GH-2010-04 Gemerts dialect: twee verklaringen voor imkerijterm

 

Wim Vos

In de eerste helft van dit jaar heb ik me o.a. beziggehouden met de invoering van de agrarische terminologie in de Database Gímmers. Een van mijn bronnen was Deel II, aflevering 9 van het Woordenboek van de Brabantse Dialecten [WBD], gewijd aan de vaktaal van de imker.1 Deel II is gewijd aan de niet-agrarische vaktalen, die ik eigenlijk wegens tijdgebrek niet wil opnemen in mijn database voor de tweede druk van het Gemerts Woordenboek, maar de imkerij heeft toch wel veel raakvlakken met het boerenleven, dat uiteraard veel sporen heeft nagelaten in de dagelijkse Gemertse omgangstaal. Vandaar. Het voorwerk voor deze aflevering werd al in 1973 verricht door Piet Vos, die toen een vragenlijst met afbeeldingen (N63) opstelde over de terminologie van de imker. Met behulp van het concept van deze lijst en de definitieve versie verzamelde hij zelf materiaal om de vragenlijst uit te proberen. Hij interviewde daarvoor drie Gemertse imkers.2

1. J. Blummel, geboren in 1896 te Schijndel en vanaf 1934 woonachtig te Gemert op de Heuvel 44. Zijn antwoorden werden door Piet Vos persoonlijk genoteerd in het oude spellingsysteem voor het Gemerts.

2. J. Blummel jr, geboren in 1930, die destijds woonde op de Heuvel 46, naast zijn vader. Hij vulde de vragenlijst eigenhandig in. Zijn spelling was geïmproviseerd.

3. Marinus J. de Wit, geboren te Uden in 1910, woonachtig te Gemert vanaf 1922. Marinus, jarenlang bestuurslid van onze Heemkundekring, had het imkeren geleerd van Johan Jonkers (korven en kasten) en van Jochem van de Rijt (kastimker) uit Gemert. Ten tijde van het interview met Piet begin jaren ’70 woonde Marinus overigens al bij zijn zuster in de Julianastraat 18 te Bakel. Zijn antwoorden werden door Piet Vos genoteerd.

In tegenstelling tot sommige andere afleveringen van het WBD is de frequentie van de antwoorden in het Gímmers zeer hoog: in bijna elk lemma komt wel een antwoord voor van één van de Gemertse geënquêteerde imkers onder de code L207 (:Gemert).

In dit artikeltje wil ik het hebben over twee Gemertse vormen van de Nederlandse imkersterm ‘endeling’, in het WBD (enigszins ingekort) gedefinieerd als: De eerste nazwerm of, met de voorzwerm meegerekend, de tweede zwerm. Ze is kleiner dan de voorzwerm. Acht tot tien dagen nadat de voorzwerm eraf is, vliegt de eerst uitgelopen en nog onbevruchte moer of koningin met een deel van het bijenvolk weg, vergezeld van meerdere, iets later uitgekomen, allemaal onbevruchte koninginnen; zij vormen ofwel nieuwe afsplitsingen of vechten met elkaar, totdat er nog één koningin over is; elk volk kan slechts één koningin gebruiken.3

In mijn database heb ik twee Gemertse termen opgenomen voor dit begrip, namelijk èndel (bron Marinus de Wit) en èntel (bron J. Blummel) en natuurlijk vroeg ik me af waarom een nazwerm in het Nederlands ‘endeling’ en in het Gemerts èndel of èntel heet. Misschien is het antwoord al te vinden in dezelfde database. Daarin vond ik namelijk het werkwoord èntele: ww: aarzelen, treuzelen, talmen, dralen (soms met opzet, wat voor anderen vervelend kan zijn). We han al laang vèrreg kanne zén as haj nie aald blíf èntele.4

De bron voor dit lemma was de Gemertse Woordenlijst van Martien van der Wijst5 met de summiere vermelding ‘èntele: aarzelen’. Het woord is vanuit de GWL terechtgekomen in het Gemerts Woordenboek6, maar dan met meer informatie en een voorbeeld zoals hierboven in mijn database.

Het lijkt mij dus mogelijk dat we de Gemertse termen èndel of èntel en misschien ook wel het Nederlandse ‘endeling’ mogen interpreteren als ‘treuzelaar(s)’, een zwerm die pas vertrekt uit de korf of kast na lang aarzelen.

In het EDWB van Weijnen komt het woord ‘èntelen’ ook voor. Weijnen geeft echter als betekenis “kibbelen, bekvechten, frequentatief bij het Middelnederlandse ‘anden’ (:irriteren).” Die irritatie vindt men echter ook terug in de definitie in mijn database hierboven: “aarzelen (…) dralen (soms met opzet, wat voor anderen vervelend kan zijn)” 7

Een alternatieve verklaring van de woorden zou men echter kunnen distilleren uit wat Wim van Gompel zegt in het Reusels Woordenboek.8 De Reuselse varianten zijn ‘èndeling’ of ‘anderling’: tweede zwerm. Volgens hem zal ‘enderling’ ontstaan zijn uit ‘anderling’. Nu betekent het woord ‘ander’ oorspronkelijk ‘tweede’ en ‘anderling’ zou dus letterlijk ‘tweede zwerm’ kunnen betekenen. Hiervoor spreekt dat in het Reusels ook de termen ‘dòrreling’ (derde zwerm of tweede nazwerm) en ‘vierling’ (vierde zwerm of derde nazwerm) bestaan. In het Gímmers worden deze twee termen echter niet genoemd in het WBD.

)

_______________

2010-4 dialect22010-4 dialect1

NOTEN:

1) Woordenboek van de Brabantse Dialecten (WBD), Deel II, Aflevering 9, Vaktaal van de imker, red. drs. Lenie Messelink-Zijlmans, Gopher Publishers 2005.

2) Ingevulde vragenlijst N63 van de Nijmeegse Centrale voor Dialect- en Naamkunde (NCDN), waarvan ik de kopieën van Piet Vos mocht inzien.

3) Vgl. WBD, II, afl.9, p.53 s.v. endeling met de twee Gemertse versies (èndel en èntel).

4) W.J. Vos /M.A. van der Wijst, Gemerts Woordenboek (GWB), Gemert 1996, p.53, s.v. èntele.

5) Gemertse Woordenlijst, Gemerts Heem, nr. 61, winter 1975-’76, p.21, s.v. èntele.

6) GWB, p.53, s.v. èntele.

7) Prof. dr. A.A. Weijnen, Etymologisch dialectwoordenboek, Den Haag, 2003, 2e druk; p.97, s.v. èntele.

8) Wim van Gompel, Reusels Woordenboek, Deel 3, Beroepen en andere bezigheden, Reusel 2004, p.238, s.v. endeling.

Bekijk PDF