GH-2003-04 Kapittelstokjes

KAPITTELSTOKJES

STEMPELTJE

Nou had die Leonardt Peters het dan toch eindelijk voor elkaar: op 19 april 1681 mocht hij voor het eerst zijn handtekening zetten onder een akte in het Gemerts schepenprotocol. Er was wel een klein probleempje, want Leonardt kón zijn handtekening niet zetten. De andere schepenen maakten de verplichting, hen opgelegd door de commandeur van de Duitse Orde, om eigenhandig hun signatuur onder een akte te zetten, met wisselend succes waar. In onbeholpen hanenpoten of zwierige krullen vereeuwigden zij telkenmale hun naam. Maar Leonardt moest erkennen dat zijn fijne motoriek niet zó fijn was. Hij kon niet schrijven. De ganzenveer leidde in de vingers van de nieuwbakken schepen een geheel eigen leven, en kliederen op dat dure protocollenpapier was natuurlijk uit den boze.

Wat nu? Goede raad was in 1681 ook al duur. Wie uiteindelijk op het idee is gekomen, wordt in de minuutakten niet vermeld, maar Leonardt schafte zich een noviteit aan, een oplossing voor zijn analfabetisme, namelijk een stempeltje! Niet zo maar een stempeltje, met een of andere onbenullige afbeelding. Nee, een stempeltje met zíjn naam, LINDERt PETERS. Akkoord, die kleine ‘t’ was een beetje een dissonant, en die ‘S’ leek erg veel op een vishaak, maar verder had niemand zo’n stempeltje en iedereen was het erover eens: de techniek staat tegenwoordig voor niets!

De eerste keer dat Leonardt zijn stempeltje echt en officieel mocht gebruiken, ging het nog wat mis – pure zenuwen – maar vanaf de tweede keer stond er fier en zéér duidelijk leesbaar de naam van schepen Leonardt – Lindert – Peters. Alsof het gedrukt was!

Simon van Wetten

 

BRUILOFT MET “CADEAU-TIP” NIET ALLEEN VAN ONZE TIJD

Op 2 september 1649 schreef zekere R. van Tienen uit ‘s-Hertogenbosch een uitnodiging aan het adres van het Gemertse dorpsbestuur om aanwezig te zijn op de trouwerij van zijn neef op 7 september daaraanvolgend. Tegelijk vraagt hij daarbij om ‘een cadeau in natura’. Gebraden wild moet het zijn, en hij verzoekt om dat een paar dagen van tevoren te willen laten bezorgen. Een ‘Cadeau-tip’ of zoiets als een ‘Amerikaanse fuif’, zijn dus geen uitvindingen van de moderne tijd. De uitnodiging voor de bruiloft in 1649 is zorgvuldig bewaard in het Gemeenterachief van Gemert.1 Hierna volgt de exacte tekst:

De Borgemeesters ende Regeerders tot Gemert werden mits deesen versogt mij de vrindschap te doen ende coomen tegens den 4de, 5de oft 6de van de toecoomende maent September mijn keucken van wiltbraet voorsien alsoo mijn neeff op den 7de September sal trouwen ende de bruijloft hier t’mijnen huijse sal wierden gehouden, sullende bij gelegentheijt t’selve werden aen ingesetenen sothe(?) te erkennen.

Actum ‘s-Bosch den 2den September 1649. T v Tienen

Aan bovenstaand verzoek is het dorpsbestuur van Gemert nog tegemoet gekomen ook. Want op de uitnodiging is in een ander handschrift aangetekend: Op dit voorseit versoeck is gevolcht aen mijn heer Thienen te weten: twee haesen ende drije coppelen hoender ende vier coppelen patereijsen.

Maria van de Vossenberg-Lorteije

NOOT:

1. Gemeentearchief Gemert 1407-1794 inv.nr.931

 

GEMERTSE PRIESTERSTUDENTENCLUB?

De Heemkamer kreeg jaren geleden bijgaande foto met op de achterzijde de tekst “Het R.K. Gemertsch Studentencorps O.N.S.” De foto werd gemaakt op 12 augustus 1930. De ‘club’ was toen op de ‘brokken’ bij pater J. v. Houtert in de Nieuwstraat. De club ging een week voor diens eerste H. Mis gezamenlijk de kerk en het woonhuis versieren.

Op de foto zien we zittend vlnr: 1. Antoon van Houtert 2. kapelaan Sliepen 3. Johan van Houtert 4. Piet van Ganzewinkel 5. André van de Crommenacker Staand vlnr: 1. Frans Rooijmans 2. Hein Manders 3. Paulus Bouw 4. Harrie Jansen 5. Harrie van den Elsen 6. Piet Verhofstad 7. Jan Verhoeven 8. Piet Sleegers 9. Willy Frunt 10. Theo Scheepers 11. Jan van de Laar 12. Frans van Dijk 13. Hein Verhoeven 14. Jan van der Wijst.

Wie van onze lezers kan ons nog meer vertellen over deze club? Was het een club voor alleen maar priesterstudenten, of mochten ook andere studenten lid worden? Wat betekenen de letters O.N.S.? En… was er een verband met de Studentenvereniging ‘Edward Poppe’ van de leerlingen van de Latijnse School?

 

GEMERTSE TORENUURWERKMAKER WERKTE OOK IN THORN

De actieradius van de Gemertse torenuurwerkmaker Hendrick de Jong moet nog een stuk uitgebreider zijn geweest dan de aanvankelijk gedachte 20 tot 30 kilometer rond Gemert. Binnen een maand na het verschijnen van het tweede deel over de Gemertse horologiemakers uit de zeventiende en de achttiende eeuw (Gemerts Heem 2002 nr.4) kwam er een reactie van Ruud Mestrom uit Maastricht die ons attendeerde op een onderhoudscontract van Magister Hendrick de Jong uit Gemert in zake het onderhoud van het kerkhorologie van de abdij Thorn. Voor 40 Reichsthalers zou Hendrik het betreffende uurwerk gedurende een periode van 10 jaar onderhouden.

Het contract werd opgemaakt in het jaar 1703. En men had toen al enige ervaring met de Gemertse magister horologium, want uit de Thornse archieven was ook al een tekst komen boven drijven: “Hatt H(err)Canonicus Beeren auf sich genommen einen Horologiemächer von Gemert zu bestellen umb dasiger kirchen horologium zu visitiren, und wegen reparation mit demselben zu accordiren.” Het geleverde werk van Magister Hendrik de Jong moet dus ook hier goed zijn bevallen. De actieradius van de Gemertse horologiemeester strekt zich inmiddels uit van het Graafschap Megen aan de Maas in het noorden tot het Vorstendom Thorn, voorbij het Land van Horne, in het zuiden. (Bron: Gemeentearchief Thorn, Kapittel 537, Protocollen 1703)

Ad Otten

GH-2003-04 De Zeejkweurm en de Laojs

DE ZÉÉJKWÈÙRM ÈN DE LAOJS

Wim Vos

Grèùjt zaot mí d’r kléénkénder kòrt baj ’t vuur ónder de skaow, want ’t waor raw weer baojte. Jao, ’t raëgende dèè’t zeek èn ‘r waor zèlfs ’n haowmaow gewíst ’n dèùrp wejteróp die de ròg óp de vèèlde ha verrinneweerd. Grùtje raokelde ’t vuur nòg ’s óp mí de pook, skudde d’raajge ’n tas vòrse kòffie in èn begós te stùrrie-je um die dèbbers ’n hòrtje bízzeg te haawe.

’n Laojs èn ‘ne zééjkwèùrm waoren án ’t keeke um ’t skonste plèkske óp de misse. “Ikke waor ’t uurst”, zí de laojs. “Doede gaj aald zo nárzeg?” greengzde de mierzééjker. De laojs tròk ’n grùts gezeecht èn begós vast ’n kùlleke te graove um ‘r ’s lèkker laangaojt baj te kanne gon ligge. De zééjkwèùrm worde zo rood as ’n kroot, zo kaod worden ie. “Dè’s naw krèk waa’k wo”, daocht de mèrleng baj z’naajge toew ie ‘r nívvenaf kwam getreepeld, èn ie fraot bèèj de bísjes óp.

De kénder vóngen ’t evél haël èrg vùr de laojs èn de zééjkwèùrm. Már já, dùr dè gestèchel han de bísjes ok nie goewd aojt hullie döp gekeeke. Oopoe viejt vùr èlk kiendje ‘ne saojkersèp aojt ’t trùmmelke èn èèjde ’t jóngste dùrske óvver z’n bölleke.

Èn baojte tròk de loocht al wír wa óp….

NOTEN:

– Spelling: Nieuwe Gemertse Spelling (ngs) van Drs. P.H. Vos en W.J. Vos (vervangt sinds begin 2000 de Oude Gemertse Spelling (ogs) in Gemerts Heem en andere publicaties van Heemkundekring “De Kommanderij Gemert”).

– mier : 1. zééjkwèùrm (m). 2. mierzééjker (m).

– grootmoeder: 1. grèùjt (v). 2. grùtje (verkl. o). 3. oopoe (v).

– tarwe: tèrw. Tarwe werd nauwelijks verbouwd in Gemert; als de rogge platsloeg tijdens een storm was dat veel erger.

– stùrrie-je: druk vertellen. Vgl. W.J.Vos & M.A. van der Wijst: Gemerts Woordenboek, Gemert 1996, p. 158. Ze zaot zo te stùrrie-je dè ze vergaëte waor de soep óp te zétte (spelling gemoderniseerd). Het woord is helaas in onbruik geraakt.

– nárzeg (bn): (eigenlijk) kribbig, gemelijk, nukkig, slecht gehumeurd, kregel, nurks. Vgl. het Ned. narrig. Het Gemerts heeft –rz- in het midden van het woord, vroeger een suizende r. (Synoniem: nèùtelek).

GH-2003-04 In Memoriam pater Martin van der Drift

IN MEMORIAM PATER MARTIN VAN DER DRIFT

Rob de Haas

Op donderdag 2 oktober 2003 overleed op het kasteel van Gemert pater Martin van der Drift vlak voor zijn tweeëntachtigste verjaardag. Als lid van de congregatie van de Heilige Geest en kasteelbewoner heeft hij veel gedaan voor de Gemertse gemeenschap. Vooral voor mensen van buitenlandse afkomst die hier een nieuw bestaan probeerden op te bouwen. Met name de grote groep Indische Nederlanders die in 1951 en daarna in Gemert zijn komen wonen,hebben veel steun van hem gehad. In de uitgave van de heemkundekring “Enkele reis Indië – Gemert” (2001) wordt de belangrijke rol van pater Van der Drift bij de inburgering van de Indischen uitvoerig belicht.

Priester-leraar

Martinus Adrianus van der Drift werd op 16 oktober 1921 geboren in Maasland vlakbij Maassluis aan de Nieuwe waterweg, tussen Vlaardingen en Hoek van Holland. Een zondagskind, tweede van een groot katholiek gezin met zes jongens en zes meisjes. Niet ongewoon in die tijd. Zijn vader teelde druiven in kassen, de eerste stookkassen in het Westland en zo leerde de jonge Martin in de praktijk de fijne kneepjes van de druiventeelt. Hij deed er verder niets mee, want op 12-jarige leeftijd wist hij het al zeker. Missionaris zou hij worden. Spannende verhalen van missionarissen over hun werk in verre vreemde landen spraken tot zijn verbeelding en vanwege een aardige pater van de Heilige Geest, die bij hem thuis over de vloer kwam, koos Martin voor diens congregatie. Hij moest daarvoor na de lagere school wel helemaal naar het kleinseminarie in Weert. In die tijd een hele onderneming. Na zes jaar Weert en een jaar noviciaat in Gennep, kwam Martin van der Drift voor het eerst op het kasteel van Gemert terecht. Hier studeerde hij enkele jaren theologie. Die studie vervolgde hij aan de universiteit van Freiburg in Zwitserland, waarna hij in Genève tot diaken en subdiaken werd gewijd. In 1947 keerde hij naar het kasteel in Gemert terug. Daar werd hij op 21 november, 26 jaar oud, tot priester gewijd. Met spanning wachtte Martin af naar welk land hij als missionaris uitgezonden zou worden, maar het hoofd van de congregatie bepaalde anders. Pater Van der Drift werd teruggestuurd naar Weert om er op zijn oude school Latijn en Grieks te geven. Dat deed hij tot hij de opdracht kreeg om in Gemert de bekende Pater dr. Ed. Loffeld op te volgen. Deze gaf op het kasteel aan aanstaande missionarissen les in het kerkelijk recht. Maar om de lestaak van pater Loffeld over te kunnen nemen, moest Martin van der Drift zich eerst in dat vak bekwamen en daarin promoveren. Daarvoor ging hij naar Leuven. Aan die studietijd bewaarde hij goede herinneringen, zo zei hij zelf. Wat hij in België zo plezierig vond, was het internationale gezelschap dat uit medestudenten bestond uit 23 verschillende landen. Hij had toen al bijzondere belangstelling voor andere culturen en die is in de Leuvense periode alleen maar gegroeid. Na zijn promotie keerde Martin van der Drift weer naar Gemert terug. Liever was hij als missionaris naar Afrika gegaan, maar hij legde zich uiteindelijk neer bij de wens van zijn superieuren om les te gaan geven op het grootseminarie van Gemert. Dat deed hij van 1952 totdat in 1966 de priesteropleiding op het kasteel werd opgeheven.

Lokaal missiewerk

In de jaren zestig had de congregatie van de Heilige Geest zich tot taak gesteld om niet alleen missiewerk te doen in overzeese ontwikkelingslanden. Haar leden dienden zich ook verdienstelijk te maken binnen de plaatselijke gemeenschap. Dus zag je voortaan priesterstudenten in Gemert actief als sporttrainer, of catecheet, of als groepsleider. Dat waren in 1966, toen het grootseminarie ophield te bestaan, nog rond de zestig studenten. Gemert zou hen voortaan moeten missen. Voor pater Van der Drift en kasteeloverste pater Van Rooy reden om samen met o.a. mevrouw Corrie van Bommel en mevrouw Truus Fraza de Stichting Samenlevingsopbouw Gemert (SOG) op te richten. Inhakend op de democratiseringsbeweging van eind jaren zestig begin jaren zeventig werkte SOG aan de openbaarheid van bestuur en aan medezeggenschap van de Gemertse burgers op sociaal-maatschappelijk gebied. Daaruit vloeiden allerlei initiatieven voort, zoals de oprichting van de openbare bibliotheek en het jongerenwerk. Nu hij geen les meer hoefde te geven, kon pater Van der Drift zich naast zijn pastoraal werk geheel wijden aan de Gemertse gemeenschap. Jarenlang was hij secretaris van SOG en actief voor het weekblad “De Streek”. Maar het sterkst betrokken bleef hij toch altijd bij culturele minderheidsgroepen. Het kwam door zijn ‘missionarissenbloed’, zoals Martin het zelf noemde, dat hij zich tot hen aangetrokken voelde en dat hij zich altijd heeft ingezet voor minderheidsgroepen. Ook latere asielzoekers konden rekenen op zijn oprechte belangstelling en steun.

Vertrouwenspersoon

Pater Van der Drift heeft steeds een bijzondere positie in de Gemertse Indische gemeenschap ingenomen. Hij kende het wel en wee van heel wat Indische gezinnen en werd vooral beschouwd als een huisvriend. Op Indische avonden was hij steevast van de partij. Het bestuur van BINGO, de Indische vereniging die streefde naar intensivering van de contacten met de Gemertse burgers, benoemde hem tot erelid.

Het eerste contact met de Indische gemeenschap had echter een tragische achtergrond. Als assistent van pastoor Strijbosch van de nieuwe Gerardusparochie, komt pater Van der Drift in maart 1957 op condoleancebezoek bij de familie Lenoir op de Berglaren. Het zesjarig dochtertje van de familie was op tragische wijze om het leven gekomen bij een auto-ongeluk. Hij maakte toen kennis met diverse Indische mensen en al snel kreeg hij uitnodigingen om eens aan te komen. Zo groeiden de contacten met de Indische gemeenschap. Katholiek of protestant, het maakte hem niets uit.

Voor de Indischen werd Martin van der Drift een soort vertrouwenspersoon. Hij genoot hun respect en vertrouwen vanwege zijn hartelijkheid, openhartigheid en zijn toegankelijkheid. Er was altijd wel een aanleiding om bij iemand op bezoek te gaan. Dat gebeurde meestal ’s avonds. Ouders rekten zijn bezoek tot de kleinere kinderen naar bed waren en daarna kwamen de verhalen los. Over Indië, over het leven ginds, over hun ervaringen in de oorlog, maar ook over hun problemen hier met Gemertenaren en hun gewoontes, met hun eigen kinderen of over huwelijksproblemen. Over financiële perikelen ook wel eens, maar niet zo vaak. In die gevallen verwees hij naar hulpverleningsinstanties.

Bij de integratie van de Indische Nederlanders in de Gemertse samenleving heeft pater Martin van der Drift een heel belangrijke rol gespeeld. Zonder hem zou die zeker stroever zijn verlopen.

Pastor

Een bijzondere rol speelde pater Van der Drift ook als parochiegeestelijke. Als pastor ging hij voor bij de wekelijkse vieringen in de kapel van het kasteel. Toen binnen de katholieke kerk dramatische veranderingen plaatsvonden, – het aantal priesters en praktiserende gelovigen nam sterk af -, verstond hij de geest van de tijd. Samen met veranderingsgezinde parochianen vormde hij de kapelgroep, die op eigentijdse wijze invulling gaf aan de geloofsbeleving. Aan uittreden heeft hij nooit gedacht. Niet dat hij geen moeite had met sommige pauselijke wetten en uitspraken, maar hij vergeleek de kerk en de paus met een vader en zijn gezin. Ook al zou hij problemen hebben met zijn vader, daarom zou hij het gezin nog niet de rug toekeren. Ruimdenkend als hij was, toonde pater Van der Drift steeds warme belangstelling voor mensen met een andere cultuur en een ander geloof. Hij stond open voor andersdenkenden en respecteerde hun overtuiging.

Met het overlijden van pater Martin van der Drift is een geestrijke man heengegaan, die zich meer dan een halve eeuw in dienst heeft gesteld van de Gemertse gemeenschap.

GH-2003-04 Wat aan de verbouwing van de Kerkstraat voorafging

WAT AAN DE BEBOUWING VAN DE KERKSTRAAT VOORAFGING

Jan Timmers

Het is in lang niet alle gevallen mogelijk om na te gaan wanneer bepaalde percelen in het dorp Gemert ontgonnen werden of wanneer er voor het eerst een woonhuis op werd gebouwd. Voor de percelen aan de Kerkstraat, gelegen tussen de kerk en de Ruijschenbergstraat, is dat wel het geval.

Van het perceel op de hoek van de Kerkstraat en de Ruijschenbergstraat kenden we al langer de eigenaar in 1477: Jan Goyarts van Geldrop. Tot voor kort was het vermoeden dat hij het perceel had gekocht van Goyart van Gemert, de zoon van Diederik, laatste heer van Gemert. De reden voor deze veronderstelling was dat het perceel nagenoeg aan alle zijden was ingesloten door bezit van de familie Van Gemert en bovendien was er een verkoop van goederen van Goyart van Gemert aan Jan van Geldrop, zonder dat bekend is om welke goederen het precies ging1. De verkoopakte van het betreffende perceel was echter niet gevonden. Dat is intussen wel het geval. Naar nu blijkt kreeg Jan van Geldrop het perceel in erfpacht van de Commandeur van Gemert. In het archief van de Commanderij is deze akte niet bewaard gebleven. De rentmeester van de Duitse Orde, die de erfpachten jaarlijks moest innen, noteerde in zijn register: “non inveni litteras in registrium” (ik heb geen brieven hierover in het register aangetroffen). Doorgaans werden alle verkoopakten bewaard, zowel door de koper als de verkoper en bij verkoop van een perceel gebeurde dit “met de alde brieven”. Dat wil zeggen dat ook de oude eigendomsbewijzen aan de nieuwe eigenaar werden overhandigd. Dat was het geluk van de rentmeester, want hij noteerde eveneens: “Maer Jan Valcks heeft mij sijnen brief gleent daer hijt mede van den voorsegden Oerden gecoeft heeft”. Eén van de latere eigenaren, Jan Valcks, had de oorspronkelijke brief dus nog en de rentmeester heeft hem mogen lenen om er een kopie van te maken.2 De uitgifte in erfpacht betrof een perceel van 2 lopense gelegen naast de steeg (thans Ruijschenbergstraat) die gaat naar het huis dat van Dirk van Gemert was (Hooghuis en Hofgoed) en aan de andere kant naast een perceel van het Huis van Gemert (de Commanderij dus). Verder lag aan het ene einde de hoeve die van Dirk van Gemert was (het Hofgoed) en aan het andere eind de gemene straat (thans Kerkstraat). De verkoop vond plaats op 25 juni 1477.

Op diezelfde dag werd het aangrenzende perceel aan de Kerkstraat door de Duitse Orde in erfpacht uitgegeven aan Dirk Goyarts van Geldrop, de broer van Jan. Van deze akte is wel een exemplaar in het Commanderijarchief bewaard gebleven. Hier ging het om een perceel van 1 lopense gelegen tussen een perceel van het Huis van Gemert en een perceel van Jan van Geldrop met aan een eind de hoeve die van Dirk van Gemert was (het Hofgoed) en aan het andere eind de gemene straat (Kerkstraat).3

Tussen het perceel dat aan Dirk van Geldrop was verkocht en de kerk van St Jan met het bijbehorend kerkhof, lag kennelijk nog een stuk grond dat nog even van de Duitse Orde bleef. In 1501 blijkt echter dat Dirk, zoon van Maes Dirk Michiels eigenaar is van een perceel bij de kerk naast de kerkhof en aan de andere kant naast een perceel van Dirk van Geldrop en aan een eind een perceel behorend bij de hoeve die eertijds van Dirk van Gemert was. Tegelijkertijd wordt geschreven dat Dirk dit perceel voortijds verkregen had van Jan van Eynatten, Commandeur van Gemert. De transactie moet na 1483 hebben plaatsgevonden, omdat Jan van Eynatten daarvoor nog geen commandeur was. Bij de verkoop ging het om een “camp lands”, terwijl er in 1501 inmiddels een huis op gebouwd was.4

Bij de verkoop van de eerste twee percelen aan Jan en Dirk van Geldrop is in het geheel geen sprake van dat op de percelen een huis stond. In 1477 was het terrein tussen de kerk en de Ruijschenbergstraat kennelijk nog geheel onbebouwd. Na de verkoop door de Duitse Orde blijken de kopers er overigens vrij snel een huis op te bouwen. Jan van Geldrop bouwde vóór 1481 een huis. Zijn broer Dirk vóór 1483 en Dirk Maes Dirk Michiels (die later de naam De Cremer draagt) vóór 1501.

Behalve dat we nu weten dat de percelen aan de westkant van de Kerkstraat vóór 1477 nog onbebouwd waren, kunnen we ook nog iets zeggen over de ontginning van dit terrein.

Het gebied was vóór 1477 eigendom van de Duitse Orde. Het sluit aan bij het gebied waarop vanaf ca 1400 het kasteel werd gebouwd en waarop ook de kerk van St Jan de Doper werd gebouwd vanaf ca 1430. Al die grond behoorde tot de bezittingen van de Commanderij, echter nog niet zo heel lang. Vanaf het moment dat de Duitse Orde plannen maakte voor de bouw van het kasteel en kerk ontstond er grote onenigheid tussen enerzijds de Duitse Orde en anderzijds de familie Van Gemert. De Van Gemerts beweerden bij hoog en bij laag dat het gebied hún eigendom was. De Duitse Orde beweerde daarentegen dat dat grondgebied inmiddels eigendom van de Orde was, omdat Diederik van Gemert destijds (in 1366) zijn gehele heerlijkheid, inclusief alle daarbij behorende gemene gronden, aan de Duitse Orde had verkocht. In de periode van 1391 tot 1394 worden meerdere oorkonden opgemaakt over het geschil tussen beide partijen. De ingeschakelde scheidslieden trekken steeds de conclusie dat de betreffende percelen tot de gemene gronden behoren en dus eigendom zijn geworden van de Duitse Orde. We zullen hier niet verder ingaan op het geschil zelf, omdat het belangrijkste gegeven voor ons nu is, dat de betreffende percelen kennelijk in 1394 nog niet ontgonnen waren, want dat is de essentie van gemene gronden.

De ontginning heeft kennelijk plaats gehad tussen 1394 en 1477, immers bij de verkoop door de Duitse Orde wordt vermeld dat het om percelen “land”gaat; een term die in gebruik was voor akkerland.

De conclusie is dus dat een fors gebied, midden in de huidige kern van het dorp Gemert, in ieder geval tot 1394 onontgonnen was en pas na 1477 werd bebouwd.

gh 2003-04 kerkstraat timmers

NOTEN

1. Jan Timmers, Ontwikkelingen in middeleeuws Gemert, in Het Hooghuis te Gemert, bijdrage tot de geschiedenis van Gemert deel 27, blz 94.

2. Archief Commissie van Breda, inventarisnummer 430 folio 22.

3. Inventaris Archief Kommanderij van de Duitse Orde te Gemert (AKDOG) nr 606, regest 376

4. AKDOG inventaris nummer 793. In de inventaris staat dat het perceel de naam Vollicke camp droeg, echter dat berust op een leesfout.

Enige genealogische gegevens van de familie Van Geldrop

Goyart van Geldrop, zoon van Philips van Eijck, had een natuurlijke zoon Dirk, die priester was en pastoor (investiet) van Fooz. Dirk was van 1407 tot 1412 eigenaar van het goed De Wouw in Gemert.

Deze Dirk van Geldrop had vier natuurlijke kinderen bij Kartha, dochter van Ywaen van Tricht. De vier kinderen zijn:

a. Katelijn, gehuwd met Johannes Kock van Roda

b. Heilwig, gehuwd met Aert Spierinc

c. Margriet, gehuwd met Anthonis, natuurlijke zoon van de kannunnik Goyart van de Velde

d. Goyart van Geldrop, gehuwd met Margaretha, natuurlijke dochter van Jan van Kryekenbeek. Uit dit huwelijk de zonen Dirk, Jan en Ywaen. Dirk en Jan zijn de broers die de percelen aan de Kerkstraat gaan bebouwen.

Bronnen: Fiches Bossche Protocollen; Inventaris Archief Kommanderij Gemert van de Duitse Orde; A. van den Bichelaer, Het notariaat in stad en meierij van ‘s-Hertogenbosch tijdens de late middeleeuwen, bijlage 1.

 

GH-2003-04 Middeleeuwse boerderijbeschrijvingen

MIDDELEEUWSE BOERDERIJBESCHRIJVINGEN

Jan Timmers

In het kader van het jaar van de boerderij werd door de heemkundekring een boekje uitgegeven met drie fietstochten door de gemeente Gemert-Bakel met daarin korte beschrijvingen van maar liefst 170 boerderijen. Allemaal bestaande panden, waarvan een aantal nog geen 100 jaar oud, anderen veel ouder. Van sommige gaan delen zelfs terug tot in de 17de of misschien 16de eeuw. Middeleeuwse boerderijen kennen we niet. Als we willen weten hoe de boerderijen van toen er hebben uitgezien zijn we vaak aangewezen op oude schilderijen van bijvoorbeeld Pieter Breughel of Jeroen Bosch. We vragen ons dan wel af of dergelijke boerderijen ook in Gemert hebben gestaan. Dat blijkt inderdaad het geval te zijn. We kennen dan wel geen schilderijen of tekeningen uit de middeleeuwen van dergelijke gebouwen in Gemert, maar in middeleeuwse archiefstukken komen beschrijvingen voor, die nauwkeurig genoeg zijn om ons daarvan een beeld te kunnen vormen.

In 1446 geeft Henrick Becker, de eigenaar van het goed Hazeldonk, opdracht aan Maes Blox om een nieuw gebouw te timmeren op de Hazeldonk. In de beschrijving werden zelfs de maten van het gebouw vermeld. De tekst van de Helmondse schepenakte zullen we niet herhalen, omdat die al eerder in Gemerts Heem werd gepubliceerd.1 Nadien verscheen in het tijdschrift Brabants Heem van de hand van Herman Strijbosch een artikel over een middeleeuwse boerderij uit Broekhoven, waarvan het oorspronkelijke houtskelet nog bewaard was gebleven als onderdeel van een bestaand gebouw.2 Er kon een reconstructie worden gemaakt van dat middeleeuws gebouw. Opmerkelijk was dat de beschrijving van de Gemertse hoeve Hazelbosch precies overeen kwam met de reconstructie van de Broekhovense hoeve. Zelfs de maten kwamen met elkaar overeen. De reconstructie van het Broekhovense gebouw kan dus tevens gelden als reconstructie van het pand dat in 1446 op de Hazeldonk werd “getimmerd”.

Inmiddels werd in de Gemertse schepenprotocollen nog een bouwovereenkomst aangetroffen uit 1494. In deze overeenkomst wordt de boerderij die moet worden gebouwd globaal beschreven. Ter informatie volgt de complete tekst.3

Een vorwarde van eenen tymmeringen gemaeckt tuschen Jan Henrycks ende Heymeryck Jan Tymmermans, dat Heymeryck Jannen Henrycks tymmeren ende maken sal een huys van v gebonden groet van Jan Henrycks hout ende dat huys sal Heymerick Jannen maken ende leveren rontome op syn stock metter uutcameren ende al tot den latten toe ende totten doerren toe ende Heymeryck sal noch maken vijff rybben voer uutgebonden met iii cruysvensteren ende met sine gelaessgaeten gelyck dat behoert ende noch sal hy maken een sijeldoer met ii gelaessgaeten als des behort ende alle dyt hout sal hem Jan Henrycks doen ende Jan sal dat tymmerhout moten doen sagen te langhs ende Heymken salt te wers sagen ende wyl Jan Henrycks daer over aen gemaeckt hebben then hier voer in bescheyen is dat sal Jan hem sonderlengen loenen ende dese wermen sullen lanck sijn lx voet met einen overspronck ende met einen topbalck ende Jan Henrycks sal Heymke met sinen knecht den cost doen al die wijllen dat hy tymmerende is ende soe sal Heymken Jannen maken dyt hij huys lofber ende wael tot tymmeren met pryssen ende hyer aff sal Jan Henrycks Heymken besorgen v peter elcken peter van xix stuiver ende Heymken sal aen dyt werck bestaen te wercken ter stont nae paessen naescomende ende getugen hier bij ende over geweest Jan van Hout, Jacop van Hugenvort ende Jan Vogel ende meer anderen.

Vrij vertaald kunnen we lezen dat Heimerik Jan de Timmerman een huis timmert voor Jan Hendriks. Jan moet zelf het hout leveren. Heimerik maakt het houtskelet (de “stock”) met uitkamers, kompleet tot en met het latwerk en de deuren. Bovendien maakt hij een overstek van vijf balken (ribben). Er komen drie kruisvensters in met openingen voor het glas. Verder een deur in de zijgevel met twee openingen voor glas. De wormen moeten 60 voet lang zijn met een overstek en een topbalk.

Alhoewel dat niet als zodanig wordt gezegd gaat het hier om de constructie van het houtskelet van een boerderij, bestaande uit ankerbalkgebinten, waarover in de lengterichting een balk (de worm) wordt aangebracht. Op dit houtskelet rust de kapconstructie. De wanden zullen vakwerkwanden zijn, waarvan het vlechtwerk niet door de timmerman wordt gemaakt. Hij levert het huis op tot en met de latten, deuren en ramen. Feitelijk levert hij al het timmerwerk, wat ook de kern van het huis was. De afwerking van de vakwerkwanden, de dakbedekking (doorgaans van stro) en het plaatsen van glas in de ramen horen er niet bij.

Vergelijken we de constructie met het huis op de Hazeldonk dan valt op dat er grote gelijkenis is. Het grootste verschil is de lengte van het pand. Op Hazeldonk is sprake van een houtskelet van drie gebinten, terwijl het hier gaat om vijf gebinten. De lengte van De Hazeldonk was 28 voet en hier is het huis 60 voet lang. De afstand tussen twee gebinten is dus in het ene geval 14 voet en in het andere geval 15 voet. Omgerekend is dat een afstand van 4 tot 4¼ meter. De afstand tussen de gebinten bij nog bestaande oude boerderijen komt hier redelijk goed mee overeen. De totale lengte van het huis kwam op 17 meter. De oude hallenhuizen, die bij bouwhistorisch onderzoek in Noord-Brabant zijn aangetroffen bestaan vaak uit vier ankerbalkgebinten, soms uit vijf. De hier beschreven boerderij is voor zijn tijd een tamelijk lang gebouw.

Een andere overeenkomst met De Hazeldonk is de vermelding van een overstek. Als de gegevens goed zijn geïnterpreteerd gaat het hier om een uitkragend zolderfront aan de voorzijde van het huis. De voorgevel steekt een stuk naar voren, vanaf zolderhoogte tot aan een topbalk, die de twee wormen in de zijgevels met elkaar verbindt. Dit uitkragend zolderfront rust op vijf zolderbalken die in de lengterichting van het huis op de ankerbalken liggen en bij de voorgevel een stuk uitsteken. Op deze balken rust ook de zolder van het woongedeelte van de boerderij. We mogen ervan uitgaan dat er naast de vijf “ribben” ook nog in de zijgevels vooruitstekende balken aanwezig zijn. Als de lengte van een ankerbalk en daarmee de breedte van het huis, de gebruikelijke afmeting van ca 6 meter heeft, betekent het dat de zolderbalken één meter uit elkaar liggen. Bij het huis op Broekhoven tekent Herman Strijbosch tien zolderbalken.

Er is nog een bijzonderheid te melden bij onze boerderij. In het “bestek” is sprake van een uitkamer. Daarmee wordt waarschijnlijk een soort van aanbouw bedoeld; een deel van het gebouw dat buiten de hoofdbouw en dus buiten het houtskelet van het pand gebouwd wordt. De vraag is dan natuurlijk waar die aanbouw zich zal hebben bevonden. In de beschrijving wordt de plaats van de uitbouw niet aangegeven Dat betekent dat de plaats min of meer voor de hand heeft gelegen en dat de timmerman wel geweten zal hebben waar hij die uitbouw moest maken. Een aanbouw in de lengterichting is niet waarschijnlijk. Op de eerste plaats omdat het huis al relatief lang is en op de tweede plaats, omdat een verlenging van het huis zou betekenen dat er een extra gebint moet worden gemaakt. In dat geval zou de opdracht dan veel eerder geweest zijn om een huis te bouwen van zes gebinten en de vermelding van de uitbouw zou dan achterwege zijn gebleven.4

Verder staat er letterlijk in de tekst: “metter uutcameren”, en dat is meervoud. Er is dus sprake van meer dan een aanbouw. Mijn conclusie is dat met de “uutcameren” bedoeld wordt dat aan het hoofdgebouw aan weerszijden een zijbeuk moest worden aangebracht. Dat betekent dat er in zijn geheel een drieschepige constructie ontstond, die we bij de oudste nog bestaande boerderijen nog steeds kennen.

Hiermee hebben we wel een duidelijk verschil met het huis op De Hazeldonk. In dat bestek is in het geheel geen sprake van een of twee zijbeuken. Daar is in 1446 een huis zonder zijbeuken gebouwd. Het gebouw dat Herman Strijbosch reconstrueerde in Broekhoven heeft aan één zijde een zijbeuk en het pand dat in 1494 in Gemert werd gebouwd had kennelijk twee zijbeuken. Tot nu toe wordt in de literatuur over de ontwikkeling van de Brabantse boerderij automatisch aangenomen dat in de middeleeuwen steeds sprake was van drieschepige gebouwen. Uit opgravingsplattegronden van boerderijen uit de 13de eeuw blijkt dit steeds het geval te zijn. Uit de voorbeelden die we nu hebben gezien blijkt dat in de 15de eeuw die drieschepige opzet niet steeds realiteit was. In het hier beschreven bestek wordt expliciet vermeld dat er zijbeuken moeten worden gemaakt, waaruit blijkt dat dat (nog) niet vanzelfsprekend was. We moeten daarom vraagtekens zetten bij de opvatting dat de drieschepige opzet continue vanaf de middeleeuwen in gebruik was. Daarmee is een geleidelijke ontwikkeling van de boerderij vanuit de archeologisch bekende plattegronden ook niet vanzelfsprekend.

NOTEN:

1. Jan Timmers, Een nieuw gebouw op de Hazeldonk in 1446, Gemerts Heem 1987, nr 3.

2. Herman Strijbosch, Hofstede in Broekhoven? De bouwgeschiedenis van een gesloopte boerderij, Brabants Heem jrg 50 (1998) nr 4 blz 150

3. Rijksarchief Den Bosch; Gemert R 98, los bij f7, anno 1494

4. In het vorige nummer van Gemerts Heem is een globale reconstructie van de Haageijk rond 1500 geschetst. Daar is, overigens zonder argumentatie, een “uutcamer” geïnterpreteerd als een uitbouw in de lengterichting. Simon van Wetten, Gemert vóór vijfhonderd jaar-1 (Haageijk), Gemerts Heem 2003, nr 3, blz 13.