Poell, Lambert (1872 - 1937)

propagandist van de katholieke sociale actie

Lambertus Joannes Josephus Maria Poell werd geboren te ‘s-Hertogenbosch op 22 maart 1872. Hij was een zoon van Johannes Hubertus Poell, drukker en uitgever van De Noordbrabanter, en Maria Elisabeth Theresia de Rooij. Hij overleed te Gemert op 7 januari 1937.

Lambert Poell stamde uit een geslacht van onderwijzers in Noord- en Midden-Limburg, dat zijn bakermat heeft in Arcen. In het begin van de zeventiende eeuw werd de familienaam geschreven als ‘aen de Poel’, later verkort tot ‘Poel’ en in de negentiende eeuw tot ‘Poell’. Hiermee werd ten onrechte verwantschap gesuggereerd met het gelijknamige patriciersgeslacht dat in de achttiende eeuw in Venlo en in de regio voorname functies bekleedde. Ook Lambert beriep zich op deze vermeende afstamming.

pastoor poell

Het gezin en de familie waarin Lambert opgroeide, brachten hem een kritische zelfstandige opstelling bij, een sterke zelfovertuiging en een grote betrokkenheid op het belang van de katholieke herleving en emancipatie. Door het bedrijf en de activiteiten van zijn vader was hij er al vroeg mee vertrouwd zijn gedachten in woord en geschrift uit te dragen.

Na de lagere school in ‘s-Hertogenbosch bij de Fraters en vier jaar op het Bisschoppelijk College van Weert begon hij in 1887 zijn priesteropleiding aan de seminaria van het Bossche diocees. Vanwege het grote aantal priesters moest hij na zijn wijding op 8 juni 1895 nog een jaar op het groot-seminarie van Haaren verblijven. In die tijd van wachten kwam hij door een klasgenoot in aanraking met de ontluikende katholieke sociale beweging in Tilburg. Hij organiseerde een adhesiebetuiging aan kapelaan Jos. Wolters, die in deze stad doende was de bestaande organisaties van katholieke arbeiders onder katholiek banier te plaatsen door deze te verenigen in een overkoepelende katholieke standsorganisatie, de R.K. Tilburgsche Gildenbond.
In mei 1896 werd Lambert aangesteld tot assistent-kapelaan in de parochie Heikant te Tilburg. Hier nam hij een voor die tijd opmerkelijk initiatief met een sociale cursus, die aanvankelijk bedoeld was voor de fabrikanten. Maar op aanraden van de sociale ondernemer Jan van Besouw uit Goirle gaf hij deze ook ten behoeve van diens werklieden. De lessen werden in 1900 gebundeld uitgegeven als Leergang over het Maatschappelijk Vraagstuk.
Inmiddels was hij in mei 1898 benoemd tot kapelaan in de parochie H. Petrus te Woensel, bij Eindhoven. Hij ontplooide zich tot een energieke organisator en propagandist van de katholieke sociale beweging. Door zijn onafhankelijke opstelling binnen het behoudende katholieke milieu genoot hij de waardering van de christelijk-socialistische werkliedenvereniging De Eendracht, al schaarde ook hij zich aan de zijde van haar fanatieke bestrijders.

Door zijn daadkracht trok hij de aandacht van de Bossche bisschop mgr. W. van de Ven, die hem in oktober 1904 benoemde tot organisator en adviseur van de te vormen diocesane katholieke textielarbeidersbond. Met het oog daarop verhuisde hij naar Tilburg, waar hij in de parochie H. Anna als kapelaan was aangesteld. Als eerste geestelijke in het bisdom was hij ten behoeve van zijn sociale taak vrijgesteld van de parochiële zielzorg. Naast zijn blijvende organisatorische bemoeienis met de in 1905 opgerichte Bossche Diocesane Textielarbeidersbond legde hij zich toe op de popularisering en verbreiding van de katholieke sociale leer. Grote bekendheid verwierf hij met zijn in 1906 gepubliceerde Sociale Cursus, in vragen en antwoorden, die vele herdrukken beleefde. Voorts onderscheidde hij zich door zijn uitnemend geredigeerde vakblad Het Hoog-Ambacht. Door zijn onverbloemde kritiek op de katholieke fabrikanten riep hij de gramschap van menig ondernemer over zich af. De Tilburgse fabrikanten overwogen zelfs om bij de bisschop erop aan te dringen hem van zijn taak te ontheffen.

Inzake de grote organisatorische en ideologische vraagstukken die de katholieke sociale beweging gedurende de eerste decennia zeer verdeelden, nam hij voor zijn mede- en tegenstanders een weinig doorzichtig en soms controversieel standpunt in. In zijn in 1906 onder pseudoniem uitgegeven geruchtmakende brochure De eigenlijke verhouding der Geestelijke Adviseurs tot Sociale Vereenigingen pleitte hij voor een uiterst terughoudende opstelling van de geestelijke adviseurs en stelde hij de mogelijkheid van een niet kerkelijk gebonden, interconfessionele organisatie in het verschiet. Vooruitlopend daarop streefde hij naar een vaste samenwerking met de concurrerende interconfessionele textielarbeidersbond Unitas, mede met het oog op de aansluiting bij de op deze leest geschoeide Internationale Textielarbeidersbond. Door toedoen van de oppositie van de Tilburgse geestelijkheid wees de Bossche bisschop de samenwerking af. Toen het episcopaat daarop in 1906 Unitas tot een voor katholieken ongewenste organisatie verklaarde door te kiezen voor expliciet katholieke organisaties, wendde hij resoluut de steven. Anderzijds was hij in weerwil van de hang naar nationale organisatie voorstander van diocesane organisatie, waarbij hij zich beriep op de zeggingsmacht van de bisschoppen in hun diocees en op de gewestelijke eigenheid. Pas toen het episcopaat in 1909 nationale organisatie formeel toestond, ging hij die kant uit. Ook hij ontkwam niet aan het spanningsveld tussen arbeiderszelfstandigheid en het nadrukkelijk geformuleerde kerkelijke gezag over de katholieke sociale beweging.

In tegenstelling tot de gepropageerde terughoudenheid nam hij in ‘zijn’ bond een dominante positie in. Hem werd in naaste kring een gebrek aan samenhangende visie verweten. Daarnaast genoot hij grote waardering voor zijn vele verdiensten op het brede terrein van de katholieke sociale actie, ook buiten het diocees.

Wegens de benoeming in 1915 tot pastoor in Gemert, legde hij zijn functies in de diocesane en landelijke sociale beweging neer en vervulde nog slechts op de achtergrond incidenteel een rol. Het gaf hem de ruimte om zich intensiever in te laten met de katholieke esperantobeweging, waarin hij zowel nationaal als internationaal zeer van zich deed spreken. Gedurende zijn pastoraat overdekte hij Gemert met een netwerk van godsdienstige en katholieke sociale en culturele organisaties. Wegens zijn aandeel in de Staatscommissie over de werkloosheid, die van 1909 tot 1914 aan haar rapport werkte, ontving hij bij gelegenheid van zijn vijfentwintigjarig priesterschap in 1920 een koninklijke onderscheiding. Hij legde zich in het bijzonder toe op de bevordering van de kennis van de rijke geschiedenis van de Duitse Orde, een geestelijke ridderorde uit de tijd van de kruistochten die over Gemert de soevereiniteit had verworven. Het leverde hem een erelidmaatschap op. Na een zeer arbeidzaam leven stierf hij op 7 januari 1937.

Bron
• A.A.J. Thelen, Lambert Poell (1872-1937) en de katholieke sociale beweging, Tilburg 1990

Dit artikel verscheen eerder in: J. van Oudheusden e.a. (red.), Brabantse biografieën. Levensbeschrijvingen van bekende en onbekende Noordbrabanders. Deel 4 (Uitgeverij Boom en Stichting Brabantse Regionale Geschiedbeoefening, Amsterdam/Meppel 1996).

Publicaties in Gemert

1. De Duitsche Ridders te Gemert. Volledige weergave van het originele werk.

2. in den Franschen Tijd. Volledige weergave van het originele werk.