GH-1999-01 Gemerts Dialect

Wim Vos

(vervolg woordenlijst Riek Jonkers van der Putten)

ge` dwasse
O geen ev/mv: manieren van doen. Reeds Pastoor L. Poell noteerde in 1923: án de gedwasse te zien: naar iemands manier van doen te oordelen. Án de gedwasse te zien, hét ie maer as skôn wátter gehat: zo te zien is hij dronken 5. Een merkwaardig woord dat echter lang na Poells tijd nog blijkt voort te leven in de herinnering van Riek Jonkers en Mevr. Van Kilsdonk (wier moeder het vaak gebruikte). Rieks voorbeeld was ongeveer: Z’ne vowd dî zîr en dûr de gedwasse diet ie mákte, liejt ie de zien: aan zijn manier van lopen liet hij merken dat zijn voet pijn deed.
[Het zou leuk zijn als we de herkomst van het woord zouden kunnen achterhalen. Gelukkig kwam Piet Vos, redacteur van het Woordenboek van de Brabantse Dialecten, mij te hulp met een verwijzing naar het WNT, waar onder ‘gedwaas’ verteld wordt dat het een onzijdig zelfstandig naamwoord is en dat het meervoud niet voorkomt in het Nederlands (in het Gemerts kennelijk wel). Over de herkomst wordt gezegd dat het een afleiding is van ‘dwaas’, een bijvoeglijk naamwoord, in de verouderde betekenis van ‘bedrieglijk’, met het voorvoegsel ‘ge ‘. In het Middelnederlands betekende ‘gedwas’ : ‘bedrieglijk beeld, spookbedrog, veroorzaakt door bovennatuurlijke wezens, in het bijzonder de duivel of alven’ (:natuurgeesten, boze geesten) 6.
De suggestie van ‘bedrog, een bedrieglijke manier van doen’ is niet geheel verdwenen uit de Gemertse betekenis. In de voorbeelden van zowel Poell als van Riek Jonkers 7 blijft de mogelijkheid open dat we te doen hebben met iemand die zich aanstelt.]
géést
m ev/geen mv: gist. Haj lûpt ôf ie géést in z’m boks hé: hij loopt heel vlug.
ge’laojve
WW: geloven (overg.) (ook ironisch). Ik chelaojf niks mîr, ik chelaojv ’t wél vôrt. (Ik heb dit zelf ook eens gehoord van iemand die wat moeite had met de veranderingen in de kerk).
ge’ nooj
v ev/geen mv: verlichting van pijn [vgl. genade]. De gîft évvel veul genooj: dat helpt, dat geeft me veel verlichting (van pijn).
ger” déng
v ev/mv -e: gordijn. Dees gerdéng is vôl: dit gordijn is vuil. De gerdénge zen kepôt.
geskam’ peert
volt dlw/bn: aangekleed? onteerd, gesmaad, gehoond? Haj stî geskampeert fèrrech (klaor): (hij staat kant en klaar, gereed om te vertrekken, bv. al aangekleed, volgens Riek).
Het is ons een raadsel wat het woord precies betekent en waar het vandaan komt.
Je zou kunnen denken aan ‘chambreren’ van wijn, ‘gechambreerd’ betekent ‘op temperatuur gebracht’, dus klaar om te drinken. Weijnen 8 geeft ‘schamatere, skametere, sjammetere: wegmoffelen, ontleend aan het Franse ‘escamoter ‘ : ontfutselen of het Spaanse ‘escamotear’ : wegmoffelen, maar dat brengt ons ook niet veel verder.
Dr. J Verdam geeft voor het Middelnederlands een vorm ‘schampéren’, met dezelfde betekenis als ‘schamféren’, een werkwoord dat smaden, honen, onteren betekent, waarschijnlijk ontstaan door versmelting van ‘schampen’ (of ‘schimpen’) met ‘schofferen’ uit het Oudfrans ‘desconfire’ 1. Hal’ stî geskampeert fèrrech zou dan zoiets betekenen als: hij staat klaar om te vertrekken, met smaad overladen.
Maar misschien herinnert Riek zich een verbasterde vorm van het woord en zitten we er ver naast. Wie van onze lezers kan ons opheldering verschaffen?]
gîst
m ev/mv -e: geest. Hédde ’t ovver de gîst, dan ziedde de bîst. (de bîst, niet ’t bîst, want bîst is v in het Gemerts): als men van de duivel spreekt, trapt men op zijn staart, als men over iemand praat die afwezig is, zul je altijd zien dat hij net binnenkomt.
goonze (geunze)
WW: zuchten (van koeien op stal, ook van mensen, zuchten van genoegen als iets lekker smaakt, of als men lekker ligt). (Vgl. Deurnes ‘geungze’ 10). Riek geeft twee uitspraakmogelijkheden.
grontfèrf
m ev/geen mv: grondverf. Ze stî in de grontfèrf: ze heeft zich zwaar opgemaakt. Oud zal het gezegde wel niet zijn, maar het getuigt wel van de vitaliteit van het dialect.
haos
m ev/mv haos: haas. Die wît wôr d’n haos hûkt: die weet er het fijne van, die weet van wanten.
hèèntje
o ev verkl: 1. handje. 2. oplawaai, klap. Iemmez ’n hèèntje verkôôpe: iemand een klap geven.
hange
ww (hééngt, hong, gehange): hangen. Als iemand erg nieuwsgierig was en bv. vroeg: Wôr iz onze Jan? kreeg hij als dooddoener te horen: Die hééngt ‘r án, èn as ie d’rav is, mödde gaj d’ran (met een toespeling op borstvoeding).
hannekege` lòch
o ev/geen mv: ingewanden van een kip of haan. In het GWB staat: hénnekege `mòch: maag van een varken (bij de slacht) 11.
De l in Rieks woord kan misschien een volksetymologische verbastering zijn naar analogie van án-gelòch (:huisakker).
De Bont heeft: ‘hannekemok’ : “maag van een varken. Het hannekemok hangt in een geruit net van vet” 12 Martien van der Wijst en ik dachten ook dat het woord ‘varkensmaag’ betekende, in die mening nog gesterkt door het Lieshoutse ‘hennekegemóg’ 13
Kan iemand van onze lezers zeggen of de bredere betekenis ‘ingewanden van kip of haan’ ook voorkwam in Gemert?
heen
v ev/mv hénne: kip. Ge zôt ‘r de hénne van te bét légge èn gôn zèèlf ob de stòk sitte: (uitroep van verbazing) ’t is me toch wat! Vraag aan de lezers: kan ob de hoort i.p.v. ob de stok ook?
hénnegat
o ev/geen mv verkl-gètje: kippenkont. Als schertsend antwoord op de vraag: Hoe laot iz ‘t? hoort men wel: Kwart ovver ’t heénegat ‘, maar volgens Riek ook: Ketiejr ovver ’t hénnegat, tejt um d’n haon te mèlke.
hommech
bn: bn: verwaand, zelfbewust, voldoende gevoel van eigenwaarde hebbend. Dit woord heb ik als eens eerder genoteerd uit de mond van WJ Delisse v.d. Bergh, die als voorbeeld gaf: Ons Ketô is hommech chenôch: die gî nie mî d’n ürsten d’m bééste mee (:de eerste de beste, maar ongewenste vrijer) 15
kaoj
bn (attributief, vergr tr kôjer, overtr tr kôjst): slecht. Bitter ‘ne kòje lôôp (lòwp) az ‘ne kôje kôôp (kôwp): beter een keer voor niets naar de winkel, dan iets kopen dat naderhand niet blijkt te deugen.
kaoter
m ev/mv -s: kater. Ge hét seeker de vètte kaoter z’ng kont chelèkt (tegen iemand die veel dorst had).
kat
v ev/mv -te: kat. Katten èn wees moette taojz bliejve, mannen èn hoont maoke de roont.
ke’ pèèl
v ev/mv kepèlle verkl kepèlleke: kapel. ‘r Is chîn aen aaw kepèlleke òv ‘r wort nòch wél ’s e miz in gelaeze: ook oude vrouwen bedrijven de liefde nog wel eens.
ker’wèl
v ev/geen mv: ruzie, onenigheid, twist, heibel. [Fr. querelle: twist 16] Ze han daor aalt kerwèl.
klaever
m ev/geen mv: klaver. Van de klaever nô de hèèj gôn: in zijn zaken achteruitgaan.
klètskèp
m ev/mv -pe: kletskop [<Hd. Glatzkopf] ’t Is màr ‘ng kaal bedoenneng èn haj téélde de klètskòppe van brullefts-chaste (woordspelling op kaal: ‘armoedig’ en kaal: ‘kaalhoofdig’)
kloot
m ev/mv -e: teelbal (voor de andere betekenissen zie GWB 17). Deze betekenis kwam vroeger zelden voor. Haj hé gîn klôôte betekende dus niet dat iemand een vreselijk ongeluk overkomen was, maar slechts: hij heeft helemaal niets, hij is straatarm, zodat zelfs gezegd kon worden: Zaj hé gîn klôôte.
Niet iedereen was natuurlijk zo onschuldig, vandaar misschien het dubbelzinnige grapje: Ons jonges hébbe goej lulle, már ons dûrskes hébbe gîn klôôte: (ogenschijnlijk:) de jongens hebben mooi praten, maar de meisjes hebben helemaal niets.
Taalkundig rammelt het grapje m.i. want lulle moet hier in de onschuldige betekenis een werkwoord zijn en dan moet goej als bijwoord gowt zijn in het Gemerts, maar gowt past weer niet bij lulle als zelfstandig naamwoord in de betekenis van ‘penis’. In het Gemerts is goej uitsluitend een bijvoeglijk naamwoord.
knòl
v ev/mv -le: knol.
Tík tak tôl
D’m bowr die ha ’n knòl
Die knòl die wás sô haet
Dè dm bowr ‘rvan in z’m boks skeet.
koeve’ reere
ww: herstellen (van een ziekte), opknappen. Haj is wîr gekoevereert: hij is weer opgeknapt. [Moeten we hier denken aan een verbastering van het Franse ‘recouvrer’ dat o.a. ‘herkrijgen’, ‘terugbekomen’ betekent? Vgl. het Engelse ‘to recover’: ‘herstellen’ dat teruggaat op het Anglo Normandische ‘recoverer’].
kòp
m ev/mv -pe verkl köpke: hoofd. De kòp moed de kont ferkôôpe; ook wel: ’t köpke moet ’t kuntje verkôôpe: als je knap bent, kom je wel aan een vrijer.
kraajge
m ev/mv -s verkl -entje: kruiwagen. ’t Kömt ‘r mî de kraajgen in èn ’t chît ‘r mî de èrtkaar aojt: er wordt daar meer uitgegeven dan er verdiend wordt.
krééjte
ww: kreiten, plagen, tergen, sarren. As che nie ophawt mî krééjte, kriedde sebiet ’n drèèj um ow ôrre.
krééjte’ rééj
v ev/geen mv: kreiterij, plagerij. Dè dît ie aojt krééjterééj.
kwattastrôjsel
o ev/geen mv: chocoladehagelslag, chocoladestrooisel.
lichmiskárske
o ev/mv -s: kaarsje opgestoken in de kerk op 2 februari op het feest van Maria Lichtmis als het bezoek van Maria aan de tempel na haar bevalling wordt herdacht. Gezegde: Az de lichmiskárskes zén gewèèjt, zén de küskes fan de dôôd bevrèèjt: op deze datum viel bij de Romeinen het einde van de echte winterperiode en was voor oudere mensen en dieren de gevaarlijkste tijd voorbij 18
lievverkükskes
o mv/geen mv: lieverkoekjes. Alleen in de zegswijze: Lievverkükskes wôrren ‘r in D’m Bos chebákke: lieverkoekjes worden hier niet gebakken (als kinderen zeggen: “Ik heb liever . ..”)
mèrt
v ev/mv -e: markt (met kramen). Op ’t skèèje van de mèrt: op het laatste nippertje. In het Nederlands kennen we de uitdrukking: ‘Bij het scheiden van de markt leert men de kooplui kennen’: iemands ware karakter blijkt eerst, als het tot afrekenen komt, als het erop aankomt 19
mölder
m ev/mv -s: molenaar. Als iemand het met een ander oneens was, zei men: De zal ow Gòt en de mölder már loate skèèje.
mölk
o/v ev/geen mv: karnemelk. Over het genus van dit woord heb ik al eens iets geschreven in het GWB 20. Mî d’n dieje gôdde ôk chîn mölk haole: die laat niet met zich spotten.
Noten:
5. Lambert Poeli, ‘Gemertsch Gemrnerts, In: Officiëel Kerkbericht van de kerken der Parochie van Sint Jans Onthoofding te Gemert (bijvoegsel v/h “Zondagsblad voor het Katholieke Huisgezin”), 1923, nr. 1.
6. Woordenboek der Nederlandsche Taal, p654, s.v. gedwaas. Zie ook: Dr. J. Verdam: Middelnederlandsch Woordenboek, p. 1090, sv. gedwas.
7. Mededeling Riek Jonkers v.d. Putten d.d. 21 mei 1991 en 11 januari 1993.
8. Prof.dr. A.A. Weijnen, Etymologisch dialectwoordenboek, Assen, 1996, p. 169.
9. Zie Dr. J. Verdam, p. 298 en 291.
10. Hans van Hoek (Deurne), p52, sv. geungze.
11.GWB, p.72, s.v. hénnekeg`mòch.
12. De Bont, Voc., P. 22 1 sv. hanekemok (in fonetisch schrift dat hier en elders in dit artikel helaas niet weergegeven kan worden).
13. Werkgroep Dialecten: In en urn de boerdereij, Lieshout, 1992, p43.
14. GWB, p72, s.v. hénnegat 2.
15. WJ. Vos, ‘Gemerts Dialect’ (n.a.v. woordenlijst van Mevr. WJ. Delisse v.d. Bergh, 1982); Gemerts Heem, jg. 26 (1984), nr. 1, p. 24 – 30).
16. De Bont, Voc., p294, s.v. kerwäl: “Het woord kerwel = onenigheid, twist wordt als Peellands opgegeven door August Sassen in de Noordbr. Almanak 1892, blz. 732. Vgl. nogWNT sv. querel, 4…”
17. GWB, p86, sv. klôôt.
18. Drs. H. Mandos & M.Mandos van de Pol: De Brabantse Spreekwoorden. Uitdrukkingen in Brabant gebruikt en opgetekend. Waalre, 1992, 3e dr., p347.
19. Van Dale, p. 1769, s.v. markt.
20. GWB, p.l 1 1, s.v. mölk.