GH-2006-03 Invloed van de Duitse Orde

Simon van Wetten

In het overgrote deel van de transportakten kijkt op de achtergrond de Duitse Orde mee. Bij veel van de verkochte huizen en stukken grond hoorde namelijk een bepaalde cijnsbetaling op ’t huijs van Gemert, waarmee hetzelfde werd bedoeld als met de latere omschrijving aen de Commanderije. Het populairst, voor zover belasting betalen populair kan zijn, was een hoeveelheid rogge, bijna altijd in vaten uitgedrukt (een vat komt overeen met bijna 7 kilo). Maar de Gemertse bevolking bracht ook diverse andere zaken naar het poortgebouw van het kasteel, wat toen nog voorzien was van twee zijvleugels waarin alles kon worden opgeslagen. Hoenderen, smael hoender (kuikens) en capuijnen (‘gesneden haantjes’, wellicht daarom ook de verbinding Sinterklaaskapoentje, te lezen als Sinterklaas’ kapoentje, het meest ondeugende Zwarte Pietje van de Sint)9 deden het als cijns ook heel goed. Wat dat betreft is er dus niet veel veranderd; we weten allemaal dat iedere Gemertenaar die iets te weekhartig is om het teveel aan hanen in de ren zelf te slachten, de gevederde vrienden dumpt op de grasvelden van het kasteel. Dat geldt weer niet voor de toenmalige voeders torf, raepsaet, haver, kaas, boter, eieren, lijnwatte laecken en zelfs peperkoek. Daarnaast kon je ook in stuivers en kleinere muntjes betalen.
Ieder gezin, iedere hoofdbewoner werd daarnaast aangeslagen voor de dorpslasten. Deze bijdrage wordt in de akten nooit gepreciseerd, en was dus blijkbaar voor iedereen duidelijk.
Er bestond ook nog een “boschpacht” en er was een Kerst- en een Paasbede, maar vermeldingen van die belastingen zijn zeldzaam.10
Het lijkt alsof de belastingdruk dramatisch groot was. Maar de cijnzen waren voor ‘eeuwig vastgesteld, inflatiecorrectie bestond nog niet en op den duur vielen de lasten makkelijker op te brengen. Bovendien stond, zeker bij de grotere hoeven, tegenover de belastingplicht een voorrecht. Het recht van een heijmaat gaf de pachter of eigenaar de kans om op de gemeentegronden hei te gaan maaien en heibulten te splitsen, voor de stal. De hoeven van de Commanderie hadden een vaste plek, de vrije hoeven hadden gezamenlijk ook een deel van de hei, en zelfs de maaidag stond vast:
“Jan Valx heeft overgegeven aan Jan Eijnsen van den Laer het recht van een heijmaet die hij heeft te Gemert daer die vrij hoeven meijeu, om daar elke woensdag te maaien.11
Een in moderne ogen vervelend en naar fenomeen was het recht van bastartdije, waarbij de (land)commandeur bij een nalatenschap het voorkeursrecht had, wanneer de erfgerechtigde een bastaard, een onecht kind was, niet in echte verwekt. Vooral in de 15e en 16e eeuw maakten de hoge heren nog wel eens van dit privilege gebruik.

De heren van Gemert vonden dat de wind van hen was. Althans, de molenwieken van de Gemertse molens moesten onbelemmerd kunnen draaien, en er was in Gemert volgens de commandeur -de bevolking had daar een andere mening over- molendwang. Inwoners van Gemert mochten hun graan niet elders laten malen! 12 De mulders dienden zich nauw te houden aan de pachtcontracten, gesloten met de commandeur. Met name onderhoud en uit te voeren reparaties aan de windmolens, de watermolen en de rosmolen werden zeer gedetailleerd beschreven. Tegen betaling van 45 mud rogge en nog wat peper en gember mocht de molenaar een jaar lang de mulder zijn. Hij genoot dan bovendien het voorrecht van het gebruik van een koeweide in het Molenbroek, en de bestelling van 21/2 el laken voor een nieuwe tabberd.13
“Anno 1544 heeft heer Hanrick van Eijnatten, commandeur des huis van Gemert, doen maken een houten windmolen die is opgeleverd op 14 oktober van dat jaar. Heer Henrick van Hochkercken der Duitse Orde krijgt de eerste zak met koren daer op getogen, heer Hanrick van Eynatten (een natuurlijke zoon van de commandeur) de tweede zak en Goeyart Moeijen de derde zak.”
“Anna Margaretha van Boxtel, weduwe van Daniël Kievits, mulderinne, bij requisitie aan den Hoogwaardigste Heere Caspar Anton, vrijheer van Belderbusch, landcommandeur der Ballije Alden Biessen, aangezien binnen deze Grondheerlijkheid Gemert geen olie- en rhunnmolen staat, heeft verzocht om op haar kosten en grond zo’n molen te mogen stellen. Dat is op 22 oktober 1768 genadigst toegestaan. Op 16 mei 1770 is door de twee jonge kinderen van meester P.A. de la Court de eerste steen voor deze molen gelegd.”14
Toen commandeur Hendrik van Holtrop in de eerste jaren van de 17e eeuw het poortgebouw van het kasteel liet bouwen, vond hij dat het huiske dat tegenover dit nieuwe gebouw stond, aan de rand van het Goorswinckel, maar afgebroken moest worden, om zo voor het heerenhuijs (het kasteel) alle pericelen ende inconvenienten van roverijen des crijchsvolck zo veel mogelijk te voorkomen. Maar heer Hendrik was de beroerdste niet. Na een schikkingsvoorstel van onder andere pastoor Strijbosch betaalde de commandeur 200 Brabantse gulden schadevergoeding aan de eigenaar.15
Op een ander front liet de Orde zich van een vriendelijker kant zien. De Duitse Ridders hadden al in een heel vroeg stadium, gezien de naam hoogstwaarschijnlijk in de tijd van landcommandeur Iwan van Cortenbach (begin 15e eeuw), een soort fonds in het leven geroepen, de zogenaamde Cortenbachse Renten, waaruit de Gemertse inwoners tegen een redelijk tarief (meestal 3%) geld konden lenen. Vooral bij de aankoop van een stuk gemeentegrond, woeste gronden met het doel die te ontginnen, werd deze fundatie aangesproken. Overigens onderkenden de commandeur en zijn meerderen het belang van ontginning, en daarom werden ook de andere voorwaarden zo gunstig mogelijk gehouden, zoals een lage grondprijs en het cijnsvrij houden van het stuk grond tot drie jaar na de ontginning.
Naast de aankoop van grond was de wederopbouw van een afgebrand huis evenzeer een goede en geaccepteerde reden om aan te kloppen bij de rentmeester der Cortenbachse Renten. Zo kon een door brand gedupeerd gezin onverwijld weer bouwen aan een nieuw onderkomen.
Het belang van onderwijs werd door de Orde eveneens onderkend. Bekend is het verhaal van landcommandeur Ruijschenbergh die niet alleen de Latijnse school stichtte, maar daarbij ook nog eens genereus een twaalftal studiebeurzen in het leven riep, waarvan zes expliciet voor Gemertse jongens. In 1593, een jaar of zes na de stichtingsdatum van de Latijnse school, bevestigde Frans Schenckels van mijnheer Henrick van Ruijschenbergh 1100 gulden te hebben ontvangen, voor het huis waarin ‘nu tegenwoordig’ de school is.16

Niet alleen Van Ruijschenbergh stelde ‘schoolse’ daden. Ook “Wij, van Godts Genaede Damian Hugo, kardinaal van Schonborn, landcommandeur der Balleijen Hessen, Biessen en de Nederlanden,” liet op 15 maart 1718 weten dat ten voordele van de Latijnse school en tot meerder gerief der studerende jonkheid zesendertig percelen uit de gemeente in het openbaar verkocht zouden worden, om met de opbrengst een derde meester voor de school te kunnen onderhouden. 17 Wel had de landcommandeur het dringend verzoek om de te verk¬pen stukken grond, mits dat doenlijk was, met enig houtwas te beplanten.

Toen Caspar Beijnen, conrector der Latijnse school in 1768 overleed, werd een inventaris van zijn goederen in de conrectorswoning opgemaakt. Een hele kleine greep uit het ‘aanbod’:
In de kamer: een ledikant met blauw zijde behangsel, vier landkaarten, drieëndertig stropdassen, een Mariabeeld, een bibliotheek met 55 titels en de schoolregisters.
In de keuken een dozijn Delftse borden, een metalen mortier (!) een hangend huishorlogie en een barometer.
Op de geut of achterkeuken: een blaasbalg, een vuuriizer, tang, een blaker, koffiepotten en een suikertang.
Op de opkamer: een wekker, slaapmutsen. een hoed, rottings, een bruin damasten nachtjapon, zilveren hemdknoppen, twee zilveren zakhorloges en zilveren schoengespen.
Op het achterkamertje: een fluwelen mof, een Christus aan het kruis en een aantal brillen.
Op de zolder: een mollenval en braadpannen.
Op de drie bovenkamertjes: een bed- en hoofdpeluw, een spinnewiel, een partij flessen, enig timmergereedschap en twee halve varkenskoppen.

Voor zo’n dorp als Gemert was het trouwens wel handig om de machtige Duitse Orde als ‘heer’ te hebben. Kwesties met buurdorpen werden veelal in het voordeel van Gemert beslist, omdat met name de Raad van Brabant, het rechtscollege dat in Brussel namens bijvoorbeeld keizer Karel V of diens zoon Filips II recht sprak, de oren wat eerder liet hangen naar de machtige Duitse heren dan naar het dorpsbestuur van een dorp in een verre uithoek van Brabant. Bekendste voorbeeld is de bijna honderd jaar durende ruzie over overgestoken koeien en het onderhoud van de Beecksche graeff, die wij beter kennen als de Snelle Loop.18
En het was toch wel héél chique toen Girnmert werd aangeduid als “de Vrije Heerlijkheid van Hare Keizerlijke en Koninklijke Majesteit van Hongarije en Bohemen 19
Ronduit aardig was het dat wanneer iemand iets van waarde had en dat niet in huis durfde te houden, het opgeslagen of bewaard mocht worden op het kasteel. Wel zo safe! 20 En de werkgelegenheid in het dorp was ook gediend met de aanwezigheid van de Duitse Orde. Op het kasteel liepen onder andere een stalmeester, een scheffenaer (een hofmeester), een bakker, een carnerlinck, een voerknecht, een tuinier en een bouwknecht rond.

Een feestdag, of beter een feestweek, was het wanneer de nieuwe commandeur of zelfs de landcommandeur kwam kennismaken. Dan volgde de plechtige inhuldigingsceremonie, iets waar de dorpelingen al weken naar hadden uitgekeken en waarvoor de schout, schepenen, borgemeesters, kerk- en Heiligegeestmeesters al wekenlang in de stress lagen, want zij moesten alles vlekkeloos organiseren.21
Tijdens de inhuldigingsweek gaf de nieuwe landcommandeur ook altijd een rondje “gratie verlenen” weg. Kleine criminaliteit, waaronder opvallend veel messentrekkerij, kon dan worden witgewassen in een sopje van “heerlijke” goedgunstigheid.” 22 De commandeurs van Gemert hadden de beschikking over een huis in ‘s-Hertogenbosch. Hendrick van Eijnatten schaftte zich in 1540 een huis aan de Wijmoelenberch in die stad aan.23 Dat was naast het pand dat de Commanderij al bezat sedert 1426, het Refugiéhuis van Gemert. 24 En commandeur Godert van Aer kocht in 1577 “de gerechtigheid in de Aa”, en een jaar later het viswater in de Aa “neven die Norste”, dat aanvankelijk door de naburen van Aarle-Beek beleend was. Van Aer was duidelijk een visliefhebber.25

Een andere liefhebberij van heer Godert komt naar voren in een akte van 10 mei 1583:
“Alsoe mijnheer Godaert van Aer had Wolff Franck en Jan Aerts Verhaegen tot momboirs aangesteld van zijn dochter Merike, verwekt bij Truijcke Maes, en van Jan en Agnees, ook kinderen van heer Godaert, maar nu verwekt bij Anna Dericx dochter.”
Verder had de Duitse Orde de wet, orde en gezag hoog in het vaandel staan. Dat blijkt uit verordeningen tegen messentrekkerij en de bepalingen over hoeveel bezit iemand diende mee te nemen vooraleer hij zich in Gemert mocht vestigen. Dat manifesteert zich in de bemoeienis met religieuze zaken (niemant en sal van Luteren noch van sijn secte of gelove vermanen in ’t goet of in ’t quat) en het verbod voor buijtenluijden om in Gemert om een aalmoes te vragen. Het uit zich in de bepalingen over het gedrag in de herbergen – met name de schietoefeningen van de gilden vanuit d’n hof van de herbergen waren een doorn in des overheidsoog – en de uitdrukkelijke vermaning niet langer dan één dag kermis te houden. Het is te zien aan het verbod op sweren en vloeken (straf: een maand op water en brood en dan op het schavot de tong doorstoken) en het tegengaan van het aloude gebruik van taeffelen (toffelen, volksgerichten waarbij personen die de dorpseer aantastten het moesten ontgelden). Op stropen stonden strenge straffen. Gherit, de zoon van Loij van Nunhem, kan u er alles over vertellen. Hij heeft maanden gezucht in de kerker (de gevenckenisse op ten huijs van Gemert) omdat hij een paar konijnen had gestrikt. Ook op illegaal vissen in de Wijer, het viswater van de commandeur, en op houtdiefstal werd streng gecontroleerd, en het viel dus ook onmiddellijk op toen de bewoonster van het Gulden Huijs in Rixtel elf Gemertse bomen liet ontvreemden door haar schout, haar vorster en enkele andere Rixtelse mannen. Het waren echter niet alleen ‘buitendorpers’ die Gemerts hout stalen. In juni 1578 is een uitgebreid getuigenverslag vastgelegd, waardoor we het onderzoek naar de daders van een heesterdiefstal in het Molenbroek tot in detail kunnen volgen. Zullen we de commandeur even letterlijk aan het woord laten? Dan weten we hoe hij sprak! U moet wel verdisconteren dat hij boos was, vanwege zijn vermiste heesters! Neen, ben in willens geweest, want ick bij u quaeme, solt u vraegen, van alsulcken daet als daer geschiet is, daer in ’t Moelenbroeck, veele ende verscheijdenen cleijne heesterkens uuijtgestoken sijn, op mijn ordens erve, dien in u velt geset sijn. Dat heeft gedaen der weert of der gast, als ick genogsaem betuijgen zal, met diverse persoonen.

Na een dialoog met een aantal verdachten en getuigen eindigt de commandeur met een wetenswaardigheid die u ook maar in acht moet nemen: Het woord moet door de keel gaan, dat de man doet hangen!
Hoewel er lang niet zoveel ‘gehangen’ werd als het gangbare beeld van de late middeleeuwen ons doet geloven, waren de straffen zeker niet mild te noemen. Tenminste, wanneer er sprake was van recidive. Het is opvallend dat de eerste overtreding of misdaad zowel door de benadeelden als door de overheid met mildheid tegemoet werd getreden. Bij herhaalde narigheden lag dat echter héél anders. Met gevouwen handen en gebogen knieën met luide stem je spijt betuigen, hielp dan niet meer…
Maar, zoals gezegd, de commandeur kon ook vergevensgezind zijn. Goert van Kessel had een paar zwarte boksen met een wambuis en een nastelwambisken én 30 stuivers in Boerdonk gestolen – deze wandaad zal daar het gesprek van de week geweest zijn – en was zo ongeveer op heterdaad betrapt en gevangen genomen. ‘Nu’ (ja nu, allicht, zo kunnen u en ik het ook) toonde Goert groot berouw en leedwezen en de commandeur was daar dus gevoelig voor! 26
Adam van Hout was in de nabijheid van het kasteel een sloot aan het vegen, toen commandeur Van Aer passeerde en aan hem vroeg: “Denk je soms dat die sloot van jou is?” Adam antwoordde: ” Ja, ik houde deze grave voor Godt ende mijne.” Heer Aer ging daar niet tegenin! 27
We komen het allemaal tegen in het Gemerts schepenprotocol.28
“Op verzoek van de schout is Wouter Cnoep voor ons gekomen, op de brug van het kasteel, buiten de poort, en hij heeft ghekent ende gheleijt (bevestigd) dat Jan Ansems Smets, de man van Lijsbet, ’s nachts het vell (huid, een stuk leer) van de broer van Wouter heeft gestolen en op zijn wagen heeft geladen en daarna heyrnelic heeft verborgen.” (1483)
En als je dan de pineut was en in afwachting van het proces de stenen van de kerker al dertig keer had geteld, dan kon je alleen maar hopen dat je familie pogingen ondernam om je overgeplaatst te krijgen naar het huis van de vorster. Daar werd je dan weliswaar in de ijzers gezet, maar dat was blijkbaar stukken comfortabeler dan in die diepe kelder onder het kasteel. 29
Uiteindelijk kwam de Duitse Orde zelf in zwaar weer. In april 1793 kon de landcommandeur nog laten zien wie de baas was, door een fikse boete op te leggen aan Gemertenaren die zich bij de aankomst van de Fransche Nationaale hadden misdragen (lees: hadden geheuld met de Franse revolutionairen). Die bestraffing was ook niet zo moeilijk, want de Fransen waren weer vertrokken, en het dorpsbestuur durfde de reden van een ‘begrotingstekort’ van 2000 gulden toe te schrijven aan de “excessen van de Fransche Nationale krijgsbenden”. Maar die benden zouden terugkeren! In de protocollen is het eerste teken van de Franse Tijd de brief van “borger” (denk aan de revolutionaire aanspreektitel “citoyen”) Reinier van der Putten, die op 15 ventose, 3e jaar (de republikeinse kalender, maart 1795) wees op het feit dat drossaard Meijer, bij het naderen van “onze brave wapenbroeders” was gevlucht, en zijn post als drost en fungerend secretaris op schandelijke wijze had verlaten. Daarom bood de schrijver, eertijds schepen maar in die functie geschorst vanwege zijn patriotse en vrijheidslievende manier van denken, zich voor de post van secretaris aan. Het zal niet aan Van der Putten hebben gelegen, maar drie maanden later wees het gemeentebestuur (nu de “Representanten alhier vergaderd zij-de”) op de hongersnood die heerste, met zoo groote en gevaarlijke gevolgen. Een ander gevolg van de komst van de Fransen was een geheel nieuw fenomeen: politiek gekissebis! Eindeloos gedoe over het alsnog meetellen van de ontbrekende stemmen (afwezigen) van de vorige vergadering en het wel of niet geoorloofd nemen van dergelijke besluiten van niet door het volk gekozen representanten (inbreng van borgemeester Jacobus Roefs). En nog iets typisch: in januari 1798 verkochten alle eerwaarde heren van Gemert hun huizen én hun meubels, tot de chocoladekopjes en de turkse muts en de glasgordijnen aan toe. De kopers waren steeds familieleden. Natuurlijk, want als de Franse repressie jegens de geestelijkheid voorbij zou zijn, kon alles zo weer teruggegeven worden. Maar intussen eiste de inspecteur van het “Enregistrement et du Domaine” te Ravenstein van de gemeentesecretaris van Gemert alle gepasseerde akten voortaan te rapporteren. Gemert werd gepromoveerd (?) tot hoofdstad van het kanton Gemert-Uden-Boekel-St. Anthonis.
De schepenakten werden steeds vaker in de Franse taal opgeschreven.Tja, de Duitse Orde had niets meer in te brengen. De doodsteek voor de Duitse Ridders is voor wat betreft het schepenprotocol gedateerd op 20 oktober 1807. Het was de dag waarop ene heer Schumachers, lid van de Commissie van Administratie te Breda, in overeenstemming met het decreet van Zijne Majesteit de Koning van Holland (Lodewijk Napoleon), alle eigendommen van de Commanderie kwam opeisen: het kasteel met neerhuis, schuur, verdere gebouwen, tuin en vijvers, twee windkorenmolens, zeven hoeven, diverse percelen grond, bos, erfpachten en tienden. Aan bijna zes eeuwen verbondenheid tussen de machtige Duitse Ridderorde en dat dörpke in een uithoek van Brabant was een einde gekomen! 30

NOTEN

In het algemeen verwijs ik naar de drie artikelen met veel leuke krenten uit de protocollenpap die eerder in “Gemerts Heem” zijn verschenen, namelijk in jaargang 39 (1997), blz. 88-94 en blz. 131-140, en in jaargang 42 (2000), blz. 1-9.

9 Zie Gemerts Heem 1984-04, pagina 128.
10 R112-728/968
11 R109-605
12 Simon van Wetten, Molendwang in Gemert? in: Gemerts Heem, jg. 38, 80-94.
13 R99, akten 1091 t/m 1098
14 R150-173
15 R112-1387
16 R111-302
17 R128, akten 307 t/m 344
18 SvW, Grensconflict zonder limieten (Gemert, 1995).
19 R146-160: in een procuratie geschreven door notaris Everardus Verbruggen in ‘s-Hertogenbosch, mei 1758. Die notaris maakte overi¬gens een behoorlijke fout: Gemert was een Vrije Heerlijkheid van de Duitse Orde. Wat onverlet laat dat die Keizerlijke en Koninklijke Majesteit het op zich had genomen om die Vrije Heerlijkheid door dik en dun te beschermen.
20 Zie bijvoorbeeld R111-962
21 SvW, Inhuldiging of inauguratie, in: Gemerts Heem, jg. 47, 2005, 6-9.
22 SvW, Berouwvolle zondaars in de file, in: Gemerts Heem, jg. 2005, 19¬23.
23 R104-307/308
24 Zie Gemerts Heem 2005-04, pagina 12-18.
25 RI10-585/933
26 R111-519
27 R112-722
28 Verordening tegen het ‘taeffelen’, gedateerd 5 februari 1696, onder¬tekend door landcommandeur Van Wassenaer. Zie ook SvW, Van Tafelen en Toffelen, in: Gemerts Heem, jg. 37, 1995, 9-14. Zie ook R96-250 en R99-747, en voor de heesterroof R110-932/997.
29 Zie bijvoorbeeld R102-61 en 141
30 R158-105/108/123, 8159-49/78/215/220, R160-173/174/175, R161-37/54, R164-212.

GH-2006-03-Invloed-van-de-Duitse-Ore.pdf