GH-2017-03 Gevelverstening anno 1677 in de Kerkstraat

redactie

Wie kent het niet? Dat bijzondere geveltje met de muurankers 1677. Eigenaar Jos Vogels wees ons op het voorkomen van hetzelfde silhouet van het pand op een prent gedateerd 26.12.1675 van de bekende graficus Valentijn Klotz. Op die prent zien we tegelijk ook het oude daarnaast gelegen pand met de muurankers (16)86. Een mysterie. Duidelijk is in elk geval dat er in 1675 dus al twee panden stonden met dezelfde topgevelvorm. En dat de smid van de muurankers zich vergist zou hebben in het jaartal dat is natuurlijk voor niemand aanvaardbaar. En dat is ook zeker niet het geval…
Bij de muurankers van zowel 1677 als die van (16)86 past de volgende uitleg: Dit is een typisch geval van gevelverstening. De muurankers zijn welhaast zeker aangebracht in het jaar toen de houten en lemen voorgevels van deze panden werden vervangen door een stenen gevel. Het naast de Frunte Gang gelegen pand (anno 1677) is echt veel ouder en gaat vrijwel zeker terug tot de zestiende eeuw en misschien wel naar de late middeleeuwen. Tot 1477 kent met uitzondering van de kerk zelf de hele westzijde van de Kerkstraat nog geen bebouwing. Pas in het laatste kwart van de vijftiende eeuw worden er twee woningen gebouwd. En rond 1500 komt er al een derde pand. Één van die twee laatste panden, ja dat kan heel goed het pand zijn waarvan in 1677 de gevel wordt ‘versteend’. Daar moeten we nog eens wat meer energie in steken om daarover wat meer vastigheid te krijgen.
We kunnen het ons bijna niet voorstellen, de Kerkstraat tussen de kerk en wat we nu kennen als de Ruijschenberghstraat als onbebouwd terrein. Maar vóór 1477 was dat toch echt het geval. Jan Timmers schreef er over in ons tijdschrift onder de titel “Wat aan de bebouwing van de Kerkstraat voorafging” in Gemerts Heem 2003 nr.4. We azen op een vervolg…

Bekijk PDF

GH-2017-03 Wereldnieuws: Lieve-Vrouwesteeg krijgt geprinte fietsbrug!

redactie

De buren waren in juni j.l. met vakantie op IJsland en zetten op hun hotelkamer de TV aan om dat IJslandse taaltje eens wat nauwkeuriger te beluisteren. Maar ze krijgen dan een buitenlandse zender, en… ‘t is toch nie te geleuven! Het journaal opent met een wereldprimeur uit Gemert-Holland. Nieuw bouwmateriaal. Nieuw wegmateriaal: De 3d-printing van een fietsbrug over de in aanleg zijnde Noord-Om. Wereldnieuws! Ja echt. Een brug van de toekomst. Geen wonder dat andere buren, op vakantie in Zuid-Frankrijk, met hetzelfde wereldnieuws thuiskomen. En uiteraard hier heeft het ook in alle kranten gestaan. De 8 meter lange brug is geprint op de TU Eindhoven en zal in september over de dan nog in aanleg zijnde Noord-Om worden geplaatst waardoor de Lieve-Vrouwesteeg tussen Doonheide en de Pelgrimsweg in Handel van begin tot eind begaanbaar blijft. De Lieve-Vrouwesteeg krijgt een heel bijzondere Lieve-Vrouwebrug…

Bekijk PDF

GH-2017-03 Bierdorpje van bierbrouwerij De Zwaan in Gemert

redactie

Henk van Stiphout bezorgde bij de heemkundekring een bierdopje dat hij vond in het dan nog zanderige en omgewoelde wegtracé van de toekomstige Noord-Om. Onder een fraai afgebeelde zwaan staat “TEL. 30” en dat staat in de jaren dertig van de vorige eeuw bekend als het telefoonnummer van de bierbrouwerij van Verbakel in het Gemertse Kruiseind. Een fraaie aanvulling op onze reclamecollectie van Gemertse bieren. Met dank aan Henk

Bekijk PDF

GH-2017-03 De harde ‘g’ in het Gemerts

Redactie

Het op 19 maart j.l. uitgegeven ‘Gemerts Woordenboek’ van Wim Vos bevat ook in een aan het eigenlijke woordenboek voorafgaand hoofdstuk (‘Uitspraak en spelling’) heel veel erg intrigerende bijzonderheden. Echt ‘zeund’ om over te slaan. Zo wordt de lezer onder bijv. ‘Medeklinkers’ na de g in gon (:gaan), de stemhebbende z.g. ‘zachte g’, geattendeerd op de ch in aachter (:achter) en káchel (:kachel). Wij citeren hier vervolgens ‘onze’ eigenste Gemertse lexicograaf en auteur Wim Vos: “de ch is stemloos; deze z.g. ‘harde g’, komt veel voor in het Gemerts, maar wordt niet zo ‘rochelend’ uitgesproken als in het Randstads. Daardoor denken mensen uit het westen, dat het Brabants alleen maar een ‘zachte g’ heeft. Dat mag misschien waar zijn voor het Limburgs, maar niet voor het Gemerts. Vgl Gemerts káchel met Limburgs ‘kaggel’ en áchtentaagenteg [uitgesproken áchtentaagentech] met Limburgs [aggentaggenteg].

Bekijk PDF

GH-2017-03 Kiek naw

Paul Verhees

Manneken Pis

Brussel heeft zijn Manneken Pis. Den Bosch heeft zijn Dieske. Er zijn meer wildplassende mannekens: in Geraardsbergen, Westmeerbeek, Broksele en Koksijde.
Die van Brussel is de bekendste, maar hoe lang nog? Want in Gemert heb ik er ook eentje gespot. Op het Ridderplein staat onze Drumknaauwer, in het dagelijks leven een keurig heerschap met een rol stof op zijn schouder. Toonbeeld van noeste arbeid uit het verleden. Op Koningsdag trof ik hem echter aan in een tamelijk compromitterende pose. Hij had heel discreet een plekje gezocht achter een groot doek, maar toch niet zodanig uit het zicht dat ik hem daar niet in het voorbijgaan kon fotograferen.
Ik denk dat ons Manneken Pis weldra bekender is dan die van Brussel. In de Belgische hoofdstad staat hij nogal achteraf op de hoek van de Stoofstraat en de Eikstraat. Dat is dan wel op loopafstand van de Grote Markt, maar toch iets heel anders dan prominent op een plein zoals bij ons. Hier krijg je er bovendien aan de andere kant van hetzelfde plein een dorpspomp bij die meer water kan verstouwen dan een Brussels pisstraaltje.

Bekijk PDF

GH-2017-03 Serisweg – hoe een klein weggetje een keizerlijke naam kreeg

Jacques van der Velden

Was het misschien Jan Seris, die zijn visitekaartje op Esdonk bij Gemert had achtergelaten, waar stille getuigen als ‘de Seris’ en ‘de Serissteeg’ voortleven in ‘de Serisweg’? Of werd in dit kapelgehucht, uit angst voor hongersnood door misoogst, ooit Ceres, de Romeinse godin van de akkerbouw vereerd? Nu prijst dagelijks de televisiereclame ons nog muesli, havermout, en cornflakes aan, als de noodzakelijke ‘cereals’ voor een gezond leven.

Voordat de Koksedijk richting Erp de Aa kruist, kun je rechtsaf over de Handelsesteeg naar Handel. Als je in het begin van deze steeg de Peelse Loop oversteekt en meteen de eerste weg linksaf neemt ben je op de Serisweg beland. Aan de andere kant van de Landmeersche Loop in Boekel heet deze weg De Beemd. Daar ligt ook het toponiem de Beemd. Aan deze kant van de loop ligt het toponiem de Seris, dat de basis vormde voor de straatnaam Serisweg. De Serisweg verbindt Koks met Boekel. De eerste achttien kadastrale percelen van Gemert, begrensd door de Aa, de Landmeersche Loop en de Serisweg vormen het gebied de Seris. De Serisbeemden in dat gebied waren vroeger vanuit het gehucht Esdonk te bereiken via de Serissteeg (Sírrissteeght).

Seris: toponiem en familienaam
Koks is een belangrijke overgang over de Aa. Hier stond ooit het ‘Aa-huis’, het huis op de Aa. Vissers, kermisgasten, bedevaartgangers en marktkooplieden passeerden hier of legden aan bij de herberg. Ook wagens, karren en paarden stopten hier om turf over te laden in pleiten [platboomd schip]. De schuitman [schipper] voer de turf naar de brouwerijen in Den Bosch. Op de site van de heemkundekring wordt de historie van de straatnaam Serisweg als volgt samengevat: “Deze weg is genoemd naar het oud maar aldoor bekend gebleven Gemerts toponiem daar ter plaatse, de Seris, dat al voorkomt in middeleeuwse schepenprotocollen [1482: ‘de Serysbeemden aen de Aa’]”. Onder de kop ‘Gemert in de Helmondse Protocollen II’ in het Gemerts Heem [1992] maakt Simon van Wetten de aantekening: “bij Ceerys gaan de gedachten naar Koks en de daarachter gelegen Serisweg“.
We zijn nu een kwart eeuw verder en zover ik weet is er geen nader onderzoek gedaan naar de betekenis van Seris. Peter van den Elsen doet in zijn boekje: ‘Esdonk, de geschiedenis van een kapelgehucht’[1981] wel een suggestie: “Mogelijk afkomstig van Ceres, een Romaanse godin van de landbouw of van Jan Serys, of het moet zijn dat Jan naar zijn land werd genoemd.” Ik ga nu een poging wagen om dit raadsel te ontrafelen. Ik begin bij [1482]. In die tijd sprak men van “de Serysbeemden aen de Aa”. Topografische kaarten laten zien dat deze beemden aan de Boekelse kant verder doorlopen. Nu zal het voor de meesten wel duidelijk zijn dat een beemd een hooi- of weiland is, maar wat is nou de betekenis van Seris?

Volgens de Nederlandse archieven [archieven.nl] komt Seris vrijwel uitsluitend voor in de Meierij van ‘s Hertogenbosch. Alleen in Heesch en Nuland als toponiem, maar in andere plaatsen ook als voor- en of familienaam. Als toponiem betreft het bos- en akkerpercelen terwijl het in Gemert om beemden gaat. Omdat ik Seris niet terugvond in de bekende toponiemen-verzamelingen, bleef niets anders over dan te zoeken naar een persoonsnaam. Tot mijn grote verbazing kwam ik uit bij Caesar, beter bekend als Gaius Iulius Caesar. Deze naam is zo wijdverbreid ingeburgerd geweest, dat ze in verschillende talen zelfs uitgegroeid is tot een soortnaam: keizer, Kaiser, tsaar ‘vorst van de hoogste rang’. Uit Caesar zijn in het Nederlands taalgebied twee familienamen voortgekomen: Saris en Sarris. Sarris is een variant van Saris en omdat die vorm zo weinig voor komt laat ik die buiten beschouwing. Van alle provincies in Nederland komt Saris in Noord-Brabant het meeste voor. Deze naam heeft zich ontwikkeld uit de verkorte vorm van de voornaam Sesaris, die op haar beurt weer ontstaan is uit de heiligennaam Caesarius, aartsbisschop van Arles [502].
Caesarius was een van de grootste volkspredikers van de vroege christentijd. Op de site van het orthodox klooster in de Peel bij Asten wordt het leven van de heilige Caesarius in het kort beschreven. Verschillende vormen van deze voornaam waren hier al vroeg in gebruik: Caesarius van Heisterbach, omstreeks 1180; Zuid-Nederland: Cesarius, Sisarius, 1125; Cesarius van Brakel 1212; Sysaris, Sysaries, Zisaris, 1284; Sarys, 1385; Seris, Serijs = Caesarius, Den Bosch 14e/15e eeuw; Saris, Dordt 1490. Hieruit blijkt dus dat Seris ook een variant is van Saris. In de Bossche Protocollen vinden we een Gemertse akte van mei 1428, waarin staat: “de helft in 2 buunder beemd in die Honsdonc aan die Aa bij Jan Serijs camp”. Deze beemd lag in de buurt van het kamp (= veld) van Jan Serijs. Ik denk dat men in 1428 nog wist dat dit kamp aan Jan Serijs, Serys of Ceerys heeft behoord of door hem in gebruik is geweest. Deze familie was toen of pas later ook eigenaar en of gebruiker van beemden aan de Aa. De beemden en het veld zijn dus vernoemd naar de familie Seris. Uit de beemden heeft zich de gebiedsnaam ‘de Seris’ ontwikkeld. Nu loopt langs dit gebied de Serisweg, een naam die gegeven werd aan de doorgetrokken weg naar Boekel.

Wat betekent Caesar?
Het begrip keizersnede en de leenvertaling keizerlijke snee, berusten op de veronderstelling dat de eigennaam Caesar is afgeleid van caedere (voltooid deelwoord caesus) ‘vellen, slachten, snijden’. De eerste Caesar zou namelijk geboren zijn uit een opengesneden baarmoeder. Deze operatieve verlossing zou daarom letterlijk ‘Caesar-snede’ heten. De huidige medische literatuur verwijst dikwijls naar een Romeinse wet, de ‘Lex caesarea’, die voorschrijft dat bij het overlijden van een hoogzwangere vrouw middels een buiksnede het leven van het ongeboren kind gered moest worden. Deze wet is echter in de Romeinse literatuur niet teruggevonden. Men heeft nog wel gedacht aan Latijns caesaries ‘dik hoofdhaar’ en caesius ‘met grijsblauwe ogen’, maar men blijft toch bij de conclusie dat de oorsprong van de naam Caesar onzeker is, mogelijk een Etruskische naam. Het kwam overigens wel voor dat kinderen die met de keizersnede geboren werden, daarom Caesar werden genoemd.
De vraag wat Seris betekent is volgens mij nu wel opgelost. Om terug te komen op de suggestie van Peter van den Elsen. Of er een verband kan bestaan met de godin Ceres? Ik denk van niet, omdat bij de Gemertse varianten de ‘e’ in de tweede lettergreep ontbreekt (uitgezonderd Ceressbeemd, waarvan ik denk dat het een schrijffout is). Bovendien zijn familienamen [metroniem] op basis van vrouwennamen erg zeldzaam en is de voornaam Caesar sowieso veel populairder geweest. De familienaam Ceris, Seris, Cerys, Serys, Cerijs of Serijs, lijkt uitgestorven ten gunste van de variant Saris. Vooral omdat Seris in Brabant [Den Bosch 14e/15e eeuw] een bekende voornaam was en als toponymisch element onbekend is, concludeer ik dat deze naam in ons geval afkomstig moet zijn van de gebruiker en of eigenaar Jan Serys. De familienaam Serys [patroniem] is een variant van Saris, die gebaseerd is op de heiligennaam Caesarius, een Romeinse naam die vooral bekendheid heeft verworven als naam van de beroemde Keizer Gaius Iulius Caesar. Ik hou het vooralsnog op keizer “vorst van de hoogste rang”. Een naam, die via Frankrijk naar Gemert is gekomen.

Rest nog de vraag: wie was Jan Serys?
Het was me al opgevallen dat binnen de Nederlandse archieven ook eenmaal in een Erps protocol het toponiem ‘de Seris’ voor kwam: “Item noch Goessen soen wijlen Huijbert Janss een halven buender gelegen aen den Seris deen sijde die Aa deen eijnde Roefs Dirx voert aen die gemeijnt; sal daer wt gelden ½ ouden groeten gront chijns”. Deze in Erp getransporteerde akte [1584] heeft vanwege ‘Erp’ iets gemeen met twee Gemertse akten die in de Bossche Protocollen voorkomen: [ca.1419] ‘Lybbert van Erpe zoon wijlen Jan Zeryssoen’ [= Jan Serys] en [1422] [Op Espdonc] ‘Jan van Baex gehuwd met Bertha dochter wijlen Jan Serys, Jan zoon wijlen Willem Barnierssn, Libbert zoon wijlen Jan Serys‘. De laatste twee akten hebben Lybbert zoon van wijlen Jan Serys gemeen en verwijzen naar de familie van Erpe. Wat schetst mijn verbazing toen ik in een concept–genealogie van Hans Vogels de complete familie terugvond: [‘In concept’ dwz het navolgende onder voorbehoud].

N. N. van Erpe gehuwd ca. 1350 met Beerte Sarisdochter van Kuijk; Kinderen: Jan Saris van Erpe, ridder gehuwd ca. 1385 met Ermgart dochter van Jan Arnt Berthout Bac van Westtilburg; Kinderen: Lucas, Jan, Lybert, Leunis, Bertha, Hadewich, Lijsbeth, Luijtgart. Volgens de eerder genoemde Gemertse akte [1428] ligt het kamp van Jan Seris in de Honsdonk. Op pagina 24 van het boek ‘Boekel bijzonder’ staat: ‘Pedelers Ho(e)ve op de Honsdonk bij de Aa’. Jan Seris heeft dus een camp in Boekel gehad. Volgens het boekje van Peter van den Elsen behoorden de percelen in Boekel, o.a. de Donck en de Beemd, vooral bij de hoeven aan de plaatse, vanouds afkomstig van het goed van de Heren van Espendonck, dat in Gemert en Boekel lag. Naar nu blijkt, was deze Jan Saris (= Serys) van Erpe ooit eigenaar van gronden in Erp, Boekel en Gemert. Deze ridder lijkt mij in ieder geval iemand te zijn die tot de gegoede burgerij behoort. Iemand met grondbezit, vermogen of ambten, wiens voorouders een keizerlijke naam aan hun kind gaven. Zijn dochter Hadewich transporteerde in [1416] huis ‘de Capel’ in ‘s-Hertogenbosch. Ridder Jan Saris van Erpe moet volgens dit transport al vóór die tijd zijn overleden. Omdat in Esdonk de Serissteeg naar de Seris liep en daarmee de hoeve Espendonck met de Serisbeemden verbond, acht ik het mogelijk dat Jan Seris ook verwant was aan het geslacht van Esp(en)don(c)k, dat het latere nummer A8 op de kadasterkaart [De Vogelse hoef] in beheer moet hebben gehad. Voor deze laatste verwantschap heb ik geen bewijzen, het idee is ingegeven door de overeenkomst in spreiding van de bezittingen: Henrick van der Espdonc bezat een hoeve onder Gemert en Boekel en Emont van der Espdonc Dirxsn bezat ook goederen onder Gemert en Boekel. Buiten Erp had Jan Saris van Erpe ook bezittingen in Gemert en Boekel. In de genealogie Godescalc – van Dinther komt een verbinding met ridder Jan Saris van Erpe voor. Van daaruit kan via de familie Wijflets een verbinding gemaakt worden met hertog Jan van Brabant. Vanaf daar is het mogelijk om bij keizer Karel de Grote uit te komen. Overigens Jan Saris erft vermoedelijk zijn naam via zijn moeder, Beerte Sarisdochter van Kuijk. In de Middeleeuwen kwam het dikwijls voor dat kinderen naar moeders kant werden vernoemd, vooral als dat de belangrijkste familietak was. Als het voorgaande allemaal waar is, dan is Seris uit keizer “vorst van de hoogste rang” hier wel van toepassing. Het motief om deze naam aan een kind te geven spreekt voor zich. Ouders verwijzen daarmee naar de hoge afkomst van hun kind.

BRONNEN:
Esdonk, de geschiedenis van een kapelgehucht, Peter van den Elsen, [1981] www.archieven.nl Schepenbank Erp (Inventaris-Vrijwillige Rechtspraak) ‘aen den Seris’ [1548] www.nicovandinther.nl Godescalc van Dinther Saris <33> Jan Saris van Erpe www.oudzijtaart.nl Conceptgenealogie stamboom ‘van Erpe – Saris’, Hans Vogels, 2010 www.bossche-encyclopedie.nl/artikelen/bruijn,%20m.w.j.%20de/297.htm die Capel Dirk van Driel, gehuwd met Hadewig dochter van wijlen Jan Zeris van Erp (Latijn: Iohannis Serijs soen de Erpe)

Bekijk PDF

GH-2017-03 Van de Amsterdamse wallen naar Gemert: Molden De Ruyter

Peter van den Elsen

Nadat molen De Ruyter in 1887 afbrandt, wordt een jaar later op dezelfde plaats aan de Oudestraat een nieuwe molen gebouwd die ook een nieuwe naam krijgt: De Volksvriend. In het molenboekje Vier maal Fier wordt de herkomst van molen De Ruyter door Ad Otten beschreven op basis van een bouwhistorisch onderzoek van mevrouw ing. L. van der Torren.1
Als herkomst van molen De Ruyter wordt in dit onderzoek Zaandijk (Zaandam-West) genoemd. Het lijkt allemaal precies te kloppen: de afbraak van molen De Ruyter in Zaandijk en de opbouw van de molen in Gemert. Op grond van aloude verhalen zou de Zaanse achtkanter ook uit Amsterdam kunnen komen, maar Van der Torren geeft aan dat de data bij houtzaagmolen De Ruiter aan het Zuidelijk Zaagmolenpad in Amsterdam niet helemaal lijken te kloppen en mede op grond hiervan bepaalt zij de herkomst op Zaandijk.
Een aantal foutieve aannames en wat slordigheden in het onderzoek brengen Van der Torren tot een verkeerde conclusie, zoals in dit hernieuwde onderzoek wordt aangetoond: molen De Ruyter komt niet uit Zaandijk, maar komt van de Amsterdamse wallen!

Admiraal Michiel de Ruyter (1607-1676) is in de zeventiende eeuw erg populair en nogal wat molens worden naar de Nederlandse zeeheld genoemd. De database van verdwenen molen geeft bij de zoekopdracht ‘Ruiter/Ruyter’ 45 treffers, die voor dit onderzoek allemaal zijn bekeken.
Op grond hiervan valt zaagmolen De Ruiter in Amsterdam inderdaad af, want deze molen is in Amsterdam nog volop in bedrijf als in Gemert molen De Ruyter al gereed is, en deze wordt bovendien pas na 1882, maar voor 1889, afgebroken.2
Heeft Van der Torren dan gelijk en komt De Ruyter toch uit Zaandijk? De molendatabase geeft voor Zaandam twee treffers: molen De Ruiter en molen De Zwarte Ruiter. Laatstgenoemde molen valt meteen af, want deze is pas in 1933 gesloopt. Van der Torren houdt het op molen De Ruiter aan de Zaan, tegenover de Botenmakersstraat op de hoek Westerzijde-Ruyterveer. De data van afbraak in Zaandijk en opbouw in Gemert lijken enigszins te kloppen, maar wat te denken van molen De Zwarte Ruiter in Aalsmeer? Zowel in Zaandam als in Aalsmeer zijn ze van mening dat het binnenwerk van molen De Ruiter uit Zaandam in De Zwarte Ruiter van Aalsmeer terecht is gekomen. De data van afbraak en opbouw kloppen daar niet alleen beter dan in Gemert, maar men heeft nog een andere belangrijke troef in handen: een wandbord. In de Zaandijkse De Ruyter hing voor de afbraak een houten wandbord met daarop een ruiter afgebeeld en de volgende tekst:
“De Ruyter in het veld
Rijdt om de buit te halen
En ik ben hier gesteld
Om tarw en rog te malen
Gelijk een ruiter waagt
Voor ’t Vaderland zijn lijf,
Zoo ben ik hier gesteld
Den Burgers tot gerijf”
Exact hetzelfde wandbord komen we vervolgens tegen in De Zwarte Ruiter van Aalsmeer. Helaas is het wandbord verdwenen nadat de molen als woning is ingericht. Overigens is het voorgaande rijm langer. Molen De Ruyter in Hilversum (afgebroken in 1921) heeft boven de ingangsdeur een gevelsteen gehad met exact hetzelfde rijm, maar met nog vier versregels meer:
“Een molenaar een dief te zijn
Mij dunkt dat heeft geen waarheid schijn
Een man die van de wind kan leven
Hoeft om geen geld of goed te geven.”
De Zaandijkse molen De Ruiter valt op grond van het vorenstaande ook af. Terug naar Amsterdam. De database verdwenen molens geeft voor Amsterdam niet één, maar vier treffers, de al genoemde houtzaagmolen De Ruiter, en verder De Ruyter (1) en zijn opvolger De Ruyter (2) die beide op de wallen hebben gestaan en verfmolen/volmolen De Ruiter (De Wachter) bij de Overtoom die na 1879 is verdwenen en dus ook afvalt. Blijft dus over De Ruyter (2), een Zaanse achtkanter, die op het Oetewaalse bolwerk naast de Muiderpoort heeft gestaan. Op deze molen komen we in een volgend Gemerts Heem uitgebreid terug. Maar nu gaan we alvast terug naar het Gemert van 1863 waar molenaar Jan der Kinderen de voorbereidingen treft voor de wederopbouw van een Zaanse achtkanter met de naam De Ruyter.3

Jan der Kinderen bouwer van De Ruyter in Gemert
In Gemert staan vanaf de achttiende eeuw drie molens: De Beer, Het Zoutvat en De Mosterdpot. Op 30 januari 1863 vraagt Jan der Kinderen, op dat moment molenaar in Vorstenbosch, aan het college van burgemeester en wethouders van Gemert om aan de weg van Gemert naar De Mortel een vierde molen te mogen bouwen. Het aanvankelijk door Der Kinderen beoogde perceel voldoet volgens het college niet, omdat de molen te dicht bij de weg komt te staan. Als Jan der Kinderen op 18 november 1863 drie naast elkaar gelegen percelen van de vier kinderen van Christiaan van de Ven en Petronella Werts koopt, ter grootte van 61 are en 81 ellen, waar de molen verder van de weg kan komen te staan en als na publicatie van de aanvrage geen bezwaren binnen zijn gekomen, krijgt Jan der Kinderen vóór 2 december 1863 van B&W zijn vergunning. De vergunning van Gedeputeerde Staten in mei 1864 is dan nog slechts een formaliteit. De percelen E29, E30 en E34 worden opnieuw afgepaald en verdeeld in drie nieuwe percelen: E818, E819 en E820. Hierop bouwt Der Kinderen windmolen De Ruyter (E819) en een huis met erf (E818), terwijl het derde perceel bouwland blijft (E820).4
Eind 1863 verkoopt Jan der Kinderen zijn molen De Windlust in Vorstenbosch aan Jan Toirkens, schoonvader van Jan’s broer Peter Marinus der Kinderen, die op 28 december 1863 op Bedaf is komen wonen. Peter is vanaf dan evenals zijn broer Jan molenaar op De Windlust, nadat hij vanaf zijn huwelijk in 1860 molenaar is geweest bij zijn broer Gerardus der Kinderen op molen Laurentia in Milheeze. Opmerkelijk is het dat Jan der Kinderen met zijn gezin in Vorstenbosch blijft wonen, terwijl hij in Gemert en in Liessel een molen laat bouwen. Hij lijkt pas in 1867 naar Zeelst te zijn verhuisd, waar hij vanaf 1858 de door hem gebouwde Zilster molen in bezit heeft.5
Jan der Kinderen heeft dus een vergunning om in Gemert een molen te bouwen, een perceel waarop dit kan en door de verkoop van De Windlust in Vorstenbosch geld om de plannen te realiseren. Dit geld heeft hij eind 1863 ook nodig om de aankoop van De Ruyter in Amsterdam te kunnen betalen, want het is gebruikelijk dat bij een dergelijke transactie de aankooppenningen binnen twee maanden zijn betaald. Deze optelsom past naadloos op de sloop van De Ruyter (2) in Amsterdam. In oktober 1863 geeft namelijk een zekere Maas aan Burgemeester en Wethouders van Amsterdam te kennen molen De Ruyter op het bolwerk Outewaal vrijwillig te willen slopen. Dat Maas de molen vrijwillig wil afbreken lijkt toegeschreven te moeten worden aan het gegeven dat hij voor De Ruyter een koper heeft. De vergunning wordt maar al te graag gegeven, want de meeste andere molens op de bolwerken zijn door onteigening al verdwenen. Op 16 februari 1864 is De Ruyter gedemonteerd. Want op deze dag is de grond, waarop de molen heeft gestaan, uit het beheer der commissie voor rentegevende eigendommen overgebracht naar dat van de Dienst der Publieke Werken van de gemeente Amsterdam.
Het demonteren van de molen, het verschepen van de onderdelen en het opbouwen van molen De Ruyter hebben bij elkaar ongeveer een jaar in beslag genomen. De molen is dus op zijn vroegst eind 1864, maar waarschijnlijker begin 1865, gereed gekomen. Jan der Kinderen laat zich in 1865 in het patentregister van Gemert inschrijven als molenaar van De Ruyter met een geschatte huurwaarde van 150 gulden. Behalve de molen bouwt hij ook een molenaarshuis. Niet lang na het gereedkomen van de bouwwerkzaamheden, in juli 1865, laat hij de molen met het molenaarshuis in het openbaar verkopen in logement De Kroon. Hoe het verder gaat met molen De Ruyter in Gemert staat te lezen in het molenboekje Vier maal Fier.6

Het trieste lot van Jan der Kinderen
Jan der Kinderen (1825) is een boerenzoon, maar bij zijn huwelijk in 1852 geeft hij molenaar als beroep op. Waarschijnlijk heeft hij het molenaarsvak in Zeelst bij zijn broer Lambertus der Kinderen geleerd, die door zijn huwelijk in 1849 met Maria Johanna Barbara de Laure, telg uit een bekende Brabantse molenaarsfamilie, hem als molenaar is voorgegaan. Zijn schoonmoeder Hendriene van der Parren, boerin en weduwe van Peter Josephus Peters, koopt voor Jan in 1852 de molen te Vlierden van Jan van Hombergh voor 5000 gulden. Het blijkt een miskoop te zijn, want op de molen valt nauwelijks de kost te verdienen. Het lukt evenmin om de molen in 1856 in het openbaar te verkopen en uit arren moede verkoopt hij op 7 januari 1857 de molen weer terug aan Van Homburgh voor 3000 gulden en zo verspeelt Jan in vijf jaar tijd een kapitaal van 2000 gulden.

Vier molens in acht jaar tijd
Kennelijk wil hij het verlies goedmaken door de ene na de andere molen te laten bouwen. Hij is dan ook meer molenbouwer dan molenaar. Hij begint in Zeelst, waar hij in 1858 de Zilster graan- en oliemolen bouwt. Het is een uit steen gebouwde bergmolen die hij tot zijn dood in eigendom heeft. In 1860 laat hij in Vorstenbosch De Windlust bouwen, in 1864 in Gemert De Ruyter en in 1866 in Liessel de (oude) graan- en oliemolen. Twee jaar na de oprichting, in 1868, probeert hij ook de Liesselse molen in het openbaar te verkopen. Molenaar Theodorus Verbeek uit Stiphout zet bij de openbare verkoop in op 3.500 gulden, maar dit bedrag vindt Jan te laag en de verkoop gaat niet door. Hij blijft molenaar in Zeelst en verpacht de Liesselse molen aan de uit Blerick afkomstige mulder Johannes Francis Beusen voor 350 gulden per jaar. In 1873 heeft Jan geen huurder in Liessel. Noodgedwongen biedt hij zijn molens te Liessel en te Zeelst te koop en/of te huur aan. Bij het uitblijven van geschikte gegadigden huurt zijn broer de molen in Zeelst en Jan verhuist naar Liessel om de molen zelf te bemalen, om in 1876 weer naar Zeelst te verhuizen, waar hij korte tijd later op vijftigjarige leeftijd komt te overlijden. Na zijn overlijden verhuurt zijn vrouw de molen in Zeelst aan de van Gemert geboortige molenaar Jan Fimerius. Zij raakt echter in financiële problemen en kort voor haar dood in 1880, 55 jaar oud, is zij gedwongen de Liesselse molen openbaar te verkopen. Voor een bedrag van 3.610 gulden wordt Johannes Hubertus Gitzels de nieuwe eigenaar van wat aangeduid wordt als ‘stenen windgraanmolen met huizing, erf, tuin en aangelag te Liessel’. Ook de stenen molen in Zeelst wordt verkocht, waarschijnlijk pas na haar dood in 1883. De koper is bakker Franciscus Bazelmans.
Jan en Anna Catharina der Kinderen-Peeters krijgen drie kinderen, van wie er twee volwassen worden: Pouline en Jan. Zoon Jan (1860) is tot zijn huwelijk in 1892 molenaarsknecht op vele molens in Oost-Brabant en Noord-Limburg. In 1892 huurt hij de standerdmolen in Batenburg en in 1899 koopt hij molen De Vlijt in Geffen, die in de familie Der Kinderen blijft tot 1973 als de gemeente Geffen de molen koopt.7

NOTEN:
1. Ad Otten, Molenhistorie De Volksvriend en voorloper De Ruyter in Gemerts Heem 2017, nr 2 of de overdruk Vier maal Fier, Molens Gemert-Bakel, pag. 44-51; Ing. L. van der Torren, Bouwhistorische inleiding Molen “de Volksvriend” te Gemert, een rapport (52 pagina’s) opgesteld in opdracht van Molenstichting Gemert-Bakel (Archief Molenstichting).
2. http://www.molendatabase.org/molendb.php Zaagmolen De Ruiter / De Ruyter Amsterdam database nr. 1820 aan de Zaagmolensloot/het zuidelijke Zaagmolenpad, gesloopt tussen 1882 en 1889; molenaar Opdam adverteert nog in januari 1866 met gezaagde eigen balken.
3. Database Verdwenen molens, nr. 3402, De Ruiter, Zaandam; Aan de Zaan, tegenover de Botenmakersstraat op de hoek Westerzijde-Ruyterveer; Deze molen is in de zomer van 1864 gesloopt. Op 24 september 1864 verkocht de laatste eigenaar het erf waar de molen op had gestaan aan de gemeente Zaandam voor de bouw van de nieuwe HBS. Bouwjaar van deze molen is 1639, zie verder Zaandam, kadaster 1832 F (1) 828. Op 2 mei 1886 begon Verkade zijn bakkerij ‘De Ruyter’ op een terrein van 1342 m² aan de Zaan. In deze bakkerij werd een stoommachine geplaatst om de verschillende machines van drijfkracht te voorzien. De naam ‘De Ruyter’ was gekozen met een verwijzing naar het verleden: naar molen De Ruyter. Brood was niet het enige product dat de fabriek ging leveren; er werd ook beschuit gebakken, omdat men hierbij de warmte van de ovens, na het bakken van brood, nog efficiënt kon gebruiken. Het ruitertje dat op Verkadeproducten is afgebeeld vindt zijn oorsprong in molen De Ruiter uit de Zaanstreek. Molen De Zwarte Ruiter in Aalsmeer, database nummer 1231; Grenen achtkant, gedekt met riet, op gemetselde voet van twee meter, grondzeiler; van het binnenwerk is alleen het bovenwiel overgebleven; in de molen bevindt zich nu een woning. Deze molen is in 1866 van poldermolen omgebouwd tot korenmolen. In deze molen heeft het oude wandbord van De Ruyter uit Zaandam gehangen. Verfmolen/volmolen De Ruiter (De Wachter) Amsterdam Database nr. 1698; Deze molen lag dicht bij de Overtoom, verdwenen tussen 1879 en 1903.
4. Database Verdwenen molens nr. 1719 Gevelsteen molen De Ruyter in Hilversum (afgebroken in 1921). GAGB, Processen verbaal B&W Gemert inv. nr. 43, blz. 42, zonder datum. GAGB, AG.084 Notaris Gerardus Smits, inv.nr. 1151, nr. 88, 18 november 1863.
5. Mr. J.H. van Hoek, Het einde van de korenmolens op de Amsterdamse bolwerken. Overdruk uit Jaarboek 64 (1972) Amstelodamum pp.163-181
6. Korenmolen De Ruiter / De Ruyter (2e) Amsterdam database nr. 4557; Achtkante bovenkruier, buitenkruier; bolwerk Oetewaal (tegenwoordig omgeving Alexanderstraat). GAGB; Patentregister 1865/1866, blz.33 volgnr. 262.
7. Bevolkingsregisters Gemert-Bakel, Uden, Nistelrode, Deurne, Veldhoven, Hoogeloon, Zeelst en Geffen. Financiële problemen heeft Jan der Kinderen vanaf 1859 (zie notariaat Veghel). Deurnewiki: molens in Deurne, Vlierden en Liessel. Provinciale Noordbrabantsche en ’s Hertogenbossche courant d.d. 20-01-1872; hierin ook een advertentie voor openbare verkoop van de twee standerdmolens, in het dorp Deurne en aan de Overweg. Zie verder de websites van de genoemde molens in Vorstenbosch, Zeelst en Geffen.

Bekijk PDF

GH-2017-03 Oudste vereniging in Gemert: ONZE LIEVE VROUWE BROEDERSCHAP

Ad Otten

In “Dor hedde de skut” (1982) veronderstelden Peter van den Elsen en Peter Lathouwers al: de Onze-Lieve-Vrouwebroederschap is de oudste vereniging van Gemert.1 Zij baseerden dat op de uit 1499 daterende vermelding van ‘de bruerscap van Onsser Vrouwen’ in een Gemertse schepenakte, terwijl ze als aannemelijk jaar van oprichting konden wijzen op de stichting van het Maria-altaar in 1464 in de kerk van Gemert. Het bestaan van de gilden van St.-Joris en van St.-Antonius & St.-Sebastiaan, beide van oorsprong ook altaarbroederschappen, zijn in archieven pas decennia later aanwijsbaar. Van het St.-Jorisaltaar is als stichtingsjaar 1516 bekend en van het St.-Antoniusaltaar weten we dat dat gesticht moet zijn tussen 1485 en 1510. Van het St.-Tunniskapelleke aan de Deelse Boom, van oudsher eigendom van het gilde, is al een vermelding bekend uit 1564.2

Wat betreft de stichtingsjaren van de hier genoemde broederschappen zijn in de afgelopen dertig jaar geen nieuwe gegevens gevonden. Maar dan valt het oog opeens op een tekst in het Parochiememoriaal van Petrus Gautius, pastoor in Gemert van 1692 tot 1736, die schrijft over de stichting in 1471 van een “Gulde Misse”.3 Gautius heeft deze tekst opgenomen in een apart hoofdstuk over het Onze Lieve Vrouwenaltaar oftewel het ‘Beneficium Beata Marie Virginis in Gemert’. De passage uit 1471 kopieerde hij uit een ouder parochiememoriaal (1590-1624) aangelegd door pastoor Albert Strijbos. Hieronder volgt de tekst:
“Sondachs smergens lesende misse genomt die gulde misse gefondeert van Art Zeypsieder anno 1471 feria tertia post Matthei (drie dagen na de heiligendag van Matheus evangelist)4 uuijt een ecker gelegen op den Molenacker, dar Joris Hogers we(d)u woent ende erffl: gehuyrt vande Dekens jaerlyx vur – XVIJ vat rog, dar van die dekens totte misse betalen – V gulden. 1608 aen h(eer) Geriden den Cappellaen, dar na sullen sij oec aen (capellaen) Bercmans betalen.”
In hedendaags Nederlands moet deze tekst als volgt worden uitgelegd:
Art Zeypsieder heeft op 24 september 1471 voor elke zondagmorgen een gelezen H. Mis gefundeerd. Die H. Mis heeft een bijzondere kwaliteit als ‘Gulde Misse’. Voor de financiering schenkt Art een akker op de Molenakker. In 1608 staat op deze akker een huis waarin de weduwe van Joris Hogers woont. Zij betaalt daarvoor jaarlijks aan de dekens (van de Onze-Lieve-Vrouwebroederschap) 17 vaten rogge als huur in natura, terwijl op hun beurt de dekens in 1608 aan de bedienaar van de mis (kapelaan Gerid, en na hem kapelaan Bercmans) 5 gulden betalen… Bij de overdracht in 1844 van het Maria-altaar van de OLV broederschap aan de kerk wordt van een Gulde Misse nergens meer gewag gemaakt.8

Wat is een ‘Gulde Misse’?
In eerste instantie denk je aan een gildemis. Immers ook in Gemert wordt het gilde wel eens ‘de guld’ genoemd? Na enig onderzoek moet echter de door Art Zeypsieder gefundeerde ‘Gulde Misse’ toch een andere, meer algemene betekenis hebben gehad van ‘een mis met brandende kaarsen op een versierd Maria-altaar, waarbij in het bijzonder werd stil gestaan bij de blijde verwachting van Maria’.5
In veel bronnen wordt voor een ‘Gulden Misse’ gewezen op een speciale dag en wel de Quatertemper-woensdag na de derde zondag van de Advent, maar dat kan wat betreft de fundatie in 1471 van de Gulde Misse door Art Zeypsieder niet het geval zijn, omdat deze Gulden Misse naar verluidt wordt opgedragen op elke zondagmorgen… Eenduidig is men in Kerkelijke Handwoordenboeken wat betreft de opdracht van de misdienst op het Maria-altaar en met bijzondere aandacht voor de blijde verwachting van, danwel de blijde boodschap aan Maria.

Waar lag de akker van ‘die Gulde Misse’?
In de voorloper van het kadaster, te weten het Gemerts Landboek, zien we dat de Onze Lieve-Vrouwebroederschap van 1717 tot 1816 eigenaar is van twee percelen.6 Het ene perceel ligt aan de Oudestraat en kunnen we hier dus buiten beschouwing laten. Het andere (met landboeknummer 1295) ligt op de Molenakker en meet 3 lopense en 22 roeden dat overeenkomt met 55,728 aren. Zoekend in het kadaster naar een daarmee overeenstemmend perceel komen we uit op het perceel K727 ter grootte van 48,8 are. In 1832 blijkt dat in elk geval ook op naam te staan van de broederschap van Onze Lieve Vrouw, al is dan kennelijk een deel daarvan (ter grootte van zo’n 8 are) inmiddels in andere handen overgegaan. Het langgerekte perceel K727 ligt midden op de Molenakker aan de noordkant van de huidige Virmundtstraat ongeveer ter hoogte van de huidige Van Loestraat, waarvan het het tracé volgt tot aan Binnendoor. Gelet op de kadastrale percelering en de voorgeschiedenis lijkt het er op dat de in het verlengde van K727 liggende percelen K649 t/m K651 van een huis bestaande uit twee woningen met hof gelegen aan de Molenstraat (nu St.-Annastraat) in totaal ruim 10 aren, vroeger deel moeten hebben uitgemaakt van het perceel van de O.L.V.-broederschap. Het oorspronkelijke perceel liep dus helemaal van de Virmundtstraat (voorheen Vloyeneind) tot aan de St.Annastraat (voorheen Molenstraat).
Op 5 februari 1849 koopt de Broederschap het ernaast gelegen perceel K726 (ter grootte van 0,151 hectare) erbij. Maar in het tweede kwart van de twintigste eeuw verandert het broederschapsbezit op de Molenakker van eigenaar. Nadat op 30 maart 1933 al een klein deel ter grootte van 0,0032 ha aan de gemeente is verkocht wordt vervolgens op 13 juni 1948 voor de som van 4000 gulden ook het nog resterende grondbezit op de Molenakker aan de gemeente verkocht.7 Anderhalf jaar later start hier de gemeentelijke woningbouw, die zo’n tien jaar later wordt overgenomen door woningbouwvereniging Goed Wonen.

Art Zeypsieder: oudst bekende zeepzieder in de Nederlanden?
De Art Zeypsieder die we in het voorgaande hebben leren kennen moet te oordelen naar zijn naam het beroep hebben uitgeoefend van zeepzieder. Een beroep dat onder die naam tot op de dag van vandaag bekend is gebleven. De Britse gebroeders Lever zijn over de hele wereld bekend geworden als de fabrikanten van Sunlight van Unilever. Maar ook onze Gemertse Art Zeypsieder heeft iets intrigerends sinds Hans Pennings van het gemeentearchief ons heeft gewezen op de navolgende tekst op de website www.beroepenvantoen.nl: De eerst bekende vermelding van de aanwezigheid van een zeepambacht stamt uit Gouda. In 1507 werd via een ordinantie van de oly ende seepmaeten aan de zeepzieders de verplichting opgelegd de producten in geijkte tonnen te verpakken. Uit 1526 is een voorschrift bekend met voorschriften waaraan de Amsterdamse zeepzieders moesten voldoen. Een aantal keurmeesters moest toezien op de naleving van de voorschriften. Zeepziederijen waren meest kleinere bedrijven met twee tot drie knechten. In de zeventiende eeuw had elke stad er wel een of meer. (…)
En dan te weten dat ‘onze’ Gemertse Art Zeypsieder al in 1471 moet zijn overleden. Vooralsnog zullen we hem dus maar beschouwen als de oudst bekende zeepzieder van de Lage Landen… In het Gemert van de vijftiende eeuw was hij in elk geval een bekend en gezien persoon. In de protocollen van de schepenbank komen we bij een verzoening in het jaar 1470 zijn naam tegen als scheidsrechter, of in overvalst middeleeuws Gímmerts als ‘keersman’ of ‘peismeker’. Een jaar later, vermoedelijk bij zijn overlijden, schenkt hij een huis en akker aan de Molenstraat aan de Gemertse Lieve Vrouwebroeders. Deze broederschap houdt zijn vroegere eigendom maar liefst zo’n vijfhonderd jaar in bezit en bekostigt daarvan heel lang het opdragen van ‘een Gulden Mis’ op het Onze Lieve Vrouwealtaar in de parochiekerk. Art Zeepzieder bezat in Gemert verder nog een erfenisse “neven den Boenenbergh” in de Deel (mogelijk zijn woonhuis), dat na het overlijden vermoedelijk in bezit van de familie is gebleven. Dat Zeepzieder (Zeypsider) als familienaam na het overlijden van Art in Gemertse archivalia tot dusver niet meer is aangetroffen, zou er op kunnen duiden dat de zeepproductie van Art hier niet is voortgezet.9

Tot slot:
Op alle vragen in zake de uit 1471 in Gemert daterende ‘Gulden Misse’ lijkt intussen een antwoord gegeven, al weten we (nog) niet hoelang na 1608/1609 de Gulden Misse nog is gelezen. Nadat de kerk in 1648 werd gevorderd voor de gereformeerden zal daaraan in elk geval (tijdelijk?) een eind zijn gekomen. En wie weet is na de teruggave van de kerk in 1662 de zondagse traditionele ‘Gulden Misse’ niet meer in ere hersteld… Maar hoe het ook zij: De stelling van de Onze-Lieve-Vrouwebroederschap als oudste vereniging van Gemert heeft met het boven water komen van de stichting van ‘de Gulden Misse ter ere van haar patrones’, in elk geval ook meer inhoud gekregen. Met dank aan Art de Zeepsieder, de tot dusver (en voor zolang het duurt) oudst bekende zeepzieder van de Lage Landen.

NOTEN:
1.Peter van den Elsen en Peter Lathouwers, Dôr hédde de skut – de geschiedenis van de Gemertse gilden, Gemert 1982, p.31 e.v.
2. Idem p. 37, 45, 50; Ad Otten, Kapel van Sint Tunnis in de Deel, in: GH nr.67 (1977).
3. Gemeentearchief Gemert-Bakel AG-040 Archief Parochie en kerk Sint-Jansonthoofding invnr.7 Register Gautius folio 237.
4. Grotefend, Taschenbuch der Zeitrechnung, Hannover 1971, p.78. De feestdag van Matheus evangelist, valt op 21 september. Drie dagen na Matheus is 24 september.
5. Geraadpleegd: Wikipedia; Beknopt Kerkelijk handwoordenboek, (……)
6. Jan Timmers en Peter van den Elsen, Het Landboek 1717-1816, Gemert 2003, Gemertse Bronnen dl.3a, blz. 90.
7. Gemeentearchief Gemert-Bakel AG 043 Archief O.L.Vr. Broederschap invnr. 71 diverse documentatie.
8.Idem, invnr. 11 – overeenkomst waarbij ten behoeve van de RK kerk afstand wordt gedaan van het altaar van de OLVr. Broederschap, 13.11.1844.
9. Gemeentearchief Gemert-Bakel – Schepenprotocollen van Gemert R95 dd 31.1.1473 (akte waarin sprake van de erfenis van wijlen Art Zeepzieder in de Deel) en R96 f. 105v. dd 1.8.1470 (Art Zeepsieder is één vd 4 scheidsrechters hier genoemd als ‘keersluden’)

Bekijk PDF

GH-2017-03 Boerderij “Aan de Stinckart”

Van vakwerkgebouw tot bakstenen krukhuis

Jan Timmers

Bouwhistorie van Broekstraat 21
In de Gemertse Broekstraat en Kromstraat staan veel cultuurhistorisch waardevolle boerderijen. Het gebied verdient een status als beschermd dorpsgezicht, zodat niet alleen een paar individuele boerderijen als (gemeentelijk) monument bescherming hebben, maar ook het gehele aanzien van de straat. Door verbouwingen en toevoegingen dreigt het beeld van het oude agrarische landschap te verdwijnen. Door zijn lange geschiedenis kent de Broekstraat ook een flinke diversiteit aan boerderijen. De meesten zijn nu langgevelboerderijen, maar we zien er ook een hallenhuis, een hoekgevelboerderij, een dwarshuis en een krukhuis. De laatste staat op Broekstraat 21 en is het onderwerp van dit artikel.
Een krukhuis heeft een rechthoekig grondplan, met als toevoeging aan het woongedeelte een zijwaartse aanbouw met een eigen dak loodrecht op de nokrichting van de hoofdbouw. Door die aanbouw is een L-vormige plattegrond ontstaan: de vorm van een deurkruk. Boerderij en aanbouw zijn niet tegelijkertijd gebouwd. De aanbouw blijkt te zijn toegevoegd tijdens een verbouwing in 1857. Broekstraat 21 werd in de periode 2000-2002 opnieuw verbouwd en gedeeltelijk gerestaureerd. Er werd toen ook een beperkt bouwhistorisch onderzoek uitgevoerd door het Monumentenhuis.1.

De verbouwing van 1857
Op de oudste kadastrale kaart van ca 1832 staat op de huidige plaats van Broekstraat 21 al een boerderij. De zijwaartse aanbouw die we tegenwoordig zien, was toen nog niet aanwezig. Het gebouw van 1832 was rechthoekig van opzet.

Afbeelding 1

In het dienstjaar 1858 wordt een nieuwe kadastrale hulpkaart getekend, omdat er een nieuwe situatie is ontstaan. De kadastrale nummers H596 (met daarop de boerderij) en H597 zuidelijk ervan (de hof) werden samengevoegd tot het nieuw nummer H864. De boerderij heeft dan op twee plaatsen een zuidelijke aanbouw. Het woongedeelte heeft een “kruk” gekregen en het stalgedeelte is gedeeltelijk verbreed. De hoofdbouw van de boerderij lijkt tegelijkertijd groter te zijn geworden, zowel qua lengte als breedte. Bovendien is een bakhuis en een schop toegevoegd. In april 1858 werd deze nieuwe situatie verwerkt in het kadaster. De verbouwing zal iets eerder, in 1857, hebben plaatsgehad. In het huidige gebouw heeft die verbouwing de nodige sporen achtergelaten. Zo is duidelijk te zien dat het dak op de aanbouw later is toegevoegd en dat het gebruikte materiaal en de constructie afwijkt van het oude dak op de hoofdbouw.

Afbeelding 2

Op afbeelding 2 is duidelijk het onderscheid te zien tussen het donkergekleurde eikenhouten dak boven de hoofdbouw en het later toegevoegde grenenhouten dak boven de aanbouw. In het aangebouwde dak is een rondhouten spant aangebracht. Om vanuit de oudere hoofdbouw naar de zolder in de aanbouw te kunnen is een klein deel van het oude dak verwijderd door het inkorten van twee daksporen. De andere daksporen bleven gehandhaafd. Bovendien werd ten behoeve van de doorgang een stuk uit de worm gezaagd, waarop de ingekorte daksporen hebben gerust.
Ook aan de buitenkant is te zien dat de aanbouw later is toegevoegd. De gebruikte bakstenen verschillen van de bakstenen in het midden van de voorgevel.3 In 1857 werd niet alleen de aanbouw gerealiseerd, maar werd ook de noordelijke langsgevel aan de straatkant gebouwd.4 Daarin werden twee staldeuren naast elkaar aangebracht, waarvan de meest oostelijke in de eerste helft van de 20ste eeuw werd dichtgemetseld. Tegelijk zijn toen in deze gevel stalen ramen aangebracht, waarvan één in de dichtgemetselde deur. Bij de restauratie van 2000-2001 is deze staldeur weer teruggebracht.
De aanbouw aan het stalgedeelte van de boerderij en ook het bakhuis en de schop, die in 1857 werden gebouwd, waren in 1969 nog aanwezig5. Waarschijnlijk zijn deze verwijderd in 1972, toen de boerderij een functie kreeg als autogarage van Jan van de Laar. Er kwam toen een nieuw bijgebouw. In de zuidelijke langsgevel werden grote garagedeuren aangebracht, waarbij de aanbouw aan de stal verdween.

Van oorsprong een hallenhuis
Voor de verbouwing van 1857 had Broekstraat 21 een rechthoekige plattegrond. Op de kadasterkaart van 1832 wordt het zo afgebeeld en toen bestond het dus al in die vorm. Tussen 1832 en 1857 zijn geen verbouwingen in het kadaster geregistreerd. De boerderij was toen een hallenhuis. Hallenhuizen zijn de oudste historische boerderijen in onze regio. Het zijn woonstalhuizen, een combinatie van woning en stal onder één dak. Een schuurgedeelte ontbrak bij hallenhuizen. Van oudsher zijn hallenhuizen houten gebouwen. De hoofdconstructie wordt gevormd door (meestal) vijf ankerbalkgebinten die achter elkaar geplaatst werden. Boven op de verticale stijlen van de gebinten lagen in de lengterichting van het gebouw zogenaamde wormen. De twee wormen aan weerszijden van het gebouw droegen het dak.

Afbeelding 3

De wanden van het hallenhuis zijn van oudsher vakwerkwanden. Een houten raamwerk werd opgevuld met zogenaamd vitselstek: vlechtwerk van (wilgen)takken, besmeerd met leem.7
De oude opzet van Broekstraat 21 als hallenhuis is nog herkenbaar aanwezig. Er is een houtskelet aanwezig, dat tegenwoordig bestaat uit 6 ankerbalkgebinten. In het algemeen werden de ankerbalkgebinten genummerd door zogenaamde telmerken aan te brengen. Dat is bij Broekstraat 21 ook het geval. We komen er verderop op terug.

Afbeelding 4 Afbeelding 5

Het dak is een zogenaamde sporenkap. Het bestaat uit sporenparen die achter elkaar op de wormen worden geplaatst. De twee sporen van een sporenpaar worden bovenaan met houten toognagels aan elkaar vastgemaakt. Iets daaronder worden de twee sporen nog met elkaar verbonden middels een zogenaamde hanenbalk. Onderaan worden de sporen ook met toognagels op de worm bevestigd. Deze dakconstructie werd al in de middeleeuwen toegepast en is in Broekstraat 21 nog compleet aanwezig. Een sporenkap heeft geen nokbalk, wat op de foto duidelijk te zien is.

Veranderingen in de gebinten
Na de nieuwbouw als hallenhuis is er in de loop van de tijd wel het een en ander veranderd en verbouwd. Die veranderingen blijken bijvoorbeeld uit de telmerken op de gebinten. In het bouwhistorisch rapport wordt aangegeven dat het eerste gebint in het woongedeelte het telmerk 2 heeft en dat de volgende gebinten de nummers 3, 4 en 5 dragen. In de plattegrond van afbeelding 7 staan de nog aanwezige ankerbalkgebinten met nummers aangegeven.
Gebint ‘6’ heeft als telmerk 2 en past daarmee niet in de doorlopende nummering. Bovendien zijn alle telmerken op de gebinten 2 t/m 5 aangebracht met een platte beitel, terwijl het telmerk op gebint ‘6’ met een ronde guts is aangebracht. Bij gebint ‘7’ is geen telmerk waargenomen. Uit deze afwijkingen kunnen we concluderen dat de gebinten ‘6’ en ‘7’ later toegevoegd zijn. We hebben al gemeld dat het gebouw op de kadasterkaart van 1857 langer is dan in 1832. Het verlengen van de boerderij blijkt ook uit de kapconstructie. Het dak boven het oostelijk deel van het huis bestaat uit eikenhouten daksporen met een nagenoeg vierkante doorsnede. Het dak boven de verlenging bestaat daarentegen uit rondhouten, grenen daksporen. Oorspronkelijk zal gebint 5 het meest westelijke gebint van de boerderij geweest zijn.
Ook bij de oostelijke gevel is wat te melden. Uit de aanwezige oude telmerken kunnen we concluderen dat er ook een gebint met nummer 1 aanwezig geweest moet zijn, dat oostelijk van gebint 2 gestaan moet hebben.

Afbeelding 7

Het ontbrekende gebint 1 moet ter hoogte van de voorgevel gestaan hebben. In de worm zijn de grote pengaten nog zichtbaar, waar de gebintstijlen van gebint 1 hebben gestaan. Bovendien is in het metselwerk van de voorgevel een duidelijke bouwnaad aanwezig pal onder de worm, die er ook op wijst dat daar voorheen een gebintstijl stond. Links van de bouwnaad bestaat de gevel uit andere bakstenen, dan het rechterdeel (afbeelding 8). Die bakstenen zijn ook ouder.

Afbeelding 8

De nog aanwezige houtconstructie in de boerderij wijst er op dat het oorspronkelijk gebouw bestond uit vijf gebintstijlen. Dat komt overeen met de standaardlengte van oude hallenhuizen, die overwegend uit vijf gebinten bestaan.9 Later werd de boerderij verlengd, aanvankelijk waarschijnlijk alleen met gebint 6. Als de verlenging in één keer gerealiseerd zou zijn, dan mogen we verwachten dat de worm boven de gebinten 6 en 7 uit één stuk zou bestaan. We zien echter juist ten westen van gebint 6 een las in de worm. Dat kan er op wijzen dat de verlenging in twee stappen plaatsvond.

De gevels
Al eerder gaven we aan dat de zuidelijke aanbouw in 1857 werd gerealiseerd en dat toen ook de noordelijke langsgevel aan de straatzijde werd gebouwd. Omdat die langsgevel over de gehele lengte uit dezelfde bakstenen bestaat moeten we aannemen dat de laatste verlenging van de boerderij ook in dat jaar plaats had. De bakstenen in de voorgevel wijken echter deels af. Bovendien zien we in de voorgevel diverse bouwsporen die wijzen op latere aanpassingen en veranderingen (afbeelding 8). De lange verticale bouwnaad in de voorgevel wijst erop dat aanvankelijk alleen het midden gedeelte van de voorgevel tussen de twee gebintstijlen een bakstenen gevel heeft gehad. De bakstenen van het rechterdeel zijn hetzelfde als de bakstenen van de L-vormige aanbouw en van de langsgevel aan de straatzijde. Zoals we zagen dateren dat metselwerk en die bakstenen uit 1857. In de Bouwhistorische verkenning wordt het muurwerk van het middengedeelte van de voorgevel voorzichtig gedateerd op de tweede helft van de 17de eeuw. Het dateren van bakstenen op basis van afmetingen, baksel en kleur is lastig en veelal moet een ruime marge worden aangehouden. Het toepassen van baksteen bij boerderijen in oostelijk Brabant is in de 17de eeuw nog zeker niet ingeburgerd. We zien in Gemert wel bakstenen gevels bij boerderijen in bijvoorbeeld 1699 en 1734, maar daarbij valt het op dat het dan andersoortige, geelgekleurde baksteen betreft en dat het om voor die tijd relatief rijke en grote boerderijen gaat.10 In oost Brabant wordt baksteen bij boerderijen pas in het begin van de 17de eeuw toegepast en dan nog alleen bij grote abdijboerderijen. Brede toepassing van baksteen vindt pas plaats vanaf het midden van de 18de eeuw.11 Op basis van deze gegevens lijkt het waarschijnlijk dat het middendeel van de voorgevel van Broekstraat 21 omstreeks 1750 in baksteen werd uitgevoerd. Voor die tijd zal het een gevel geweest zijn van vakwerk, bestaande uit een houten raamwerk, voorzien van vlechtwerk met wilgentenen, besmeerd met leem. Datzelfde geldt voor de andere gevels, die pas veel later werden vervangen door bakstenen muurwerk. Dat lijkt in ieder geval zo te zijn voor de langsgevel aan de straatzijde.

Verdwenen vakwerkwand
In het Bouwhistorisch rapport wordt melding gemaakt van een stuk van een vakwerkwand. Gezien vanuit de toenmalige keuken (zie afbeelding 7) wordt de scheidingsmuur met de toenmalige woonkamer als volgt beschreven: “De achtermuur, waarin een stijl van een ankerbalkgebint is geïntegreerd, bestaat uit geel kleurige bakstenen (baksteenformaten: 21×10,5×5/5,5 cm, rommelig werk) waarin een later aangebrachte deur. Boven het baksteenwerk een vakwerkwandje met twijgen bestreken met leem. In het wandje een houten luik.” Het gaat hier om een restant van een vakwerkwand tussen de voorgevel en gebint 2. De foto die daarbij werd afgebeeld staat in afbeelding 9. Daarnaast bleek ook tussen de gebinten 2 en 3 een vakwerkwandje aanwezig te zijn.

Afbeelding 9

Merkwaardig genoeg bevindt het restant van de vakwerkwand zich niet op de plaats van de huidige buitengevel, maar tussen de gebintstijlen. Omdat vakwerkwanden alleen als buitengevels voorkomen, lijkt het er op dat deze wand aanvankelijk de buitengevel van de boerderij was. In dit verband is het ook opmerkelijk dat in de gebintstijlen t/m gebint 5 op halve hoogte pengaten aanwezig zijn, die er op wijzen dat de gebinten in de lengterichting met elkaar verbonden moeten zijn geweest. Op afbeelding 4 zijn die pengaten in de zuidelijke rij stijlen goed zichtbaar. Ook in de noordelijk rij stijlen waren deze pengaten aanwezig. Deze verwijderde langsverbindingen kunnen er ook op wijzen dat aanvankelijk hier de buitengevels van de boerderij aanwezig waren. In de noordelijke rij stijlen ontbrak een dergelijke langsverbinding tussen de gebinten 3 en 4, wat te maken kan hebben met de aanwezigheid hier van de staldeur naar de potstal. Als we deze bouwsporen goed interpreteren dan moet de boerderij later verbreed zijn. Al op de kadasterkaartjes van 1832 en 1857 konden we constateren dat de boerderij in 1857 breder was dan in 1832. Vóór 1857 zou de boerderij dan geen zijbeuk(en) hebben gehad. Dat zou wel een heel bijzondere situatie zijn. Hallenhuizen zonder zijbeuken of met maar één zijbeuk zijn uiterst zeldzaam.

Indeling
Zoals ook nog in 2000 was het oostelijk deel van de boerderij het woongedeelte. De scheidingswand met het stalgedeelte bevond zich ter hoogte van gebint 3. Tegen deze scheidingswand bevond zich de schouw. De ruimte tussen de gebintstijlen was de ‘herd’, het belangrijkste woonvertrek. De ankerbalk van gebint 2 bevond zich midden in dit vertrek en was bij de noordelijke stijl versiert met een zogenaamd sleutelstuk.

Afbeelding 10

Juist voorbij gebint 2, vlak voor de schouw was in de zolder een raveling gemaakt t.b.v. een grote opening, waarin een zolderluik aanwezig geweest zal zijn.
In de noordelijke zijbeuk, waar in 2000 nog steeds de keuken was, was aanvankelijk een kleinere spoelkeuken met daarnaast een kelder. De kelder was gedempt, maar de keldervloer was circa 40 cm onder de bestaande vloer nog deels aanwezig. Een eventuele opkamer zal tegelijkertijd zijn verwijderd.

Eigenaars en bewoners
In de Gemertse schepenprotocollen worden doorgaans de verkopen en erfdelingen van onroerend goed in Gemert opgetekend. Onderzoek in die protocollen leverde teruggaand in de tijd een lijst op van de eigenaren van de boerderij Aan de Stinckart op Broekstraat 21. Steeds konden voorgaande eigenaars worden teruggevonden tot aan het jaar 1622. Op 3 januari 1622 vindt een erfdeling plaats tussen de erfgenamen van Dirk Goorts alias van Nouwenhuis. Zoon Jan erft “het nieuwe huis aan de Stinckart”. De boerderij zal niet lang daarvoor zijn gebouwd. Dat is meteen het begin van de lijst van eigenaren. Kennelijk bouwde Dirk Goorts op de plek van Broekstraat 21 een nieuw huis. Vanaf 1832 konden in de kadastrale archieven de latere eigenaars worden achterhaald. Dat levert de volgende lijst op van Broekstraat 21, Gemert. 12

Jaar van verwerving Eigenaars
Voor 1622 Dirck Goorts alias van Nouwenhuis zoon van Goort Dirks en Anna van Nouwenhuis, bouwt boerderij Broekstraat 21
1622 3-1-1622 erfscheiding kinderen van Dirk Goorts van Nouwenhuis. Zoon Jan erft het nieuwe huis “aen de Stinckart”
1657 9-1-1657 erfscheiding kinderen van Jan Dirk van Nouwenhuis. Leonard van Zeeland, man van dochter Aelken erft het huis aan de Stinkart
1677 27-12-1677 erfscheiding kinderen Leonard van Zeeland en Aelke Jan Diercx van Nouwenhuis. Jan van Empel, man van dochter Jenneke krijgt “huysinge, schuere, hoff, den dries ende aengelegen landereyen aen den Stinckaert”
ca 1694 Elisabeth van Empel, dochter van Jan van Empel, erft het huis aan de Stinckart. Zij huwt dan met Ermgard van Hoven en hertrouwd in 1699 met Emond Arnoldi van Elderen
1710 Huis in de Stinckert wordt bewoond door Elisabeth van Empel, de dochter van Jan van Empel
1754 De erfgenamen van Emond Arnoldi van Elderen bieden in 1744 het huis al te koop aan. Pas op 31-1-1754 verkopen zij huis met toebehoren aan Antony van Dinther
1796 26-7-1796 erfscheiding kinderen Antony van Dinther en Woutrina van Veghel. Zoon Jan krijgt huis en hof aan de Stinckert, 10 lopense groot.
1845 Antony van Dooren, man van Antonia van Dinther, dochter van Jan Toni van Dinther en Maria Wellen van Melis
1861 Hendrikus van Lijssel, man van Catharina van Dooren, dochter van Antony van Dooren
1898 Verkoop door de erfgenamen van Hendrik van Lijssel aan fabrikant Jan Groeneweg
1912 Marinus Groeneweg
1914 Firma J B Groeneweg en zonen
1917 Hubertus Petrus Groeneweg
1969 Theodorus van de Laar
1972 Jan van de Laar
2000 Pim Koenders
2005 Gerard van Helvoort
2017 Alex Boudewijns

In de lijst van eigenaren valt op dat de boerderij in de meeste gevallen in de familie blijft en overerft op zoon of dochter. Alleen in 1754 (verkoop door de erfgenamen van Emont Arnoldi van Elderen), in 1898 (verkoop aan de firma Groeneweg) en vanaf het eind van de vorige eeuw worden andere families eigenaar. De meeste eigenaars zullen ook daadwerkelijk op de boerderij hebben gewoond. Eén uitzondering daarop is in ieder geval Jan Ambrosius van Empel. Hij was afkomstig van Den Bosch en molenaar op de watermolen van Hooidonk. Zijn aangetrouwde neef Hendrik Dries Jan Josephs van Dommelen alias van Ouwenhuis was van de nog onverdeelde boedel tot 1675 huurder. Daarna huurt Cornelis Jan Dirx van Zeeland de boerderij met bijbehorende grond. Ook dochter Elisabeth van Empel verhuurt de boerderij als zij met haar eerste man in Cuijk woont. Ook later wordt de boerderij verhuurd, zoals in 1726 toen Antony Peter Gruijters (Bakel) de nieuwe huurder werd. Ook toen de familie Groeneweg eigenaar was, werd de boerderij verhuurd aan anderen.

Aanvullende bouwhistorische gegevens
In de lijst van erfdelingen is die van 9 januari 1657 nog van belang. Het betreft een deling tussen de twee erfgenamen van Jan Dirk van Nouwenhuis: Dries Jan Josephs van Dommelen en Lenart Willems van Zeeland. Lenart krijgt onder andere het huis aan de Stinckert ‘met een gebont van de schuur naast de straat met de boomgaard’, Dries Jan Josephs van Dommelen krijgt behalve een huis en boomgaard aan de Liesbeemd, ook nog ‘twee gebonden van de schuur aan de Stinckert, behoorlijk afgebroken’. Bij de boerderij aan de Broekstraat stond kennelijk een schuur van drie gebinten (gebonten), die onder de twee erfgenamen werd verdeeld en ‘behoorlijk’ (lees: naar behoren) werd afgebroken. Lenart die ook de boerderij aan de Broekstraat kreeg, mocht één gebint hebben en de andere twee werden meegenomen door zijn mede-erfgenaam. Naar alle waarschijnlijkheid heeft Lenart dat gebint gebruikt om zijn boerderij een stukje langer te maken. Hij heeft dan kort na 1657 gebint nummer 6 toegevoegd.
Ook de verpachting van 2 januari 1726 van huis, hof en aangelag ‘aan de Stinckert’ bevat voor de bouwhistorie nog een aardig detail. Naast de huurprijs, die 38 gulden bedraagt met daarbij nog 50 vaten rogge, 2000 tussen (plaggen) en 1200 pond dakstro, wordt nog bepaald dat de verhuurder zorgt dat de wanden en het dak dicht blijven, maar dat de huurder kosteloos de leem moet vervoeren, die voor de reparatie van het huis nodig is, en dat hij bovendien de arbeiders de kost moet geven tijdens de onderhoudswerkzaamheden. We vinden hier een bevestiging dat de wanden van het huis in 1726 nog niet van baksteen zijn, maar nog steeds met leem moesten worden onderhouden.

Afbeelding 11

Bouwhistorisch overzicht
Beginnend bij het begin kunnen we samenvattend het volgende overzicht van de bouwhistorie van Broekstraat 21 opstellen.13

Fase 1 1610-1622 Bouw van een nieuw huis op wat nu Broekstraat 21 is
Fase 2 1657-1660 Waarschijnlijk wordt de boerderij verlengd met één gebint
Fase 3 ca 1754 Nieuwe eigenaar Anthony van Dinther bouwt het middendeel van de voorgevel op in baksteen14
Fase 4 1857 Antony van Dooren verbouwt de boerderij tot krukhuis. Tegelijk wordt het pand verbreed en verlengd met een tweede gebint. De zijgevels worden in baksteen uitgevoerd
1972 Het pand wordt door Jan van de Laar van boerderij omgebouwd tot garage. De functie verandert, de vorm nauwelijks
Fase 5 2000-2002 De boerderij wordt verbouwd door de familie Koenders. Ook het stalgedeelte wordt woonhuis.

Afbeelding 12

NOTEN
1. Johan van den Eijnden, Bouwhistorische verkenning Broekstraat 21 te Gemert, Geertruidenberg 15-3-2001.
2. Kadasterkaarten van 1832 zijn te raadplegen op http://beeldbank.cultureelerfgoed.nl. Kadastrale hulpkaarten bevinden zich in het archief van het kadaster en te raadplegen in BHIC – Den Bosch. Met dank aan Mariet Adriaans die deze hulpkaarten aanleverde.
3. Zie noot 1. Als baksteenformaten wordt aangegeven 21 x 11 x 5/5,5, 10 lagen is 69 cm
4. In de Bouwhistorische verkenning wordt aangegeven dat de gebruikte bakstenen in de noordgevel ook midden 19de eeuws zijn.
5. Kadastrale hulpkaart sectie H 203, dienstjaar 1969. Met dank aan Mariet Adriaans.
6. Bernard van Dam; Oud Brabants dorpsleven;
7. Jan Timmers, Judith Toebast, Mark Bimmel; Historische boerderijen van Peelland tot Land van Cuijk, Geertruidenberg 2012
8. Afbeelding uit het bouwhistorisch rapport. Zie noot 1.
9. Zie noot 7
10. Het gaat om boerderijen in Deel (1699), Handel (1715, oorspronkelijk muurwerk is verwijderd), Kromstraat (Blauwe Kei 1734). Allemaal grote boerderijen die gebouwd werden als combinatie boerderij-herberg. Bij alle drie zijn geelbakkende bakstenen gebruikt. Zie: Jan Timmers, In Memoriam, Boerderij Smulders, Onze Lieve Vrouwestraat 62 in Handel, Gemerts Heem 2001, nr 2.
11. Hein Vera, …. dat men het goed van den ongeboornen niet mag verkoopen. Gemene gronden in de Meierij van Den Bosch tussen hertog en hertgang 1000-2000, Dissertatie Nijmegen 2011; Jan Timmers, Judith Toebast, Mark Bimmel, Historische boerderijen van Peelland tot Land van Cuijk, Geertruidenberg 2012.
12. Er is gebruik gemaakt van de regesten van het rechterlijk archief van Gemert, aanwezig op het gemeentearchief. Willy Ivits reikte enige genealogische gegevens aan. Een werkgroep van de heemkundekring verzamelde gegevens over gemeentelijke monumenten uit de kadastrale legger, waarvan gebruik gemaakt is.
13. Gegevens voor de bouwhistorie van Broekstraat 21 zijn verzameld door auteur tijdens de verbouwingsperiode 2000-2002. Het bouwhistorisch rapport leverde aanvullende gegevens. Alle foto’s zijn van de auteur, tenzij anders vermeld.
14. De eerste bakstenen voorgevel kan ook eerder zijn gerealiseerd. In het Bouwhistorisch rapport wordt eerder gedacht aan de 17de eeuw. Het gebruik van baksteen was in die periode echter nog geen gemeengoed. Mogelijk dat de families Van Empel of van Elderen de gevel hebben gebouwd, maar dat is niet aannemelijk.
15. Bewerking door de auteur van de plattegrond uit het bouwhistorisch rapport (noot 1).

Bekijk PDF

GH-2017-03 Jan van de Laar, marinier in Indië

Simon van Wetten

GEMERT – U kent de theorie dat een minieme beweging van een vlindervleugel kan uitgroeien tot een orkaan aan de andere zijde van de wereld. Het is vergelijkbaar met geboren worden op een moment dat als voorbestemming met zich meebrengt dat je een kleine twintig jaar later in militaire dienst moet, juist als een overzees gebiedsdeel van Nederland in brand staat.

Het overkwam veel Nederlandse jongens die in de tweede helft van de jaren ’20 in de vorige eeuw zijn geboren. Zo ook Jan van de Laar uit Gemert. Hij woont nu, eenennegentig jaar oud, nog steeds in het huis waarin hij ter wereld kwam, namelijk de bekende boerderij aan de Wijnboomlaan, waarvan de naam in pannenmozaïek op het dak te lezen is: de Ploesterdonk. “In mijn jeugdjaren was het wijde gebied om onze boerderij mijn speelterrein,” vertelt Jan. “De Hoef achter het kasteel, de Broekkant, de Snelle Loop. Dat riviertje stuwden we zomers op door middel van een dammetje, dan werd het diep genoeg om er te leren zwemmen.” De zorgeloze jeugd werd wat minder zorgeloos toen de oorlog uitbrak en de Duitsers ons land bezetten. Maar het leven ging, overschaduwd weliswaar, toch gewoon door. Na de algehele bevrijding van Nederland, toen de administratie van de overheid weer enigszins op orde was, viel er een brief op de deurmat van de Ploesterdonk: de oproep voor Jan om zich te melden. Het vaderland had hem nodig.
Het werd de Koninklijke Marine, afdeling mariniers. En zo kwam de dag dat Jan, die de andere kant van Gemert al als “wijd weg” beschouwde, op één en dezelfde dag voor het eerst van zijn leven geconfronteerd werd met een treinreis, de weg zoeken door de metropool van Amsterdam én het zich inschepen op een zeeschip. Ga daar maar eens aanstaan! De boot heette “Nieuw-Holland” en het nieuwe zat ‘m in het feit dat het eigenlijk een vrachtschip was, omgebouwd voor troepenvervoer. Vijfenveertighonderd manschappen moesten er, een ware mierenhoop vormend, een plekje vinden. “De stank in het ruim was niet te harden,” herinnert Jan zich. “Toen we eenmaal Gibraltar waren gepasseerd – een bezienswaardigheid trouwens – heb ik ’s nachts op het dek geslapen. Je moest wel op tijd uit je slaapzak, want ’s morgens vroeg werd het dek schoon gespoten en degenen die dat moesten doen vonden het maar wat leuk om je op die manier wakker te maken.” Jan glimlacht als hij zich het enorme beeld van Ferdinand de Lesseps voor de geest haalt, de ‘graver’ van het Suez-kanaal. “Wel tien meter hoog, dat beeld. En vanaf dat moment was de reis een feest. De tocht door dat kanaal, de Rode Zee die dus écht rood is, de dolfijnen, de walvissen, en uiteindelijk de aankomst op Sabang, een klein eilandje bij Sumatra. Ik vond het allemaal prachtig. Ik heb op Sabang voor de allereerste keer ananas gegeten. Heerlijk! Wat trouwens wel heel gek was, daar op de vaste wal, dat de grond scheen te bewegen en te golven. Dat schijnt heel normaal te zijn als je een maand op zee hebt gezeten.”
Sabang was niet de eindbestemming. Alle hens ging weer aan boord en verder ging het, via Batavia naar Soerabaja. Wennen aan het klimaat was de eerste opdracht. Jan werd ingedeeld bij de genie, afdeling tankreparatie. “Ik moest tanks schoonspuiten en dat ging vlug vervelen. En toen heb ik misschien wel de grootste fout van mijn leven gemaakt: ik liet me overplaatsen naar de VDMB, de Veiligheidsdienst van de Mariniersbrigade. Dat had ik nooit moeten doen. Er zaten vooral geschoolde Indische jongeren bij en ik voelde me daar als boerenpummel sowieso niet op mijn gemak. Bovendien kwam ik er al snel achter dat het bij het verhoren van de gevangenen er soms heel hard aan toeging. Aan de andere kant: die jongens spraken de taal, kenden het terrein. Je voelde je bij hen een stuk veiliger.”
Jan komt nu zichtbaar geëmotioneerd toe aan het moeilijke deel van zijn verhaal. “Simon, ik ben gruwelijk zenuwachtig.” “Dat ligt hoop ik toch niet aan mij, Jan?” “Nee, maar ik wil het goed vertellen, het moet kloppen, en sinds ik een hersenbloeding heb gehad ben ik heel emotioneel, zeker bij wat ik nu door jou wil laten vastleggen.” De eerste heftige herinnering volgt. Het gaat over gevangen TNI-strijders, die hun eigen graf moesten graven. Eén van die jongens, door de Nederlanders verrast in zijn hut, riep dat hij onschuldig was, dat hij tot niets in staat was vanwege een geslachtsziekte. Jan zei bedaard dat hij dat dan maar moest bewijzen, en de man tilde zijn sarong op. “Het was daar beneden één grote wond.” Het redde de man, vreemd genoeg omdat het een levensbedreigende ziekte betrof, zijn leven. Een andere TNI-er, een officier, liep over naar de Nederlanders. Hij werd eerst naar een gevangenkamp overgebracht, en toen zijn betrouwbaarheid voldoende was getoetst, werd hij bij Jan ingedeeld als marinier derde klas. Jan: “Ik heb nooit een betere kameraad gehad.” Samen met de andere militairen werden er hinderlagen gelegd en mensen ondervraagd, op zoek naar infiltranten. Een pijl in de grond duidde op een gemarkeerd pad. “We noemden dat een infiltratiepad en we gingen er in het donker met een mitrailleur naartoe. Toen we wat hoorden ritselen, hebben we op het gehoor geschoten. Het bleken een vrouw, een kind en twee mannen te zijn. Dood.”
Maar ook de Nederlandse soldaten kwamen soms in een hinderlaag terecht. “Ik zat achter in de vrachtwagen en plotseling werd er geschoten. Eén jongen sneuvelde, een ander raakte zwaar gewond. Tja, die verzetsstrijders – wij noemden ze ploppers, of pemoeda’s, en ook wel terroristen – doken plotseling op, pleegden hun actie en waren weer foetsie. Een echte guerrilla-oorlog. Je was je leven geen moment zeker.” Ook onderling waren de Indiërs niet bepaald zachtaardig. “Een spion van de tegenpartij had het gezin van één van onze spionnen vermoord. De dader werd na vier weken zoeken gearresteerd, we deden hem een strop om de hals, voerden hem mee en bonden hem bij ons kampement vast. Onze spion heeft die kerel, die zich natuurlijk niet kon verdedigen, toen met een helm de hersens ingeslagen. De man was er zo erg aan toe dat iemand hem een genadeschot heeft gegeven. Maar wij hebben onze spion wel z’n gang laten gaan. Als ik daar nu op terug kijk, kan ik dat niet begrijpen, niet bevatten.” Door het uitspreken van die laatste zin herinnert Jan zich plots nóg een gruwelijk voorval. “Een Zeeuwse jongen ging regelmatig alleen de kampong in om wat extra eten te halen. We waarschuwden hem vaak: Doe dat nou niet, ze pakken je een keer. Op een gegeven moment kwam hij niet meer terug. We hebben toen een patrouille uitgezet en we vonden hem – in drie stukken gehakt.”
Er werd een Japanner gevangen genomen. “Hij vocht sinds de atoombommen voor Soekarno. We hebben hem verhoord, maar hij wist te vluchten. We moesten hem zoeken en stelden een val op. We lagen verscholen achter rode zwerfkeien. Hondengeblaf in de verte. Er kwamen dus mensen aan. Ik draaide me om, en keek recht in de loop van een geweer. Cejaar, de ex-officier van de T.N.I., deed een lamp aan en zei: Niet schieten. Het zijn eigen jongens. Ik heb aan hem mijn leven te danken. Toen we naar onze post terugkeerden, kwamen we twee mannen tegen met een draagbaar, waarop die Japanner lag. Hij leek dood, maar bij nader inzien ademde hij nog. Ze wilden hem desondanks begraven. Levend! Toen werd er door sommige jongens gepleit voor een kogel, en die heeft die man ook gekregen.”
Een andere keer diende Jan en zijn mannen mitrailleursnesten te beveiligen. “We kregen toen een massale aanval te verwerken, ik denk dat er wel honderd mensen op ons afkwamen, nota bene tijdens de wapenstilstand. Er zijn toen verscheidene doden gevallen. Toen ik eindelijk naar huis mocht, zeiden ze bij mijn aankomst op de Wijnboomlaan: “Wa kiekt ie toch wild.” Maar verder werd er niet over de belevenissen van Jan gepraat. “Dat wilde ik zelf ook niet. Ik had er geen behoefte aan.” Jan geeft duidelijk aan dat hij en z’n medemariniers geen helden waren. “Zeker niet. Toch, hoe vreemd en tegenstrijdig het ook moge klinken, ik had het niet willen missen. Dat had te maken met het militair zijn. Ik vond uniformen geweldig. En het heeft te maken met het gevoel dat het nu eenmaal een deel van mijn levensgeschiedenis is. Ik ben daar in dat verre, vreemde land mede gevormd tot degene die ik daarna was en nog steeds ben.”
Eenmaal thuis wilde Jan emigreren. Maar dat mocht niet van vader en moeder. “En toen luisterde je nog naar je ouders.” Jan trouwde zijn Riek, werd een succesvol aardbeienteler en leefde zijn leven. Tot het moment dat hij, vooraan in de zestig, voor het raam naar buiten stond te kijken en een donkere wolk alles verduisterde. Niet buiten, maar binnen, in zijn hoofd. Zomaar ineens. “Ik ben daar zo ongeveer drie weken voor dat raam blijven staan. Ik was tot niets meer in staat.” Sindsdien sleept Jan zijn Indië-ervaringen met zich mee, duikt telkens weer een van de vele bloedstollende, gruwzame en afschrikwekkende voorvallen op. Drie keer is Jan, vooral op doktersadvies, op vakantie naar Indonesië gegaan. Met vijftien andere mariniers. Jan heeft ginds mensen ontmoet die tegen de Nederlanders hebben gevochten. “Ze waren desondanks heel gastvrij. Ik vroeg: Haten jullie ons niet? Ze antwoordden dat ze geen haatgevoelens hadden. Dat ze niet haatdragend waren omdat de Nederlandse jongens móésten vechten, of ze wilden of niet. Die uitspraak heeft mij goed gedaan. Niet dat ik sindsdien al die nare herinneringen kwijt ben, dat niet, helaas. Daar kun je niet mee leren leven, je hebt er maar mee te leven.”
Met die laatste zin heeft Jan helder omschreven hoe ingrijpend de samenloop van omstandigheden is geweest die zijn lot bepaalde. Niet alleen toen, maar ook nu, na een lang leven. Op het verkeerde moment geboren, in een ongunstig tijdgewricht de dienstplichtige leeftijd bereikt, op een punt in de wereldgeschiedenis, net na de Tweede Wereldoorlog, dat er niet erg goed werd nagedacht en het zicht op de juiste menselijke verhoudingen, zeker ook bij de diverse regeringen, diffuus was. En als een jaar of tien, twintig later nieuwe inzichten ontstaan, dan wordt ineens vergeten dat de dienstplichtige jongens van toen door vrijwel iedereen in Nederland als de verdedigers van volk en vaderland werden gezien. Net zo goed als het feit dat uit de herinnering is gewist dat die jongens er nooit om hebben gevraagd om in onze kolonie te ‛mogen’ vechten. Ze móésten! Het zijn kinderen van hun tijd, zoals we dat allemaal zijn. Maar soms heb je de tijd méé, soms heb je ‘m tegen. Dit laatste is overduidelijk het geval voor Jan van de Laar en zijn generatiegenoten, zijn ‘lichting’. Laten we dát vooral niet vergeten.

Bekijk PDF