Landsheren van Gemert

De landsheren van Gemert zijn in drie groepen te onderscheiden. De eerste groep bestaat uit de heren van Gemert uit de adellijke familie Van Gemert. Zij zijn de oudste landsheren. Het is niet bekend wanneer de familie Van Gemert zich vestigde als landsheer, maar Snellardus van Gemert moet één van hen zijn geweest en hij wordt al genoemd circa 1080 in een oorkondelijke getuigenlijst samen met andere heren van toen nog onafhankelijke Brabantse heerlijkheden. Leden van de familie bleven landsheer tot 1366.

Een familielid, Rutger van Gemert, werd lid van de Duitse Orde. Omstreeks 1215 is zijn bezit in de heerlijkheid Gemert overgegaan naar de Duitse Orde. Rutger van Gemert kan beschouwd worden als de grondlegger van de commanderij Gemert. Het bezit van de Duitse Orde nam gestaag toe en zij zal als grondheer van een deel van Gemert heerlijke rechten hebben verworven. Misschien al vanaf de vestigingsdatum, maar in ieder geval al in 1270. Dan is Gemert een tweeheerlijkheid. In 1326 worden de grenzen binnen de heerlijkheid Gemert opgesteld en elk deel heeft een afzonderlijke heer en een eigen schepenbank. De landsheren van de tweeheerlijkheid vormen de tweede groep.

In 1366 draagt Diederik van Gemert zijn deel van de heerlijkheid over aan de Duitse Orde. Vanaf dat moment is de landcommandeur van Alden Biesen de landsheer van de gehele heerlijkheid. Dat duurt tot aan de opheffing van de Duitse Orde in de Franse tijd. De Duits Ordensvorsten zijn de derde groep.

 

De landsheren uit het geslacht Van Ghemert

Leden van de adellijke familie Van Gemert zijn van oudsher de vorsten van Gemert. Snellardus van Gamerthe wordt al omstreeks 1080 vermeld. De gebroeders Willem en Rutger van Gemert zijn bekend uit een vermelding aan het eind van de 12de eeuw. Hun vader wordt niet vermeld en is dus in 1197 al overleden. Hij was net als zijn zoon Willem na hem heer van Gemert en is de echtgenoot van een zus van heer Herbert van Heeze.

Diederik I van Gemert (ca. 1250-1275) is de eerste die daadwerkelijk heer van Gemert wordt genoemd. Tot 1366 zijn leden van de familie landsheer van (een deel van) Gemert.

De jaartallen in onderstaande lijst zijn niet exact bekend, maar schattingen afgeleid uit de vermeldingen in archieven.

 

1060 – 1110       Snellardus van Gemert

1110 – 1170       onbekende leden van de familie

1170 – 1190       de vader van Willem en Rutger van Gemert

1190 – 1220       Willem van Gemert

1220 – 1250       Emont I van Gemert (vermoedelijke naam)

1250 – 1275       Diederik I van Gemert X Agnes

1275 – 1293       Emont II van Gemert X Aleid Rover van Aanschot

1293 – 1305       Philips van Gemert, voogd voor Diederik II

1305 – 1331       Diederik II van Gemert X Elisabeth van Heesbeen; hij beschrijft in 1326 de grenzen binnen de tweeheerlijkheid Gemert

1331 – 1339       Jan Cuyst van Herpt, pandheer van Gemert

1339 – 1340        Diederik III van Gemert X Beel van Blitterswijk

1340 – 1360        Beel van Blitterswijk als voogd voor Diederik IV

1360 – 1366        Diederik IV van Gemert, hij draagt zijn deel van het vorstendom Gemert over aan de Duitse Orde, die dan alleenheerser van Gemert wordt.

 

De landsheren van de Duitse Orde

 Na het overlijden van Rutger van Gemert zijn de volgende landsheren vanuit de Duitse Orde bekend. Aanvankelijk is niet duidelijk of de commandeur van Gemert landsheer van Gemert is, maar als de landcommanderij Biesen definitief georganiseerd is, is de landcommandeur de vorst van Gemert.

De landcommandeur liet in het algemeen het ambt van heer van Gemert over aan de commandeur van Gemert. Er is niet steeds een commandeur van Gemert benoemd. Soms worden personen stadhouder van de landcommandeur genoemd. Als er ook geen stadhouder is, dan is de rentmeester van Gemert de belangrijkste functionaris. De landcommandeur blijft formeel de landsheer. Bij belangrijke besluiten moet de commandeur of de stadhouder instemming hebben van de landcommandeur.

 

Commandeurs als heer van een deel van Gemert 1249-1366

Achter hun naam staan de jaren waarin ze in archiefstukken worden vermeld.

 

Arnold (1249)

Henricus (1261)

Johan van Myrlar (1265)

Walter van Kleef (1270)

Alard van Horst (1293)

Johan van Voeren (1332-1334)

Gerard van Havert (ca 1350)

Arnold van Hamal (na 1355)

Hendrik van Havert (1363)

Gerard van Audenhoven (1366)

 

De landcommandeurs van Alden Biesen, landsheren vanaf 1366

 

Renier Hoen van Hoensbroeck (1358-1371)

Hendrik van Leeuwenberg (1371-1382)

Reinier van Husen (1383-1405)

Iwan van Cortenbach (1410-1434)

Diederik van Betgenhusen (1434-1440)

Albrecht von Fortsche von Thornauw (stadhouder) (1443)

Mathias van der Straten (1444-1460)

Nicolaas van der Dussen (1460-1467)

Johan van de Velde (1467-1481)

Gerard van Sombreffe (1481-1483)

Johan van Herck (1483-1503)

Mathliaan van Einatten (1503-1512)

Gerard van Strijthagen (1512-1536)

Wijnand van Breijel (1536-1554)

Johan van Goor (1554-1572)

Hendrik van Ruijschenbergh (1572-1603)

Willem Frambach Bock van Lichtenberg (1603-1605)

Edmond Huyn van Amstenrade (1605-1634)

Godfried Huyn van Geleen (1634-1657)

Edmund Godfried van Bocholtz (1657-1690)

Hendrik van Wassenaar tot Warmond (1690-1709)

Damiaan Hugo von Schönborn (1709-1743)

Ferdinand Damiaan von Sickingen zu Ebernburg (1743-1749)

Wiric Leopold von Steinen zu Scherf (1749-1766)

Caspar Anton von der Heijden de Belderbusch (1766-1784)

Franz Johan von Reischach (1784-1807)