GH-2003-02 Heilige Losbol vroeger patroon van Gemert-kermis

HEILIGE LOSBOL VROEGER PATROON VAN GEMERT-KERMIS

Ad Otten

De kermis stond tot ver in de eerste helft van de twintigste eeuw in heel ‘het katholieke zuiden’ in een kwaad daglicht. Met name de r.k. geestelijkheid fulmineerde fel tegen het drankgebruik, de danswoede, en het veel te vrije verkeer tussen jongens en meisjes tijdens de kermisdag(en). Eigenlijk al vanaf de Franse Tijd stelden daarom de elkaar opvolgende pastoors van Gemert diverse pogingen in het werk om de kermis te verbieden. Terwijl de kermis van oorsprong toch het feest was waarop men de ‘verjaardag’ vierde van de officiële inzegening van de plaatselijke parochiekerk. Niet voor niets is de naam ‘kermis’ ook een afgeleide van het oorspronkelijke ‘ker(k)-messe’.

Meer dan een eeuw lang probeerde de r.k.-geestelijkheid de kermis van de kalender afgevoerd te krijgen. Maar die pogingen mislukten. Zelfs in Gemert waar volgens zeggen van mijn beide opa’s toch “d’n heilige losbol van de kèrmis de patroon was.”

Als je dat zo hoort of leest ben je direct geneigd om dat gezegde te interpreteren als dat ’t er op Gimmert-kèrmis nog heel wat schandelijker aan toe ging dan elders. Maar… dat blijkt na nadere beschouwing, zoals zo vaak in de geschiedenis, toch te simpel gedacht. Tot mijn niet geringe verbazing bleek namelijk de ‘heilige losbol’ een echte heilige te zijn. Het is de wat volkser aanduiding voor de heilige Dionysius. Een martelaar en bisschop waar zelfs een heel Parijs stadsdeel naar werd vernoemd (Saint Denis). Deze Dyonisius of Denis moet door zijn beulen daar ter plaatse zijn onthoofd, waarna hij onmiddellijk zijn hoofd weer moet hebben opgeraapt en het zijn moordenaars heeft getoond alsof hij daarmee wilde zeggen van: “Vlegels, kijk nou eens wat jullie gedaan hebben….”

Bisschop Dionysius is later heilig verklaard en diens heiligenbeeld is heel gemakkelijk te herkennen. Want zijn beeltenis is die van een man, die zijn gemijterde hoofd niet op zijn romp draagt maar in zijn handen. En het is die omstandigheid die heeft geleid tot de volkse benaming van ‘heilige losbol’.

De heiligendag van St. Dionysius valt op 9 oktober en dat is nu juist de datum waarop na een door de Geuzen voorgevallen ontheiliging van de Gemertse parochiekerk, de kerk door de Roermondse bisschop Reginald Cools (in 1683) opnieuw werd ingewijd. Sedertdien is het ook zo dat op of rond de dag van 9 oktober in Gemert kermis werd gevierd. Gemert-kermis was tot in de verre omtrek de laatste kermis van het jaar. Pas ergens in de jaren twintig van de twintigste eeuw werd de kermisviering hier verschoven naar de juli-maand.

Al-met-al was in het verleden ‘de heilige losbol’ dus ècht de patroon van Gimmert-kermis! Ja, en dan herinnert iedereen zich natuurlijk ook dat het gezegde van ‘d’n heilige losbol is de patroon van Gimmert-kermis’ door mijn twee opa’s heel verschillend werd geïnterpreteerd. De een was van mening, dat dankzij ’t wakend oog van d’n heilige losbol ’t allemaal nogal meeviel met de kermis, terwijl de ander vond dat je maar beter weg kon blijven van die kermis onder het patronage van d’n heilige losbol.

Om een indruk te krijgen van het pastoorsverzet tegen het kermisvieren in Gemert in de periode van 1800-1930 volgt als bijlage hierna een letterlijke tekst uit het Registrum Memoriale Parochiae Gemertanae. Dat register werd aangelegd door pastoor-deken Petrus van Beek (pastoor van 1880-1915) maar kijkt onder de rubriek ‘kermis’ terug tot het pastoraat van Den Dubbelden (1800-1834), terwijl vanaf 1915 die rubriek in het register werd vervolgd door pastoor Lambert Poell (pastoor van 1915-1937).

Bijlage uit Parochieregister onder de kop “Kermis”:

Sedert de kerkwijding van 1683 door ZDH Reg. Cools wordt de kermis hier gevierd op zondag na het feest van de H. Dyonisius 9 october. In vroeger tijden had dit grootendeels plaats gedurende den nacht. Op het dringend en herhaald verzoek van de pastoor H. den Dubbelden (pastoor van 1800-1834-red.) is dit misbruik opgehouden. De vermakelijkheden gedurende den dag bleven echter voortduren. Wijl dit echter doorgaans met onzedige handelwijze gepaard ging tot niet geringe ergernis van menige jongeling en jonge dochter achtte de pastoor Aarts (pastoor van 1862-1880-red.) het zich een plicht ook dit misbruik zoveel mogelijk tegen te gaan. In deze poging mogt hij, nogtans niet zonder veel moeite in zooverre slagen dat in 1877 het kermishouden, wat de danspartijen betreft, genoegzaam als geëindigd kon beschouwd worden. In het jaar 1885 werd een ernstige poging tot wederinvoering gedaan door de Sociëteit die bij meerderheid van stemmen, ondanks het verzoek hen door de pastoor afzonderlijk en in het publiek tot hen gericht besloten tot het houden van een bal. Op tamelijk duidelijke wijze werd het verkeerde en lage dezer handelwijze voor gesteld. En volgend jaar was daarvan dan ook geen sprake meer.

– In 1919 gaf de Burgemeester – of de Raad aan wien hij de beslissing overgaf, verlof tot dansen óók in den avond, in café’s en danstenten. De pastoor ging voor de kermis de caféhouders die zouden laten dansen af. Niettegenstaande zijn verzoek om ’t fatsoen te bewaren werd er zelfs tot lààt gedanst. In 1920 zou de Burgemeester alleen schriftelijk verlof geven en dan ook alleen voor de café’s. In 1929 gaf de nieuwbenoemde burgemeester verlof aan die ’t vroegen voor alle kermisdagen, dus óók op Zondag. Er waren op dien Zondag zooveel vreemden dat men de Gemertschen als het ware niet zag.