GH-2007-03 Zeventiende-eeuws Gimmers

Ad Otten

In de zeventiende en de achttiende eeuw bestond er voor het schrijven van het Nederlands nog geen ABN en ook geen officiële spelling. Dat heeft er toe geleid dat men vandaag de dag in verschillende authentieke archiefbronnen soms meteen herkent waar een bepaald archiefstuk is opgemaakt of tenminste uit welke regio het afkomstig is. Dit geldt met name voor de sterk aan een plaats gebonden archiefstukken, met name wanneer die werden opgemaakt door burgers die zich niet bedienden van ambtelijk taalgebruik. Het meer geuniformeerde ambtelijk taalgebruik is al heel oud. Maar er waren ook vroeger al ‘ambtenaren’ die zich weinig gelegen lieten liggen aan wat in ambtelijke kring als gebruikelijk gold. Een voorbeeld daarvan is de borgemeester uit vroeger eeuwen. Hij had een heel andere taak als de huidige burgemeester, die we moeten vergelijken met de schout of drossard van toen. Borgemeester was vroeger de algemeen gangbare benaming voor wat tot voor kort ‘gemeenteontvanger’ werd genoemd. Hij, in vereniging met minstens één compagnon, beheerde de gemeentekas en haalde de belasting op. Borgemeester was een allesbehalve dankbaar baantje en daarom werden elk jaar uit de bevolking weer twee of drie, soms zelfs 4 nieuwe borgemeesters door het gemeentebestuur ‘aangewezen’. Ze werden dan gemeenteambtenaar voor de periode van één jaar en niet langer. Het spreekt voor zich dat het wel personen moesten zijn die de gemeenschap voor de uitoefening van dat ambt capabel achtte. Het ging per slot van rekening over de financiën van de dorpsgemeenschap. En het zijn met name de stukken die in de archieven zijn bewaard gebleven van de financiële verantwoording van deze borgemeesters, waarin men zoveel prachtige voorbeelden kan vinden van het plaatselijk taalgebruik. Het zal niemand echt verbazen dat ook toen al een perd een perd was en geen paard. Dat het meervoud van ‘perd’ niet ‘perden’ maar ‘peerden’ was. En zo is er in de zogeheten ‘borgemeestersrekeningen’ nog heel veel meer oud-Gimmers van eeuwen her overgeleverd. En dan hebben we het nog niet eens over de bijlagen van de borgemeestersrekeningen waaronder de door de verschillende borgemeesters indertijd opgespaarde kwitanties. Voor speurders naar oud plaatselijk taalgebruik een kostelijke bron. En: het blijkt echt niet zo moeilijk om bij de per individu weer verschillende spelling van toen, toch de juiste gebezigde klank te vinden. Want iemand vertrouwd met het dialect van nu, ‘hoort’ bij het lezen van die oude teksten gewoon de Gemertenaren van toen. In de door hen indertijd gebezigde spelling herken je vrij gemakkelijk het huidige dialect en er rest geen andere conclusie dan dat de uitspraak van toen voor heel veel woorden vrijwel identiek moet zijn geweest aan die van nu. In het hiernavolgende volgen daarvan een aantal voorbeelden zoals ondergetekende die uit Gemertse rekeningen van de borgemeesters uit 1627 optekende.

‘Gemmert’ ipv ‘Gemert’
‘Remundt’ ipv ‘Roermond’
‘Summeren’ ipv ‘Someren’
‘Liessent’ ipv ‘Lieshout’
‘Eindoven’ ipv ‘Eindhoven’
‘hum’ ipv ‘hem’
‘knint’ ipv ‘konijn’
‘kninde’ ipv ‘konijnen’
‘vorsse kabbeljauen’ ipv ‘verse’
‘inden Graef’ ipv ‘in Grave’
‘het graft’ ipv ‘de gracht’
de uitdrukking ‘nie ewech konnen commen’
‘hetghenighe’ ipv ‘hetgeen’
‘seuven patrijssen’ ipv ‘zeven patrijzen’
‘gebrocht’ ipv ‘gebracht’
‘gecommen’ ipv ‘gekomen’
‘Heesick’ ipv ‘Heeswijk’
‘Van de Crommenecker’ ipv ‘Van de Crommenakker’
enzovoorts enzovoorts.

Duidelijk is dat de oude borgemeestersrekeningen laten zien hoe oud ons eigenste Gimmertse taalgebruik wel niet is. De rekeningen van de Gemertse borgemeesters verdienen daarom op het vlak van ‘taol’ nog een veel uitgebreider onderzoek.

Bekijk PDF