GH- 2018-01 Van Rochushuis tot Hyteps

Elisabethplaats 30 in Gemert (1848-2017)

Simon van Wetten

Er is een prachtig buukske uitgekomen, geschreven door Ad Otten en Jeanine Peeters, geredigeerd door Rob de Haas. Uitgangspunt is het Rochushuis, dat u nog kent als de Wereldwinkel. Ooit maakte dat Rochushuis deel uit van het Gasthuiscomplex aan de Nieuwstraat, de markante rij van gebouwen met – ter hoogte van het kruispunt met de Ruijschenberghstraat- Virmundtstraat – de uit de rooilijn weglopende straatwand. Heel lang is het straatbeeld in het centrum van het dorp gedomineerd door dit monumentale geheel. Eeuwig zonde dat het aan de sloophamer ten prooi is gevallen. Zo niet het Rochushuis. Het staat er nog steeds en is recentelijk gekocht door Jorlan Peeters, die er zijn high-tech bedrijf HyTEPS in heeft gevestigd.

In het boekje vormt het Rochushuis weliswaar de draaicirkel, maar in die draaiing passeren we het Oudemannenhuis van Maria Lievens, zijn we in 1874 aanwezig bij de eerste steenlegging van het Gasthuis, en we wonen het aangaan van een overeenkomst bij tussen het Armbestuur en de “Vereeniging van Vrouwen”, waardoor de zusters Franciscanessen uit het klooster Nazareth zich gaan bemoeien met de verzorging van oude mannen, vrouwen en andere hulpbehoevenden. De uitbreiding van het Gasthuis met “Het Hoedje” leidt naar de volgende stap: de bouw van het Rochushuis in 1905-1906. Vervolgens wordt het straatbeeld ook nog verrijkt met een kapel en in de nis wordt een prachtig beeld van Elisabeth van Thuringen geplaatst. Vele jaren ziet zij neer op de bedrijvigheid in de Nieuwstraat, niet uit hooghartigheid, maar puur standplaatsgebonden. Sinds haar komst spreken de Gemertenaren, mits zij niet teveel haast hebben, ook wel van het R.K. Sint-Elisabethgasthuis. De auteurs leiden ons niet alleen door de Gemertse straat en door de gebouwen van het Gasthuis, zij leiden ons ook door ruim anderhalve eeuw Gemerts wel en wee, vooral het wel en wee van de ouden van dagen. Pastoor Poell maakt zijn opwachting. Hij vindt dat het Sint-Elisabethgasthuis dient uit te groeien tot een echt ziekenhuis. Hij regelt een operatiekamerfonds, en na flink wat verbouwingen en aanpassingen is er vanaf 1935 sprake van een Ziekenhuis van Gemert met een polikliniek, een kraamkliniek en een verpleeghuis.

Terug naar het Rochushuis: daar wordt in een kamer een mortuarium gerealiseerd, want ondanks de aanwezigheid van een ziekenhuis gaan er toch Gemertenaren dood. Na de oorlog huurt het Wit-Gele Kruis het gebouw van het Armbestuur en richt het in als wijkgebouw. Intussen rijgen de kostelijke anekdotes zich aaneen. De schurftbestrijding, de “duizend baby’s van tegenover”, de verhuisperikelen bij het betrekken van het nieuwe bejaardenhuis aan de Kapelaanstraat in 1970, de wonderlijke tocht van het beeld van Sint Elisabeth, de komst van de gemeentelijke afdeling “Sociale Zaken” naar het Rochushuis, de open zandvlakte midden in het dorp, ontstaan na de betreurde sloop van het Gasthuis, weekblad “De Streek” dat Sociale Zaken in het Rochushuis opvolgt, de leden van jeugdsoos Dixie die de zolder bevolken en uiteindelijk de komst van de Wereldwinkel, die er een op het lijf geschreven onderkomen vindt.

“Van Rochushuis tot Hyteps” biedt je de mogelijkheid om, cirkelend in en om het gebied tussen Nieuwstraat, Haageik, Haag en Ruijschenberghstraat, een afgebakend stukje Gemert van nog niet zo lang geleden te verkennen. Desalniettemin betreed je bij het lezen een andere wereld. Want het Gemert van weleer is niet het Gemert van nu. Gelukkig hebben we, bij de vraag hoe het ook alweer was, een steun- en herkenningspunt dankzij het Rochushuis. Én we hebben nu dit fraaie boekje. Ik zou het kopen en koesteren, als ik u was.

Het boekje Van Rochushuis tot Hyteps” is voor €7,50 te koop op de Heemkamer of bij het gemeentearchief.

GH-2018-01-Van-Rochushuis-tot-Hyteps.pdf

GH-1983-01 Over twee tuitpotten en een afvalkuil

Jan Tinmers

Tijdens het schoonnaken van een van de twee kelders in de verbouwde boerderi j De Brauwe Kei werden scherven aangetroffen van een geglazuurde pot van rood aardewerk De scherven bleken afkonstig van een zogenaamde tuitpot 1) die in de keldervloer ingemetseld was om dienst te doen als schrobpot. De pot was vastgezet met behulp van kalkmortel, terwijl de rest van de keldervloer bestaat uit bakstenen die zonder mortel op het gele zand liggen. Alleen scherven van de bodem van de pot en van de zijde die tegen de muur van de kelder zat, zíjn overgebleven, de rest is verdwenen, naar alle waarschijnlijkheid tijdens het leeghalen van de kelder, die jarenlang dienst deed als opslagplaats voor aardappelen en later steenkool. Gezien de beschadigingen met name aan de de ontlerkant van de pot kan gekonkludeerd worden dat de pot  al diverse jaren in gebruik was voordat hij als schrobpot werd begraven.

Hoe oud is deze pot nu? We verkeren in de gelukkige omstandigheid dat in 198o te Nijmegen een soortgelijke pot werd aangetroffen (1), die gedateerd werd in de tweede helft van de 17e eeuw. De breedte van de pot uit Niimegen bedraagt 26,1 cm.. De pot uit De Blauwe Kei is groter (breedte ca’ 33 cm). Beide potten zijn aan de binnenzijde voorzien van lood-glazuur. Aan de buitenzijde is dit alleen het geval met het bovenste gedeelte waar bovendien gele slibversiering is aangebracht. Gezien de overeenkomst tussen de twee potten lijkt het gerechtvaardigd onze pot eveneens te dateren in de tweede helft van de 17e eeuw, eventueel iets vroeger of later. De bouw van De Blauwe Kei wordt in het algemeen geplaatst in het jaar 1734, omdat muurankers in de topgevel dat jaartal aangeven. Nu zeggen muurankers in verband met het bouwjaar ook niet alles, máar de vondst van de tuitpot maakt dit jaartal toch een stuk zekerder. De tuitpot is dan waarschijnlijk te dateren in het eerste kwart van de 18de eeuw.

ToevalligerwiF werd er onlangs in Genert nog een tweêde tuit_pot aangetroffen, die qua vorn en versiering grote gelijkenisvertoont met de al genoenden (fig. 2). Alleàn het bovenstegedeelte is g€vonden en de breedte bedraagt ca. 26 cn. Dezetuitpotrof liever fragrnenten ervan, rnaaktei deel uit van eenveel groter aantal scherven die de heenkundekring onlangskreeg aangeboden van Willen Vos. Willen verzanelde de scher_ven uit het zand dat afkomstig was uit een sleuf die werk_nemers van de pNEM aan het graven waren in de Haag. Hij heeftalleen de Íneest in het oog springende scherven opgeraaptover een afstand van 2 à 3 neter. Het aantal scherven is àogroot dat Ínet zekerheid gesproken kan worden van eên afval_\11] waar de sleuf blilkbaar dwars doorheen gegaan is. Hope_lijk rr’or dt ons in de toekonst de rnogelijkhàià geboden orn derest van de afvalput aan een nader onderáoek te onderwerpen.li8, 1 tuitpot uit Dê Blaure Kêi.

Het materiaal voor zover het nu voorhanden is, is te fragmentarisch om het te reconstrueren en te dateren, maar het lijkt op het eerste gezicht materiaal uit de 18de eeuw. Een klein aantal scherven kan eventueel uit de 17de eeuw stammen. Behalve rood aardewerk komt ook steengoed voor uit Raeren en het Westerwald. Verder vallen een tweetal pijpekoppenop die getlateercl kunnen worden in 1720 respektievelijk 175o (2). Bovendien bevonden zich in het kistje met scherven een negental geglazuurde kogels of knikkers. In een artikel over de opgraving bij de latijnse school werd dieper ingegaan op dit soort voorwerpen (3), waarvan we de funktie tot op heden niet definitief konden achterhalen. Dat het om echte kogels gaat lijkt uitgesloten. Hoe zou zo’n grote hoeveelheid kogels immers terechtkomen in een beerput in de Haag?

NOTEN:(1) Van huisvuil tot museumstuk, catalogus Nijmeegs Museum Commanderie van St. Jan, 1981, catalogusnummer. 20

(2) Voor de methode van datering zie: F.H.W. Friedrich, Pijpelogie, A.W.N.  monografie no. 2′ Voorburg 1975.

(3) J. Timmers, De opgraving bij de Latijnse School (4),  een schoen en andere bijzondere vondsten, Gemerts Heem. jrg. 24, nr. 2, blz.41

1.-Gemerts-Heem-1983-1-Over-twee-tuitpotten-en-een-afvalkuil.pdf

Heemavond: Jan Timmers over Geowiki

Heemavond 24 april 20:00 uur in de Heemkamer

 

Op de Heemavond van woensdag 24 april van 20.00 tot 22.00 uur, zal Jan Timmers uitleg geven over het gebruik van “Erfgoedgeowiki”.

Dit is een website gekoppeld aan een app op je telefoon.

Via de app kun je al wandelend informatie opvragen over het erfgoed ter plaatse.

Niet alleen binnen het dorp maar ook in het buitengebied, in heel Zuid-Oost Brabant.

Breng je telefoon of tablet mee naar de Heemkamer van Heemkundekring “De Kommanderij Gemert”aan de Ruijschenberhstraat 3b in Gemert en laat je verrassen door de vele gebruiksmogelijkheden van “Erfgoedgeowiki”.

Onze heemavond van 27-maart was weer heel gezellig.

Er is op groot scherm uitleg gegeven hoe je foto’s kunt bekijken via Brabant Erfgoed.

Na de zomerstop brengen wij u op de hoogte hoe we verder gaan.

Wat ons betreft een fijne zomer en graag tot ziens.

Gemertse verhalen

Eindhovens Dagblad 10 december 2018

Geschiedenis van Gemert vastgelegd in verhalentafel

GEMERT – Twee jaar zijn leden van Heemkundekring De Kommanderij ermee bezig geweest: het realiseren van een verhalentafel in de bibliotheek. Zondagochtend werd de verhalentafel, een groot uitgevallen touchscreen met daarop allerlei foto’s en filmpjes uit de geschiedenis van Gemert-Bakel, officieel gepresenteerd.

Met de verhalentafel hoopt de heemkundekring persoonlijke verhalen over de geschiedenis van het dorp op te rakelen. ,,Zet een paar bejaarden rondom een scherm met foto’s en de verhalen komen los. Ik mag dat zeggen, want ik behoor zelf tot de doelgroep”, zegt initiatiefneemster Susan Fransen met de nodige zelfspot. 

Tovertafel

In 2016 kwam Fransen, voormalig directeur van Bibliotheek De Lage Beemden, in de Helmondse bibliotheek in aanraking met hun ‘tovertafel’. ,,Daar kon je door je bibliotheekpasje te scannen informatie krijgen over de geschiedenis van je straat. Een mooie combinatie van techniek en geschiedenis die ik ook graag naar Gemert wilde brengen.” Zo gezegd, zo gedaan. Binnen een mum van tijd had Fransen de benodigde 10.000 euro bij elkaar en ontstond er een samenwerking tussen de heemkundekring, bibliotheek, VVV en de KBO.

Twee jaar van plannen maken en voorbereiden volgden. ,,Er moest wel iets komen te staan dat ook echt zou werken. Niemand heeft er iets aan als er een dure tafel komt die in een hoekje staat te verstoffen”, zegt Geertje Gloudemans, programmeur van de bibliotheek. ,,Het belangrijkste is voor ons de interactie tussen jong en oud. De tafel roept verhalen op bij ouderen, maar sluit qua gebruiksgemak weer heel goed aan bij de jongere generatie. Hoe mooi zou het zijn als opa’s en oma’s straks met hun kleinkinderen met de tafel gaan werken?”, aldus Gloudemans.

De tafel roept verhalen op bij ouderen, maar sluit qua gebruiksge­mak weer heel goed aan bij de jongere generatie.

Geertje Gloudemans, programmeur bibliotheek

De heemkundekring heeft de tafel gevuld met informatie over belangrijke gebouwen, straten en personen uit de geschiedenis van het dorp én informatie over vier thema’s: verliefd, verloofd, getrouwd, het kerkelijk leven, het kind zijn en het huishouden. ,,Denk bijvoorbeeld aan een foto van een kolenkit. Er is geen kind die nog weet wat dat is. Zo kunnen we meteen het verhaal vertellen over hoe je vroeger je huis verwarmde”, zegt Fransen.

Eindeloos

Gebruikers kunnen op de tafel allerlei informatie vinden over vroeger, maar dat is zeker niet het belangrijkste. ,,We hopen ook juist de geschiedenis op te rakelen en vast te leggen. De verhalen die mensen bij de foto’s vertellen willen we bewaren voor de toekomst”, aldus Fransen. Hiervoor gaat de heemkundekring vier keer per jaar een bijeenkomst organiseren waarbij altijd een ‘schrijver’ aanwezig is om de verhalen te noteren. De heemkundekring hoopt zo nog veel meer informatie te krijgen over de geschiedenis van Gemert.

De komende jaren zal de verhalentafel worden aangevuld met nieuw beeldmateriaal. ,,Mensen kunnen ook foto’s en filmpjes bij ons indienen voor op de tafel. Zo zouden we bijvoorbeeld ook het archief van de carnavalsvereniging of Omroep Centraal erop kunnen zetten. De mogelijkheden zijn eindeloos”, vindt Fransen. De bibliotheek onderzoekt nog of de tafel in de toekomst ook als ‘smartboard’ kan worden ingezet voor andere doeleinden, zoals bij het Taalcafé.

De mogelijkhe­den zijn eindeloos.

Susan Fransen, initiatiefneemster verhalentafel

De verhalentafel is tijdens de openingstijden van de bibliotheek te gebruiken. Vrijwilligers van het Digipunt geven zo nodig technische uitleg. De eerste verhalentafelbijeenkomst is op woensdag 13 februari van 10.00 tot 12.00 uur in De Eendracht.

 

Extra Ledenvergadering

19 juni 2018

    Beste leden,

Het bestuur heeft een ANBI-status aangevraagd. Om deze status te verkrijgen is het nodig om de statuten te wijzigen. Om de statuten te wijzigen zijn twee ledenvergaderingen nodig. Vandaar deze oproep: eerste algemene ledenvergadering vrijdag 2 maart 2018, 20.00 uur, op de Heemkamer. Enige agendapunt: Voorstel statutenwijziging Heemkundekring De Kommanderij Gemert. (zie hieronder: tekst ‘ANBI tekst statutenwijziging ledenvergadering’)
Voor de duidelijkheid: de (tweede) algemene ledenvergadering met een uitgebreide agenda en muziek na de pauze blijft gewoon staan op dinsdag 27 maart bij Dientje.

Toelichting: de statutenwijziging dient bij eerste vergadering met 2/3 meerderheid te worden besloten met een opkomst van minimaal de helft van de leden. Omdat het bestuur niet dit aantal op de jaarvergadering van maart 2018 verwacht is er een extra ledenvergadering op 2 maart 2018 als formaliteit. Het voorstel zal nogmaals op de agenda komen van de jaarvergadering. Dan volstaat enkel een 2/3 meerderheid van stemmen zonder de opkomst-voorwaarde.

ANBI tekst statutenwijziging ledenvergadering:

Tot 2012 hadden zowel de Heemkundekring als stichting Laurentius Torrentinus fiscaal een ANBI-status. ANBI staat voor Algemeen Nut Beogende Instellingen (zoals Greenpeace en het Rode Kruis) en met deze status worden schenkingen (en verervingen) fiscaal gunstig behandeld, vooral bij de schenker maar ook bij de ontvanger. Door gewijzigde wetgeving is destijds de status vervallen. Om deze status opnieuw te verwerven is een kleine statutenwijziging nodig. Noodzakelijk is namelijk dat als of de vereniging of de stichting wordt opgeheven, de overblijvende (geld)middelen naar een vereniging of stichting gaan met ook een ANBI-status. Nu is het statutair bepaald dat als stichting Laurentius Torrentinus wordt opgeheven het restant naar de Heemkundekring gaat, en als deze wordt opgeheven dit naar een instelling met dezelfde doelstelling gaat. Deze liquidatiebepaling wordt voor beide aangevuld met de eis dat de instelling die de middelen bij opheffing verwerft de ANBI-status heeft. Uiteraard blijft statutair bepaald dat resterende middelen bij liquidatie gaan naar een instelling met een zelfde doelstelling als de Heemkundekring. Na het definitief verkrijgen van de ANBI-status zullen in Heemberichten de fiscale mogelijkheden nader worden toegelicht.

Woordelijk wordt de liquidatiebepaling (artikel 19, lid 2) van de vereniging als volgt:

‘In het besluit tot ontbinding wordt tevens bepaald dat een batig liquidatiesaldo wordt besteed ten behoeve van een algemeen nut beogende instelling met een gelijksoortige doelstelling of van een buitenlandse instelling die uitsluitend of nagenoeg uitsluitend het algemeen nut beoogt en die een soortgelijke doelstelling heeft.’

 
 
 

GH-1999-03 De commissie tot wering van schoolverzuim

Simon van Wetten

Wacht u voor het houden van schoolwacht!

Op 7 juli 1900 werd in Nederland de leerplichtwet ingevoerd. Van de honderd leden die de Tweede Kamer destijds telde was het bekend dat er precies vijftig voor en ook vijftig tegen het wetsvoorstel waren. Stakende stemmen; dan wordt een voorstel niet aangenomen. Een verklaard tegenstander van de leerplicht viel enkele dagen voor de stemming van zijn schichtig paard, brak een been en kon niet gaan stemmen. De leerplichtwet werd met 50 tegen 49 stemmen aangenomen. Het paard werd door velen verstandiger geacht dan z’n meester…

De nieuwe wet hield onder andere in dat er in elk district een schoolopziener werd aangesteld. De hoofden der scholen gaven verzuim dat hun inziens ongeoorloofd was, door aan deze inspecteur. Die nam op zijn beurt contact op met de Commissie tot Wering van Schoolverzuim. De secretaris van dit college van brave notabelen riep dan de betrokken ouders ter verantwoording, om te beoordelen of het verzuim al dan niet “verschoonbaar” was. Daarna bracht de Commissie verslag uit aan de schoolopziener, en die bepaalde dan wat er verder nog diende te gebeuren. In het uiterste geval moest de vader of moeder voor de rechter verschijnen en dan was een boete of zelfs een gevangenisstraf niet onmogelijk.’

En zo begroetten dan op woensdag 27 maart 1901 in Gemert vijf Gemertse heren elkaar in een kamer van het gemeentehuis. Zij waren zojuist benoemd en vormden vanaf dat moment de Commissie tot Wering van Schoolverzuim. Tot voorzitter werd gekozen Th. Prinzen, H.H.J. Herpers werd secretaris, en dan waren daar nog M. van den Broek, Joh. van de Acker en Joh. Bapt. Derks als gewone leden. Vijf heren die hun taak waarschijnlijk uiterst serieus opnamen, maar die ongetwijfeld ook heel wat afgelachen hebben. Immers, de notulen van hun vergaderingen bevatten een eminente verzameling excuses. De titel van dit artikel had net zo goed “Het Grote Smoezenboek” kunnen zijn…

“Mijn jongen is al geleerd genoeg.”
“Onze knecht lijdt aan godsdienstwaanzin, hij wordt met de dag méér gevaarlijk. Daarom houden we onze jongen thuis.”
“Mijn kind hoort zeer slecht en ik ben daarom bang, dat zij door de tram aangereden zal worden.”
“Ik heb mijn vrouw meermalen op het hart gedrukt onze kinderen goed naar school te sturen. Dat het niet helpt, daar kan ik niets aan doen. Erom vechten met mijn vrouw dat wil ik toch ook niet.”
“Mijn zoon is als misdienaar meegelopen in de processie van Boekel.”
(Na twee maanden afwezigheid:) “Tandpijn.” “Omdat onze klok heeft stilgestaan.”
“We dachten dat hij van school af mocht, maar we hebben ons vergist in zijn leeftijd met een gestorven kind.” (De commissie: “Wat niet onmogelijk is, want ze hebben zestien kinderen gehad.”)
“Bang van Zwarte Piet.” (De commissie: “De vader keurt deze uitvlucht ook af en heeft de jongen inmiddels gestraft.”) “Schaatsenrijden.” (De commissie: “Maar de dooi is toch sterk ingetreden.”)

Armoede

Het waren natuurlijk niet alléén maar smoezen die onze verzuimbestrijders dienden te aanhoren. Integendeel, de bittere armoede in veel eenvoudige, Gemertse huisjes en in bedoeninkjes ver achteraf, is vrijwel tussen elke twee regels van de verslagen waarneembaar. Ouders hadden vaak geen keus. Elk dubbeltje dat verdiend kon worden, was er één. Met op school zitten kreeg je geen brood op de plank. De jongens naar het veld, de meisjes op de kleinere kinderen passen, zodat moeder naar het veld kon. Zo volgden veel kinderen slechts in de wintermaanden onderwijs. “Zodra de koeien weer op stal staan, stuur ik mijn jongen.”
Er werd niet alleen op de koeien gepast. Schapen hoeden, bij de kippen blijven, een varken gaan leveren, helpen hanen te slachten, met de geit weg, een slag van het paard gekregen, de gehele veestapel van het Brabants gemengd boerenbedrijf komt in het notulenboek voorbij. “De vader kreeg bij het laden van biggen pijn in de lendenen en toen kon hij zijn zoon niet missen.”

En dat elk dubbeltje écht telde, bewijzen mededelingen als “een dag eikels geraapt”, “wat turf halen in de Peel”, “zand halen in de Peel”, “bessen plukken”, “helpen in een kraampje op de kermis in Bakel”, “lindebloesem plukken” en (in 1935 voor het eerst) “aardbeien plukken.”
Bij dit soort redenen noteerde de secretaris grootmoedig: “Verschoonbaar.” De heren hadden wel degelijk oog voor de zeer behoeftige omstandigheden van de meeste gezinnen. Maar dat wil niet zeggen dat ze met open ogen en slungelig in elke valkuil trapten. Zo verzuchtte secretaris Herpers in 1904 zwart op wit: “De goedgezinden, die enkel een kind uit harde noodzaak thuishouden, verschijnen, en de onverschilligen blijven thuis.” Bovendien kwamen de commissieleden er al vrij snel achter, dat de Leerplichtwet rammelde: “Zooals thans de toestand is baart deze wet veel zorgen maar draagt weinig vrucht. Een gevolg daarvan is ook, dat de meesten die voor de Commissie moeten verschijnen, eenvoudig wegblijven.” En de cijfers onderschrijven dit oordeel over de wet:
In 1910 werden zes ouders opgeroepen, slecht twee verschenen.
In 1911 werden twintig ouders opgeroe-pen, de helft verscheen.
In 1912 verschenen van de acht opgeroepen ouders er drie, in 1913 kwamen vijf van de twaalf opgeroepenen, en die trend zet zich daarna voort. Een heel goed jaar was 1917, met 24 opgeroepenen waarvan er slechts drie niet kwamen, maar de domper volgde meteen in 1918 toen er maar acht van de veertig ontboden ouders verschenen.2

Leerlingen van de school in De Mortel in 1913. Links meester Claassen en rechts meester Kalkhoven.

Gewone Vergadering op Maandag 9 november 1903
Om zes uur opende de Voorzitter de vergadering, alle leden waren tegenwoordig. Acht huisvaders waren opgeroepen, een aantal dat wij nog nimmer hadden bereikt en ook niet meer hopen te bereiken. Onze verwachtingen waren dat ook hoog, zeer hoog zelfs gespannen. Dat zou nog eens werken zijn. Wij hadden dan ook den Heer Burgemeester verzocht, de gemeenteveldwachter opdracht te geven, om gedurende de vergadering op het raadhuis tegenwoordig te zijn, ten einde…. Maar, waarom nog meer; kort en goed, wij werden erg teleurgesteld, want van de acht verschenen er maar drie, zegge en schrijve drie. Het waren, zooals gewoonlijk, goedwilligen.

Werd er veel verzuimd? Ja, maar niet altijd ongeoorloofd. De Leerplichtwet voorzag namelijk in Landbouwverlof, en zo kwam de Weringscommissie in 1903 tot de volgende optelsom:
Gemert met plusminus 180 leerlingen had 101 weken Landbouwverlof en 829 ongeoorloofde verzuimen.
Handel met plusminus 70 leerlingen had 62 weken Landbouwverlof en 764 ongeoorloofde verzuimen.
Mortel met plusminus 60 leerlingen had 90 weken Landbouwverlof en 628 ongeoorloofde verzuimen.

Zwakke gezondheid

Een kind verzuimde niet alleen school omdat het op het veld ging werken of thuis moest oppassen. Dat armoede en slechte volksgezondheid nauw samenhangen, wordt dankzij de verslagen der vergaderingen van onze brave commissie óók duidelijk:
“Mijn dochtertje sukkelt nu eenmaal met de ogen.”
“Een zwerende vinger, en het gaat maar niet over.”
“De grote zwakheid van het kind.”
“Het meisje is al vanaf de geboorte ongelukkig, daardoor dikwijls onder doktershanden. Vooral in de winter bij gladheid of koude moet het daarom dikwijls verzuimen.”
“De dokter heeft verklaard dat de zwakheid van de jongen de oorzaak ervan is, dat hij 10 tot 20 keer per dag naar de waterplaats moet lopen.”
“Ziekte; het kind groeit scheef.”
“Groenten venten, dan komt die jongen voor zijn gezondheid eens flink in de buitenlucht.” “De jongen had zweertjes onder de neus, en werd daarvoor naar huis gestuurd. Toen er zalf aangesmeerd was, hield men hem een paar dagen thuis.”

Accoord. Maar een zwakke gezondheid rechtvaardigt nog niet een zwakke communicatie:
Een jongen op school: “appels plukken.” De vader: “diarrhee.”
Een jongen: “boodschappen doen.” De vader: “zwakte.”
Een jongen: “helpen op de molen.” De vader: “ziekte.”
Een jongen: “in het bosch dennenappels geraapt.” De vader: “hoofdpijn.”
Een jongen: “te lang geslapen.” De vader: “van een zoldertrap gevallen.”
Een jongen: “keelpijn.” De vader: “mankeert iets aan zijn ogen.”

Grote oorzaken, kleine gevolgen

De Commissie tot Wering van Schoolverzuim heeft vrijwel een halve eeuw gefunctioneerd, van 1901 tot 1947. De niet geringe gebeurtenissen van die periode weerspiegelen zich in de twee notulenboeken. Daar waren nationale evenementen:

Vergadering op 10 mei 1909
De voorzitter bracht bij het openen der vergadering de blijde gebeurtenis in herinnering. De geboorte van een Oranjetelg, zoo vurig afgebeden door ons gansche volk, vooreerst om het belang des lands, maar vooral ook om de liefde die wij allen ons Koningshuis toedragen, is zulk een heugelijk feit, dat op deze eerste bijeenkomst der Commissie een enthousiastisch “Leve de Koninklijke Familie” geuit moest worden.

En daar waren internationale verschrikkingen. Twee wereldbranden en de crisistijd hadden zo hun invloed op het al dan niet naar school gaan:

1916:
“Twee zonen zijn gemobiliseerd, de vader moet hier en daar wat werk gaan zoeken want de fabriek ligt stil. De leerplichtige dochters en zoon kunnen nu af en toe wat bijverdienen.”
“Ons zoontje is thuis gebleven om de drukte der soldaten die hier hun manoeuvres gemaakt hebben.”

1917:
“Mijn dochter moet boodschappen doen, want je moet er tegenwoordig vlug bij zijn om iets van de distributiear-tikelen machtig te kunnen worden.”

De jaren ’30:
Tientallen keren de opmerking: “Vader is in de werkverschaffing.” Of: “Geen klompen, geen schoenen, geen (fatsoenlijke) kleren.”
‘Als de vader uit sprokkelen gaat, moet het kind het wekelijks steungeld bij het armbestuur halen.”
“Hij hielp zijn vader op het veld. Die is vier dagen per week te werk gesteld.” “De vader is werkloos. Maar op genoemde dagen kon hij bij een boer werk vinden – de moeder moest daarbij rogge binden. Het meisje moest toen op de kleine kinderen passen.”

1939-’45:
‘Aan de school is meegedeeld, dat het kind hielp aan de kraam, die de moeder in de Peel neergezet heeft nu daar zoveel soldaten liggen.”
“Het meisje moest de vader helpen, nu de knecht in dienst was wegens de mobilisatie.”
“Een tweede kaart over het verzuim is tengevolge van de inval der Duitsers en de daarop volgende staking van het postverkeer blijven liggen.”
“Zij helpt nu in ’t kippenfokbedrijf met het schrijfwerk. Begon daarmee bij het sluiten der school door inbeslagname van de militairen.”
“De vader is voerman op Helmond. Hij had zijn paard moeten inleveren en moest dus direct een ander hebben. Daartoe ging hij op reis en toen hield hij de jongen thuis om met de vrachtwagen mee te rijden naar Helmond.”
“Naar een gevallen vliegtuig gaan kij¬ken.”
“De vader (moeder is ziek) werkt op het vliegveld, vertrekt ’s morgens om 5 uur en komt ’s avonds om 10 uur thuis.” “Naar het distributiebureau om bon¬nen.”
“Geen schoeisel.” (De commissie: “Die reden kan tegenwoordig een geldige zijn, want er worden zelfs geen klompen meer verkocht.”)
“De vader werkt in Duitsland, de moeder is ziek.”
“De vader moet op tijd leveren, op zware straf, en hij moet zelf dorsen. Zonder hulp van zijn kinderen kan hij niet aan zijn verplichting voldoen.” (10 juli 1945) “Haar vader en moeder zitten in ’t concentratiekamp Vught opgesloten. De oudste dochter doet het huishouden. Uit wraak om de verkeerde houding in oorlogstijd werd haar jonger zusje op 26 juni de haren voor straf afgeknipt. Door de hevige consternatie bleef zij die dag thuis.”

Schoolwacht houden

Maar los van alle plausibele redenen van afwezigheid op school door natio¬nale en internationale verwikkelingen, was er heel vaak ook géén reden om te verzuimen. Dan dienden onze commissieleden vast te stellen dat er sprake was van “schoolwacht houden,” van spijbelen, en dan noteerde de secretaris kordaat: niet verschoonbaar. Of: ongeoorloofd.

U mag bij de volgende selectie als zesde lid der commissie aanschuiven en oor¬delen wat nu wel en niet verschoonbaar is.

“Mijn man werkt in Duitsland, verdient daar vrij goed, maar het leven is daar zo duur dat hij weinig of niets kan sturen. Ik krijg twee kwartjes van het armbestuur, moet dus zelf uit werken gaan en dan past mijn dochter op de drie jongere kinderen.”

“De vader en moeder vertelden dat ze geen dienstbode hadden. Ze willen wel een goede huur geven, maar ze wonen ver achteraf en hebben een groot huishouden, namelijk zeven kinderen, twee redenen waarom het moeilijk is aan een dienstbode te komen.”

“De moeder haalde een menigte voorbeelden aan om te bewijzen dat de jongen niet aan zijn ouders wou gehoorzamen. Ze kreeg van ons de raad het jonge boompje te buigen.

“Het gezin woont meer dan 4 kilometer van school en de vader weet dat hij daardoor vrij uit gaat.”
“De opgeroepene gaf als reden van verzuim op: “1 keer naar Handel bidden voor de overleden moeder op de eerste verjaardag van haar overlijden.”

“Onze dochter heeft haar arm gebrand bij het helpen van één van de andere kinderen, dat de vallende ziekte heeft en gevaarlijk dicht bij de kachel gevallen was.”

“Mijn jongen is dertien jaar en hij zit nog maar in de 2e klas. Daarom heeft hij geen lust meer om naar school te komen.”

(Vader is slager) “De moeder zegt dat ze het meisje het vleesch naar de klanten laat bren-gen, want moeder kan niet alles zelf bedienen en als de vader het doet, ziet moeder geen geld.”

“Hij moest met de nieuwe knecht mee om te wijzen waar de melk voor de boterfabriek opge-haald moest worden.”

“Niet behandeld. De moeder staat boven de aarde. De vader blijft met negen kinderen zit¬ten. Nu roepen wij den man niet gaarne op.”

“De jongen moet op zijn grootmoeder passen.”

“Haar arm zweerde. Ze had een doktersverklaring gevraagd, maar de dokter moest het geval nog nazien, omdat een assistent toen zijn praktijk had waargenomen.”

“Was op klompen in de gymnastiekles. Om het geklos en om de beschadiging van de vloer in de gehuurde zaal werd de leerlinge dan naar de klas teruggezonden. Het meisje liep naar huis en bleef de hele schooltijd weg.”

Een actieve commissie

De mannen van de Weringscommissie maakten zich niet alleen maar druk over het schoolverzuim. Ze kwamen ook met goeie ideeën om de afwezigheidsper¬centages te drukken. Daar was bijvoorbeeld de campagne die tot doel had de Gemertse fabrikanten slechts dan kinderen onder de veertien jaar te laten aannemen, wanneer die aan de Leerplichtwet hadden voldaan en daarvan een bewijs konden tonen. Ook Van Thiel in Beek en Donk en de firma Raijmakers in Helmond ontvingen zo’n verzoek.

GEMERT, Januari 1902.
Aan
Heeren Fabrikanten, Werkgevers enz. in de Gemeente Gemert.
,Zooals U wellicht bekend is, mogen de kinderen voortaan de school eerst verlaten, nadat zij voldaan hebben aan zekere eischen, door de L E E R P L I IC H T W E T gesteld. Of een kind aan die eischen heeft voldaan, kan ’t best beoordeeld worden door ’t hoofd van die school, welke dat kind het laatst bezocht.
Om die reden verzoeken wij U dringend geen kind beneden VEERTIEN jaar in Uw fabriek of werkplaats toe te laten, noch in dienst te nemen, indien het niet voorzien is van een KAART, onderteekend door het hoofd der school.
Wanneer U allen aan ons beleefd verzoek voldoet, bewijst U aan de kinderen zelf een groote weldaad en bespaart tevens aan de ouders veel onaangenaamheid.

DE COMMISSIE TOT WERING VAN SCHOOLVERZUIM.

Commissielid Van den Acker hield een pleidooi om aan de gemeenteraad voor te stellen de herfstvakantie te “verleggen” en te doen vallen in de tijd, dat de aardappels gerooid werden.
Aardig is de daarop volgende verbazing die uit de notulen naar boven welt, als blijkt dat de verslagen der vergaderingen wel aan de raadsvergadering werden voorgelegd, maar nimmer voorgelezen. “Onze verslagen missen hun doel, de gemeenteraadsleden nemen er geen kennis van en er wordt in de raad niet over gesproken.” Verbazing is ook in toenemende mate waarneembaar, wanneer de commissie-leden weer eens voor een gesloten gemeentehuis hadden gestaan en er geen enkele sleutelhouder te vinden viel.

Zelfs een voortrekkersrol schuwden de Gemertse verzuimbestrijders niet. In 1904 richtten zij zich rechtstreeks tot Zijne Excellentie den Minister van Binnenlandse Zaken met een idee waardoor de administratie van het verzuim tot hoogstens één vierde van ‘thans’ zou worden teruggebracht. Bovendien wendde de commissie zich tot hun broeders in de verzuimbestrijding elders in het land, met de aansporing óók zo’n request bij de minister in te dienen.

Voortrekkers of niet, de vijf mannen van het Verzuimbestrijdingswezen hadden een eigentijdse (?) kijk op de dames der schepping:
“Een paar maal is het gebeurd, dat de gedaagde met grof geschut kwam aanzetten. Dat komt vooral voor, als de moeder het zaakje moet opknappen. Maar als haar kruit verschoten is, draait ze altijd nog wel bij en dan eerst blijkt het, hoever een mondelinge waarschuwing het wint van een schriftelijke.”

Openbaar en bijzonder onderwijs

Vóór 1921 waren de scholen in Gemert en de kerkdorpen openbaar. Slechts de school van de zusters van Nazareth viel onder het bijzonder onderwijs. Om een indruk te geven van de grootte van deze school (waarvan de zusters wat bedroefd vermeldden: “Onze school heeft geen naam.”): in het schooljaar 1908/’09 gingen er 208 leerlingen naar de dagschool, en 211 leerlingen naar de werkschool (avondcursussen). Negen leerkrachten deden hun best, de meisjes op te stuwen in de vaart der volkeren.

Verder waren er dus de openbare jongensschool in “de kom,” de scholen in De Mortel, Handel en vanaf 1921 op de Vossenberg bij Elsendorp.
In 1921 gingen de openbare scholen (op grond van de grondwetsherziening van 1917) over op het bijzonder onderwijs. Voor de commissie maakte dat ogenschijnlijk niets uit. Zij ging rustig door met het weren van schoolverzuim, en meester Vrins, hoofd van de Komschool, die al vanaf 1907 als secretaris van de commissie in zijn prachtig handschrift de verslagen schreef, zou daar nog tot halverwege 1944 mee doorgaan. In die zevenendertig jaar heeft hij heel wat Gemertenaren, van zeer divers pluimage, voor zich gehad. Zo stuitte hij in 1908 op een heuse “communist”:
“De vader kwam binnen. Onbeschoft, ruw en brutaal was het optreden van dien man. Volgens hem had hij alleen dan met de wet te maken, als de wet hem te eten gaf. De armen moeten er onder en hebben geen recht op eigen kinderen, maar hij zal ze gebruiken, als hij ze noodig heeft. En nu noemt ge – zoo zei hij – mijn optreden ongemanierd, maar ik kan dat zoo niet, ik ben maar een werkman.”
En in 1913 trad de eerste kritische moeder voor het front der commissie: “Ze had een menigte klachten over de onder-wijzeres die de klasse lesgeeft waarin haar dochtertje zat. Ze was zelfs van plan het kind helemaal niet naar de school te zenden, zoo-lang het in diezelfde klasse moest zitten.”
In 1929 verscheen er een ‘slachtoffer’ van de stemplicht in het lokaal waar de commissie zitting had: “De moeder moest gaan stemmen en het meisje op de kleine kinderen passen.” In 1930, op 11 december, stond er iemand met natte voeten in datzelfde lokaal, een slachtoffer van een kleine watersnoodramp: “De woning stond rondom in ’t water, mijn kinderen konden dus niet naar school.”
In 1939 is daar de strijdvaardige, betrokken vakbondsman, met een socialistische reden om zijn kind te laten verzuimen: “De vader was werken en geen andere jongen thuis, toen plotseling het bericht kwam, dat er een vergadering van de textielbond moest worden aangezegd.”
En langzaam maar zeker zien we de eerste voortekenen van onze eigen, minder gezagsgetrouwe tijd. De redenen van verzuim worden in de jaren ’30 wat frivoler:
“Het gaan aanpassen van een kleedje.”
“Het kind naar huis gezonden omdat de leerling korte kousen droeg. De moeder hield de jongen (!) toen waarschijnlijk uit protest thuis.”
“Uitgeslapen na de kermis.” (Vooral de kermis van 1936 schijnt héél leuk geweest te zijn, met maar liefst tien spijbelaars de volgende dag).
“Het meisje moest haar plechtige H. Communie doen. Ze is naar de kapster geweest op het door deze vastgestelde uur, dat niet door de drukte na schooltijd gesteld kon worden.”
Charmant is ook de eerste verwijzing (in 1939) naar een pijnlijke menstruatie als reden van verzuim: “De vader geeft op goede gronden aan dat het kind ziek was – ongeveer maandelijks is het een hele dag te ziek om naar school te gaan.” Dat de slotconclusie van de commissie in dit geval “geoorloofd” in plaats van “verschoonbaar” luidde, valt te billijken.

De allereerlijkste en meest verschoonbare en herkenbare reden om school te verzuimen heb ik voor het laatst bewaard: “De jongen had zijn boekje onderweg verloren. Hij was te lang blijven zoeken en durfde toen niet meer naar school.”

De laatste vergadering van de Commissie tot Wering van Schoolverzuim staat aangekondigd voor 18 juni 1947. Het bleef in dit geval bij de aankondiging, een verslag staat er niet onder. De invoering van een nieuwe Leerplichtwet maakte een einde aan de regelmatige bijeenkomsten van vijf trouw aanwezige, verzuimbestrijdende mannen…

Verantwoording

Alle gegevens zijn geput uit de twee notulenboeken van de Commissie tot wering van schoolverzuim. Het eerste boek bevat de notulen en brieven van 1901 tot 1910, het tweede boek omvat de periode 1910-1947.
Ik heb ervoor gekozen alle namen van opgeroepen ouders te vervangen door aanduidingen als “de vader” en “de moeder,” omdat ik niet kan inschatten hoe gevoelig de materie ligt bij mensen die met dezelfde (vaak typisch Gemertse) namen rondlopen als de overtreders van destijds. Op de eventuele insinuatie van sommige lezers die menen dat de Van Wettens er zelf nogal eens in voorkomen, kan ik met gepaste trots zeggen: “Dat klopt.” Zowel mijn overgrootvader als mijn opa zijn meerdere malen op het matje van de commissie geroepen: “Buiten weten van de vader om heeft de jongen (mijn ome Theo van Wetten) zijn 79-jarige grootvader geholpen bij het lossen van steenkolen.”
Nieuwsgierig geworden? De boeken zijn in het bezit van de Heemkundekring en liggen elke woensdagavond op de Heemkamer ter inzage.

NOTEN:

1 In de periode 1902-1906 bijvoorbeeld werden in Gemert acht ouders daadwerkelijk veroordeeld wegens het zondigen tegen de Leerplichtwet.
2. Vanaf 1915 werd het aantal opgeroepen ouders ogenschijnlijk groter, maar dat kwam door het feit dat vanaf dat jaar beide ouders voor de commissie gedaagd werden.

Zie PDF

GH-1999-03 Is Louis in Gemert Hendrik?

Wim jaegers

Met aandacht las ik het artikel van Hans van den Broek over de zevende zoon die in de regio Zuid-Oost Brabant en Midden-Limburg vaak Louis of Lodewijk is genoemd. Het leek me interessant om eens te kijken of dat ook voor Gemert gold, want dit was me eerder tijdens het doorspitten van de Doop-, Trouw- en Begraafboeken (de DTB’s) niet opgeval¬en. Dankzij het feit dat Peter van de Wijngaard en Ton Umer alle gegevens uit de Gemertse DTB’s in de computer hebben geklopt en daarbij ook toevoegingen als ‘zevende kind’ meenamen, leidde mijn onderzoekje op het Gemeentearchief van Gemert tot een heel snel resultaat. In 1710 en in 1715 werden met de toevoeging in de doopakte van ‘filius septimus’ in Gemert zevende zonen gedoopt. Ze werden evenwel geen Louis, Lodewijk of Ludovicus genoemd maar… Henricus. Het betreft de doop op 12 juni 1710 van Henricus, de zeven-de zoon van Adrianus Daniëls van den Broeck en Maria (Toonen Groenendaels). En de doop op 14 januari 1715 van Henricus Janssen en Maria. Gemertse zevende zonen genoemd naar Henricus van Wassenaar flitste het in eerste instantie door mijn hoofd. Van Wassenaar was rond die tijd landcommandeur van Alden Biesen en in die kwaliteit Soeverein Heer van Gemert. Maar Henricus van Wassenaar bleek kort tevoren (in 1709) overleden en een relatie met de in 1710 en 1715 geboren zevende zonen, was nergens aanwijsbaar. Het zou ook te mooi geweest zijn. Verder zoeken dus maar… Een mogelijkheid zou kunnen zijn een vernoeming naar Hendrik IV, koning van Frankrijk van 1589 tot 1610, van wie bekend is gebleven dat hij soms 1500 man op één dag ‘genas’. Een bewijs voor deze vernoeming is bij twee inschrijvingen uit Gemert wel erg dun. Maar er zijn nog twee Henricus-inschrijvingen voor zevende zonen meer gevonden. Bij de registratie in het doopboek werd bij deze laatste twee dopelingen niet genoteerd dat het hier zevende zonen betrof, maar ze waren het wel!
Het betreft Henricus zoon van Gerardus van Gerwen en Anna van Hout (gedoopt te Gemert op 22 januari 1774). En: Henricus zoon van Dominicus van Elderen en Anna Maria Verhofstadt, gedoopt op 5 juli 1779.

BRONNEN:

Gens Nostra 1984, blz. 98-99.

D’n Uytbeyndel no.31 (1995)

D’n Uytbeyndel no.37 (1997)

Zie PDF

GH-1999-03 Het Gemerts kasteel op IJsland

Paul Verhees

Beschrijvingen van de brand die in 1883 een deel van het Gemertse kasteel verwoestte waren er wel. Maar illustraties van de ravage die de brand had aangericht, waren tot voor kort in Gemert niet bekend. Afgelopen zomer ontdekten mijn vrouw en ik tijdens onze vakantie op IJsland vier tekeningen van het Gemerte kasteel uit de Jezuïetentijd. Daaronder is een tekening van het zwaar gehavende hoofdgebouw na de brand. De originele tekeningen hangen in het Nonnahús, een klein museum in Akureyri op noordelijk IJsland. Wij maakten er reproducties van om ze in Gemert te kunnen laten zien.

.

De ontdekking

We ontdekten de tekeningen stomtoevallig. We waren in IJsland op vakantie. Het land trok ons vanwege het bijzondere landschap en de natuur op dit vulkanische eiland. Ook van de cultuur wilden we wat meepikken, want het land is rijk aan sages en legenden. Dus bezochten we hier en daar een museum. Aan de noordkust van IJsland in het 16.000 inwoners tellende Akureyri was dat het Nonnahús. Hier hebben de IJslandse schrijver Jón Sveinsson en zijn broer Ármann in hun jeugd gewoond. Jón en Armann Sveinsson werden door hun moeder Nonni en Manni genoemd. Dankzij de twaalf boeken die Nonni over zijn jeugd met Manni schreef -in circa veertig talen vertaald- gingen hun verhalen de wereld rond. In het museumpje waren de boeken en allerlei andere wetenswaardigheden rond de schrijver en zijn broer verzameld

“Dat lijkt de donjon van ons kasteel in Gernert wel”, grap ik, kijkend naar een ingelijste tekening aan de wand in het museum. Mijn vrouw denkt dat het Alden-Biezen moet zijn, want tekenaar Manni is volgens begeleidende teksten in Frankrijk en België geweest. Evengoed nog een gewaagde gok, want hoe zouden tekeningen van bouwwerken van Duitse Ridders in vredesnaam in deze uithoek van een dunbevolkt eiland terecht komen?
Intussen bekijk ik ook de andere tekeningen wat beter. Op een volgende prent is in ‘helikopterview’ (ja, ja, ruim een eeuw geleden) een overzicht van het kasteel geschetst. De hele lay-out komt overeen met het kasteel van Gemert. Er staan alleen wat onduidelijke bouwsels voor het hoofdgebouw, die we daar nooit gezien hebben.
Een tekening van het hoofdgebouw – waarop ook die ons onbekende lage gebouwtjes- begint mijn vermoeden te bevestigen dat mijn eerste indruk geen grap was. Daarnaast hangt een tekening waarop de boel in puin ligt. Kennelijk na een brand en ik weet uit mijn parate kennis dat er eind vorige eeuw een grote brand heeft gewoed op het Gemertse kasteel.

Wacht eens. Er staat in potlood iets onder de tekening geschreven. ‘Gemert nach den Brand von Manni’ lees ik. Een gevoel van sensatie overvalt ons, alsof we net een onbekende Rembrandt hebben ontdekt. We staan in een museumpje (kleiner dan het Gemertse Boerenbondsmuseum) in de grootste stad van Noord-IJsland (kleiner dan Gemert) en kijken naar tekeningen van ons Gemertse kasteel.
Ter plaatse spreek ik al hardop de veronderstelling uit, dat het bestaan van deze tekeningen in Gemert niet bekend zal zijn. Vooral die tekening van de ravage na de brand is bijzonder, want bij mijn weten zijn er geen andere illustra-ties van die brand.

Ik spoed me naar de conservatrice van het museum en vraag haar of we reproducties kunnen krijgen van de tekeningen. Daar overvallen we haar mee. Ik mag er wel foto’s van maken en ze geeft me het adres waar ik de reproducties later schriftelijk kan bestellen.

De tekenaar

Uit het bevolkingsregister van de gemeente Gemert blijkt, dat Manni (de tekenaar) op het kasteel heeft gewoond. Manni, die eigenlijk Ármann Sveinsson heette, staat hier te boek als Herman Svenrsson, geboren op 8 september 1862 in Modruwollum Islande, als student in Gemert ingeschreven op 10 september 1881 en geroyeerd 10 september 1889. Over Manni is verder niet veel bekend. Zelfs de gegevens over zijn geboorte- en sterfjaar zijn niet eenduidig. In een museumfolder over zijn broer Nonni staat dat Manni in 1873 naar Frankrijk is vertrokken en op 23-jarige leeftijd is overleden. In hetzelfde museum staat echter op een tekstpaneel bij de tekeningen dat Manni (1861-1885) op 24-jarige leeftijd aan tbc is overleden in het Belgische Leuven.

Op het tekstpaneel lezen we ook dat drie van de vier tekeningen die wij herkennen als afbeeldingen van het Gemertse kasteel, zijn gemaakt tussen 1874 en 1884 in Gemert-höll. De vierde tekening zou gemaakt zijn in Sjávarmynd (hetgeen IJslands voor Chevremont zou kunnen zijn).

De informatie in het Gemertse bevolkingsregister is echter ook niet volledig correct. Herman Svenrsson heette Ármann Sveinsson, maar mogelijk zijn er bij het overschrijven van een eerder handschrift fouten geslopen in de tekst van het register. De geboorteplaats van Manni, in het gemeenteregister geschreven als Modruwollum, heet Mödruvellir (waarbij de d op z’n IJslands moet worden uitgesproken als het Engelse th). Het jaartal 1889 kan een administratieve uitschrijving zijn, maar kan ook een verkeerde overschrijving zijn van het jaar 1884.

Van de IJslandse schrijver Jón Sveinsson (Nonni) zijn in Gemert geen gegevens aangetroffen. Over hem hebben we in het Nonnahtús wel meer informatie gevonden. Jón Sveinsson is op 16 november 1857 in Modruvellir geboren en op 16 oktober 1944 overleden in Keulen en aldaar begraven.
Nonnie en Manni zijn met hun ouders in 1865 naar Akureyri verhuisd. In een folder lezen we dat hun moeder al vroeg weduwe was. Omdat ze geen geld had om de kinderen op te voeden, ontfermde zich een Franse edelman over de twee. In 1870 werd Nonni op dertienjarige leeftijd naar Denemarken gehaald, waar hij zich tot het katholicisme bekeerde. Later ging hij naar de Latijnse school in het Franse Amiens waar Manni hem in 1873 volgde. In 1878 trad Nonni in bij de Jezuïeten en ook hier volgde Manni enkele jaren later zijn grote broer. Nonni studeerde er vijf jaar lang literatuur, filosofie en theologie. Toen de Jezuïeten in 1881 het Gemertse kasteel kochten, startten ze daar met de opleidingen filosofie en theologie. Nonni doorliep zijn studies in Frankrijk, België en Nederland, lezen we in een foldertje dat bij de museumentree wordt verstrekt. Omdat hij voor zijn studies filosofie en theologie terecht kon in Gemert, is het mogelijk dat ook Nonni op het Gemertse kasteel heeft gewoond. Maar bewijzen daarvoor hebben we niet gevonden.

Vast staat dat Manni de ravage van de kasteelbrand in 1883 heeft gezien, want daarvan getuigt één van zijn tekeningen.

De tekeningen van Manni zijn heel gedetailleerd en zijn waarneming van de brandschade komt heel nauwkeurig overeen met de geschreven verslagen uit die tijd. De tekeningen die Manni in Gemert van het kasteel maakte, zond hij met brieven naar zijn moeder in Akureyri. Zo zijn ze uiteindelijk in het Nonnahús terecht gekomen, waar ze nu temidden van boeken en andere tekeningen permanent tentoongesteld zijn.

De brand

De brand waarvan Manni de ravage tekende, ontstond in de nacht van 19 op 20 april 1883 in een door de Jezuïeten aangebouwde smidse en timmerwerkplaats aan de voorkant van de westvleugel van het hoofdgebouw De brandweer kon weinig uitrichten tegen de vlammenzee die ‘op vijf uur gaans’ in de wijde omtrek te zien was. Dat weten we uit verslagen uit die tijd. Ad Otten heeft in zijn nieuwe boek ‘Elke seconde telt…’ over vierhonderd jaar Gemertse brandweer uitvoerig uit die bronnen geput. Ook Ton Thelen citeerde al eerder in ‘Commanderij Gemert, Beeldend Verleden’ uit die verslagen.

Op de tekening van Manni is te zien hoe het linker aanbouwtje volledig is verwoest. De Jezuïeten hebben de twee aanbouwtjes waarschijnlijk neergezet in de droge grachtbedding en daarbij gebruik gemaakt van muurtjes die er al stonden. Dat zou verklaren waarom de gebouwtjes lager en dieper liggen dan de andere bebouwing. Op de tekening van Manni is door het verwoeste dak te zien, dat onder in het hoofdgebouw nog altijd een raam van de oorspronkelijke bouw zat. Van het andere raam, dat op eerdere foto’s en tekeningen te zien is, was een deur gemaakt.
Zoals in de archiefbronnen is beschreven, sloeg het vuur via de daklijst over naar de zolder van het hoofdgebouw en verwoestte in twintig minuten de hele kap. Door omlaagstortende balken vatten ook de lagere etages vlam. De gevolgen zijn te zien op Manni’s tekeningen.
De brand vernielde het interieur van de huiskapel, de bibliotheek, de conferentiezaal van de studenten en de kamertjes van de novicen. De refter, de keuken en het studentenverblijf bleven gespaard.

In een jaarverslag van de gemeente Gemert is een paragraaf aan de brand op het kasteel gewijd. We lezen:
“In den nacht van 19 op 20 April is het zoo prachtige kasteel ‘Gemert’, bewoond door de Eerwaarde paters Jesuiten, voor een aanzienlijk gedeelte af- en uitgebrand. De brand ontstond in den timmerwinkel, een door hen bijgebrachten bouw; hij nam zoo in uitgebreiding toe, dat tot stuiting geen kans bestond. Door diens hechtheid is de bouw niet vernield kunnen worden en is die alzoo thans weder geheel gerestaureerd en geheel betrokken. Een kostelijke inboedel, kerkornamenten, gouden en zilveren sieraden, schier alles is verbrand, alleen de bibliotheek is ten deele gered. De geleden schade aan het gebouw en den inboedel is zelfs bij benadering niet te schatten en is het ook niet uitgelekt tot welk bedrag die door de betrokken assurantiemaatschappij is geregeld.”

Volgens een artikel in De Zuid-Willemsvaart van 21 april 1883 -daags na de brand- werd de schade geraamd op ongeveer tweehonderdduizend gulden. De Jezuïeten lieten bij de herbouw een andere kap op het hoofdgebouw zetten, zodat ze ook kamertjes op zolder konden inrichten. Deze ‘Franse kap’ zit nu nog altijd op het kasteel.

Zie PDF

GH-1999-03 De zevende zoon heette Louis

Hans van den Broek

Tijdens heemkundig onderzoek naar medische zaken kwam ik het gebruik tegen dat een zevende zoon vroeger vaak de naam Louis ontving bij de geboorte. Nadere bestudering bracht verder aan het licht dat een zevende zoon geacht werd met geneeskrachtige gaven te zijn toegerust.
Aantoonbaar is dat dit fenomeen al tenminste sedert de zestiende eeuw gekoppeld is aan de Franse koningsnaam Louis en dat dit gebruik vanuit Frankrijk zich verder over Noord-West Europa heeft verspreid.

Geneeskrachtige gaven en de koninklijke handoplegging

Verschillende auteurs beweren dat de veronderstelde geneeskrachtige gaven van zevende zonen zijn gebaseerd op bijbelteksten. Naast het fenomeen ‘Vader Abraham met zijn zeven zonen’ wordt uit ‘Handelingen 19-13’ dan het citaat aangehaald: ‘Ook enige van de rondreizende Joodse geestenbezweerders waagden het over hen, die zulke boze geesten hadden, de naam van de Here Jezus te noemen met de woorden: Ik bezweer u bij de Jezus die Paulus predikt. Het waren nu de zeven zonen van een zekere Skevas, een Joodse overpriester, die dit deden.’ De schrijvers merken daarbij op dat vooral het leggen van de handen als medi-sche handeling een gebruik is dat ook door Jezus werd toegepast.
De Franse koningen hebben rond het jaar 1000 het handopleggen als vorm van genezing bij hun onderdanen ingevoerd. Dit was een door de politiek ingegeven daad die moest suggereren dat de koning op zichtbare wijze van God zijn politieke macht verkregen had. En dat die macht ook door ‘genezingen’ duidelijk gemaakt werd aan zijn onder-danen.

Vanaf 1300 leggen de Franse koningen hun hand op bij zieken met het zogeheten ‘koningszeer’. In het Gemerts dialect bekend als ’t kunnengs-saerc 1 In medische termen heet die ziekte ‘scrofulose’. Het is een halsklierziekte die wordt veroorzaakt door tuberculose. De ziekte wordt gekenmerkt door gezwollen halsklieren en ontstekingen. Ze kent een sterk wis-selend beloop. Zodra een ontsteking in de hals zich via de huid ontlast had voelde een patient zich weer een tijd lang een stuk beter. Gebeurde een dergelijke verbetering juist in de weken volgend op de aanraking door de koning dan had die vorst het uiteraard voor elkaar gekregen. Was er geen verbetering dan vond men dat de devotie simpelweg niet groot genoeg geweest was.
Vanaf ongeveer 1535 noemt men in Frankrijk zevende zonen naar de koning ‘Louis’. Weer een tijd later gaan deze zonen zich ook de hand op laten leggen door de koning, waarna ze ‘aldus goed voorbereid’ een “praktijk” begonnen. Het was voor de ouders een potentiële bron van inkomsten als men een zeven¬de zoon had (het liefst geboren uit een zevende zoon) die men als extraatje ook nog de naam Louis meegaf. Uit Frankrijk zijn zo tot omstreeks 1850 verschillende zevende zonen bekend die Louis heetten en als genezer werkzaam waren.

Zevende zonen in Engeland, België en Nederland

Het vernoemen van een zevende zoon naar een koning is niet exclusief voorbehouden aan de Franse koningen. Ten tijde van Jeanne d’Arc (de 100-jarige oorlog) claimde de Engelse koning de Franse troon en bijgevolg voerde ook hij ‘de royal touch’ (de koninklijke genezende aanraking) uit. In Engeland werd niet de Franse koningsnaam Louis aan een zevende zoon gegeven. Sommige slimme ouders gaven hun zevende telg de handige voornaam ‘Doctor’ mee! Dan hadden ze dat voordeel er al vast bij. In België zijn vanaf 1615 zevende zonen bekend die naar de heerser, in 1615 hertog Albert, zijn vernoemd. Koning Boudewijn van België was nog peetvader van vele zevende zonen én dochters.
Ook in Nederland is de aparte status van zevende zonen en dochters tot in onze tijd gebleven. Dit is mede te danken aan een wet van Napoleon uit 1805 die voor één van zeven zonen gratis onderwijs vanaf het tiende levensjaar beschikbaar stelde. Deze wet is pas in 1847 ingetrokken toen het aantal aanvragen de pan uitrees.
Met name in protestants Nederland zijn veel zevende zonen naar de koning(en) Willem genoemd en zevende dochters naar Emma en later Wilhelmina. Onder de grote rivieren in Nederland werden echter veel zevende zonen of dochters gevonden die Louis(e) heetten. Deze waren nagenoeg allemaal katholiek. Uit de doopboeken kan men opmaken dat de katholieke pastoors aan de verspreiding van het fenomeen hebben bij-gedragen door bij een zevende zoon in het doopboek te schrijven: ‘Filius septimus legitimus’. Tevens werd als doop-heilige voor de naam Louis, Ludovicus, geopteerd, die werd ontleend aan de heilige koning Lodewijk de 1X.2 Heel veel later, aantoonbaar vanaf 1844, werd onder invloed van door Jezuïeten opgeleide pastoors, de jezuïetenheilige Aloysius van Gonzaga, als doopnaam benut.

De thans aan mij oudst bekende Louis’en, gedoopt Ludovicus, met vermelding ‘filius septimus legitimus’ dateren van 1661 uit Sevenum en 1691 uit Asten. De mij laatst bekende zevende zoon met de naam Louis werd geboren in 1968 in Someren. Overigens zijn er in onze folklore meerdere zevende zonen te vinden die niet Louis heten en als genezer aktief zijn geweest.

Het fenomeen van ‘de zevende zoon (of dochter) die Louis(e) heet en genezer(es) is zal op zijn einde lopen. Ondergetekende is bezig het nu vast te leggen. In de regio Zuid-Oost Brabant-Midden Limburg heb ik uit het tijdvak 1661-1968 inmiddels zo’n 155 zevende zonen of dochters die Louis(e) heetten kunnen traceren. Ik zoek met name nog aanwijzingen voor het eerste moment van optreden en de verspreiding van het verschijnsel in Nederland.

Hans van den Broek, Veld 2, 5751 AR Deurne (0493.319300)

NOTEN:

1. Piet Vos, ‘Geschiedenis van het koningszeer’, in: Gemerts Heem, 1969, nr. 34, blz. 13-20.
2. De heilige koning Lodewijk riep in 1229 de broederschap van St. Marcoul in het leven. De verering van deze heilige, die wordt aangeroepen tegen ‘alle soorten koningszeer en andere vremde ziekten’ verspreidde zich vanuit Frankrijk over België, Duitsland, Spanje, Italië en ook Nederland. Vanaf 1689 wordt Markoen vereerd in het Noordbrabantse Dorst. Koningszeer heet volgens Van Dale ‘het sintemarkoen’.
Markoen was een vrome abt, gestorven te Nant nabij Cotentin in Normandië. In 677 worden zijn relieken opgegraven en geschonken aan de aartsbisschop van Rouaan. Als teken van verzoening tussen Franken en Germanen krijgt ook de bisschop van Keulen een aantal relikwieën. Na 1101 gebeuren de eerste wonderen op voorspraak van Markoen. Zo genezen een doofstom kind, een blinde, een verlamde én … een aan keelziekte lijdende vrouw!
Volgens taalkundigen is het ontstaan van de relatie van Marcou met de ziekte scrofula etymologisch bepaald! Marcou zou ontstaan zijn uit ‘mal cou’ = ‘kwade hals’.

Zie PDF

GH-1999-03 Monera op gemeentelijke monumentenlijst

Ad Otten

Monera is de naam die kunstenaar Gerard van Lankveld gaf aan zijn ‘staat’ aan het Stereind. De naam componeerde hij uit drie grondslagen van zijn staat. Hij (Gerard) wilde er op attenderen dat het noodlot hem (de enkeling) indertijd noopte tot de stichting van ‘een staat in de staat’.
Monera gaf hij ook een eigen vlag en een eigen munt. En Monera is zich blijven ontwikkelen. Alle media besteedden er aandacht aan. Monera kwam in alle kranten en was te zien op alle zenders.
Monere in het latijn betekent ook iets van ‘goed bewaren’. Dat ook van toepassing is op ’t Engelse ‘money’ en op ons eigen ‘monument’.
Laat ons Monera tot gemeentelijk monument doen verheffen als erkenning voor een stukje dorpseigen zonder weerga!
Nota bene: Vanaf eind november a.s. tot medio 2000 is Gerards werk niet alleen in Gemert te zien maar ook in de stad Gent in buurland België.

Zie PDF