de Kérkstraot miste ik nòg Maggezejn “t Skaop” èn tíggenóvver Dientje Wejn zaot Dientje Verhaage mí ‘ne winkel in haojshawdeleke ártiekele.

1. Dit verhaal is een vervolg en een aanvulling op Riek Donkers-van den Acker: ‘Óp èn nír no de skool’, in: Gemerts Heem, jg. 43, 2001, nr. 4, blz. 6-11.

GH-2004-03 Jan van Dooren eerste Gemertse ‘pater van de Heilige Geest’

Jan Brouwers

Voorafgaand aan het onlangs gehouden jubileum ’90 jaren Paters van de Heilige Geest in Gemert’ werd in het Gemerts Nieuwsblad gevraagd of er onder de inwoners van Gemert misschien nog oude foto’s waren voor het houden van een tentoonstelling op het kasteel. Ook ik heb een oude foto ingestuurd die ik met dit artikeltje nader wil toelichten. Het is een foto uit 1915 of misschien begin 1916 gemaakt bij gelegenheid van het priesterfeest van Jan van Dooren, pater van de Heilige Geest en een neef van mijn moeder (Antonia Brouwers-Verschuren). Deze foto is bij ons thuis altijd zorgvuldig bewaard omdat hierop ook mijn vader (Piet Brouwers) staat die reeds in 1931 kwam te overlijden en waarvan we bij ons verder geen enkele andere afbeelding bezaten.

Wie was pater Jan van Dooren? Jan was een zoon van de in 1855 op Keizerbosch aan de Oudestraat in Gemert geboren Driek van Dooren. Driek heeft het vermoedelijk nooit zien zitten om boer te worden. Hij kocht althans op een openbare veiling in Gemert het huis met bakkerij Binderseind 3. Of hij daar ter plaatse ook brood heeft gebakken is niet bekend maar wel weten we dat hij na zijn huwelijk op 27-1-1891 met Maria de Greef naar Mierlo is verhuisd waar hij werd ingeschreven als bakker en herbergier. Nog net in het jaar van hun huwelijk werd op 17 december 1891, hun zoon Jan geboren. Jan verhuisde op jonge leeftijd vanuit Mierlo naar zijn familie in Gemert. Zijn moeder was vroeg gestorven en Jan wilde bovendien priester worden. Hij studeerde in Gemert aan de Latijnse School en was bij mijn moeders thuis, de familie Verschuren-van Dooren in de Pandelaar, in de kost. Na met succes de Latijnse School te hebben gevolgd ging Jan in 1910 naar het noviciaat en vervolgens het grootseminarie van de Congregatie van de Heilige Geest in Chevilly (Frankrijk). Na het uitbreken van de Eerste Wereldoorlog, waarin zowel Frankrijk als België betrokken raakten, kwam Jan van Dooren in de herfst van 1914 met de eerste groep priesterstudenten van de Heilige Geest naar het hem van jongsaf al vertrouwde Gemert. Met zijn medestudenten en onder de hoede van pater Luttenbacher vestigde hij zich op de verdieping van het toenmalige patronaat in de Bonengang. Omdat hij de priesteropleiding al grotendeels had afgerond is hij niet zo lang in Gemert gebleven. Al op 28 october 1915 werd hij in Langonnet (Bretagne-Frankrijk) tot priester gewijd. Kort daarna moet hij met zijn familie in Mierlo zijn priesterfeest hebben gevierd. Toen moet ook de hierbij afgedrukte familiefoto zijn gemaakt. In de zomer van 1916 volgt zijn toewijding aan het Apostolaat waarna de jonge pater drie jaar werkzaam is als sub-magister aan de broederopleiding van de congregatie in Baarle-Nassau.1 Ruim een jaar na de beëindiging van de Eerste Wereldoorlog wordt hem een missiepost in het vooruitzicht gesteld in de onder Frans toezicht geplaatste voormalige Duitse kolonie Kameroen. Op 9 januari 1920 vertrekt hij vanuit Bordeaux met de boot “Afrique” naar zijn missiegebied in Afrika. Het schip is daar echter nooit aangekomen. Nog in de Golf van Biskaye kwam het met 599 passagiers aan boord, in een zware storm terecht. De Afrique raakte uit koers en sloeg op de rotsen. Het moet een drama zijn geweest. ’s Nachts in diepe duisternis. Jan van Dooren was niet de enige geestelijke aan boord. Ze waren met 17 leden van de Congregatie van de Heilige Geest waaronder ook bisschop, mgr. Hyacinthe Jalabert. Ze zijn allemaal omgekomen. De verslagenheid bij de congregatie maar ook ‘bij ons’ in de familie was groot. Mijn moeder is er haar hele leven over blijven vertellen.

Het hele verhaal van de scheepsramp is gepubliceerd in de Bode van den Heilige Geest onder de kop “Het vergaan der mailboot Afrique”.2

Als de paters hun 90-jarig jubileum niet hadden gevierd zou bovenstaand verhaal vermoedelijk nooit meer boven water zijn gekomen. Op het kerkhof van het kasteel staat een gedenksteen van pater Jan van Dooren. Deze al te vroegtijdig omgekomen neef van mijn moeder was voor zover ik heb begrepen de eerste ‘Gemertse’ pater van de Heilige Geest.

NOOT:

1. Met dank aan pater Martin Wilson, archivaris op het kasteel, voor alle informatie.

2. De Bode van de H. Geest, Weert, jaargang 1920, blz.61-62, blz. 84-91.

GH-2004-04 Twee verschillende “Millen” bij Milschot en Milheeze

 

Jan Timmers

De herkomst en betekenis van plaatsnamen blijft een interessant onderwerp. Bijna elke dorpsgeschiedenis begint met de naam van het dorp en de betekenis van die plaatsnaam. In oude publicaties werd daarover veel gefantaseerd. Als de naam of soms alleen de klank ervan overeenkomst vertoonde met bestaande woorden, dan was de naamsverklaring al snel gegeven. Inmiddels is bekend dat die naamsverklaringen niet altijd even correct zijn. Het beste uitgangspunt bij de verklaring van namen is om allereerst na te gaan hoe de plaatsnaam in het verleden werd uitgesproken en werd geschreven. Die oude vorm levert vaak betere verklaringen op. Een voorbeeld betreft de namen Milschot en Milheeze. Op het eerste gezicht zou je geneigd zijn om ervan uit te gaan dat het onderdeel “mil-“, het eerste deel van deze twee namen, in beide gevallen hetzelfde is en daarom ook dezelfde betekenis zal hebben. Wanneer we de oude vermeldingen van deze namen bekijken, blijkt dat niet het geval te zijn.

Milschot

We bekijken allereerst de oude vermeldingen van Milschot. Ze zijn in onderstaande tabel bij elkaar gezet. Alleen de vermeldingen van vóór 1400 zijn opgenomen.1

Vermelding jaar

Middelscoet 1379, 1386, 1395

Middelschot 1383

Middelscote 1385, 1389

Middelscot 1394

Het is opvallend dat in de oudste vermeldingen het eerste deel van de naam steeds op dezelfde manier wordt geschreven, namelijk als “middel”. Dat betekent dat er weinig discussie mogelijk is over de betekenis ervan. De betekenis van “middel” is in de loop der eeuwen niet gewijzigd. Milschot is een “schot” dat in het midden ligt of ergens middenin ligt. Het begrip “schot” komt in veel plaatsnamen voor en heeft een lange geschiedenis. In de oudste Brabantse oorkonden worden de oudste vermeldingen van schot-toponiemen geschreven als “scaut”. Een schot (of soms schoot) is een relatief hoger gelegen terrein dat als een schiereiland uitsteekt in lagere terreinen zoals beekdalen.2 De spelling is in de loop van de tijd veranderd en bovendien bestond er vroeger geen vaste of voorgeschreven spelling of schrijfwijze. De schrijver van de oude archiefstukken baseerde zich bij het schrijven op de naam zoals die werd uitgesproken. Hij schreef een naam daarom zoals hij dacht dat die het meest overeenkwam met de juiste klanken en de juiste uitspraak. Het is dan ook niet zo verbazend dat namen steeds weer anders werden geschreven. De oude schrijfwijzen van “schot” zien we nog het beste terug in de naam van het middeleeuwse goed Ter Schaut op de grens van Bakel en Deurne, dat ook met regelmaat geschreven wordt als Ter Scaute. Deze naam verbasterde in de loop der eeuwen tot de naam De Schouw voor een buurtschap in het zuiden van Bakel. Dat de oude vermeldingen van Milschot niet allemaal identiek zijn is dus goed verklaarbaar en bovendien wijzen die schrijfwijzen ontegenzeggelijk op een “schaut”, zoals in vele andere plaatsnamen het geval is.

Bekijken we de natuurlijke situatie in het zuiden van Gemert, waar Milschot ligt, dan kunnen we constateren dat er een viertal natuurlijke hoogten aanwezig is , waarop later akkers en nederzettingen ontstonden. De meest westelijke, waarop later Tereijken zou ontstaan, is het kleinst en het laatst ontgonnen. Wanneer we die hoogte buiten beschouwing laten, dan blijkt het gehucht Milschot precies op het middelste van de drie resterende, grotere dekzandhoogtes te liggen. Milschot is dus niet een schot, dat ergens middenin ligt, maar een schot dat het middelste is van een aantal natuurlijke hoogtes.

Milheeze

Bekijken we nu de naam Milheeze. De oudste schrijfwijzen van de naam zijn:3

vermelding jaar

Milleis 1332

Milhese 1334, 1400

Mijllehe 1334

Milheze 1340, 1397

De naam Milheeze bestaat steeds uit twee elementen. Het eerste is Mil en het tweede is Heeze. We beginnen maar met het tweede. “Hees” is een woord dat in veel namen van plaatsen en gehuchten voorkomt. In de literatuur vinden we als betekenis hiervoor steeds: bos bestaande uit overwegend laag struikgewas.4 Voor bossen met grotere bomen worden namen gebruikt als “loo” en “hout”. Milheeze is dus een laag bosje, gekenmerkt door een “mil”.

Met betrekking tot het eerste deel van de naam zijn de oude schrijfwijzen steeds hetzelfde, zij het dat de -i- in een enkel geval als –ij- wordt geschreven. In latere vermeldingen komen we met regelmaat de schrijfwijze myl tegen. De letter y (griekse y) wordt in oude bronnen veel gebruikt in plaats van de korte -i- en wordt ook als zodanig uitgesproken. In een enkel geval komt ook de –ij- wel eens voor in de plaats van een y. Het eerste deel van Milheeze is in de oudste vermeldingen dus steeds “Mil” en nooit middel of midden. We zullen daarom voor dit “mil” naar een andere betekenis moeten zoeken dan bij Milschot.

Als we het namenbestand van Bakel en Milheeze in de Middeleeuwen nader bekijken, valt het op dat er nogal wat veldnamen voorkomen waarin het element “mil” voorkomt. 5

Vermelding Jaar

Milenbeemt 1381

De/dat Mylleken 1448, 1481

Groet mylleken 1460, 1481

Langmil 1469

Cleyn milleken 1471

Mylle 1481

Mylberken 1481

Dat mylle int dorp 1481

Grote Mylle 1481

Cleynen Mylle 1481

De bovenstaande vermeldingen hebben allemaal betrekking op Bakel en Milheeze. Soms is expliciet vermeld dat het om veldnamen in Milheeze gaat, maar niet in alle gevallen. In de Middeleeuwen werd Milheeze beschouwd als een onderdeel van Bakel. We mogen daarom aannemen dat ook de algemene vermeldingen onder Bakel eigenlijk in Milheeze kunnen worden gelokaliseerd. De vermeldingen Milleken en Mylleken kunnen beschouwd worden als verkleinwoorden van Mille of Mylle. Samengevat kunnen we dan concluderen dat er in Milheeze meer “Millen” liggen, in ieder geval een groot en een klein “Mille”. Uit deze vermeldingen ontstaat de indruk dat “mille” een zelfstandig naamwoord is en dat er iets mee wordt bedoeld dat in het landschap zichtbaar of op een andere manier merkbaar is.

Maar wat zou “mille” dan kunnen betekenen? Er blijken meer mogelijkheden te zijn. Zo is er het keltische woord melin (volgens De Vries 1959 is daaruit de naam van het Limburgse Millen van afgeleid) en dat heeft de betekenis: geel.6 Het woord melyn in het Welsch betekent nu nog: geel. Bij deze betekenis moet er natuurlijk wel in het landschap iets aan te wijzen zijn dat de kleur geel heeft. Een mogelijkheid daarvoor is water. In de buurt van de Peelrandbreuk komt veel ijzerhoudend water voor. De kleur ervan is echter veel eerder rood of bruin dan geel. Bovendien is er in Milheeze geen natuurlijke waterloop aanwezig met een dergelijke naam. Wel was er een relatief groot ven, dat echter de naam Eggelmeer had en niet Mylle. Een nadere mogelijkheid is dat de gele kleur betrekking heeft op “heeze”: het struikgewas. Maar geelkleurige bosjes kennen we in Nederland niet, behalve in de herfst. Een naam die ontleend is aan één seizoen lijkt echter onwaarschijnlijk.

Ton Spamer geeft aan dat het keltische “mal” de betekenis vochtig heeft. Hij wijst tegelijkertijd op het oud Engelse woord “moile” met de betekenis: weekmaken.7 Deze betekenis kan niet direct worden uitgesloten, maar dit woord lijkt eerder ten grondslag te liggen aan plaatsnamen met mal of mol. Het woord mil wijkt daarvan te veel af.

J. de Vries schrijft in zijn Woordenboek der Noord- en Zuid Nederlandse plaatsnamen onder de Belgische plaatsnaam Millen, dat de betekenis mogelijk samenhangt met het Germaanse woord melno, hetgeen “zand” betekent.8 Ook in het Welsch bestaat nu nog het woord melyngoch, hetgeen zanderig betekent.9 Onder het woord “mul” schrijft dezelfde J. de Vries in zijn Etymologisch woordenboek dat de betekenis samenhangt met het oud-hoogduitse woord “mullen”, hetgeen fijnstoten betekent. Op dezelfde plaats wordt aangegeven dat er samenhang is met het oud-engelse woord “myl”, hetgeen stof of losse grond betekent. Bovendien zouden deze woorden samenhangen met meel, malen, molm, etc.10 Voor de betekenis van het woord “mille” wijst dit allemaal in de richting van een plaats in het landschap die wordt gekenmerkt door fijn of mul zand.

Nog verder zoeken levert aanvullende informatie op in de verzameling toponiemen in Valkenswaard. Daar komt de naam Meelberg voor met als oude vermeldingen: mijlberch (1452), meijlberg (1745), mielberch (1750) en meelberg (1803), hetgeen een zandverstuiving is. Aanvullend wordt hier nog aan toegevoegd:

“Meel is dialektisch nog bekend ter aanduiding van het gele zand dat men afgroef van zandverstuivingen ten behoeve van de aanleg van wegen (dijken) en als fundatiezand voor boerderijen. Vgl.: den 26e november 1794 een wage meel uit de heijde gehaalt…(post uit de rekening van de Valkenswaardse voerman Jan Carnoedes). Vandaar: meelberg = zandberg (meel: fijn zand, poeder)”. Tot zover het citaat.11

De conclusie uit het bovenstaande zou kunnen luiden dat een mille een zanderige plaats in het landschap is, misschien wel een plaats waar fijn geel zand gewonnen kon worden. Voor Milheeze lijkt deze verklaring ook niet te passen. Milheeze ligt oostelijk van de Peelrandbreuk op de Peelhorst. Rivierafzettingen van de Maas liggen hier tamelijk dicht onder het oppervlak. Deze afzettingen worden gekenmerkt door grof zand met veel grote kiezels en keien erin. De zandwinning ten noorden van Milheeze moet het juist van dit grove zand hebben. In Milheeze komt dus juist weinig fijn zand voor.

Uit het bovenstaande blijkt dat er veel betekenissen mogelijk zijn voor woorden die lijken op “Mil”, maar een betekenis die aansluit bij de natuurlijke gesteldheid van Milheeze hebben we nog niet gevonden.12 Verder zoeken dus.

Zoeken op internet leverde een intrigerende vondst op: de term ‘meiler’. Dat is een woord voor een brandstapel om houtskool te produceren. Een ander Nederlands woord hiervoor is koolhoop. De melding op internet leerde dat in het Luxemburgse Nommern vroeger veel houtskool werd geproduceerd en dat de bewoners nu nog bekend staan onder de naam Kuelebrenner (Kolenbrander). Op meer plaatsen in het bos rond Nommern zijn grote cirkelvormige vlakke plaatsen met een doorsnee van 10 tot 20 meter te vinden, waar zich vroeger meilers of koolhopen bevonden.13 Een meiler bestaat uit een stapel houtblokken, die in zijn geheel werd afgedekt met graszoden of plaggen om zuurstoftoevoer te verhinderen. Als de houtstapel werd aangestoken verbrande het hout langzaam en zuurstofarm, zodat het hout werd omgezet in houtskool. Houtskool werd vooral geproduceerd om ijzererts te verwerken tot ijzer. Met houtskool kunnen hogere temperaturen gehaald worden dan met (onbewerkt) hout en voor de productie van ijzer uit ijzeroer zijn die hoge temperaturen nodig. Uit archeologisch onderzoek in de regio blijkt dat hier in de prehistorie en vroege Middeleeuwen ijzer werd geproduceerd. Dat kan geconcludeerd worden uit het aantreffen van ijzerslakken bij opgravingen. Bij de opgraving Achter de molen in Bakel werd naast ijzerslakken zelfs een restant van een meiler aangetroffen. Bij archeologisch onderzoek in Boekel aan de Parkweg werden maar liefst twee meilers aangetroffen op een totaal onderzocht oppervlakte van 2400 m2. Kennelijk waren meilers ook in onze regio in gebruik.14 Dat we in de omgeving van Bakel en Milheeze ijzerproductie aantreffen, is op zichzelf niet zo verwonderlijk. Overal langs de Peelrandbreuk wordt veel ijzeroer aangetroffen. IJzeroer is de grondstof die voor de ijzerproductie nodig was. De vroegere bewoners van deze streek hebben ongetwijfeld hun voordeel gedaan met het voorkomen van zoveel ijzeroer en hebben zich toegelegd op de ijzerproductie.15 Daarvoor is niet alleen ijzeroer nodig, maar ook houtskool en daarmee ook meilers.

In Milheeze bestonden, volgens de middeleeuwse vermeldingen, een grote en een kleine mille naast elkaar en ook een lange mille. In de nieuwbouwwijk aan de zuidkant van het dorp bestaat de straatnaam Meijlakker, die ook herinnert aan een “mille” of “meijle”. Gezien het bovenstaande lijkt het erop dat de betekenis van “mil” in Milheeze betrekking heeft op de plaats waar men doorgaans een meiler heeft aangelegd. Misschien is “mil” of “mille” een oude benaming voor meiler. De betekenis van Milheeze is dan: het bosje waar meilers werden aangelegd.

Tot hoe lang er houtskool werd geproduceerd in onze regio is niet bekend. De meiler die bij het archeologisch onderzoek in Bakel werd aangetroffen wordt gedateerd in de 10de eeuw. Dat er ook later nog houtskool werd geproduceerd blijkt bijvoorbeeld uit het voorkomen van de beroepsnaam Coelborner. Bornen is het Middeleeuwse woord voor branden, zodat we Coelborner moeten interpreteren als Kolenbrander. In het oorkondenboek van Noord-Brabant komt in 1305 voor: Thomas genaamd Coelborne van Oisterwijk. Aangenomen mag worden dat deze Thomas nog het beroep van kolenbrander uitoefende. Omdat aan het eind van de Middeleeuwen in onze regio nog nauwelijks bossen voorkomen, zal de houtskoolproductie in die periode hier niet meer voorkomen.

Terug naar Milheeze. Doorredenerend op de betekenis van “mil” in relatie tot houtskoolproductie is het niet verwonderlijk dat het tweede element (heeze) duidt op struikgewas. Op het moment dat de plaatsnaam Milheeze ontstond was het oorspronkelijke bos kennelijk grotendeels verdwenen. Houtskool werd hoofdzakelijk vervaardigd uit dikke eiken-, berken- en elzenstammen. Om honderddertig kilo houtskool te maken, was 760 kilo eikenhout nodig. Deze hoeveelheid staat ongeveer gelijk aan twee tot drie eikenbomen. Het is dus niet verwonderlijk, dat een plaats die bekend stond om zijn “houtskoolindustrie”, na verloop van tijd nauwelijks meer grote bomen kende. De houtskoolproductie leidde in het verleden tot ontbossing.16 De begroeiing die in Milheeze overbleef was struikgewas.

Niet alleen in Milheeze komt “mil” of “meijl” voor in (veld)namen. In de grote verzameling Peellandse toponiemen van Beijers en Van Bussel staan ook nog vermeld:

Myle in St Oedenrode (1309); Meijelsfort in Son en Breugel (1382); Milheeze en Meluheze in Vlierden (1447 en 1381)17. Ook kennen we plaatsnamen als Mill, Milsbeek, Millen, etc. Het eerste deel van deze namen komt in oude vermeldingen niet voor in de vorm ‘middel’. Het is heel goed mogelijk dat de betekenis van “mil” of “meyl” in deze namen hetzelfde is als bij Milheeze. Elke naam heeft echter zijn eigen geschiedenis. Van geval tot geval moet nagegaan worden welke betekenis het best past bij de plaatselijke situatie. Het blijft oppassen. In Rosmalen immers komt de naam Milhees voor, maar de oudste vermelding van deze naam is Middelheze (1370).18

NOTEN:

1. De vermeldingen zijn ontleend aan de regesten in de Inventaris van het archief van de Kommanderij van de Duitse Orde te Gemert (AKDOG) door Brokken en Lindeman, ‘s-Hertogenbosch 1977.

2. De oudste vermeldingen van skauta/schot-namen zijn te vinden in H. Camps, Oorkondenboek van Noord-Brabant tot 1312, ‘s-Gravenhage, 1979. De betekenis van skauta, schot, schoot wordt samengevat door Beijers en van Bussel, blz 245. Henk Beijers, Geert-Jan van Bussel, Van d’n Aabeemd tot de Zwijnsput, toponiemen in de cijnskring Helmond vóór 1500 in naamkundig en nederzettingshistorisch perspectief., Helmond 1996.

3. De vermeldingen van Milheeze zijn ontleend aan de inventaris van AKDOG en de publicatie van Beijers en Van Bussel.

4. Zie Beijers en Van Bussel, blz 115.

5. De vermeldingen zijn allen ontleend aan Beijers en Van Bussel.

6. Dr. J. de Vries, Etymologisch woordenboek, Waar komen onze woorden vandaan?, Aulaboeken Utrecht 1958, herzien door Dr P.L.M. Tummers in 1973.

7. Mededeling Ton Spamer

8. Dr. J. de Vries, Woordenboek der Noord- en Zuid Nederlandse plaatsnamen, Aulaboeken, Utrecht, 1962

9. Mededeling Wim Vos.

10. Dr. J. de Vries, Etymologisch woordenboek, Waar komen onze woorden vandaan?, Aulaboeken Utrecht 1958, herzien door Dr P.L.M. Tummers in 1973.

11. H.E.M. Mélotte en J. Molemans, Noordbrabantse plaatsnamen, monografie nr 1, Valkenswaard, uitgave Stichting Brabants Heem 1979.

12. Nog niet genoemde begrippen die iets met “mil” te maken kunnen hebben zijn nog:mil of milie: een andere benaming voor de graansoort gierst die in de Middeleeuwen voorkwam; mijl: afstandsmaat uit het latijnse millium passuum (duizend passen); de plantnaam melle of melde: een andere naam voor ganzevoet. Ongetwijfeld zijn er nog meer mogelijkheden.

13. http://www.nommerlayen-ec.lu/Nederlands/nommerlayen_nl.htm

14. Voor de opgraving te Bakel: S. Arnoldussen, Middeleeuwse bewoning te Bakel-Achter de Molen, Archol rapport 16, Leiden 2003. Voor de opgraving te Boekel: Nico Arts en Theo de Jong, De Boekelse Joekels, Bijzondere vondsten uit de Midden-Bronstijd en de vroege IJzertijd, Nieuwsbrief Kempen en Peelland nummer 28, februari 2004. Opvallend is dat in dit laatste artikel de term meiler met een lange ij wordt geschreven: mijler.

15. Voor meer informatie over de productie van ijzer tijdens de prehistorie zie http://www.limburgsmuseum.ab-c.nl/collectie/ijzer/ of http://www.falw.vu.nl/images_upload/3F55AD3F-2A37-4841-95E08FC4B612DD17.pdf

16. http://www.drentscheaa.nl/detail_page.phtml?&act_id=5389

17. Ontleend aan Beijers en Van Bussel. De naam Meijel oostelijk van Deurne, heeft misschien een zelfde betekenis, maar dat is niet zeker. Er wordt vanuit gegaan dat de oudste schrijfwijze ervan Medelo is. Dat zou op een andere oorsprong duiden. H. Crompvoets, Medelo is Meijel, Medelo (1983) nr 2 blz 38-40.

18. Wim Veekens, Milhees, een oud toponiem bij Coudewater, Rosmalla, jaargang 13 (2003), nr 3 blz 25-30.

Met dank aan Wim Vos, Ton Spamer, Arnoud-Jan Bijsterveld, Hein Vera en Wim Veekens, die informatie leverden of eerdere versies van dit artikel becommentarieerden.

GH-2004-04 Sint Willibrord adieu

 

Rob de Haas

Na ruim vijftig jaar trouwe dienst is in mei 2004 het oude, uitgeleefde ulo-gebouw onder de meedogenloze mokerslagen van de sloper gesneuveld. Willibrord is niet meer. Ook zijn zuster “Anna” van de overkant heeft enkele maanden later het loodje gelegd. De twee schoolgebouwen moeten wijken voor de ambitieuze nieuwbouwplannen van de gemeente. Het centrum van Gemert gaat op de schop, want er zijn woningen nodig. Veel woningen. Vooral voor senioren. Onder hen ongetwijfeld oud-leerlingen die op diezelfde plek met meer of minder succes onderwijs hebben genoten.

De tijden veranderen. De mensen veranderen. Het dorpsbeeld verandert. Nieuwe fundamenten zijn gelegd. Oude gebouwen vervangen. Wat overblijft, zijn herinneringen. St.Willibrord, adieu. Adieu, St. Anna.

Oprichting

In 1938 wordt in de Gemertsche Courant gemijmerd over de oprichting van een school voor Uitgebreid Lager Onderwijs (ulo). Een school die jongeren zal kunnen voorbereiden op een baan in het zakenleven, op de opleiding voor onderwijzer (leraar basisschool) of op technisch onderwijs. Nu moet de Gemertse jeugd nog naar Helmond, Deurne of Veghel. Op de fiets en soms te voet. Dat is een heel eind. Zeker tien kilometer. Door weer en wind. Over modderpaden. Een geasfalteerd wegennet zoals we dat vandaag de dag kennen, ligt er nog lang niet, laat staan luxe fietspaden.

In het bisdom ‘s-Hertogenbosch zijn er al tweeënvijftig ulo’s. Dus waarom in Gemert niet? In tien jaar tijd is het aantal leerlingen op die Brabantse ulo’s bijna verdubbeld. De behoefte aan dit onderwijstype is groot. Maar de eisen om een ulo op te richten zijn pittig. Er zal nog heel wat water door de Rips stromen, voordat de jeugd van Gemert in het eigen dorp terecht kan voor Uitgebreid Lager Onderwijs. Dat lukt pas eind 1944. Met horten en stoten.

Het is met name pastoor J. Kuijte die zich beijvert voor de totstandkoming van Rooms-Katholiek ulo-onderwijs. Hij verwelkomt op woensdag 16 februari 1938 als voorzitter van het kerkbestuur behalve burgemeester Phaf ook broeder overste uit Veghel op een openbare informatieavond in het Alcoholvrij Lokaal naast de St.-Janskerk. De broeder wordt als ervaringsdeskundige bestookt met vragen. Na afloop stelt pastoor Kuijte vast, dat alle zeilen moeten worden bijgezet om in de kom van Gemert een ulo te kunnen beginnen.

In 1940 schrijft hij de circulaire “ULO Gemert”, waarin hij een concreet plan ontvouwt. De pastoor geeft de voorkeur aan een 4-jarige cursus, maar hij weet dat veel ouders hun kinderen het liefst zo snel mogelijk aan het werk willen hebben. Dat levert immers een broodnodig extra inkomen op. Kinderen geven thuis nog braaf hun loonzakje af in ruil voor kost en inwoning en misschien nog wat zakgeld. Daarom lijkt de pastoor een 3-jarige cursus reëler. De Tweede Wereldoorlog zet echter een streep door het plan en het verdwijnt in de ijskast.

Vier jaar later komt er pas weer schot in de zaak. De Diocesane Groep van Bijzondere R.K. Scholen in het Bisdom ‘s-Hertogenbosch” heeft de Gemertse ulo-in-oprichting als nummer 852 geplaatst op de lijst van aangesloten scholen. Onderwijsinspecteur Coenen uit Helmond adviseert positief. Het schoolbestuur heeft intussen een veelbelovend schoolhoofd gevonden in de persoon van Jan de Bok, weggeplukt van een ulo in Vught en de gemeente heeft haar volle medewerking toegezegd. Dus kan het Departement van Opvoeding, Wetenschap en Kultuurbescherming (tegenwoordig Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen) er niet meer om heen. De ulo in Gemert dient er te komen. En dat gebeurt ook. Het schoolbestuur plaatst een personeelsadvertentie in de “Kikker”, een onderwijsblad dat zo genoemd wordt vanwege de groene omslag. Weliswaar “Deutschfreundlich”, maar onderwijzers kijken nou eenmaal in het blad voor de vacatures. Naast J. de Bok worden F. van Rijn en L. van Weert benoemd. Gedrieën zullen ze de kar trekken.

Jongens en meisjes apart

Toch zijn er nog wel enkele problemen op te lossen. Nogal wat Gemertse ouders willen ook hun dochters het Uitgebreid Lager Onderwijs laten volgen. Het gemeentebestuur ondersteunt die wens en Marinus van der Velden, hoofd van de lagere jongensschool, schrijft aan pastoor Kuijte: “Een jongens-ulo is half werk, een meisjes-ulo erbij is heel werk”. Maar een gemengde ulo voor jongens en meisjes, daar zijn de kerkelijke autoriteiten tegen. Die is een gevaar voor de zedelijkheid. Gelukkig schieten de zusters van Nazareth te hulp. De congregatie in Oirschot verklaart, dat zij een jaar later een meisjes-ulo zal beginnen en de meisjesklas zal overnemen. Reden voor bisschop Mutsaerts van Den Bosch om schoorvoetend een gemengde ulo goed te keuren. Maar wel tijdelijk en de meisjes moeten gescheiden worden gehouden van de jongens door aparte lesroosters. De meisjes van 8.30 tot 11.10 uur en van 12.50 – 15.30 uur, de jongens van 9.10 tot 11.50 uur en van 13.30 – 16.10 uur. Natuurlijk in afzonderlijke leslokalen. Zelfs de opening van de ulo op 15 september 1944 gebeurt in tweeën. Om half tien voor de jongens en om half elf voor de meisjes. Van het personeel is alleen L. van Weert aanwezig. J. de Bok en F. van Rijn kunnen door de oorlogsomstandigheden niet komen. Er is geen vervoer. Dus worden de leerlingen meteen na de opening weer naar huis gestuurd. Een week later bevrijden de geallieerde legers Gemert.

Huisvestingsperikelen

Om een school te kunnen beginnen, heb je natuurlijk wel lesruimte nodig. Aan nieuwbouw hoeft voorlopig niet te worden gedacht. Het is oorlogstijd. Voor een nieuwe school is geen geld. Omdat het kerkbestuur zich verantwoordelijk voelt, stelt het tijdelijk het Parochiehuis ofwel “’t Stumpke” beschikbaar (nu het woonhuis van de familie Hendriks in de Kerkstraat). Dat tijdelijk blijkt in eerste instantie wel heel kort uit te pakken, want op 5 december 1944, één dag na de eerste lessen, vordert Town Major Drake het Parochiehuis voor inkwartiering van Engelse soldaten. Sinds de bevrijding van Gemert op 25 september is het een komen en gaan van buitenlandse troepen.

De Bok kan zolang in de Latijnse School terecht. Tot Kerstmis. Maar na de kerstvakantie blijft het ook daar stil. Door kolengebrek. De kachels kunnen niet gestookt worden. Fabriek Raymakers brengt redding. De ulo mag daar ’s zondags een verwarmd lokaal gebruiken. Op 15 februari kunnen leerlingen en personeel pas terug naar de Latijnse school. Er is weer kachelhout en meer dan driehonderd kilo turf om de boel warm te stoken. Maar helaas. Op 17 april hebben de priesterstudenten de lokalen weer nodig en verhuist de ulo voor de zoveelste keer naar een andere locatie. Nu naar het magazijn en de garage van A. van Houtert Niessen in de Dr. Kuijperstraat. Op 5 mei gaat de meisjesklas terug naar het Parochiehuis. De jongens blijven waar ze zijn. Tot op 7 juli de militaire autoriteiten het Parochiehuis opnieuw vorderen. De meisjes moeten weer naar Van Houtert. Tot de zomervakantie.

Ook in de eerste maanden van het tweede schooljaar moet nog een paar keer worden verhuisd. De meisjes naar café Jonkers in het Binderseind (nu Axis), de jongens nog steeds bij Van Houtert. Verder wordt er een tijdje lesgegeven in café Van Lieshout in de Oudestraat. Of daar naast het geestrijk voedsel ook het geestrijk vocht heeft gevloeid, mag worden betwijfeld. Inmiddels zitten in de eerste klas 27 jongens en 18 meisjes en in de tweede 23 jongens en 18 meisjes. Op 3 november kan de hele school weer in het Parochiehuis worden ondergebracht en komt er voorlopig een einde aan het zwerversbestaan.

In het Parochiehuis of het Stumpke beschikt de Willibrordulo over drie lokalen. Het grootste ligt aan de achterkant. Daar zitten de meisjes. Het tweede lokaal is een lange pijp waarin leerlingen moeilijk te plaatsen zijn. Ze zitten er aan weerszijden van lange tafels met de onderwijzer aan het hoofdeinde. Het derde lokaal, de “blinde darm”, ligt verscholen achter het toneel waarmee het door een deur verbonden is.

Het eerste echte schoolmeubilair krijgt de ulo van de zusters van Nazareth. Het heeft al wel een tijdje buiten gestaan, maar de bankjes worden netjes opgeknapt. Grote kasten in het lokaal, die veel ruimte in beslag nemen, worden vakkundig tot schoolborden verzaagd. Leerboeken krijgt De Bok van bevriende ulo’s. Zuinigheid met vlijt bouwt scholen als kastelen.

Noodbouw

Uiteindelijk moet er toch gebouwd worden. De ulo is een succes en groeit uit zijn voegen. Pastoor Kuijte laat niet na om reclame te maken voor zijn school. Hij wijst ouders op de opvoedkundige en zedelijke gevaren voor hun kinderen die dagelijks per bus, fiets of vrachtauto en soms zelfs te voet op en neer moeten reizen om een tiental kilometers verderop in Helmond of in Veghel naar school te gaan. Hij waarschuwt hen dat ze wel een uur of anderhalf in die vreemde plaats rondslenteren. Juist de ouders van deze kinderen moeten hun verantwoordelijkheid nemen en een groot gemeenschapsbelang ondersteunen. “De ulo is van grote waarde, nu en in een heel verre toekomst. En daarom, óp voor onze Gemertsche ulo!”

In augustus 1945 geeft het kerkbestuur aan de Gemertse architect G. van de Broek de opdracht om een noodschool te ontwerpen. Het houten gebouw met stenen binnenmuren en een rieten dak komt op een terrein aan de Kapelaanstraat achter de opslagplaats van de Boerenbond. De firma J. Hendriks bouwt het voor bijna 13.780 (ruim 6000 euro) gulden. Oppervlakte 280 m2, inhoud 1500 m3. De blokhut met drie klaslokalen, een lerarenkamer en een rijwielberging moet worden gedeeld met de verkenners. Overdag school, ’s avonds jeugdhonk. De grond waarop de school staat, wordt voor 25 jaar gepacht van de Coöperatieve Handelsvereniging N.C.B voor f 70,- per jaar. Op zaterdag 22 juni 1946 vindt de plechtige inzegening plaats. Willibrordus heeft eindelijk zijn vaste woon- en verblijfplaats.

Opbouw

Bijna vijf jaar later in februari 1951 plaatst architect Jan Strik uit Mill namens zijn opdrachtgever het R.K. Schoolbestuur Gemert een advertentie in het katholiek Brabants dagblad “Oost Brabant”, in de Helmondse en in de Gemertse Courant. Het betreft de openbare aanbesteding voor het bouwen van een 5-klassige ulo-school met bijbehorend gymlokaal op het terrein langs de Rips tussen het centrum en de nieuwe wijk in aanbouw Berglaren. Pal naast de landbouwschool die ze net aan het bouwen zijn.

Gemert is in opbouw. Het lijkt welhaast één grote bouwput. In een tijdsbestek van enkele jaren worden twee compleet nieuwe wijken uit de grond gestampt. Voor het eerst eigenlijk. Door de geometrische structuur van die wijken, Molenakker en de Berglaren, verliest Gemert het karakter van een lintdorp. Het krijgt nu kaarsrechte straten met tientallen huizenblokken variërend van twee tot veertien onder één kap. Niet alleen voor Gemertenaren, maar ook voor honderdtwintig repatriantengezinnen uit voormalig Nederlands-Indië. Gemert groeit en krijgt kleur. Ook in het onderwijs. Kort na elkaar verschijnen de landbouwschool (1952), de ulo (1952), de ambachtschool (1954), de huishoudschool (1955). Voor het voortgezet onderwijs is er bijna voor iedere Gemertse leerling een leerweg. Alleen voor de Hogere Burgerschool en het Gymnasium moet je de gemeentegrens over.

Nieuwbouw

De aanbesteding van de nieuwe ulo-school vindt plaats op 6 maart 1951 om vijf uur in Hotel de Keizer aan het Borretplein. Maar liefst vijfentwintig aannemers proberen de opdracht te bemachtigen. Tien van hen komen uit Gemert zelf. De spanning is te snijden, als in het rokerige etablissement de winnaar bekend wordt gemaakt. De inschrijfbedragen lopen uiteen van 157.100 gulden tot 138.586 gulden. Het laagste bedrag is van de firma Van Doorn & Olieslagers uit Veghel. Haar wordt de bouw gegund.

Er zijn heel wat bedrijven bij de bouw van de ulo betrokken. Lindeman uit Eindhoven voor de verwarmingsinstallatie, Ernst uit Venlo voor de meubels, terwijl de gymtoestellen van De Schelde uit Goes komen. Ook Gemertse ondernemers doen mee. Piet van Lieshout uit de Virmundtstraat doet de verlichting en elektriciteit, A. van de Acker & Zn uit de Oudestraat levert steenkolen, Verhagen plaatst stalen ramen en deuren en de afrastering om het schoolterrein. De gebroeders Vilé leveren tafels, stoelen, lessenaars, prullenbakken en tweeënvijftig plaatjes voor op de deuren en firma Bergmann uit de Nieuwstraat verzorgt de stoffering van het interieur.

Aanbouw

De ulo groeit en bloeit en vier jaar na ingebruikneming van de nieuwe school moet architect Strik al weer achter de tekentafel om een passende uitbreiding te ontwerpen. Hij vergroot het schoolgebouw met een leslokaal (boven) en een overblijflokaal (beneden). De aanbouw komt aan de oostzijde en aannemer Biermann uit Erp mag de klus klaren. De firma Van Melis uit de Oudestraat plaatst een overdekte fietsenberging. Totale kosten van de aanbouw inclusief verwarming, honorarium architect en toezicht: 69.058,91 gulden (€ 31.390).

In 1960 wederom een uitbreiding. Deze keer met maar liefst 3 leslokalen en een tekenlokaal. De huidige overblijfruimte wordt omgebouwd tot leslokaal. De aangrenzende hal doet nu dienst als nieuwe overblijfruimte compleet met keuken en toiletgroep. Aannemer Van Heeswijk uit Uden voert het werk uit o.l.v. ‘good old’ Jan Strik. De architect heeft in Gemert heel wat onderwijssporen achtergelaten. Behalve de ulo ook de blo-school, de technische school en de Bernadetteschool nu Berglarenschool. De Brabantse bouwer van kerken, scholen, schouwburgen en winkelcentra kan het niet nalaten om aan zijn collega De Bever richtlijnen mee te geven voor diens ontwerp van de Huishoudschool.

Verbouw

De groei van de schoolbevolking gaat gestaag verder. Ouders kiezen er in toenemende mate voor om hun kinderen door te laten leren. Belangrijk voor een goede positie in de maatschappij. Ze kunnen het zich ook beter veroorloven, want de welvaart stijgt in de zestiger jaren van de twintigste eeuw met fikse sprongen.

Lokalen worden verbouwd en heringericht naar de eisen van de moderne tijd. Houten noodlokalen worden bijgeplaatst. Het aantal leslokalen verdubbelt. Leermiddelen veranderen. Het onderwijsstelsel verandert. De Mammoetwet doet zijn intrede.

Afbouw

In 1968 verdwijnt de ulo voorgoed naar de geschiedenisboeken. De mavo komt ervoor in de plaats, middelbaar algemeen voortgezet onderwijs. De eerste klas heet voortaan brugklas en oude vakken maken plaats voor nieuwe. Er zijn voortaan nog maar zes examenvakken.

Na jarenlang soebatten wordt de mavo in 1975 uitgebreid met een havo en een atheneum. Gemert krijgt een volwaardige scholengemeenschap. Daar hoort een nieuwe naam bij: het Macropediuscollege, daarmee een van Gemerts glorieuze zonen, Joris van Lanckvelt, erend. Er is één nadeel. Het oude ulo-gebouw voldoet niet meer. Dus verrijst er op de oude voetbalvelden van R.K.G.V.V. aan de St.-Annastraat / Sleutelbosch een compleet nieuwe school voor zo’n 1400 leerlingen. Het oude Willibrordgebouw komt nu onder de hoede van de andere scholengemeenschap voor voortgezet onderwijs. St. Willibrord en St. Anna vormen vanaf dat moment samen met de landbouwschool de Scholengemeenschap voor lager Agrarisch, Huishoud- en Nijverheidsonderwijs Gemert kortweg “De Stroom”.

Tot in 1996 de grote fusie plaatsvindt van alle lokale scholen voor voortgezet onderwijs. Het Commanderij College ziet het licht, maar boven Anna en Willibrord komen donkere wolken drijven. Als in september 2003 de nieuwe school voor vmbo aan de St.-Josephstraat klaar is, verhuizen alle leerlingen van “De Stroom” daar naar toe. De oude ulo en huishoudschool zijn overbodig geworden. In de herfst van 2004 resten daarvan alleen nog twee grote puinhopen. Een tijdperk van een halve eeuw is ten einde. Adieu, Willibrord en Anna, adieu!

Dit artikel is tot stand gekomen op basis van materiaal uit het Gemeentearchief, het Parochiearchief en het archief van het Commanderij College.

GH-2004-04 Sint Anna adieu

 

Ad Otten

Op zaterdag 3 juli 2004 overleed in Klooster Nazareth te Oisterwijk de 88-jarige zuster Erentrudis (van Barselaar). Ze was in Gemert de eerste directrice van de r.k. Huishoudschool St. Anna. Van 1948 tot 1968. In 1954, vijftig jaar geleden, was zij ook de bouwpastora van het nieuwe schoolgebouw aan De Stroom. Het gebouw, nog allesbehalve versleten, stond op het punt om te worden gesloopt om ruimte te bieden voor één van de vijf geplande appartementencomplexen in Woonpark De Stroom.

Gemert en de samenleving zijn sedert 1954 radicaal veranderd. Veranderd ten goede. Daar is geen discussie over. Niemand wil terug naar die goeje ouwe tijd van toen. De jaren zestig worden veelal aangehaald als de jaren van de grote ommekeer in ‘leven, denken en het welbevinden’ van onze samenleving, maar het zijn de jaren die daaraan voorafgingen, de jaren vijftig dus, die letterlijk en figuurlijk voor die ommekeer de bouwstenen aandroegen. Het onderwijs en de uitbreiding van de leerplicht – in 1950 werd het 8ste leerjaar verplicht – waren daarbij stenen van gewicht. Dat is zeker!

Meteen na de Tweede Wereldoorlog – iedereen vond dat het voortaan anders moest – kreeg Gemert alvast een ULO in een blokhut aan de Kapelaanstraat, alvast een ambachtsschool in noodlokalen naast het kerkhof, en alvast een landbouwschool in een café waar de biljartkeu kon dienen als aanwijsstok. In de Gemertse Courant van 30 juli 1948 werd met een vette kop een vierde school voor voortgezet onderwijs aangekondigd: “Een Huishoudschool in Gemert”. In een advertentie stond dat je je moest aanmelden bij de Eerwaarde Zusters van Nazareth en dat je daar ook moest zijn voor de naaicursussen lingerie, costumière en coupeuse. De schrijver van het hoofdartikel op de frontpagina zag het al voor zich: hoe Gemert na zo’n 20 jaar door de kooklessen van de nieuwe school tot luilekkerland zou zijn geworden. Je kunt je afvragen of de schrijver wel zo gek was als op het eerste gezicht lijkt. Je moet je verplaatsen in een compleet andere tijd. In het gemeentearchief zijn filmpjes bewaard uit die jaren. Niet alleen priesters en nonnen liepen toen in het zwart maar bijna alle wat oudere Gemertenaren. Je waant je bijna in Staphorst of daaromtrent. Maar je moet je niet op die kleding verkijken want zwart was toen nog praktisch. Dat werd niet zo gauw vuil en bedenk dat alleen maandag wasdag was! Als je je echt verplaatst in de tijd dan blijkt het Gemert van toen vol dynamiek en vertrouwen in de toekomst. Jaja! We hadden hier een burgemeester (De Bekker) die droomde van een vanaf de Zuid-Willemsvaart doorgetrokken Wilhelminakanaal dat via De Mortel onder Gemert naar de Maas en verder naar het Deutsche Ruhrgebiet zou lopen en dat de nieuwe “levensader” oftewel “de nervus vagus” zou moeten worden van Brabantsch economisch zenuwstelsel. Nieuwe chemische industrieën zag hij zich aan dat Peellands vaarwater ontwikkelen als de diep onder de grond gelegen steenkolenlagen door vergassing nu eindelijk eens geëxploreerd zouden gaan worden…

2004-4 st anna1 0002

Hij ging er voor naar Den Bosch en Den Haag en naar de Mijnraad en hij praatte er als Brugman, maar het zou allemaal ietsje anders lopen. Gemert zou nooit worden aangewezen als industrie- of kerngemeente. Daarvoor lag het te dicht bij Helmond en Eindhoven en de Peelkolen zijn helemaal vergeten sinds er in 1959 bij Slochteren in Groningen zoveel aardgas werd gevonden.

Maar even terug naar 1950. Op 27 oktober van dat jaar schreef burgemeester De Bekker een geheime raadsvergadering uit. Kort tevoren was aan de andere kant van de wereldbol in de nieuwe Republiek Indonesia het KNIL, het Koninklijk Nederlandsch-Indisch Leger, opgeheven, en de regering had o.m. het gemeentebestuur van Gemert om medewerking verzocht voor de huisvesting van de uit de Oost te repatriëren KNIL-gezinnen. Gemert lag niet zover van de legerplaats Oirschot en de militaire vliegvelden Welschap en Volkel waar voor de knillers werkgelegenheid gecreëerd werd. In Gemert heerstte grote woningnood. Er waren 240 inwoningen terwijl het gemeentelijk bouwcontingent voor 1950 van hogerhand was bepaald op 20 woningen, én, omdat de situatie zo urgent was, voor 1951 op zegge en schrijve 28 (!) woningen. Dat schoot dus niet op. De gemeente vroeg verdomme meer dan het 10-voudige.

Maar… nu had de burgemeester een ei van Columbus. Den Haag beloofde namelijk voor elke woning voor een knil-gezin minstens één woning voor een Gemerts gezin en dat bood perspectief toch? In de geheime raadszitting van die 27ste oktober trok de burgemeester de hele gemeenteraad over de streep. Unaniem wilde zij 240 knil-gezinnen opnemen. Dat betekende dan tegelijk 240 woningen voor Gemertse woningzoekenden en in totaal de bouw van 480 woningen. Gemert zou niet alleen kleur krijgen maar in één klap van de woningnood zijn verlost. Simpel. De raadsleden moesten een maand hun mond houden en op het gemeentehuis zouden ze er intussen op broeden hoe en waar al die woningen gebouwd moesten worden. Maar 240 Knil-gezinnen konden komen. Punt uit! In Den Haag stonden ze perplex. Wisten ze in Gemert wel dat het hier jonge en kinderrijke gezinnen betrof en dat die echt niet allemaal katholiek zouden zijn en dat Gemert-dorp dan misschien wel één op vijf Nederlands-Indische inwoners zou gaan tellen. Den Haag vond dat dat niet kon en dat dat onverantwoord was en ze vond daarbij steun bij enige Gemertse bezwaarmakers die officieel nog van niks wisten…2004-4 st anna2

Maar de repatriëring was dringend en Den Haag besloot dat Gemert geen 240 maar toch wel 120 Nederlands-Indische gezinnen mocht huisvesten en dat de gemeente dan ook 120 extra woningen voor Gemertenaren mocht bouwen. Lodewijk Spildoorn, directeur Gemeentewerken, ontpopte zich als planoloog en woningbouwarchitect. De bouwlocatie werd bepaald op de Berglaren, op enige afstand van het oude dorp. De open ruimte tussen het nieuwe en oude dorp zou aansluitend worden ‘volgebreid’ met algemene voorzieningen voor zowel oude als toekomstige bewoners. Nieuwe scholen, ’n gymzaal, ’n wit-gele-kruisgebouw, ’n badhuis, ’n politie- en brandweerkazerne, en op termijn ’n nieuwe kerk.

Van klooster Nazareth werd op De Stroom en de Kieboom tegen een schappelijke prijs grond gekocht. Het was per slot van rekening in het algemeen belang. Het betekende ook het begin van het einde van de laatste boer in de Gemertse hoofdstraat want het was melkboer Fridus Werts aan het Binderseind die die grond tot dan toe van Nazareth pachtte.

En zo is het gekomen. Pal achter de kloostermuren van Nazareth, aan De Stroom, werd het zelfs een harmonieus geheel. Een scholenpark. Voorop de witte Pater van den Elsenschool. Wit, want pater Van den Elsen was een norbertijner-witheer. Het Wit-Gele-Kruis-gebouw was een ontwerp van Willy van de Ven, directeur Gemeentewerken, de opvolger van Spildoorn. In brons kwam aan de gevel de barmhartige Samaritaan te hangen en opgenomen in de voorgevel boven de entree en onder de kroonlijst een groot aantal keramische reliefs met zorgtaferelen. De ULO van architect Jan Strik kreeg in terra cotta een Willibrordus aan de voorgevel en in het plantsoen voor de gymzaal (ook van Strik) maakten drie figuren ‘De Schepping’. Allemaal werken van kunstenaar Jan van Gemert uit Gemert. In 1954 werd begonnen aan de bouw van de St.Annaschool. Architect: Kees de Bever uit Eindhoven. Voor de zusters Franciscanessen was hij geen onbekende want voor hen bouwde hij ook een klooster in Eindhoven. Toen bij de officiële opening van de school (12 juli 1955) over hem en zijn kunstwerk de loftrompet werd geblazen en hem het woord werd gegeven gaf hij eigenlijk alleen maar te kennen dat hij zijn plicht had gedaan en dat hij in een goede verstandhouding en samenwerking slechts had gedaan wat hem gevraagd was. De pastoor had het bij die opening over het fundament dat was gelegd voor de door God bestemde levensstaat van het jonge meisje. Algemeen Moeder Overste Louisa hield het kort. Ze koppelde aan een citaat Meisjes zijn bloemen!: “Laten wij er aan meewerken dat ze tot ontluiking, tot volle bloei en wasdom komen.” En dan was er de burgemeester. Die wist in zijn loftuitingen van geen ophouden. Zijn hele speech staat in de Gemertse Courant. Uitgesmeerd over twee pagina’s. De tweede pagina moest hij weliswaar delen met een artikel over Jan Clynck uit Helmond die na een spannende motorcross had gezegevierd in de hitte van de Handelse Bergen. Maar we beperken ons hier tot de speech van de burgemeester. De Bekker had het over de huishoudschool als een schip op de wereldzee met voor op de plecht Sinte Anne. De moeder der moeder. De grote moeder. De oma van Jezus. En ook daarvan wilde hij een beeltenis aan De Stroom. Ik citeer een klein stukske: “Voor op de hulk, aan de gevel van deze school past een boegbeeld, een beeld van de Moeder der Gebenedijde. Dan heeft ze ruim zicht en uitzicht. Dan kan ze kijken en schouwen naar al dat nieuwe en goede, naar nieuwe mensen uit een nieuwe tijd.” Einde citaat. Over andere tijden gesproken. Gebenedijd?? De mensen uit de nieuwe tijd hebben geen van allen nog een idee wat dat wel mag wezen. Ik heb links en rechts navraag gedaan: “Gebenedijd?Nee ik zou ’t nie weten. Flink, stevig van buik en billen misschien??”

Sint Anna verdient een beter afscheid. Ik ben bij Zuster Helena Rekoert geweest in Oirschot:

Zij maakte in Gemert de eerste jaren mee van de nieuwe St.Annaschool. Zij is geboortig van Rotterdam en trad in bij de zusters Franciscanessen in Oirschot, in het moederhuis van het Gemertse Nazareth. In 1954, meteen na haar zusterwijding en 22 jaar oud, kwam ze naar hier om de taak op zich te nemen van schooladministratrice. Haar kloosternaam was Zuster Irmentrudis. Bij haar aankomst werd het huishoudonderwijs hier nog deels gegeven in Nazareth en deels in noodlokalen in het dorp. De nieuwe school was al in aanbouw. De administratie nam zij over van de bejaarde zuster Frederika omdat vanuit het ministerie van Onderwijs was aangedrongen op een jongere kracht. Ik laat haar aan het woord:

“’t Was ’n mooie tijd, ’t was mijn eerste huis en m’n eerste werk na m’n vormingstijd. ’n Vrij verantwoordelijke taak en ik kreeg nog van alles meer te doen. Naast boekhouden, administratie, aanvragen voor subsidies, meubilair, leermiddelen, etcetera, zette ik ook koffie voor de docenten en was ook invalkracht bij de kooklessen al was ik daar toen niet voor bevoegd. Ook in de huishoudvakken sprong ik wel eens bij. Heel vroeg trokken we al in de nieuwbouw, te vroeg eigenlijk. Tot ’s avonds laat, ook op zaterdag en zondag, werkten we door om zo snel mogelijk in de nieuwbouw alles op orde te hebben. Ik herinner me nog hoe prettig ik ’t vond om zo ‘in vrijheid’ te werken buiten de kloostermuren. ’t Was lang voor het Concilie en overste Dagobertha van Nazareth bleef er op hameren dat we na schooltijd zo snel mogelijk naar het klooster hadden terug te keren. De school was het contact met de buitenwereld. Er waren ook lekenkrachten aan de school verbonden. Ik ben er in totaal maar twee jaar geweest maar ik herinner me nog de namen van mevrouw Althuizen en mevrouw Bardoul en was mijnheer Leenhouwers niet de gymnastiekleraar? Buiten de school ben ik overigens nauwelijks geweest en rechtstreeks met de gemeente had ik zelf ook nooit iets van doen. Bij de gemeente werd alles geregeld en afgehandeld door het schoolbestuur of de kapelaan. Ik had ‘de administratie’ in de kamer links van de hoofdingang. Rechts van de entree was de kamer van Zr. Erentrudis, de directrice, die tegelijk ook les gaf in de naaldvakken. Op de naaischool zat ook Zr. Monica (Lieske Goossens), die kwam uit Gemert-De Mortel en heeft later als overste van Gemert ook nog in het hoofdbestuur van de congregatie gezeten. Ik herinner me nog goed dat toen in De Mortel de klokken luidden voor de uitvaartmis van naar ik meen Monica’s moeder, dat zij er niet heen mocht en in de school moest blijven. Het kloosterregime was streng maar er hing een hele goede geest op school. Erentrudis vertelde me laatst nog van een leerling die in de winter met een lange broek onder haar rok op school was gekomen en dat ze die had bevolen de broek uit te trekken. En dat zij toen als antwoord kreeg dat dat niet kon omdat ze daaronder alleen een pyjamabroek droeg. Het was echt een heel andere tijd. In 1955 kwam overste Dagobertha (een engel) te overlijden. Zuster Cajetana werd toen overste van Nazareth. Die was veel strenger en dat had ook weer invloed op onze directrice want de overste zat ook in het schoolbestuur. Maar toch bleef de geest op school heel goed. We waren ook trots op ons schoolgebouw. Modern, strak en degelijk. Een prachtige hal met pilaren. Gangen met muren van glanzende stenen. En vensterbanken van travertin.

In 1956 heb ik Gemert alweer verlaten. Vier jaar heb ik gestudeerd voor de huishoudakten en daarna ben ik uitgezonden naar Brazilië. Voor een huishoudschool in Holambra bij Nederlandse boeren zochten ze een gediplomeerde Nederlandse zuster. Dat werd ik. Ook daar heb ik een hele goede tijd gehad. Ik gaf er ook katechese in de parochie en was maatschappelijk actief in krottenwijken. Mijn veel te moeilijke zusternaam Irmentrudis heb ik er ingeruild voor mijn doopnaam Helena. In 2000 ben ik van Brazilië weer naar Oirschot gekomen. Bij de maaltijden zit ik tegenover Zuster Veneranda, die is nu 96, ze deed in Gemert de bewaarschool. Ook Zuster Theogonia leeft nog. Zij was indertijd het hoofd van de Nazareth-meisjesschool. ’n Heel bekwame zuster. Zij is nu ongeveer 90. En Zuster Erentrudis, bijna 88, zoek ik nog regelmatig op in Oisterwijk. Zij is niet meer zo mobiel maar wel heel helder. Tot 1968 was ze in Gemert directrice. Ze vertrok toen de huishoudschool fuseerde met, naar ik meen, de landbouwhuishoudschool. Ze werd kok van het Hof van Solms, ’n dependance van ons klooster toen in Oirschot. Erentrudis was helemaal ingesteld op het huishoudelijke. (…) Het is lang geleden allemaal, maar ’t was ’n fijne tijd in Gemert!”