GH-2002-03 Oproep om Gemert met het geweer te verdedigen

Maria van de Vossenberg-Lorteije

In mijn speurwerk naar ‘Gemerts Verleden’ vond ik in het gemeentearchief een interessant stuk uit 1674. Er was in dat jaar van alles aan de hand in onze contreien. In het rampjaar 1672 hadden Frankrijk, Engeland alsook Keulen en Munster de Republiek der Nederlanden de oorlog verklaard. Admiraal De Ruyter bezorgde de Frans-Engelse vloot een paar nederlagen waarna Engeland zich uit de oorlog terugtrok. Maar de Frans-Nederlandse oorlog zou nog duren tot de Vrede van Nijmegen in 1678. In 1674 lagen de Franse legers van de zonnekoning (Lodewijk de Veertiende) in Noord-Brabant. En Gemert was door haar ‘status aparte’ van Vrije Heerlijkheid officieel dan wel neutraal gebied maar het viel de Commanderije kennelijk toch niet mee om buiten alle strijd te blijven. De Fransen trachtten Grave aan de Maas te veroveren en vanuit Den Bosch oordeelde men het uit vermoedelijk strategisch oogpunt van belang om onder meer in Gemert een legereenheid van het Bossche garnizoen te stationeren. Om de bevolking zoveel mogelijk gerust te stellen publiceerde de commandant van het Bossche garnizoen op 16 februari 1674 een plakkaat ‘teneinde te beletten alle moedwil en overlast welke de omliggende plaatsen mochten ondervinden van het garnizoen van ‘s-Hertogenbosch’. Maar dat was ‘onze’ Gemertse commandeur Virmundt allemaal nog niet genoeg. Want hij kwam daaroverheen op 4 maart 1674 ook met een Gemerts plakkaat. En dat is het stuk dat mij nu zo interesseerde. Het kostte me trouwens heel wat hoofdbrekens voordat ik alles snapte. Begrepen heb ik nu, dat ze het ook vroeger niet met eenvoudige woorden konden zeggen…

Virmundt verwijst eerst naar het plakkaat van de Bossche legeraanvoerder, zegt dan dat te willen ‘seconderen’, en pakt vervolgens uit met wat er in Gemert moet gebeuren als er onverhoopt toch ‘excessen ende infractien’ gepleegd worden die de vrijheid en de privilegies van Gemert aantasten. Dan moet direct in het dorp de klok worden geslagen. Dat is dan het sein waarop zo’n beetje iedereen in het geweer moet komen. En met name de rotmeester, de uit de bevolking daartoe aangewezen ‘aanvoerder’ van een wijk of gehucht, krijgt daarbij de verantwoording. Hij moet er op toezien dat iedereen die een geweer of anderszins heeft gekregen dat die als de klok wordt geslagen dan ook met zijn wapen komt opdagen zodat daadkrachtig tot arrestatie van inbreukplegers kan worden overgegaan. Diegenen die verzuimen op te komen krijgen een straf (=peen) van ‘een pont groot’. En ook degenen die zich niet wapenen zoals het hoort moeten door de rotmeester als ‘defectueusen’ worden ‘aangegeven’ bij de schout. En als de rotmeester dat laatste nalaat dan wacht hem dezelfde boete (=amende) als ‘den defectueuse’.

De exacte tekst van het plakkaat van de commandeur van Gemert volgt hierna:

Wij Ambrosius vrij heere van Virmundt, Duijts Ordens Ridder, Commandeur ende Stadthouder van die Vrij Neutrale Heerligheijt Gemert, willende seconderen die goede intentie ende voornemen van den voorschreven Heere Commandeur van ‘s-Hertogenbosch, mede oock onse lieve onderdaenen, bevrijen ende beschudden int toecomende van dusdanige excessen ende infractien geschiedende teghens die privilegien ende vrijheijt deser plaetse bevelen ende ordoneren, gelijck wij bevelen ende ordoneren mits desen, dat ingevalle alsulken moetwil alhier quame bedreven oft gepleght te woorden, dat men aenstonts die clocke sal slaen ende een ijder mit sijn geweer, daer op hij door die Rotmeester gestelt is compareren op die peene van een pont groot, promptelijck te execuiteren ten laste der defaillanten om alsoe die moetwilligen in apprehensie te neemen ende over te leveren aen haere ovrigheijt – oock is onsen wille ende begeerte dat ieder Rotmeester bij sijn Rot sal compareeren om alsoe te gevoeglijker te connen achterhaelen ende bemercken die defaillanten ende waer het saecken dat iemant compareerde sonder behoorlijcke waepenen ende den Rotmeester die selve aen den Heere Schout niet en hadde aengebracht, soo sal den selven Rotmeester vervallen in die selve amende als den defectueusen waernaer ieder sich kan stellen, want het ons alsoe gelieft Regeren op ons Casteel van Gemert, den vierden Martij 1674.

Was getekend: A. van Virmundt

Bron: Oud-archief Gemert 1407-1794 invnr. 900-a

Bekijk PDF

GH-2002-03 Het Frans archief III

Meesters, Militie en Molens

Simon van Wetten

“In bedenking nemend dat niets noodwendiger is voor het heil van de staat en het geluk der ingezetenen dan de onderwijzing der jeugd…”
Deze ruim tweehonderd jaar oude dooddoener, afkomstig van de Commissaris van het Gouvernement der Linker Zijde der Rhijn, wordt heden ten dage ook vernomen uit de mond van elke zichzelf respecterende politicus (zeg dus maar gerust elke politicus), met name in het half jaar voorafgaande aan de verkiezingen.
Het navolgende citaat is óók twee eeuwen oud en past, los van het genoemde bedrag, eveneens naadloos op de politieke merites van onze eigen tijd. De tijd vlak ná de verkiezingen, wel te verstaan: “Ik heb opgegeven dat de 8 gulden voor het leren der arme kinderen door de gemeente worden betaald, maar dit is abuis. De 8 gulden worden betaald door de arme meesters.” Natuurlijk bedoelde de brave agent van het dorp St. Anthonis, die in 1799 het briefje met de geciteerde tekst naar het bestuur van het kanton Gemert stuurde, dat het de armenmeesters waren die het schoolgeld moesten ophoesten. Maar de goede man maakt tegelijkertijd vlijmscherp duidelijk dat een ander, beroemder citaat nog steeds klopt: l’Histoire se répète, de geschiedenis herhaalt zich. Het is immers van alle tijden dat, wanneer je aan politici vraagt: “Wie weet hoe het moet?”, zij steevast de wijsvinger lichtjes in de eigen borst prikken, en bij de vervolgvraag “En wie zal dat betalen?” onmiddellijk de arm strekken en de rest van de wereld aanwijzen. In de Franse tijd waren de aangewezenen, in de kwestie van het schoolgeld der onvermogenden, de armenmeesters.

We nemen de draad, die we halverwege de eerste zin van dit verhaal hebben laten liggen, weer op: “…wordt geordonneerd dat er de volgende divisies van scholen zullen zijn: Centrale, Speciale en Prima scholen. Er zullen scholen voor jongens en meisjes zijn, waarbij de scholen der jongens zich in twee classen zullen verdelen.” Ziedaar het raamwerk van het onderwijssysteem zoals de Fransen dat aan de Linker Zijde der Rijn invoerden. “Of er in Gemert ook publieke bibliotheken waren”, wilde men van overheidswege nog weten. “Nee”, was fijntjes het antwoord, “bibliotheken hebben we niet. Scholen wel. Oók scholen waar geen fondsen voor zijn, namelijk de school in het klooster van de Kruisheren, en de school in het nonnenklooster”.

De interesse die de hoge Franse heren bestuurders voor de jeugd aan de dag legden, spitste zich, als de kinderen eenmaal een paar jaar van school waren, toe op de jongens. Niet dat daarmee beweerd wil zijn dat die hoge Franse heren hun neus ophaalden voor jonge vrouwen, zeker niet, maar de professionele, bestuurlijke belangstelling ging uit naar de jongemannen. Die konden namelijk in dienst. Conscriptie heette dat, in het Franse jargon. “Inschrijving voor de krijgsdienst”, verklaart het woordenboek. Lodewijk Napoleon, de vriendelijke, had de dringende verzoeken van zijn keizerlijke broer om invoering van de conscriptie in het Koninkrijk Holland steeds vastberaden naast zich neergelegd, maar vlak voor en zeker nadat hij door broerlief was weggepest, was er geen houden meer aan. Vanaf het jaar 1809 werden in elke gemeente lijsten aangelegd met de namen van alle twintigjarige jongens. Zij dienden tirer à la conscription, te schieten op de conscriptie. Een lotje trekken, in gewoon Nederlands. Als ze pech hadden en soldaat moesten worden, dan kon er vervolgens op hen ‘getireed’ worden, door Russische kozakken bijvoorbeeld.
Leuke bijkomstigheid is dat de conscriptielijsten vaak voorzien zijn van signalementen. Zo kan men van zijn2002-3 frans a1 betovergrootvader te weten komen of diens gezicht “rond” was, de neus “plat” en de oren “uitstekend”. Of de vrieskou in de Russische sneeuwtoendra dat signalement misschien enigszins heeft veranderd, wordt nergens vermeld. Hoewel, soms tref je in het Frans Archief correspondentie aan zoals van die aardige luitenant, die in augustus 1813 een briefje naar Gemert schreef dat “Van de Laar nog leeft, hij ligt in het hospitaal van Bremen.”
Al voordat de gebroeders Bonaparte het heft in handen hadden, gingen de Fransen er van uit dat men ook uit idealisme en dus vrijwillig toe zou kunnen treden tot de gelederen van het Leger van het Noorden. Burgers tussen de 18 en 30 jaar kwamen in aanmerking. Tot 40 jaar kon ook nog, mits de betrokkene reeds eerder gediend had. Verder werd een certificaat van goed gedrag gevraagd, kreeg men uitdrukkelijk géén handgeld betaald en was er sprake van de volgende minimumlengten:
– voor de lichte cavalarie 5 voet en 3 duim (= 1.706 meter),
– voor de zware cavalarie 5 voet en 4 duim (= 1.733 meter),
en anders werd het één van de korpsen infanterie.
Tot slot diende de aanstaande militair gekeurd te worden door een “doctoor”. Dat zulks géén garantie bood voor een sterke, gezonde en krijgshaftige aanwinst voor het leger, wordt duidelijk door een briefje uit 1809 van de eerste “Lieutenant” van het 5e Regiment Infanterie van Ligne, die behalve dat briefje ook ene J. Luurmans naar Gemert zond. “Deze Luurmans is door de dokter gevisiteerd en goed bevonden, maar nu blijkt dat de man een zware borstkwaal heeft en niet in staat is het Koninkrijk te dienen. Daarom wordt Luurmans uit de dienst ontslagen.” En Luurmans stond er bij, hoestte nog eens flink en verzond een vette knipoog naar zijn dorpsgenoten. Deze laatste waarneming, dat zult u begrijpen, wordt niet geschraagd door enig archiefstuk, maar is een interpretatie van de schrijver dezes.

Secreet! Mocht u zich aangesproken voelen, dan moet u weten dat secreet “geheim” is en vaak boven de Franse militaire correspondentie stond. Ik kan u verzekeren dat de archiefonderzoeker die zulke secrete brieven leest, even wordt getransformeerd tot iets of iemand die het midden houdt tussen een voyeur en James Bond: je ziet iets dat eigenlijk niet gezien mag (mocht) worden. Verder kan ik u helaas niets over de inhoud van deze brieven mededelen.

Naarmate de Franse tijd vorderde, groeide de behoefte aan kanonnenvlees. In september 1809 werd een wet van kracht, die het mogelijk maakte alle jongelingen van boven de 16 jaar, van wie de vaders onderstand uit de armenkas genoten, naar de militaire ‘etablissementen’ op te zenden. “Hé vader, zoude onderhand niet gaan werken?” Eind 1810 diende elke gemeente een “Compagnie de Reserve” te formeren. Vanaf 1811 wordt een groot deel van de militaire briefwisselingen in beslag genomen door verzoeken om opsporing en arrestatie van dienstweigeraars en deserteurs. Johannes Arnoldus van Vechel uit Gemert dacht in februari 1813 slim te zijn, meldde zich aan bij het gemeentehuis van Den Bosch als voluntair voor klerk, maar werd in plaats van achter een schrijftafel meteen bij het 7e Regiment Huzaren geplaatst.
Nee, er was geen sprake meer van 75 gulden per aangemelde vrijwilliger. Kort en bondig liet de Franse Prefect weten dat “vijf ruiters uit uw kanton zich onverwijld, met hun paarden, te Eindhoven moeten melden bij de cavalarie”.
Een week later schreef diezelfde Prefect aan het Gemerts gemeentebestuur: “In Den Bosch zijn 26 paarden afgekeurd en daarvoor dienen andere te komen. Daarom moeten alle paarden uit uw gemeente die tussen de 5 en 10 jaar oud zijn naar Eindhoven worden gestuurd opdat men daar een keuze kan maken”. En in de laatste dagen van het Franse regime, in oktober 1813, toen men in Gemert de moed had te klagen over onbetaalde verblijfkosten van de gendarmerie, liet een luitenant-commandant verbitterd weten dat voor “gemeenten waar deserteurs zijn” héél andere betalingsregels gelden.

2002-3 frans a2Franse tijd of niet, de Gemertse molens draaiden dóór. Een heel dik boekwerk in het Frans Archief bewijst dat. Van dag tot dag werden in dat boek, ruim twaalf jaar lang (tussen 1794 en 1806) alle Gemertenaren genoteerd die graan ter molen brachten. Het gewicht, de meelontvangst en het waaggeld staan in keurige kolommen vermeld. Waaggeld? Jazeker, de Fransen zouden de Fransen niet zijn als ze geen belasting op het Gemaal hadden ingevoerd. Kijk, dat doet toch een beetje zeer. Al in het begin van de 17e eeuw hadden de mensen van Gemert de voor die tijd ongehoorde moed om zich te verzetten tegen het “Recht van Wind” dat de edele heer commandeur zich toedacht. Die kwestie is door een niet eens zó frivole archiefvorser bestempeld als een soort Franse Revolutie avant-la-lettre in miniatuurvorm en zelfs een verfilming waard geacht. Honderdvijfenzeventig jaar later volgde de echte Franse Revolutie, waarbij de heerlijke rechten werden afgeschaft en de bijbehorende heren geboeid en wel op dokkerende karren richting guillotine werden afgevoerd. En wat doen de nieuwe Franse heren? Die voeren een belasting op het Gemaal in. Hoe luidde dat citaat van zoëven ook al weer? De geschiedenis herhaalt zich?
In het dikke waaggeldenboek staan over de Gemertse ingezetenen helaas geen andere gegevens dan wat zij ter molen brachten en de sporadisch voorkomende mededeling: “Zak laten vallen”. Wel kan men nauwkeurig berekenen wat de omzet van de twee windmolens en ene rosmolen van Gemert was, en of er op bepaalde dagen van de week minder of juist meer aanbod was dan op andere dagen, en of er sprake was van seizoensinvloeden. Twee willekeurig gekozen weken leveren de volgende gegevens op:
Van maandag 21 juli tot en met zaterdag 26 juli van het jaar 1794 kwamen 174 mensen 32.735 pond en 2.042 lood graan naar de molens brengen. Dat staat gelijk aan 15.414 kilogram, ruim vijftien ton!
Van maandag 26 maart tot en met zaterdag 31 maart van het jaar 1804 kwamen 96 mensen 20.064 pond en 458 lood graan brengen, dus 9.436 kilo.
Opvallend is dat de zaterdag steeds de rustigste dag was – ook toen al iets van een ‘weekendgevoel’ – en ook valt op dat het verschil tussen het gewicht van het aangeleverde graan en het terugontvangen meel altijd rond de 0.930 was. Zeven procent verlies derhalve.
De door mij geconsulteerde mulder van molen “De Bijenkorf” bevestigde dat het anno nu niet anders is. “Stof en het schoonvegen van de stenen”, luidde zijn verklaring. Er werd destijds dus niet gesjoemeld, er gebeurde niets onoirbaars en niets onverkwikkelijks. Ach, dat was toch ook al af te lezen aan de nette administratie van het gewichtsverschil. Geloof trouwens maar dat de boeren anders ingegrepen zouden hebben! Dan hadden ze de mulder vast wel wat klappen in zijn eigen molen verkocht, gemole(n)steerd zeg maar…

Bekijk PDF

GH-2002-03 Een bijl van Jadeiet

Jan Timmers

Vorig jaar in september 2001 werd aan de rand van de buitengracht rond het Gemerts kasteel het beeld van de Vredesmaagd vernieuwd. Ook het fundament waarop het beeld werd geplaatst werd vernieuwd, waarvoor enig graafwerk moest worden verricht. Er werd een kuil gegraven, die daarna met nieuw aangevoerd zand werd opgevuld. Daar werd het nieuwe fundament op gemetseld. Toen een en ander zo goed als was afgerond trof kasteelbewoner Piet Delisse een pracht van een bijl uit de nieuwe steentijd aan juist bij deze plek, een beetje verscholen onder de struiken.

Het aangetroffen voorwerp is een glad gepolijste stenen bijl. Het gebruikte materiaal is in dit geval geen vuursteen, maar zogenaamd jadeïet, een gesteente dat nog het meest lijkt op de halfedelsteen jade. De kleur is donkergroen met lichtgekleurde aders er doorheen. De grootste lengte van de bijl is 82 mm, de grootste breedte: 50 mm en de grootste dikte: 21 mm. Voor een bijl uit de Nieuwe Steentijd (Neolithicum) is het een klein exemplaar. De meest voorkomende neolithische bijlen zijn van vuursteen gemaakt en zijn doorgaans heel wat groter en hebben een lengte van zo’n 15 cm of meer. De gevonden bijl is dus om twee redenen een bijzonder exemplaar. Vanwege het materiaal en vanwege de afmetingen. Daarnaast is het bijltje nog volledig onbeschadigd en ook dat is een bijzonderheid.

Elders gevonden exemplaren

Hoe bijzonder de vondst precies is kan pas worden vastgesteld als we weten of dit soort vondsten vaker voorkomt en in welke plaatsen. Gelukkig is een overzicht bekend van vindplaatsen van jadeïet bijlen in Nederland en de directe omgeving. De meeste bijlen werden aangetroffen in plaatsen langs Maas en Rijn. Met name in Limburg komen de meeste exemplaren voor. In Noord-Brabant is een aantal vondsten bekend, eveneens van plaatsen langs de Maas. Daarnaast staan op het overzichtskaartje slechts twee jadeïet bijlen uit het zandgebied van Brabant 1. De vondst van een dergelijke bijl in Heusden bij Asten is daarin nog niet opgenomen 2. Dat betekent dat de jadeïet bijl van Gemert het vierde exemplaar is binnen het Brabantse zandgebied. Het aantal gepolijste bijlen van vuursteen is vele malen groter. Alleen al in Gemert zijn er daarvan al vier bekend. Het aantal gepolijste vuurstenen bijlen in aangrenzende plaatsen is nog groter. Het verschil in deze aantallen geeft aan dat jadeïet bijlen, ook al in het neolithicum, bijzondere voorwerpen geweest moeten zijn. Dat heeft beslist ook te maken met het materiaal. Vuursteen is tamelijk dichtbij aanwezig in de Maasvallei in België tot in Zuid-Limburg, waar de vuursteenmijnen van Rijkholt en St Geertruid bekende aanvoerplaatsen zijn geweest. Voor jadeïet moeten we tot in het gebied van de Alpen voor de meest nabije plaats waar dit gesteente voorhanden is. Dat wijst op het bestaan van handelsrelaties over behoorlijk grote afstanden.

Het al genoemde overzichtsartikel geeft als datering van de jadeïet bijlen aan dat ze met name voorkomen in de middelste periode van de Nieuwe Steentijd en dat betekent een datering tussen 3300 v.Chr en 2150 v.Chr. Die datering geldt vooral voor de Limburgse vondsten, maar de datering voor Brabant zal daarvan niet of nauwelijks afwijken.

De vindplaats

De bijl is gevonden in de directe nabijheid van het graafwerk voor de Vredesmaagd. Het kan bijna niet anders of de bijl is afkomstig uit het gegraven gat. Tijdens het graven is de bijl door zijn gewicht van de zandhoop af gerold tot onder de struiken. Bij het afvoeren van het overbodige zand is de bijl daarom niet meegenomen.

2002-3 bijl2Een andere mogelijkheid zou zijn dat de bijl werd aangevoerd met het nieuwe zand waarmee de kuil werd aangevuld. Dat lijkt onwaarschijnlijk. De bijl zou dan bijna zeker tegelijk met het zand in de kuil onder het beeld verdwenen zijn.

Dat betekent dus dat het voorwerp oorspronkelijk in de grond zat op het binnenterrein van het Gemertse kasteel. Juist aan de binnenzijde van de huidige buitengracht. Het is goed om hier op te merken dat de oorspronkelijke buitengracht verder noordwaarts lag, pal naast de straat en dat het huidige Ridderplein onderdeel uitmaakte van het oude kasteelterrein. De vindplaats maakte vroeger dus zeker deel uit van het kasteelterrein. Op zichzelf is dat overigens niet zo belangrijk. De bijl is namelijk veel ouder dan het kasteel of de grachten daaromheen. Met de aanleg van het kasteel is pas een begin gemaakt omstreeks 1400. De bijl zit dan al zo’n 3000 jaar of meer in de grond. Er is dus geen directe relatie tussen het kasteel en de gevonden bijl.

Toch is de plek waar de bijl werd gevonden niet helemaal toevallig. Het Gemertse kasteel is gebouwd aan de oever van het riviertje De Rips. De grachten rond het kasteel werden gevoed met het Ripswater. Bij de bouw van het huidige poortgebouw van het kasteel werd De Rips ter plaatse duidelijk gekanaliseerd. Kaarsrecht loopt hij voor het poortgebouw door. Waar de bedding van De Rips voor die tijd precies lag is tot op dit moment niet vastgesteld. Vermoedelijk lag de oorspronkelijke bedding dichter bij het hoofdgebouw van het kasteel dan nu het geval is. Dat betekent ook dat de oude Ripsbedding dichter bij de plaats lag waar de bijl is aangetroffen. De Rips is daarmee de verbindende schakel tussen kasteel en stenen bijl. De Rips nodigde uit tot de bouw van het kasteel en De Rips oefende zo’n 3000 jaren eerder ook aantrekkingskracht uit op de bijl.

2002-3 bijl3Gepolijste neolithische bijlen worden opvallend vaak aangetroffen op natte plekken: voormalige vennen of rivier- en beekdalen. Je zou vermoeden dat juist op die plekken destijds veel hout werd gekapt en dat daarom op die plekken veel bijlen zijn zoekgeraakt en door ons weer worden gevonden. Dat blijkt niet het geval te zijn. Archeologen zijn van mening dat de bijlen op een andere manier op die natte plekken terecht zijn gekomen. Het gaat namelijk meestal niet om gereedschap, waarmee hout gekapt kan worden. Dat gepolijste bijlen kostbare voorwerpen vormden is zeker. Het koste dagen van slijpen en polijsten voordat een bijl zo glad was. Een voorwerp waar zoveel tijd in is geïnvesteerd is niet zomaar een gebruiksvoorwerp. Het is een kostbaar voorwerp dat waarschijnlijk gebruikt werd voor ceremoniële doeleinden. Dat zal zeker voor de kleine exemplaren gelden, die gemaakt werden van zeldzame steensoorten die over grote afstanden werden aangevoerd.

Opvallend is nu dat bijlen, maar ook andere kostbare voorwerpen meestal in voormalige vennen of in beekdalen worden aangetroffen, soms zelfs meerdere bij elkaar. De theorie die archeologen daarbij gebruiken is dat de vindplaatsen in de prehistorie gediend hebben als een ceremoniële plaats, een plaats waar kostbaarheden aan het water werden toevertrouwd, wellicht als geschenk of offer aan nabestaanden of goden. De Rips als een prehistorische offerplaats dus, of in archeologische termen gesproken: een votief depôt.

Andere Gemertse bijlen

Al eerder werden in Gemert gepolijste neolithische bijlen aangetroffen. De vindplaatsen zijn echter helaas niet steeds met zekerheid bekend. Dat geld wel voor een smaltoppige neolitische bijl, die werd aangetroffen bij de Vossenberg in Elsendorp. Een plaats waar in het neolithicum geen of nauwelijks bewoning aanwezig geweest kan zijn. De vindplaats van de bijl is echter precies op de oever van een voormalig ven in de Peel. Ook daar is dus een gepolijste bijl als ceremoniëel geschenk in het water terecht gekomen 3.

Een andere vondst, die overigens niet geheel zeker is, betreft een zogenaamde depôt-vondst, omdat meerdere vondsten tegelijkertijd bij elkaar werden aangetroffen. Het gaat daarbij om een tweetal vuurstenen bijlen samen met een exemplaar van brons. De vondsten werden in 1917 door August Sassen geschonken aan het Noord-Brabants Museum met de melding dat ze gevonden waren op Koks. Bij de bewerking van de melding door de Rijksdienst voor het Oudheidkundig Bodemonderzoek wist men Koks niet te traceren, terwijl er kennelijk wel iemand was die ooit gehoord had van Koll bij Nuenen. De zo ontstane verwarring is inmiddels opgeheven 4. Het gaat in dit geval om een vondst in (het dal van) de Aa ter hoogte van Koks. Of dat in Gemert is of juist aan de overkant van de Aa in Erp is onduidelijk. Bekend is wel dat aan de Erpse kant van de Aa veel prehistorische begraafplaatsen, ook uit de bronstijd, bekend zijn. Een votief depôt in de Aa past daar prima bij.

NOTEN:

  1. 1.P Schut, H Kars, JMAR Wevers, Jade axes in the Netherlands: a preliminary report; Helinium 27(1987) 71-87. Met dank aan Nico Arts voor de tip.
  2. 2.WJH Verwers en GAC Beex, Archeologische kroniek van Noord-Brabant 1974-1976, p 1.
  3. 3.Jan Timmers, Prehistorie rond De Ripse Paal, Gemerts Heem, jrg 42(2000) 3, blz 32-34
  4. 4.Gegevensbestand van de ROB en Nieuwsbrief Archeologie Kempen en Peelland jrg 2 (1998) nr 2, blz 12, en jrg 2 (1998) nr 3, blz 16.
Bekijk PDF

GH-2002-03 Mobilisatie in de Pandelaar

De mobilisatie in de Pandelaar

Jan Brouwers

Omdat ik regelmatig wel eens iets vertelde over de mobilisatie zeiden mijn kinderen dat ik het maar eens op moest schrijven hoe het toen allemaal ging…
Toen op 1 september 1939 Duitsland Polen binnen viel werd hier in nederland de mobilisatie afgekondigd. Alle mannen van 18 tot 35 die in dienst waren of gediend hadden werden toen opgeroepen.

Enige dagen later kwamen enkele officieren en een gemeenteambtenaar bij ons op de boerderij in de Pandelaar kijken hoeveel paarden er bij ons konden staan. Op stal konden er twaalf en in de schuur nog eens twaalf plus het paard van de commandant. Alles moest toen naar buiten. Het dorsmachine, de hakselmachine en alle karren en ploegen. Kwartiermakers kwamen om alles geschikt te maken om de vijfentwintig paarden te stallen. Lange lichtpalen en dennenpalen en veel touw kwam er aan te pas. Er kwam voor ieder paard een voerbak. Tussen ieder paard moest een balk hangen om het slaan tegen te gaan. De paarden die moesten komen die waren allemaal gevorderd van particulieren, meest boeren. In ieder dorp, ook in Gemert, moesten alle paarden bijeenkomen. Daar werden ze geselecteerd welke geschikt waren voor het leger.

Allemaal vreemde paarden bijeen… ze sloegen en beten elkaar dat het niet mooi meer was.
De inkwartiering verliep als volgt: Eerst kwamen twaalf soldaten die sliepen op de zolder en in de kamer. Daags daarna kwamen vijfentwintig paarden het erf op. Een geweldige chaos was dat. Bij de veldartillerie heb je voor een kanon zes paarden nodig en voor de caissonwagen die de munitie vervoerde ook zes paarden. Dat alles samen heet dan een stuk en vier stukken is een batterij. Bij ons lag het 2e en het 3e stuk. Voorlopig, want in de herfst moesten de koeien weer op stal.
In de Pandelaar lagen in die tijd ruim duizend soldaten. In Café ‘het Vossenkamp’ lag de zaal en het kegelhuis helemaal vol. Tegenover het café stond een grote tent waarin zo’n 600 soldaten lagen. Er waren geen toiletten of sanitaire voorzieningen en ’s morgens zaten er veel in de buitenlucht hun behoefte te doen. In de pas nieuwe Pandelaarschool, en bij particulieren, overal lagen soldaten…
2002-3 ontvoering1In Elsendorp werd achter het defensiekanaal de Peel-Raam-stelling aangelegd om bij een Duitse invasie tegenstand te kunnen bieden. Daar werden loopgraven gegraven en stellingen gebouwd voor de kanonnen. Maar ook bij ons was het een drukte van belang. Iedere dag moesten de stallen worden uitgemest en moesten ook de paarden worden los gereden. Ieder op zijn paard en nog een paard aan de hand en zo naar de Hulst en naar Esdonk. Voor een dubbeltje nam ik dikwijls zo’n ritje over wat ik maar wat graag deed tussen al die soldaten. Het liefst van al reed ik op het paard van de commandant. Dat was een echt rijpaard. Hij had twee witte sokken en zijn naam was Boefje. (Verderop nog meer over dit prachtige paard). Voor mij als jongen van veertien jaar was het een uitermate spannende tijd. Iedere dag kwam de fouragewagen langs met haver, hooi en2002-3 ontvoering2stro. Op een andere wagen lag een grote tank met water, want waterleiding hadden we toen nog niet (die kwam in Gemert medio 1940 – red.). Elk paard moest tweemaal per dag met emmers water gegeven worden wat een groot karwei was.

Midden in de Pandelaar was de boerderij van Hannes Rovers (die met het beeld van Michaël in de voorgevel) het centrum van alle activiteiten. In een grote loods stonden onder permanente bewaking alle kanonnen en munitie van de hele compagnie opgesteld. Er was een keukenwagen en een kleine kantine. De soldaten gingen er twee keer per dag eten halen dat daarna “thuis” werd opgegeten. Tegen etenstijd was het op de weg een drukte van belang met al die soldaten die hun hapje gingen halen. ’s Morgens brood (kuch) voor de hele dag en ’s middags de warme hap. Tegen november moesten de paarden van de stal omdat daar de koeien weer in moesten. In de schuur bleven echter dertien paarden de hele winter gehuisvest.

Voor de soldaten werd betere huisvesting gevonden. Bij ons werd de opkamer gereed gemaakt voor drie soldaten. Pietje Fransen uit Veghel, Janus van Engelen uit Breda en Piet (….?) uit Limburg. (Over de laatste straks meer.) Die drie hebben de hele winter bij ons gelogeerd en aten dikwijls met ons mee. Zo maakten ook wij kennis met kuch, margarine en capucijners. ’s Avonds werd er gekaart en naar de radio geluisterd. Door toedoen van een soldaat die bij Philips had gewerkt, konden wij een gebruikte radio kopen wat voor ons in die tijd nog een ongekende luxe was. In november was er groot alarm en moest iedereen met paarden en kanonnen naar de stellingen in Elsendorp. Na een paar dagen kwamen ze weer terug en ze waren allemaal behoorlijk onder de indruk. Bij een verjaardag kwamen alle soldaten van het peloton op het feest en na de nodige consumpties wat later op de avond werd het strijdlied gezongen. Ik ken het nog steeds uit mijn hoofd.

Wij zijn dienaars der kanonnen2002-3 ontvoering3
Wij strijden met staal en vuur
En laat de vijand maar kommen
Wij winnen op den duur
Wat belieft u
Al strijden wij aan het strand
Of in het binnenland
Wij winnen op den duur
Onze wapens slaan te kletter
En strijden met robuust geweld
Slaat de vijand op de vlucht
Want hij is het meest geducht
Van de eerste compagnie
Van de derde veld
Nondeju

Op het laatst van maart of begin april 1940 moest alles weg uit Gemert en werd de Peel-Raam-stelling (gedeeltelijk) opgeheven. (In de nacht van 10 op 11 mei zou de stelling uiteindelijk helemaal ontruimd worden – red.). Omdat de grens te lang was om te verdedigen werd de Duitsers in zekere zin vrije doortocht gegeven richting België. De veldartillerie kwam nog even te liggen in de buurt van Den Bosch en verhuisde daarna nog verder naar het westen tot achter de waterlinie. Met Pietje uit Veghel en Janus uit Breda hebben we nog jaren contact gehad.

55 Jaar later

In de zomer van 1994 hadden wij als oud Indië-strijders een bijeenkomst bij het Indië-monument in Roermond. Er werd een bronzen plaquette onthuld op de herdenkingsmuur bij het monument. Hier staan de namen vermeld van de 2002-3 ontovoering4omgekomen kameraden van ons bataljon, die gesneuveld zijn in Indië. Het was een emotionele en waardige plechtigheid in het bijzijn van de nabestaanden. Het was die dag ontzettend warm en na afloop zeiden wij tegen elkaar: ‘nu moesten we ergens uit de zon en aan het water een lekker pilsje kunnen drinken.’ Onze vriend Nol Waegemans die uit deze streek komt reageerde meteen met ‘ik weet wel iets.’ We reden met z’n allen achter hem aan en jawel dit was wat we zochten. Prachtige zitjes onder oude eikenbomen vlakbij de Maas. Het restaurant heette ‘Mijnheerkes’ en het lag in het dorpje Maasniel vlakbij Roermond. Toen ik die dorpsnaam hoorde schoot er mij meteen iets te binnen. Woonde daar niet die Limburgse soldaat die in de mobilisatie bij ons gelegerd was? Ik wist opeens ook weer zijn naam. Piet Slijpen! Aan de eigenaar van het restaurant vroeg ik of hij die naam kende. ‘Ja, of ik die ken,’ zei hij, ‘die woont hier recht tegenover!’ Lang heeft het niet geduurd of ik ging met mijn vrouw bij Piet op bezoek. Hij herkende mij meteen en we waren van harte welkom. Uren hebben wij zitten buurten, herinneringen ophalen en vertellen over vroeger. Hij was nog wel eens in Gemert geweest, maar had bij ons niemand thuis getroffen. Piet vertelde ons ook hoe het hem na zijn vertrek uit Gemert verder was vergaan. Eerst hadden ze nog 3 weken in Sint-Michielsgestel gelegen om daarna te vertrekken naar Zuid-Holland achter de waterlinie. Hierna volgt het relaas van Piet Slijpen op de eerste oorlogsdag: “Op de morgen van de tiende mei 1940 reed ik ’s morgens met mijn paard (Boefje) in het buitengebied van het dorpje Schelluinen. Opeens hoorde ik een vliegtuig boven mij en ik zag dat hij begon te cirkelen. Ik zocht dekking onder een boom. Er viel een schot en dat ging dwars door het hoofd van mijn paard en die viel helemaal dood neer terwijl ik de teugels nog in mijn hand hield. Het was een trieste gang terug naar het kampement met het zadel op mijn schouders en het hoofdstel in mijn hand. Ik had op de eerste dag van de oorlog mijn beste vriend verloren.”

Piet Slijpen heeft heel zijn leven op een baggermolen (schip) gewerkt om grint uit de Maas te halen. Met de bevrijding in 1944 evacueerde heel Maasniel via Duitsland naar Groningen. Toen Piet na verschillende maanden pas weer thuis kwam bleken de Duitsers alles te hebben weggehaald of opgestookt. Hij vond ’t ook heel erg dat hij geen enkele foto meer had van vroeger. Maar bij mij thuis vond ik nog een foto van Piet op Boefje, gemaakt door Jan Duppen in november 1939. En via kennissen kwam ik ook nog in het bezit van een foto van ‘het stuk’ op weg naar Elsendorp. Natuurlijk hebben we die foto’s ook naar Piet gebracht. Zo zie je wat je op een dag allemaal mee kunt maken en aan herinneringen op kunt halen.
Ik heb geprobeerd dit allemaal op te schrijven als herinnering aan de mobilisatietijd bij ons in de Pandelaar.

Onderschriften:

Korporaal Piet Slijpen uit Maasniel. Foto van Jan Duppen, Gemert, november 1939.

Een batterij op weg naar de stelling in Elsendorp. Links voor op ’t zwarte paard Piet Slijpen. Achteraan Piet Fransen uit Veghel.

Nog een batterij op weg. Voorop Frans Brull uit Heerlen.

Bekijk PDF

GH-2002-03 Torenhorologies in Gemert vanaf 1500

Ad Otten

2002-3 horologies1Op een kerktoren hoort een uurwerk maar je zou je af kunnen vragen sinds wanneer dat zo is. In een in 1636 aangelegd en tot 1647 bijgehouden ‘Register der Costerije van Gemert’ werd als één der taken van de koster opgetekend ‘het stellen vant urewerck’. 1 De kerkmeesters betaalden hem daarvoor jaarlijks vier gulden, welk gebruik dateerde van het jaar 1571 ‘toen het urewerck op de kerck quam’. Daarmee lijkt dus meteen het jaar bekend sinds wanneer men in Gemert op de kerk kan zien hoe laat het is. Uit de achttiende eeuw zijn verder een paar etsen bekend die op het kleine torentje op het priesterkoor wijzerborden afbeelden. Verderop in dit artikel zullen we zien dat het uurwerk ‘op de kerk’ in eerste instantie niet in dit kerktorentje werd geplaatst, maar dat het in een houten huiske stond op de gewelfribben van het priesterkoor. En het kerkvolk werd ook niet ‘bij de tijd’ gehouden door wijzerplaten op het torentje maar door een stevig wijzerbord ‘van wagenschot’ boven op het priesterkoor, geplaatst in een soort dakkapel met uitzicht op het kerk(hof)pleintje aan de straat. Pas in de achttiende eeuw kwamen er aan het kleine torentje wijzerborden. Na de bouw van de kerktoren aan de westgevel in het midden van de negentiende eeuw waren de wijzerplaten op het kleine torentje niet meer nodig omdat er toen een nieuw uurwerk kwam in de veel hogere nieuwe kerktoren.
Maar zo’n drie eeuwen voor de bouw van die kerktoren was Gemert dus al ‘bij de tijd’. En dat was vrij vroeg voor een dorp. Dat althans kan geconcludeerd worden uit de literatuur over historische uurwerken.2 Bekend is dat de toren van het Binnenhof in Den Haag al in 1366 van een ‘uurklok’ was voorzien, dat ook een stad als Venlo eind veertiende eeuw al een torenuurwerk bezat, en dat er in 1513 voor de Sint Jan van Den Bosch zelfs 2002-3 horologies 1aal een opdracht werd verstrekt voor een opzienbarende speelklok die behalve de tijd ook het laatste oordeel in beeld moest brengen. Wat betreft het bestaan van publieke torenhorloges in dorpen lezen we in een recent proefschrift (P. Mestrom, Maastricht 1997) dat Limburgse dorpen die uurwerken veelal pas kregen vanaf de tweede helft van de zeventiende eeuw.3

Uurklok op kasteel Gemert vanaf 1500

Gemert was er in elk geval vroeger bij. Het uurwerk dat er in 1571 ‘op de kerk’ kwam blijkt hier bovendien niet het eerste en ook niet het enige buitenhorologie te zijn geweest. Dat uurwerk was namelijk een tweedehandsje. Want in het Register van de costerije van Gemert wordt geschreven dat ‘het horologie op de kerck eerst onderhouden wert op de commandery’. 1 Op het kasteel dus. 2002-3 horologies2Uitgaande van de veronderstelling dat het daar toch minstens enige decennia zal zijn gebruikt, leidt tot de slotsom dat ze in Gemert rond 1500 de klok al kenden.
Een prent van Valentijn Klotz uit 1675 geeft een prachtig ‘breedbeeldzicht’ op de voorgevel van de hoofdburcht van Gemerts kasteel en de oppervlakkige beschouwer ontgaat het in eerste instantie wellicht, maar hoog in de middenpartij van de voorgevel is onmiskenbaar een wijzerbord van een uurwerk en een grote en een kleine luidklok zichtbaar. Daar zit dus een torenuurwerk met slagwerk. De locatie boven de entree van de hoofdburcht ligt zo voor de hand dat het aannemelijk maakt dat dit ook de plaats geweest moet zijn waar vandaan in 1571 ‘een uurklok’ naar het priesterkoor van de kerk verhuisde.
Het lijkt alsof het uurwerk ‘van Klotz’ zowel een uurwijzer als een minuutwijzer heeft die in elkaars verlengde staan. Maar Gerard van Lankveld die ik de prent liet zien en met die gedachte confronteerde reageerde direct met ‘dat denk ik juist niet!’ 2002-3 horologies3en meteen kreeg ik de hele geschiedenis van het uurwerk om m’n oren. Minuutwijzers werden pas aangebracht na de uitvinding van het slingeruurwerk door Christiaan Huygens in 1656/1657. Pas toen werd de tijdmeting nauwkeurig genoeg om minuten aan te wijzen. Op buitenuurwerken werd echter, aldus Gerard, nog heel lang met alleen de uurwijzer volstaan. Gerard overtuigde me er verder van dat een tot in details zo nauwkeurig tekenaar als Valentijn Klotz, als er al een afzonderlijke minuutwijzer was geweest, dat hij die dan zeker niet in één lijn zou hebben gezet met de uurwijzer.
De verklaring voor de lange uurwijzer op de prent van Klotz zit hem in het feit dat oude uurwijzers allemaal zo lang waren omdat die (aldus Gerard) een contragewicht nodig 2002-3 horologies4hadden. Dergelijke wijzers wezen met een pijl of een hand naar de uren terwijl die aan de andere kant vaak voorzien waren van zoiets als een halve maan. ‘Hedde gin platjes van aaw klokken?’, vroeg Gerard.
Vanalles-en-nogwa heb ik sindsdien bekeken en geraadpleegd. Ergens las ik dat 2002-3 horologies5de Westertoren in Amsterdam weliswaar in 1668 al een minuutwijzer kreeg maar, dat was dan ook één van de eerstelingen en die Westertoren gold bovendien als één der meest aansprekende kerktorens van het land. We kunnen er dus gerust vanuit gaan dat Gerard gelijk heeft en dat het uurwerk in de hoofdburcht van Gemerts kasteel in 1675 alleen de uren aanwees.

 

Uurklok op donjon Anno 1760

Bij de tussen 1735 en 1745 uitgevoerde algehele renovatie van de hoofdburcht werd de middenpartij uit de voorgevel gesloopt om meer licht en ruimte te krijgen op de binnenplaats van het kasteel. Toen verdween hier dus ‘het kasteelhorologie’. Lang hebben de kasteelbewoners hun horologie echter niet hoeven te missen. Immers, van het hoektorentje van de donjon dat uitkijkt op de binnenkoer tussen hoofd- en voorburcht, kennen we toch tot vandaag de dag een uurwerk met een in de hoeken van de wijzerplaat aangebrachte tekst ‘AN-NO 17-60’! Spijtig genoeg is dit uurwerk rond 1960 uit het torentje gesloopt en vervangen door een nieuwerwets exemplaar. En Gerard van Lankveld, ‘toen die nog ’n jungske waar’, vond het antieke origineel ‘tussen de pikkers’ in een hoek van de ommuurde moeshof van het kasteel. Allemaal tandwielen en assen in een kubusvormig frame. Duidelijk een uurwerk met gaan- en slagwerk. En ook al was het dan niet compleet meer, Gerardje kon het daar toch zomaar niet laten liggen… Wel dan? Met de hulp van Rinie Kandelaars sjouwde hij het naar huis op ’t Stereind. En daar stond moeder Van Lankveld: ‘Wor hédde dé ewèg gehald jongen? Baj de paoters?? Maar jongen toch! Breng ’t mar gauw terug vur de pliesie kumt. Veuraojt veuraojt veuraojt!!’ Nee het ging echt niet van harte maar Gerard zeulde toen alles weer terug naar de pikkers… waar letterlijk en figuurlijk uiteindelijk alles verging wat er nog restte van het antieke horologie uit de kasteeldonjon. En wie zal het zeggen misschien bevatte dat uurwerk uit 1760 ook nog onderdelen van het kasteelhorologie uit 1571, want vroeger gooide men nooit iets weg wat nog ergens voor kon dienen. Ja ‘wan zeund toch aajgelek’ dat Gerards moeder niet even was gaan praten met de paters.
2002-3 horologies6Jammer temeer omdat het hier wellicht handelde om een uurwerk van Gemerts fabrikaat oknogok oknog! Want suggereerde Wiro van Heugten eerder in Gemerts Heem4 niet, dat Gemert in de achttiende eeuw naast een centrum van orgelbouw ook de plaats was waar horlogemakers gevestigd waren die in de hele regio torenuurwerken bouwden 2002-3 horologies7of in elk geval onderhielden. Uit de zeventiende en de achttiende eeuw noemde hij een drietal Gemertse (toren)uurwerkmakers die elkaar in dat ambacht opvolgden. De oudst hem bekende was meester Jacob de Jongh, daarna ene meester Hendrik de Jongh en vervolgens zekere Benedictus van den Bergh. De laatste installeerde in 1738 een uurwerk in de Deurnese kerktoren waarvan in het Deurnese gemeentearchief nota bene de ontwerptekening bewaard zou zijn gebleven. Redenen genoeg dus om eens wat uitgebreider onderzoek te verrichten naar die uurwerkmakers van Gemert.

Jacob de Jonghe, Magister Horologiarius

Wiro van Heugten kon in 1990 nog niet het bewijs leveren dat meester Jacob de Jongh ook inderdaad van Gemert kwam. Maar hij meende dat af te kunnen leiden uit het feit dat rond 1700 het onderhoud van diverse torenuurwerken in de regio werd overgenomen door meester Hendrick de Jongh, een naamgenoot die in Bakel bekend stond als ‘de horologiemeester van Gemert’. Wiro ging er vanuit dat rond 1700, of kort nadien, de ‘oude meester de Jongh’ was komen te overlijden en dat diens bedrijf daarna was voortgezet door een zoon of een verwant. Het bleek niet moeilijk om de naam van ‘de oude meester’ te traceren in Gemertse archivalia. Op 12 april 1713 werd ‘onze Jacob’ door pastoor Gautius ingeschreven in het begraafregister als zijnde overleden. De pastoor gaf hem daarbij als extraatje de niet mis te verstane kwalificatie mee van ‘Magister Horologiarius’. Een titel die er om leek te vragen op zoek te gaan naar de meesterwerken van deze Gemertenaar.
Maar dat kostte aanmerkelijk meer tijd. De borgemeestersrekeningen van een plaats zijn daarvoor de aangewezen bronnen maar in Gemerts gemeentearchief zijn daar vele dozen en dozen vol van. Dat werd dus een kwestie van heel veel oud nieuws doorspitten. Boeiende stuf, ik kan ’t iedereen aanbevelen, maar … ik was dus op zoek naar horologies van ene magister horologiarius… En jawel hoor na vele uren en uren bladeren en snuffelen had ik beet.

Jacob bouwde in 1668 ‘een nije oorlos’

Het was in de borgemeestersrekeningen van 1668 dat ik opeens las van ene ‘Jacop de Jonge, den uurgewerckemaecker’. Op 22 december van dat jaar werd hem tachtig gulden betaald als zijnde één van de termijnen voor “de nijen oorlos” die hij maakte in opdracht van de gemeente Gemert.5 Jacob de Jonghe woonde toen nog niet 2002-3 horologies8in Gemert maar bleek afkomstig uit Megen. In een paar rekeningen wordt hij tenminste genoemd als ‘meester Jacob van Megen’. En wanneer de voerman betaald moet worden voor het bezorgen van ‘het nije uurgewerck’ dan blijkt ook dát uit Megen te zijn aangevoerd.
De vervoerskosten beliepen een rijksdaalder. Heel wat duurder was het verblijf te Gemert van de horologiemaker in de tijd dat hij het uurwerk op de gewelven van het priesterkoor installeerde. Met de regeerders van Gemert was afgesproken dat hij hier op kosten van de gemeente kon verblijven. En dat deed meester Jacob hier ‘op stand’. Een horologiemaker was per slot van rekening niet de eerste de beste. Van 22 september tot 9 october 1668 was magister Jacob de Jonghe in de kost bij schout Otto de Visschere. In diens declaratie ‘van de verteringhe in cost ende dranck van den meester horologiemaecker’ lopen de onkosten op tot 25 gulden en 13 stuiver.6 Dat is echter lang niet alles. Bij de installatie van een nieuw uurwerk kwam echt nog wel wat meer kijken. Al bij de aanbesteding had de gemeente aan meester Jacob toegezegd voor de nodige vaklieden te zullen zorgen die bij de installatie moesten assisteren. Zo dienden ook een meester-timmerman (Dierck van Gemert) en een loodgieter (Jacob Gielens) een declaratie in voor arbeidsloon en gebruikt bouwmateriaal, terwijl brandwacht Claes van Puyfelick tien stuivers kreeg voor het zorgvuldig waken bij een naar het zich laat aanzien op de gewelven ten behoeve van de horlogemeester gestookt vuurtje…5
Uit de opeenvolging van borgemeestersposten wordt ook duidelijk hoe de oplevering en betaling van een publiek uurwerk in zijn werk ging. Het begint allemaal met het (publiek) aanbesteden en vervolgens het gunnen van de opdracht. In ‘comparisies’ van meester Jacop met de regeerders van Gemert werden toen al de nodige guldens aan dranck en maeltijden geconsumeerd. Het uurwerk werd vervolgens gemaakt in de werkplaats van de uurwerkmaker, daarna ter plaatse bezorgd en dan zien we dat meester Jacop er hier in Gemert zo’n zeventien dagen werk mee had om het uurwerk op de daartoe bestemde plaats te installeren. Om ‘het uurgewerck’ werd in diezelfde tijd een huiske getimmerd, die het kostbare horloge moest vrijwaren van bijvoorbeeld nesten en mest van vogels. Dan volgt de inwerkingstelling en het ‘proefdraaien’ gedurende drie maanden. Van 12 tot 17 december 1668 is meester Jacob weer bij schout de Visschere in pension ‘om de foulten te maecken ende sijn iersten termijn te haelen’.6 Pas dan krijgt hij dus het eerste deel van de aanneemsom betaald. Op 27 en 28 october 1669, dus zeg maar een jaar na de oplevering van het uurwerk is meester Jacob weer in Gemert en hij int dan het laatste termijnbedrag. De geldsom die daarmee gemoeid was, is in de maar fragmentarisch bewaard gebleven borgemeeesterrekeningen van dat jaar niet aangetroffen. Maar dat Jacob de Jonghe weer een meesterwerk had opgeleverd weten we uit de declaratie van de schout voor zijn pensiongast ‘die de lesten partije vande sijn gelt quaem haelen van wegens het horologie’.6
Vanaf die jaren heeft meester Jacob de Jongh een band met Gemert. Elk jaar komt hij langs voor het onderhoud van het horloge op de kerk en het lijkt redelijk te veronderstellen dat hij ook het uurwerk op het kasteel onder zijn hoede zal hebben gekregen. De band met Gemert bevalt hem kennelijk zo goed dat hij zelfs naar Gemert verhuist. Vermoedelijk omdat hij hier een groter werkgebied kon bestrijken als in de uithoek van Megen aan de Maas. Dan duikt zijn naam ook op voor het onderhouden van bijvoorbeeld het uurwerk op de kerk in Aarle en wellicht is hij ook daarvan de maker. Bij het zorgvuldig doornemen van alle borgemeestersrekeningen zullen er naar mijn idee in de toekomst nog heel wat meesterwerken van ‘onze’ magister horologiarius boven water komen.

Meester Hendrik de Jonge horologiemaeker

Blijkens de rekeningen van de Aarlese borgemeesters ontving meester Jacob voor het onderhoud van het uurwerk in de periode van 1690 tot 1699 jaarlijks vier gulden.4 Na 1699 werd dit jaarlijkse onderhoud evenals in plaatsen als Bakel, Deurne, Lieshout en Beek en Donk overgenomen door meester Hendrik de Jongh, de zoon van Jacob. Er is zeker geen uitputtend onderzoek verricht naar het voorkomen van diens naam in de dorpsrekeningen uit de regio 2002-3 horologies9maar dit zijn de posten die min of meer toevallig zijn komen boven drijven. En het zal niet verbazen dat we zijn naam na enig zoekwerk ook aantreffen in de Gemertse gemeenterekeningen. Zo zien we hem in 1709 met de borgemeesters van Gemert overeenkomen dat hij te rekenen vanaf 1 januari 1710 voor negen gulden per jaar het jaarlijkse onderhoud op zich neemt wat betreft ‘het horologie op de kercke’, voor een periode van twaalf jaar ‘ofte soo langh als de Here belieft’. Dit contract en ook de uit latere jaren bewaard gebleven kwitanties tekent hij met ‘Hendrik de Jong horlogiemaker’.7 Zijn contract met de gemeente Gemert zal hij maar net vol kunnen maken want in de Gemertse begraafregisters komen we zijn naam tegen als zijnde begraven op 11 september 1723. Zo’n 25 jaar is hij dan in de regio als meester horlogemaker actief. Op 11 januari 1724 ondertekent Maria de Jongh, de moeder van Hendrik, nog een kwitantie waarmee zij bekend het jaargeld voor het onderhoud van het horologie te hebben ontvangen.8 Het jaar daarop meldt zich daarvoor een nieuwe naam: Benedictus van den Bergh.

Wie was Benedictus van den Bergh?

Benedictus was behalve ‘aannemer’ ook herbergier van ‘Het Wit Perd’, een herberg die we moeten situeren recht tegenover het huidige Hotel De Kroon in de Kerkstraat. In de achttiende eeuw was in Het Wit Perd het St.Antoniusgilde ‘thuis’ en dat zegt genoeg over de klandizie van die herberg en het aanzien dat diens herbergier genoot. Maar onze Benedictus blijkt ook anderszins niet de minste te zijn geweest. In 1734 werd hij ‘geroepen’ tot het borgemeestersambt van Gemert, een ‘dienst’ die alleen aan vermogende ingezetenen toeviel. Of Benedictus ook van Gemert geboortig is niet bekend. Wel weten we dat zijn ouders hier in respectievelijk 1707 (vader Jacob) en 1731 (moeder Elisabeth) werden begraven. In 1744 komt Benedictus in de schepenbank van Gemert en van 1749 tot 1760 is hij zelfs president-schepen. Van hem achterhaalden we verder dat hij was getrouwd met zekere Maria van Luxemburg (ook wel geschreven als Litzemborgh) en blijkens de Gemertse doopregisters kregen de beide echtelieden hier twee zonen en vijf dochters. Eén dochter stierf als baby en tenminste twee kinderen begaven zich in de geestelijke stand. De jongste zoon Henricus schreef zich als 19-jarige rond 1750 in als student aan de universiteit te Leuven. Dochter Hendrina trad in een zustersklooster.
Benedictus van den Bergh werd in Gemert begraven op 10 januari 1779. Hij was toen al ruim tien jaar weduwnaar. Zoon Henricus blijkt dan te zijn opgeklommen tot het pastoorsambt van ‘Calmschooten’.

Benedictus van den Bergh als uurwerkmaker

V2002-3 horologies10an Benedictus bestaat een prachtig zilveren schutsschild waarop een uurwerk als bekroning van zijn wapen is afgebeeld. Het schild liet hij vervaardigen bij gelegenheid van het feit dat hij zich in 1742 tot Coninck schoot bij het Gilde van St. Antonius en St. Sebastianus. Het op het schild afgebeelde wapen laat op de onderste helft een berg zien dat duidt op zijn familienaam en op de bovenste helft een passer en timmergereedschap dat duidt op zijn beroep. Het prachtige uurwerk dat het wapen als helmteken wordt meegegeven duidt op het gegeven dat Benedictus ‘dat’ toch wel als zijn ‘meesterwerk’ beschouwde al is het timmergereedschap daar nu niet direct een aanwijzing voor. Hoe het ook zij in de regio was Benedictus van den Bergh als uurwerkmaker bekend en decennialang komen we zijn naam ook tegen in de Gemertse borgemeestersrekeningen als de man die ‘het horologie’ op de kerk onderhoudt. De oudst bewaard gebleven kwitantie die hij tekent voor de ontvangst van negen gulden voor het jaarlijks onderhoud van de ‘allosie of horologie’ dateert van 1725. Kennelijk had Benedictus een vast contract met de gemeente Gemert want bijna veertig jaar later komen we hem nog steeds in de rekeningen tegen voor dezelfde post en hetzelfde bedrag. Inflatie bestond in die jaren niet. Uit alles blijkt dat met die openbare gemeenteklok het uurwerk op het Gemertse priesterkoor werd bedoeld. Uit de 2002-3 horologies11borgemeestersrekeningen van 1759 citeren we: ‘betaelt aen Benedictus van den Bergh voor het onderhouden van het horologie staende op het Coor van de Gemertse Kerck de somme van 9=0=0’ en in 1761 heet het ‘voor het onderhouden van het horologie op de Gemertse kerck de somme van negen gulden alle jaer aen Benedictus van den Bergh’. 9
Wiro van Heugten attendeerde ons in zijn artikel in Gemerts Heem ook op een werktekening van een uurwerk dat Benedictus van den Bergh in 1738 installeerde in de kerktoren van Deurne.10 Het had gestormd en de hele Deurnese torenspits met het uurwerk was verwoest. Er volgde een openbare aanbesteding van zowel de torenspits als het uurwerk. Benedictus van den Bergh uit Gemert was de laagste inschrijver voor het herstellen van het uurwerk.
En hij moet er zin hebben gekregen want wanneer een jaar later ook ‘een verbouwing’ van het Gemertse uurwerk op de kerk op de agenda komt is Benedictus opnieuw de laagste inschrijver.

En of het met Benedictus van den Bergh met de specifieke uurwerkmakerij van Gemert is afgelopen is nog maar de 2002-3 horologies13vraag. Zo maakte Willy Ivits me nog attent op zekere Dingeman Buys met beroep ‘horlogiemaker’ die op 18 november 1817 te Gemert in het huwelijk treedt met Lucia Peters van den Berg… Wie zal het zeggen misschien worden er in de toekomst nog wel meer Gemertse horologiemakers aan de vergetelheid ontrukt.

Spijtig ondertussen…

En spijtig is het toch ook dat de Rijksmonumentenzorg in de jaren zeventig van de vorige eeuw besloot om de dakkapel van het priesterkoor te slopen. Zo’n markant punt boven het kerkhofpleintje. Daar was Gemert al vanaf 1571 bij de tijd….

NOTEN:

1. Uit lezing van Gerlacus van den Elsen gepubliceerd in ‘Handelingen van het Provinciaal Genootschap tussen 1890-1909’. (Heemkamer Gemert, VARIA IX p.25-26)
2. P.T.R. Mestrom, Uurwerken en uurwerkmakers in Limburg, 1367-1850 (Leeuwarden/Mechelen, 1997); C. Spierdijk, Klokken & Klokkenmakers – Zes eeuwen uurwerk 1300-1900, 5e druk, Amsterdam 1976 (blz. 54, 60-61).
3. In een recensie in de Maasgouw Jrg. 117 (1998) maakt M. Flokstra meteen gewag van een aantal dorpen die zeker al in de zestiende eeuw over een buitenuurwerk beschikten (Venray, Swolgen, Grubbenvorst, Horst)
4. Wiro van Heugten, Uurwerkmakers van Gemert, Gemerts Heem 1990, blz.85-89.
5. Gemeentearchief Gemert [GAG] 1407-1794 invnr. 494 (borgemeestersrekeningen 1668)
6. GAG 1407-1794 invnr. 602-1
7. GAG 1407-1794 invnr. 625-2; 627-40; 629-23
8. GAG 1407-1794 invnr. 635-18

9. Gemeentearchief Gemert 1407-1794 invnr. 637-13 (bijl. borgemrsrek.) invnr. 531 (borgemrsrek. 1732), invnr. 552 (idem 1759), invnr. 672 (bijl. borgemrsrek. 1761)
10. Streekarchief Peelland – Deurne; OAA Deurne invnr.1678

Bekijk PDF