GH-1999-03 De commissie tot wering van schoolverzuim

Simon van Wetten

Wacht u voor het houden van schoolwacht!

Op 7 juli 1900 werd in Nederland de leerplichtwet ingevoerd. Van de honderd leden die de Tweede Kamer destijds telde was het bekend dat er precies vijftig voor en ook vijftig tegen het wetsvoorstel waren. Stakende stemmen; dan wordt een voorstel niet aangenomen. Een verklaard tegenstander van de leerplicht viel enkele dagen voor de stemming van zijn schichtig paard, brak een been en kon niet gaan stemmen. De leerplichtwet werd met 50 tegen 49 stemmen aangenomen. Het paard werd door velen verstandiger geacht dan z’n meester…

De nieuwe wet hield onder andere in dat er in elk district een schoolopziener werd aangesteld. De hoofden der scholen gaven verzuim dat hun inziens ongeoorloofd was, door aan deze inspecteur. Die nam op zijn beurt contact op met de Commissie tot Wering van Schoolverzuim. De secretaris van dit college van brave notabelen riep dan de betrokken ouders ter verantwoording, om te beoordelen of het verzuim al dan niet “verschoonbaar” was. Daarna bracht de Commissie verslag uit aan de schoolopziener, en die bepaalde dan wat er verder nog diende te gebeuren. In het uiterste geval moest de vader of moeder voor de rechter verschijnen en dan was een boete of zelfs een gevangenisstraf niet onmogelijk.’

En zo begroetten dan op woensdag 27 maart 1901 in Gemert vijf Gemertse heren elkaar in een kamer van het gemeentehuis. Zij waren zojuist benoemd en vormden vanaf dat moment de Commissie tot Wering van Schoolverzuim. Tot voorzitter werd gekozen Th. Prinzen, H.H.J. Herpers werd secretaris, en dan waren daar nog M. van den Broek, Joh. van de Acker en Joh. Bapt. Derks als gewone leden. Vijf heren die hun taak waarschijnlijk uiterst serieus opnamen, maar die ongetwijfeld ook heel wat afgelachen hebben. Immers, de notulen van hun vergaderingen bevatten een eminente verzameling excuses. De titel van dit artikel had net zo goed “Het Grote Smoezenboek” kunnen zijn…

“Mijn jongen is al geleerd genoeg.”
“Onze knecht lijdt aan godsdienstwaanzin, hij wordt met de dag méér gevaarlijk. Daarom houden we onze jongen thuis.”
“Mijn kind hoort zeer slecht en ik ben daarom bang, dat zij door de tram aangereden zal worden.”
“Ik heb mijn vrouw meermalen op het hart gedrukt onze kinderen goed naar school te sturen. Dat het niet helpt, daar kan ik niets aan doen. Erom vechten met mijn vrouw dat wil ik toch ook niet.”
“Mijn zoon is als misdienaar meegelopen in de processie van Boekel.”
(Na twee maanden afwezigheid:) “Tandpijn.” “Omdat onze klok heeft stilgestaan.”
“We dachten dat hij van school af mocht, maar we hebben ons vergist in zijn leeftijd met een gestorven kind.” (De commissie: “Wat niet onmogelijk is, want ze hebben zestien kinderen gehad.”)
“Bang van Zwarte Piet.” (De commissie: “De vader keurt deze uitvlucht ook af en heeft de jongen inmiddels gestraft.”) “Schaatsenrijden.” (De commissie: “Maar de dooi is toch sterk ingetreden.”)

Armoede

Het waren natuurlijk niet alléén maar smoezen die onze verzuimbestrijders dienden te aanhoren. Integendeel, de bittere armoede in veel eenvoudige, Gemertse huisjes en in bedoeninkjes ver achteraf, is vrijwel tussen elke twee regels van de verslagen waarneembaar. Ouders hadden vaak geen keus. Elk dubbeltje dat verdiend kon worden, was er één. Met op school zitten kreeg je geen brood op de plank. De jongens naar het veld, de meisjes op de kleinere kinderen passen, zodat moeder naar het veld kon. Zo volgden veel kinderen slechts in de wintermaanden onderwijs. “Zodra de koeien weer op stal staan, stuur ik mijn jongen.”
Er werd niet alleen op de koeien gepast. Schapen hoeden, bij de kippen blijven, een varken gaan leveren, helpen hanen te slachten, met de geit weg, een slag van het paard gekregen, de gehele veestapel van het Brabants gemengd boerenbedrijf komt in het notulenboek voorbij. “De vader kreeg bij het laden van biggen pijn in de lendenen en toen kon hij zijn zoon niet missen.”

En dat elk dubbeltje écht telde, bewijzen mededelingen als “een dag eikels geraapt”, “wat turf halen in de Peel”, “zand halen in de Peel”, “bessen plukken”, “helpen in een kraampje op de kermis in Bakel”, “lindebloesem plukken” en (in 1935 voor het eerst) “aardbeien plukken.”
Bij dit soort redenen noteerde de secretaris grootmoedig: “Verschoonbaar.” De heren hadden wel degelijk oog voor de zeer behoeftige omstandigheden van de meeste gezinnen. Maar dat wil niet zeggen dat ze met open ogen en slungelig in elke valkuil trapten. Zo verzuchtte secretaris Herpers in 1904 zwart op wit: “De goedgezinden, die enkel een kind uit harde noodzaak thuishouden, verschijnen, en de onverschilligen blijven thuis.” Bovendien kwamen de commissieleden er al vrij snel achter, dat de Leerplichtwet rammelde: “Zooals thans de toestand is baart deze wet veel zorgen maar draagt weinig vrucht. Een gevolg daarvan is ook, dat de meesten die voor de Commissie moeten verschijnen, eenvoudig wegblijven.” En de cijfers onderschrijven dit oordeel over de wet:
In 1910 werden zes ouders opgeroepen, slecht twee verschenen.
In 1911 werden twintig ouders opgeroe-pen, de helft verscheen.
In 1912 verschenen van de acht opgeroepen ouders er drie, in 1913 kwamen vijf van de twaalf opgeroepenen, en die trend zet zich daarna voort. Een heel goed jaar was 1917, met 24 opgeroepenen waarvan er slechts drie niet kwamen, maar de domper volgde meteen in 1918 toen er maar acht van de veertig ontboden ouders verschenen.2

Leerlingen van de school in De Mortel in 1913. Links meester Claassen en rechts meester Kalkhoven.

Gewone Vergadering op Maandag 9 november 1903
Om zes uur opende de Voorzitter de vergadering, alle leden waren tegenwoordig. Acht huisvaders waren opgeroepen, een aantal dat wij nog nimmer hadden bereikt en ook niet meer hopen te bereiken. Onze verwachtingen waren dat ook hoog, zeer hoog zelfs gespannen. Dat zou nog eens werken zijn. Wij hadden dan ook den Heer Burgemeester verzocht, de gemeenteveldwachter opdracht te geven, om gedurende de vergadering op het raadhuis tegenwoordig te zijn, ten einde…. Maar, waarom nog meer; kort en goed, wij werden erg teleurgesteld, want van de acht verschenen er maar drie, zegge en schrijve drie. Het waren, zooals gewoonlijk, goedwilligen.

Werd er veel verzuimd? Ja, maar niet altijd ongeoorloofd. De Leerplichtwet voorzag namelijk in Landbouwverlof, en zo kwam de Weringscommissie in 1903 tot de volgende optelsom:
Gemert met plusminus 180 leerlingen had 101 weken Landbouwverlof en 829 ongeoorloofde verzuimen.
Handel met plusminus 70 leerlingen had 62 weken Landbouwverlof en 764 ongeoorloofde verzuimen.
Mortel met plusminus 60 leerlingen had 90 weken Landbouwverlof en 628 ongeoorloofde verzuimen.

Zwakke gezondheid

Een kind verzuimde niet alleen school omdat het op het veld ging werken of thuis moest oppassen. Dat armoede en slechte volksgezondheid nauw samenhangen, wordt dankzij de verslagen der vergaderingen van onze brave commissie óók duidelijk:
“Mijn dochtertje sukkelt nu eenmaal met de ogen.”
“Een zwerende vinger, en het gaat maar niet over.”
“De grote zwakheid van het kind.”
“Het meisje is al vanaf de geboorte ongelukkig, daardoor dikwijls onder doktershanden. Vooral in de winter bij gladheid of koude moet het daarom dikwijls verzuimen.”
“De dokter heeft verklaard dat de zwakheid van de jongen de oorzaak ervan is, dat hij 10 tot 20 keer per dag naar de waterplaats moet lopen.”
“Ziekte; het kind groeit scheef.”
“Groenten venten, dan komt die jongen voor zijn gezondheid eens flink in de buitenlucht.” “De jongen had zweertjes onder de neus, en werd daarvoor naar huis gestuurd. Toen er zalf aangesmeerd was, hield men hem een paar dagen thuis.”

Accoord. Maar een zwakke gezondheid rechtvaardigt nog niet een zwakke communicatie:
Een jongen op school: “appels plukken.” De vader: “diarrhee.”
Een jongen: “boodschappen doen.” De vader: “zwakte.”
Een jongen: “helpen op de molen.” De vader: “ziekte.”
Een jongen: “in het bosch dennenappels geraapt.” De vader: “hoofdpijn.”
Een jongen: “te lang geslapen.” De vader: “van een zoldertrap gevallen.”
Een jongen: “keelpijn.” De vader: “mankeert iets aan zijn ogen.”

Grote oorzaken, kleine gevolgen

De Commissie tot Wering van Schoolverzuim heeft vrijwel een halve eeuw gefunctioneerd, van 1901 tot 1947. De niet geringe gebeurtenissen van die periode weerspiegelen zich in de twee notulenboeken. Daar waren nationale evenementen:

Vergadering op 10 mei 1909
De voorzitter bracht bij het openen der vergadering de blijde gebeurtenis in herinnering. De geboorte van een Oranjetelg, zoo vurig afgebeden door ons gansche volk, vooreerst om het belang des lands, maar vooral ook om de liefde die wij allen ons Koningshuis toedragen, is zulk een heugelijk feit, dat op deze eerste bijeenkomst der Commissie een enthousiastisch “Leve de Koninklijke Familie” geuit moest worden.

En daar waren internationale verschrikkingen. Twee wereldbranden en de crisistijd hadden zo hun invloed op het al dan niet naar school gaan:

1916:
“Twee zonen zijn gemobiliseerd, de vader moet hier en daar wat werk gaan zoeken want de fabriek ligt stil. De leerplichtige dochters en zoon kunnen nu af en toe wat bijverdienen.”
“Ons zoontje is thuis gebleven om de drukte der soldaten die hier hun manoeuvres gemaakt hebben.”

1917:
“Mijn dochter moet boodschappen doen, want je moet er tegenwoordig vlug bij zijn om iets van de distributiear-tikelen machtig te kunnen worden.”

De jaren ’30:
Tientallen keren de opmerking: “Vader is in de werkverschaffing.” Of: “Geen klompen, geen schoenen, geen (fatsoenlijke) kleren.”
‘Als de vader uit sprokkelen gaat, moet het kind het wekelijks steungeld bij het armbestuur halen.”
“Hij hielp zijn vader op het veld. Die is vier dagen per week te werk gesteld.” “De vader is werkloos. Maar op genoemde dagen kon hij bij een boer werk vinden – de moeder moest daarbij rogge binden. Het meisje moest toen op de kleine kinderen passen.”

1939-’45:
‘Aan de school is meegedeeld, dat het kind hielp aan de kraam, die de moeder in de Peel neergezet heeft nu daar zoveel soldaten liggen.”
“Het meisje moest de vader helpen, nu de knecht in dienst was wegens de mobilisatie.”
“Een tweede kaart over het verzuim is tengevolge van de inval der Duitsers en de daarop volgende staking van het postverkeer blijven liggen.”
“Zij helpt nu in ’t kippenfokbedrijf met het schrijfwerk. Begon daarmee bij het sluiten der school door inbeslagname van de militairen.”
“De vader is voerman op Helmond. Hij had zijn paard moeten inleveren en moest dus direct een ander hebben. Daartoe ging hij op reis en toen hield hij de jongen thuis om met de vrachtwagen mee te rijden naar Helmond.”
“Naar een gevallen vliegtuig gaan kij¬ken.”
“De vader (moeder is ziek) werkt op het vliegveld, vertrekt ’s morgens om 5 uur en komt ’s avonds om 10 uur thuis.” “Naar het distributiebureau om bon¬nen.”
“Geen schoeisel.” (De commissie: “Die reden kan tegenwoordig een geldige zijn, want er worden zelfs geen klompen meer verkocht.”)
“De vader werkt in Duitsland, de moeder is ziek.”
“De vader moet op tijd leveren, op zware straf, en hij moet zelf dorsen. Zonder hulp van zijn kinderen kan hij niet aan zijn verplichting voldoen.” (10 juli 1945) “Haar vader en moeder zitten in ’t concentratiekamp Vught opgesloten. De oudste dochter doet het huishouden. Uit wraak om de verkeerde houding in oorlogstijd werd haar jonger zusje op 26 juni de haren voor straf afgeknipt. Door de hevige consternatie bleef zij die dag thuis.”

Schoolwacht houden

Maar los van alle plausibele redenen van afwezigheid op school door natio¬nale en internationale verwikkelingen, was er heel vaak ook géén reden om te verzuimen. Dan dienden onze commissieleden vast te stellen dat er sprake was van “schoolwacht houden,” van spijbelen, en dan noteerde de secretaris kordaat: niet verschoonbaar. Of: ongeoorloofd.

U mag bij de volgende selectie als zesde lid der commissie aanschuiven en oor¬delen wat nu wel en niet verschoonbaar is.

“Mijn man werkt in Duitsland, verdient daar vrij goed, maar het leven is daar zo duur dat hij weinig of niets kan sturen. Ik krijg twee kwartjes van het armbestuur, moet dus zelf uit werken gaan en dan past mijn dochter op de drie jongere kinderen.”

“De vader en moeder vertelden dat ze geen dienstbode hadden. Ze willen wel een goede huur geven, maar ze wonen ver achteraf en hebben een groot huishouden, namelijk zeven kinderen, twee redenen waarom het moeilijk is aan een dienstbode te komen.”

“De moeder haalde een menigte voorbeelden aan om te bewijzen dat de jongen niet aan zijn ouders wou gehoorzamen. Ze kreeg van ons de raad het jonge boompje te buigen.

“Het gezin woont meer dan 4 kilometer van school en de vader weet dat hij daardoor vrij uit gaat.”
“De opgeroepene gaf als reden van verzuim op: “1 keer naar Handel bidden voor de overleden moeder op de eerste verjaardag van haar overlijden.”

“Onze dochter heeft haar arm gebrand bij het helpen van één van de andere kinderen, dat de vallende ziekte heeft en gevaarlijk dicht bij de kachel gevallen was.”

“Mijn jongen is dertien jaar en hij zit nog maar in de 2e klas. Daarom heeft hij geen lust meer om naar school te komen.”

(Vader is slager) “De moeder zegt dat ze het meisje het vleesch naar de klanten laat bren-gen, want moeder kan niet alles zelf bedienen en als de vader het doet, ziet moeder geen geld.”

“Hij moest met de nieuwe knecht mee om te wijzen waar de melk voor de boterfabriek opge-haald moest worden.”

“Niet behandeld. De moeder staat boven de aarde. De vader blijft met negen kinderen zit¬ten. Nu roepen wij den man niet gaarne op.”

“De jongen moet op zijn grootmoeder passen.”

“Haar arm zweerde. Ze had een doktersverklaring gevraagd, maar de dokter moest het geval nog nazien, omdat een assistent toen zijn praktijk had waargenomen.”

“Was op klompen in de gymnastiekles. Om het geklos en om de beschadiging van de vloer in de gehuurde zaal werd de leerlinge dan naar de klas teruggezonden. Het meisje liep naar huis en bleef de hele schooltijd weg.”

Een actieve commissie

De mannen van de Weringscommissie maakten zich niet alleen maar druk over het schoolverzuim. Ze kwamen ook met goeie ideeën om de afwezigheidsper¬centages te drukken. Daar was bijvoorbeeld de campagne die tot doel had de Gemertse fabrikanten slechts dan kinderen onder de veertien jaar te laten aannemen, wanneer die aan de Leerplichtwet hadden voldaan en daarvan een bewijs konden tonen. Ook Van Thiel in Beek en Donk en de firma Raijmakers in Helmond ontvingen zo’n verzoek.

GEMERT, Januari 1902.
Aan
Heeren Fabrikanten, Werkgevers enz. in de Gemeente Gemert.
,Zooals U wellicht bekend is, mogen de kinderen voortaan de school eerst verlaten, nadat zij voldaan hebben aan zekere eischen, door de L E E R P L I IC H T W E T gesteld. Of een kind aan die eischen heeft voldaan, kan ’t best beoordeeld worden door ’t hoofd van die school, welke dat kind het laatst bezocht.
Om die reden verzoeken wij U dringend geen kind beneden VEERTIEN jaar in Uw fabriek of werkplaats toe te laten, noch in dienst te nemen, indien het niet voorzien is van een KAART, onderteekend door het hoofd der school.
Wanneer U allen aan ons beleefd verzoek voldoet, bewijst U aan de kinderen zelf een groote weldaad en bespaart tevens aan de ouders veel onaangenaamheid.

DE COMMISSIE TOT WERING VAN SCHOOLVERZUIM.

Commissielid Van den Acker hield een pleidooi om aan de gemeenteraad voor te stellen de herfstvakantie te “verleggen” en te doen vallen in de tijd, dat de aardappels gerooid werden.
Aardig is de daarop volgende verbazing die uit de notulen naar boven welt, als blijkt dat de verslagen der vergaderingen wel aan de raadsvergadering werden voorgelegd, maar nimmer voorgelezen. “Onze verslagen missen hun doel, de gemeenteraadsleden nemen er geen kennis van en er wordt in de raad niet over gesproken.” Verbazing is ook in toenemende mate waarneembaar, wanneer de commissie-leden weer eens voor een gesloten gemeentehuis hadden gestaan en er geen enkele sleutelhouder te vinden viel.

Zelfs een voortrekkersrol schuwden de Gemertse verzuimbestrijders niet. In 1904 richtten zij zich rechtstreeks tot Zijne Excellentie den Minister van Binnenlandse Zaken met een idee waardoor de administratie van het verzuim tot hoogstens één vierde van ‘thans’ zou worden teruggebracht. Bovendien wendde de commissie zich tot hun broeders in de verzuimbestrijding elders in het land, met de aansporing óók zo’n request bij de minister in te dienen.

Voortrekkers of niet, de vijf mannen van het Verzuimbestrijdingswezen hadden een eigentijdse (?) kijk op de dames der schepping:
“Een paar maal is het gebeurd, dat de gedaagde met grof geschut kwam aanzetten. Dat komt vooral voor, als de moeder het zaakje moet opknappen. Maar als haar kruit verschoten is, draait ze altijd nog wel bij en dan eerst blijkt het, hoever een mondelinge waarschuwing het wint van een schriftelijke.”

Openbaar en bijzonder onderwijs

Vóór 1921 waren de scholen in Gemert en de kerkdorpen openbaar. Slechts de school van de zusters van Nazareth viel onder het bijzonder onderwijs. Om een indruk te geven van de grootte van deze school (waarvan de zusters wat bedroefd vermeldden: “Onze school heeft geen naam.”): in het schooljaar 1908/’09 gingen er 208 leerlingen naar de dagschool, en 211 leerlingen naar de werkschool (avondcursussen). Negen leerkrachten deden hun best, de meisjes op te stuwen in de vaart der volkeren.

Verder waren er dus de openbare jongensschool in “de kom,” de scholen in De Mortel, Handel en vanaf 1921 op de Vossenberg bij Elsendorp.
In 1921 gingen de openbare scholen (op grond van de grondwetsherziening van 1917) over op het bijzonder onderwijs. Voor de commissie maakte dat ogenschijnlijk niets uit. Zij ging rustig door met het weren van schoolverzuim, en meester Vrins, hoofd van de Komschool, die al vanaf 1907 als secretaris van de commissie in zijn prachtig handschrift de verslagen schreef, zou daar nog tot halverwege 1944 mee doorgaan. In die zevenendertig jaar heeft hij heel wat Gemertenaren, van zeer divers pluimage, voor zich gehad. Zo stuitte hij in 1908 op een heuse “communist”:
“De vader kwam binnen. Onbeschoft, ruw en brutaal was het optreden van dien man. Volgens hem had hij alleen dan met de wet te maken, als de wet hem te eten gaf. De armen moeten er onder en hebben geen recht op eigen kinderen, maar hij zal ze gebruiken, als hij ze noodig heeft. En nu noemt ge – zoo zei hij – mijn optreden ongemanierd, maar ik kan dat zoo niet, ik ben maar een werkman.”
En in 1913 trad de eerste kritische moeder voor het front der commissie: “Ze had een menigte klachten over de onder-wijzeres die de klasse lesgeeft waarin haar dochtertje zat. Ze was zelfs van plan het kind helemaal niet naar de school te zenden, zoo-lang het in diezelfde klasse moest zitten.”
In 1929 verscheen er een ‘slachtoffer’ van de stemplicht in het lokaal waar de commissie zitting had: “De moeder moest gaan stemmen en het meisje op de kleine kinderen passen.” In 1930, op 11 december, stond er iemand met natte voeten in datzelfde lokaal, een slachtoffer van een kleine watersnoodramp: “De woning stond rondom in ’t water, mijn kinderen konden dus niet naar school.”
In 1939 is daar de strijdvaardige, betrokken vakbondsman, met een socialistische reden om zijn kind te laten verzuimen: “De vader was werken en geen andere jongen thuis, toen plotseling het bericht kwam, dat er een vergadering van de textielbond moest worden aangezegd.”
En langzaam maar zeker zien we de eerste voortekenen van onze eigen, minder gezagsgetrouwe tijd. De redenen van verzuim worden in de jaren ’30 wat frivoler:
“Het gaan aanpassen van een kleedje.”
“Het kind naar huis gezonden omdat de leerling korte kousen droeg. De moeder hield de jongen (!) toen waarschijnlijk uit protest thuis.”
“Uitgeslapen na de kermis.” (Vooral de kermis van 1936 schijnt héél leuk geweest te zijn, met maar liefst tien spijbelaars de volgende dag).
“Het meisje moest haar plechtige H. Communie doen. Ze is naar de kapster geweest op het door deze vastgestelde uur, dat niet door de drukte na schooltijd gesteld kon worden.”
Charmant is ook de eerste verwijzing (in 1939) naar een pijnlijke menstruatie als reden van verzuim: “De vader geeft op goede gronden aan dat het kind ziek was – ongeveer maandelijks is het een hele dag te ziek om naar school te gaan.” Dat de slotconclusie van de commissie in dit geval “geoorloofd” in plaats van “verschoonbaar” luidde, valt te billijken.

De allereerlijkste en meest verschoonbare en herkenbare reden om school te verzuimen heb ik voor het laatst bewaard: “De jongen had zijn boekje onderweg verloren. Hij was te lang blijven zoeken en durfde toen niet meer naar school.”

De laatste vergadering van de Commissie tot Wering van Schoolverzuim staat aangekondigd voor 18 juni 1947. Het bleef in dit geval bij de aankondiging, een verslag staat er niet onder. De invoering van een nieuwe Leerplichtwet maakte een einde aan de regelmatige bijeenkomsten van vijf trouw aanwezige, verzuimbestrijdende mannen…

Verantwoording

Alle gegevens zijn geput uit de twee notulenboeken van de Commissie tot wering van schoolverzuim. Het eerste boek bevat de notulen en brieven van 1901 tot 1910, het tweede boek omvat de periode 1910-1947.
Ik heb ervoor gekozen alle namen van opgeroepen ouders te vervangen door aanduidingen als “de vader” en “de moeder,” omdat ik niet kan inschatten hoe gevoelig de materie ligt bij mensen die met dezelfde (vaak typisch Gemertse) namen rondlopen als de overtreders van destijds. Op de eventuele insinuatie van sommige lezers die menen dat de Van Wettens er zelf nogal eens in voorkomen, kan ik met gepaste trots zeggen: “Dat klopt.” Zowel mijn overgrootvader als mijn opa zijn meerdere malen op het matje van de commissie geroepen: “Buiten weten van de vader om heeft de jongen (mijn ome Theo van Wetten) zijn 79-jarige grootvader geholpen bij het lossen van steenkolen.”
Nieuwsgierig geworden? De boeken zijn in het bezit van de Heemkundekring en liggen elke woensdagavond op de Heemkamer ter inzage.

NOTEN:

1 In de periode 1902-1906 bijvoorbeeld werden in Gemert acht ouders daadwerkelijk veroordeeld wegens het zondigen tegen de Leerplichtwet.
2. Vanaf 1915 werd het aantal opgeroepen ouders ogenschijnlijk groter, maar dat kwam door het feit dat vanaf dat jaar beide ouders voor de commissie gedaagd werden.

Zie PDF