GH-2012-02 De Verdiensten Van To Werts (1917-1998) voor de studie van het Gimmers

Wim Vos

Tijdens het invoeren van gegevens in de database voor de 2e druk van het Gemerts Woordenboek kreeg ik van mijn broer Piet Vos kopieën van twee vragenlijsten van het Centraal Bureau voor Nederlandsche en Friesche Dialecten, een toegift bij twee ontbrekende lijsten en van een brief met nog een ‘toegift’, een lijst met woorden waarnaar eigenlijk niet gevraagd was.1 De lijsten en de toegiften stamden uit de jaren dertig van de vorige eeuw, geschreven in het handschrift van van To Werts, onderwijzeres. Zij woonde toen aan het Binderseind C111. Dat is het inmiddels gesloopte ‘Melkhuis’, waar zij tot het voorjaar van 1938 woonde met haar vader Jan Werts (1867-1939), haar broer Fridus (1910-2003) en haar zus Jo (1905-1992). Op 3 mei 1938 trouwde Fridus met Dina van Erp (1913-1980). Zijn vader Jan (die ook nog negen dochters had) verhuisde met zijn twee nog niet uitgevlogen dochters Jo en To in het voorjaar van dat jaar naar het inmiddels aangekochte pand aan de Rips (een van de herenhuizen die ‘de Engelenburg’ genoemd worden), waar tot voor kort wijlen Martien van der Wijst woonde.2

De door To ingevulde lijsten en de toegift vielen op door hun nauwkeurigheid en zeker ook door het fonetisch schrift waarin de woorden en uitdrukkingen genoteerd waren. Haar zegsman was haar vader Jan Werts, landbouwer. To gaf er blijk van dat ze een meer dan gemiddelde taalkundige kennis bezat door het gebruik van termen als syncope, enz., en door het signaleren van allerlei typische kenmerken van het Gímmers. Mijn nieuwsgierigheid was gewekt en ik besloot dat wat meer informatie over haar gewenst was om haar beter te kunnen plaatsen in het rijtje van in dialect geïnteresseerde Gemertenaren, zoals Gerlacus van den Elsen, Pastoor Poell, Martien van der Wijst (oud-secretaris van onze kring en auteur van de Gemertse Woordenlijst), enz.. Door bemiddeling van haar neef, dr. Jan Werts uit Brussel, kreeg ik een korte schets van haar leven van haar dochter Annemies van ’t Hooft. Mijn vermoeden dat To een meer dan gewone belangstelling had voor taal, bleek ook uit haar verhaal, dat ik hieronder, vrijwel letterlijk, laat volgen.

To Werts, geboren 30 januari 1917 in Gemert, overleden 17 november 1998 in Apeldoorn, gehuwd met Louis van ’t Hooft uit Hoensbroek op 18 mei 1945 in Gemert.

Kort nadat zij getrouwd zijn, zijn zij uit Gemert (Binderseind) vertrokken om voor korte tijd in Den Haag te gaan wonen. Vervolgens zijn zij naar Diemen vertrokken. De langste tijd van hun leven (vanaf 1959) hebben zij in Apeldoorn gewoond.

Mijn moeder heeft de kweekschool gevolgd in Oirschot. Voor die tijd was het bijzonder om als vrouw/meisje een opleiding te mogen volgen. Mijn moeder heeft zich daar altijd bevoorrecht in gevoeld, dankbaar dat haar ouders haar die mogelijkheid hadden gegeven. Daar op de kweekschool is haar liefde voor taal en literatuur zich gaan ontwikkelen. Wat ik weet uit haar verhalen is dat zij een docent Nederlands had die haar erg inspireerde, haar wees op mooie boeken, die ze ook mocht lenen. Zij legde een dossier aan van krantenknipsels van schrijvers, schreef gedichten over van dichters als Marsman en Elschot, die zij ook uit haar hoofd leerde en nog tot op late leeftijd voordroeg. Mijn moeder was een belezen vrouw. Ze was geïnteresseerd in achtergronden.

Daarnaast ging zij op in het Brabants dialect. Liedjes, versjes, uitspraken verzamelde zij. Wat haar aansprak was, denk ik, een stukje nostalgie naar haar kindertijd en jeugd, haar ouders, broer en zussen, waaraan zij mooie herinneringen koesterde, het leven in een Brabants dorp en het tijdsbeeld van haar jeugd. Ze kon daar heel erg van genieten, soms ook kinderlijk ondeugend. Schrijven was haar passie. Mooie gedachten overschrijven, maar ook zelf schrijven. Er is veel moois uit haar pen gekomen. Zo heeft zij onder andere samen met mijn vader een boekje geschreven over hun wel en wee tijdens de Tweede Wereldoorlog, papa in Engeland en mama in Gemert.

Mijn moeder is inderdaad in Gemert begonnen met werken op de toen nog lagere school (klassen van 40-50 leerlingen) als kwekeling met akte. Daarna als leerkracht. Zij onderhield tot het laatst van haar leven nog contact met ‘kinderen’ (toen inmiddels vrouwen van in de vijftig, zestig jaar) die in die tijd bij haar in de klas hadden gezeten. Natuurlijk door o.a. te schrijven. Heel veel brieven en kaarten. Naast de kweekschool heeft mijn moeder geen andere opleidingen meer gevolgd. Maar wel heel veel zelfstudie en (levens)wijsheid gehaald uit wat zij las. Een bijzondere moeder, die haar liefde voor taal aan mij heeft doorgegeven. Ik ben haar daar, naast veel andere, lieve dingen, heel erg dankbaar voor.3

Wat de lezers van Gemerts Heem ook zal interesseren is dat To ook over haar jeugdherinneringen aan Gemert heeft geschreven. Die teksten, die een zeer levendig beeld schetsen van haar leven en het Gemertse dorpsleven, zijn door Jan van Zutphen in 1999, een jaar na het overlijden van To, gebundeld in een boekje, op verzoek van zijn oom, Louis van ’t Hooft (die toen 83 was).4 De redactie is van plan deze jeugdherinneringen uit te geven in onze reeks Busselkes. Daarvoor moeten echter eerst de talrijke Gímmerse gezegdes, versjes en liedjes in de tekst omgespeld worden in ngs (nieuwe Gemertse spelling).

Nu iets over To’s aantekeningen over het Gímmers. Ik zal me daarbij beperken tot haar opmerkingen uit haar toegift van 6 april 1936 waaruit haar taalkundig inzicht blijkt.1b Bijna al haar aantekeningen heb ik overigens al ingevoerd in de database voor de 2e druk van het Gemerts Woordenboek. In het begeleidend schrijven aan Wientjes van het dialectbureau bedankt ze hem voor de dialectkaartjes die hij haar eerder heeft gezonden. Dat verraadt al een meer dan gemiddelde belangstelling voor dialect. In de Toegift, waarin ze dus op eigen initiatief, ongevraagd, extra informatie geeft over het Gímmers, rangschikt ze Gemertse woorden onder taalkundige categorieën. Onder ‘overgangsklanken’ vermeldt ze bv. lampetèrs (:lantaarn), met de overgangsklank –mpe- tussen het eerste en laatste deel van het woord
(het fonetisch schrift dat To gebruikt, ook al een teken van bovengemiddelde kennis, heb ik ook hier overal omgespeld in ngs). Een van haar voorbeelden van ‘syncope’ (:uitstoting van een klinker of medeklinker midden in een woord) is hostal (:hoefstal, een constructie waarin een paard vastgezet kon worden om beslagen te worden; een saillant detail is dat er zo’n hoefstal stond aan de overkant van het Binderseind voor het pand van Rein van den Crommennacker, de hoefsmid, thans nr. 7, niet ver van het Melkhuis).5 To vermeldt, uiterst zorgvuldig, dat het woord hostal in 1936 nog slechts gebruikt werd door ouderen. Als voorbeelden van apocope (wegval van een letter/lettergreep aan het einde van een woord) geeft ze kie-jòs (kiosk) en Gímmers (Gemerts). Ze signaleert de invoeging van een klank in een woord, bv. misdiender (:misdienaar) en gílder (: geler, de vergrotende trap van gaël: geel). Ook de typische suizende r (of sibilantische r: een tegen de boventanden gearticuleerde R met de bijkomende eigenschap ‘spirantisch’ of ‘fricatief’; de lucht stroomt tussen de trillende tong en de boventanden door, terwijl ook de stembanden trillen) ontgaat haar niet. Ze geeft als voorbeeld het woord sriejk (:riek) en weer merkt ze op dat die suizende r voorkomt in de taal van ouderen. Het is zeer aannemelijk dat haar eigen vader, Jan Werts (1867-1939), haar zegsman, die bijzondere r nog gebruikte. Mijn vader, Jan Vos (1902-1991) gebruikte die nog, hoewel hij zich daar helemaal niet van bewust was. To had kennelijk een geoefend oor. Verderop in de Toegift geeft To zelfs reeksen woorden in aparte kolommen voor ouderen en jongeren, bv. voor onderwijzeres, haar eigen beroep. Ouderen zeiden nog metrès, jongeren zeiden toen al ónderwejzerès, ouderen zeiden nog verkèt (vork), jongeren vörk. Uit het laatste voorbeeld blijkt al dat veranderingen in de woordenschat niet voor alle bevolkingsgroepen even snel verlopen, want ik weet zeker dat ikzelf in mijn jonge jaren in de Paandeler nog verkèt zei en pas overging op vörk in de jaren zestig, waarschijnlijk onder invloed van mijn (Gemertse) vrouw. Even terzijde, verandering van woorden betekent nog niet altijd overname van het exacte Nederlandse woord, zoals verkèt > vörk bewijst, immers ook vörk wijkt nog steeds af van het standaard Nederlands. Als onderwijzeres (metrès) in hart en nieren had To ook oor voor de kindertaal. Zo schrijft ze dat ze in een opstel van de 5e klas de spellingen verstoppeltje (:verstoppertje) en Alabiere (:Arabieren) aantrof, waarin haar leerlingen kennelijk de r verwisseld hadden voor een l. Vóór deze passage geeft ze twee voorbeelden van dit verschijnsel (metathesis of letterkeer) in het Gímmers die nog steeds bestaan: dörpel (:dorpel, drempel) en dölper. Beide woorden komen nog steeds voor. To wist dus dat deze fouten in de spelling van het Nederlands van haar leerlingen uitgelokt werden door hun echte moedertaal, het Gímmers. Wat we ook kunnen leren uit To’s aantekeningen is dat modernisering van de woordenschat nog niet altijd hoeft te betekenen dat oudere woorden snel verdwijnen. Iedereen zal tegenwoordig wel vergiet zeggen, maar oudere mensen kennen de voorganger dùrslág nog wel. En dat geldt ook voor het modernere kersèt en het oudere raajlef of rállef (letterlijk ‘rijglijf ‘). Met andere woorden, de ouderen uit To’s jeugd, die nu al lang dood zijn) hebben hun ouderwetse woorden toch doorgegeven aan mensen die nu oud zijn, maar jong in de jeugd van To. Je moet er altijd rekening mee houden dat sommige mensen conservatief zijn en andere, vooral vrouwen, meer geneigd om nieuwe dingen onmiddellijk over te nemen, en dat geldt niet alleen voor mode, maar ook voor taal.
To had ook oor voor Gímmerse gezegdes, ze noteerde er heel wat, te veel om hier allemaal te vermelden. Een paar voorbeelden volstaan. Tijdens haar werk als metrès zal ze wel eens geconfronteerd zijn met spijbelen oftewel skolwácht haawe in het Gímmers. Dat was lang niet altijd het gevolg van een hekel aan school bij de leerlingen: vooral boerenkinderen werden nogal eens thuisgehouden gedurende de oogsttijd om mee te helpen. Leerlingen die ver weg woonden, moesten overblijven en brachten dan misschien ’n hártelek botterèèmke (:een boterham met hartig beleg) mee naar school. To was, denk ik, dol op haar leerlingen, dus een gezegde als: Lopt no de maon èn plukt stèrre, zal haar in de klas niet gauw ontvallen zijn, zelfs als een leerlinge ‘r de duuvel án ha gezien (:er het land aan had, niet graag deed wat haar was opgedragen). Voor meer van dit moois zult u echter moeten wachten op het Busselke met haar jeugdherinneringen, een buitengewoon interessant tijdsbeeld van de dertiger jaren.

NOTEN
1a) Centraal Bureau voor Nederlandsche en Friesche Dialecten, o.l.v. de Dialectencommissie der Koninklijke Akademie voor Wetenschappen (tegenw. Meertensinstituut te Amsterdam), Vragenlijst No. 2 (1932, ingevuld door To Werts in 1935; zegsman J. Werts, landbouwer, 68 jaar.
b) Toegift bij Vragenlijst No. 2 (1932) door To Werts, 12 pp. A4, met begeleidende brief, d.d. 06-04-1936.
c) Idem als 1a, No.4 (1936, tevens lijst No. 20 der Zuidnederlandsche Dialectcentrale te Leuven (o.l.v. Prof. Dr. L. Grootaers); ingevuld door To Werts in 1937; zegsman J. Werts, Landbouwer, 70 jaar.
d) Toegift door To Werts (2 pagina’s) bij Vragenlijst No.1 (1934 bij vraag 4d en Vragenlijst mei 1935, 2 pp. A4.
2) Gegevens over de familie Werts verstrekt door dr. Jan Werts (Brussel).
3) Annemies van ’t Hooft, in een bijlage bij een e-mail van dr. Jan Werts, d.d. 03-01-2012.
4) To van ’t Hooft-Werts, Van wor ik ben, jeugdherinneringen; bewerkt door Jan van Zutphen, Bemmel, dec. 1999; 75 pp. A5.
5) Gemert in oude ansichten, Zaltbommel, 1971, p.11, foto met onderschrift. Drs. P.H. Vos oppert de mogelijkheid dat hostal is ontstaan uit (h)orsstal , vgl. MNCDN, 18,1981/’82, p.109-120.

Bekijk PDF