Gemert Vrijstaat

Na de komst en het vertrek van de Noormannen breekt de periode van de kruistochten aan. Uit heel Europa trekken ridders met hun legers naar Palestina om de heilige plaatsen te heroveren en te verdedigen tegen de Islamitische bezetter. Diverse ridderorden ontstaan, waaronder de Duitse Orde. Deze zal de komende eeuwen de geschiedenis van Gemert bepalen.

Fratres de Gemerde

In een akte van 1172 in de abdij van Averbode in België worden bij de overdracht van het goed Sterksel door Heribert, heer van Heeze, aan de abdij van Averbode getuigen vermeld. Wilhelmus et Ruthgerus de Gemerde nobilis viri, consobrini mei (de gebroeders Willem en Rutger van Gemert, edellieden en neven van de heer van Heeze). De datering is niet zeker en wat de broers met Gemert te maken hebben is niet bekend.

Heren van Gemert

Gemert is in de 12e en 13e eeuw bezit van de Heren van Gemert. Opgravingen in 1996 aan de Ruyschenberghstraat hebben nog sporen van een omgracht mottekasteel blootgelegd “Het Hooghuis”, domicilie van de Van Gemerts. De Heerlijkheid van de Van Gemerts duurt tot 1366, als Diederik IV van Gemert de laatste bezittingen van de familie overdraagt aan de Duitse Orde, die dan de alleenheerschappij voert.

De Duitse Orde

Condominium onder Brabant

Een van de leden van het heersende geslacht, Rutger van Gemert, trad rond 1220 toe tot de Duitse Orde en schonk zijn bezit aan de Orde. Het gezag over de heerlijkheid werd nu gedeeld door de heer van Gemert en de commandeur van de Duitse Orde, die viel onder de landcommanderij van Alden Biesen. In 1249 werd Gemert genoemd als vrije heerlijkheid, en was er reeds sprake van een Huis der Teutonen in Gemerthe, ofwel een vestiging van de Duitse Orde. De Orde had er een latijnse school. In 1270 verklaarde hertog Jan I van Brabant Gemert een vrije heerlijkheid van zowel de Duitse Orde als heer Diederik van Gemert. Het oppergezag zou echter aan de hertog toekomen; het bleef dus een leen van Brabant.
In 1326 kwam er, na de nodige schermutselingen, een juridische afbakening van de rechten en bezittingen van beide partijen. In 1331 verkocht Diederik de heerlijkheid aan Johan Cuyst uit ‘s-Hertogenbosch, die haar in 1339 weer over droeg aan de zoon van Diederik, eveneens Diederik genaamd.
Geleidelijk ontstond opnieuw hooglopende ruzie tussen de heer en de Orde, waarbij militair geweld en brandstichting niet werd geschuwd. Ook werden door beide partijen een aantal mensen gevangengezet. Uiteindelijk werd de bemiddeling van Johanna van Brabant en Wenceslaus van Luxemburg ingeroepen. Dezen verordonneerden de vrijlating van de gevangenen terwijl Diederik en zijn helpers een pelgrimage naar Santiago de Compostella moesten volbrengen. Ook werden er de nodige boetes opgelegd.

 

 

Rijksheerlijkheid

In 1366 gelastte het hertogelijk paar Diederik om zich als leenman van de Duitse Orde te stellen. De gehele heerlijkheid kwam nu in handen van de Duitse Orde als rijksheerlijkheid, ofwel een Vrye Souveraine Heerlykheyd en Commandeurye der Duitsche Orde.
Hiermee niet akkoord gaand, kwam Filips van Gemert, zoon van Diederik, in 1370 alsnog tot dadelijkheden jegens de Duitse Orde. Hij werd door de kerk veroordeeld en moest een bedevaart maken naar de heilige Judocus en naar Onze Lieve Vrouw van Aardenburg.
In 1391 kreeg de commandeur van de Duitse Orde, Hendrik Reinaart van Husen, toestemming van de hertog om een kasteel te bouwen, mits dit ook steeds voor de hertog toegankelijk was. In 1393 was er opnieuw gewapende strijd tussen de Heer en de Orde. De heer riep de hulp in van de hertog van Gelre, Willem van Gulik, maar deze stelde de Orde in het gelijk. In 1404 deed de zoon van Filips, Gozewijn van Gemert, afstand van de aanspraken ten gunste van de Duitse Orde.
De Duitse Orde stelde zich in de vele regionale conflicten neutraal op. In 1478 kreeg de Orde van hertogin Maria van Bourgondië de Brieve van neutraliteit. Neutraliteit werd betracht met betrekking tot de conflicten tussen de hertogdommen Brabant en Gelre zoals tijdens de Gelderse Oorlogen.
Ook tijdens de Tachtigjarige Oorlog werd neutraliteit betracht. Na de Vrede van Münster bleef Gemert dan ook bij het Duitse Rijk.

In tegenstelling tot Staats-Brabant was de uitoefening van de katholieke godsdienst in de rijksheerlijkheid Gemert gewoon toegestaan.

In 1648 echter maakte commandeur Ulric van Hoensbroek zich los van de Orde en stelde zich onafhankelijk op en riep de hulp in van de Staten-Generaal van de Nederlanden. Deze bezetten de heerlijkheid waarop de katholieke kerken werden gesloten. De grootmeester van de Orde, Leopold Willem van Oostenrijk kwam hiertegen in verzet omme te hebben reparatie van alle nieuwighede binnen Gemert sedert het besluyt van den vrede gepleegt. Dit alles leidde tot een slepende juridische procedure die in 1662 in het voordeel van de Orde werd beslecht. Op 8 juni 1662 werd in een resolutie bevestigd dat het gezag van de heerlijkheid bij de commanderij gelegen was. Wel moest ook de vrije uitoefening van de hervormde godsdienst worden toegestaan en moest de hervormden een kerkgebouw worden toegewezen.

 

Ingelijfd bij Holland

Opheffing van de heerlijkheid

Na de inval van de Franse revolutionaire troepen in 1794 werd beslag gelegd op de goederen van de Duitse Orde. Bij proclamatie van 21 oktober 1794 werd de Rijksheerlijkheid Gemert ingelijfd bij Frankrijk en onder voorlopig Frans militair bestuur geplaatst. Op 23 januari 1798 werd Gemert toegevoegd aan het Roerdepartement als deel van het arrondissement Kleef; in eerste instantie als kanton Gemert en Boxmeer en vanaf 15 juni 1798 als kanton Gemert.

Op 5 januari 1800 werd Gemert – tegelijk met andere gebieden in het Brabantse – bij verdrag door Frankrijk verkocht aan de Bataafse Republiek. De betreffende gebieden werden door de Bataafse Republiek bestuurd onder de naam Gecedeerde Landen.

De Gecedeerde Landen werden op 26 september 1805 toegevoegd aan het departement Bataafs-Brabant van het Bataafs Gemenebest. Na de oprichting van het koninkrijk Holland in 1806 werd bij wet van 13 april 1807 het departement Brabant ingesteld als opvolger van Bataafs-Brabant.