logo2

  • Molenakker
  • Stippelberg

GH-2004-01-02 Missionarissen in parochiezorg

Ton Thelen

 In oktober 1984 traden drie paters van de congregatie van de H. Geest in de functie van pastor van de parochie Gemert-Kern. De pastorale zorg was na 180 jaar weer geheel in handen van de kasteelbewoners. Zo'n drieëneenhalve eeuw hadden priesters van de Duitse Orde de parochie bediend, toen in 1803 formeel deze taak overging naar H. den Dubbelden, de eerste wereldheer. Acht pastoors volgden hem op; de laatste in 1966. Met het vertrek van pastoor Toon van Oort, die in Handel van zijn welverdiende rust ging genieten, was er geen opvolger vanuit het bisdom meer beschikbaar. Een religieus instituut, nog wel een missiecongregatie, nam nu op verzoek van de bisschop in het dorp Gemert alle taken over van de seculiere geestelijkheid. Gelet op de al enige jaren sterk teruglopende priesterroepingen en de toename van uitgetreden priesters, waardoor steeds meer parochies met een onvervulbare vacature kampten, zou je inderdaad van een nieuw soort missiegebied kunnen spreken. Met dit verschil nog, dat de nieuwe geestelijke herders uit onze westerse cultuurgemeenschap kwamen en niet andersom uit de voormalige missiegebieden.

De verhouding tussen parochie en klooster

Zowel seculiere priesters (wereldheren) als klerikale religieuzen (priesters die leven in de gemeenschap van een klooster of congregatie) hebben een taak in de zielzorg, het apostolaat dat door Christus aan de Kerk is opgedragen. Deze zorg voor het geestelijk heil strekt zich uit van het toedienen van de sacramenten tot velerlei vormen van maatschappelijk werk. De historisch gegroeide dubbele levensvorm in de priesterlijke stand, van seculieren en regulieren, en de omstandigheid dat naast het algemene pauselijke apostolaat dat dwars door de kerk heengaat, van boven naar onder, er binnen de kerkorganisatie een territoriaal begrensde vorm van apostolaat onderscheiden wordt, de diocesane en parochiële zielzorg, brengt een zekere spanning met zich mee tussen de taken en onderlinge gezagsverhoudingen van seculiere en reguliere priesters. Door de eeuwen heen heeft deze gecompliceerde situatie in de praktijk tot verwarrende verstrengelingen en zelfs tegenstellingen en onderlinge concurrentie geleid. Met name in de negentiende eeuw, toen de religiositeit en devotie onder de bevolking sterk werden aangewakkerd, meer maatschappelijk actieve kloosterstichtingen werden opgericht of bestaande orden meer 'buitenwerk' gingen verrichten en de missie als nieuw en veelbelovend werkterrein in beeld kwam, deed zich dit gelden en het belang gevoelen van een zekere mate van terreinafbakening.
Op lokaal niveau ging het kortweg gezegd om de verhouding tussen de competentie van pastoors en paters. Zo diende er rekening mee te worden gehouden dat de parochiële zielzorg niet door activiteiten van de religieuzen vanuit hun paterskerk of -kapel verstoord werd. Het was niet de bedoeling dat zich rondom een kloosterkerk een soort van tweede parochie zou vormen. Van de leden van klerikale religieuze gemeenschappen werd verwacht dat zij graag, zoals dat omschreven werd, assistentie verleenden in de parochiële bediening als zij daarom gevraagd werden. In die zin bleven zij deel uitmaken van de parochie, al onttrok hun eigen organisatie en zielzorg zich aan de directe bemoeienis en het gezag van pastoor en bisschop. Regels waren er ook voor de parochianen. In beginsel waren zij verplicht om de sacramenten te ontvangen van de eigen pastoor en in de eigen parochiekerk aan de verplichte mis deel te nemen. De vestiging van een klooster behoefde tenslotte de instemming van de bisschop in het desbetreffende diocees. Al dergelijke formele regelingen en afspraken dienden ertoe om ongewenste vormen van overwicht of onderschikking en concurrentie te voorkomen, in het belang van het apostolaat van de Kerk als geheel. Daarmee was zeker niet beoogd dat een angstvallig bewaakte 'apartheid' over een goede onderlinge verstandhouding heen schoof. In latere jaren zijn zulke regels aangepast, getuige het bestaan van de Kapelgroep (zie de bijdrage van Frans van Hattum). De Kerk is immers ook een kerk in ontwikkeling.

Het 'Gemertse contract'

Tegen de achtergrond van deze bepalingen uit het kerkelijk wetboek worden ook de wonderlijk aandoende afspraken begrijpelijk, die in 1928 overeengekomen zijn tussen het bisdom en de parochie en de congregatie van de H. Geest, toen haar aanwezigheid in Gemert door de aankoop van het kasteel een blijvend karakter kreeg. Zo mocht de opleiding van de paters op het kasteel niet de naam van seminarie dragen om verwarring te voorkomen met de gelijknamige instituten van het bisdom. De leden van de congregatie en haar studenten moesten in hun onderhoud voorzien zonder giften in geld of in natura in te zamelen, tenzij zij daarvoor van de bisschop schriftelijk toestemming hadden gekregen. De kapel was alleen toegankelijk voor parochianen die te gast of familieleden die op bezoek waren. Enige bemoeienis met de parochiële zielzorg of het parochiële leven was niet toegestaan, afgezien van de gevraagde assistentie. De omgang met de Gemertse bevolking was beperkt tot beleefdheidsbezoeken of noodzakelijke aangelegenheden. Dit gold ook voor de studenten en novicen. Ook pastoor Poell vond dat de omgang met de parochianen beperkt moest blijven. Na Vaticanum II en de voortgaande veranderingen binnen kerk en samenleving zijn allerlei beperkende bepalingen als deze opgeheven. Zo kregen de seminaristen van het kasteel in hun opleiding juist de verplichting opgelegd om in het dorp sociaal werk te verrichten. Al eerder en wel in de jaren vijftig waren de theologanten onder leiding van pater Cor Neven ingeschakeld in het katechese-onderwijs in de Gemertse scholen en scholen in de omgeving.

Goede buren

Deze formele afspraken stonden een goede relatie tussen de congregatie en de pastorie niet in de weg. Zowel de congregatie van de H. Geest als haar voorgangers, de Franse jezuïeten, hadden hier hun priesteropleiding en verleenden de pastoor assistentie. Evenmin als bij de jezuïeten, waarvan de relatie met de parochie niet veel verder ging dan af en toe een mis lezen in de Sint-Janskerk, stelde die relatie bij de paters van de H. Geest veel voor. Wel werden zij zoals hun voorgangers de vaste mislezers in de kapel van het Gasthuis, het bejaardenhuis dat gedreven werd door de zusters franciscanessen. Tot halverwege de jaren vijftig van de twintigste eeuw veranderde er niet veel in het aandeel dat de paters in de parochiële zielzorg hadden.
Dat de onderlinge verstandhouding goed te noemen was, blijkt onder meer uit een brief van pastoor Poell aan de Bossche bisschop naar aanleiding van de voorgenomen aankoop van het kasteel. Poell hoopte dat de verandering van eigenaar voor parochiekerk en parochiewerk aangename gevolgen mocht hebben: 'wat ik, doordat ik de Paters van den H. Geest nu meer dan twaalf jaren ken, ook verwacht.' Met deze opmerking doelde hij op de slepende kwestie over de aankoop van een strook grond tussen de parochiekerk en het kasteel, waarop hij een nieuwe pastorie wilde bouwen. De onderhandelingen daarover met de voormalige eigenaren, de jezuïeten, verliepen erg stroef. Zowel de hoge prijs die werd gevraagd - de parochie had toch geld genoeg - als de erfdienstbaarheden die op de grond rustten, vormden een onoplosbaar knelpunt. Het kwam er dan ook niet van. Met de nieuwe kasteelheren, de congregatie van de H. Geest, was het beter onderhandelen. Zij waren bereid om de pastoor tegemoet te komen, zodat deze zijn bouwplannen kon realiseren. Zij verzochten Poell echter om een duidelijke overeenkomst op te stellen: 'Dit niet om U ook maar in het minst te hinderen, maar slechts om zeker te zijn, dat later geen moeilijkheden zullen ontstaan tusschen onze respectieve opvolgers.' In 1933 tekende beide partijen voor notaris Verlinden de overeenkomst, die de pastoor het groene licht gaf om de pastorie te laten bouwen. Dat pas in 1935 het plan gerealiseerd kon worden, had geheel andere oorzaken.

Bijzondere gebeurtenissen

De zo strikt geformuleerde omgangsregels maakten de kasteelbewoners en de dorpsbewoners nog niet tot vreemdelingen voor elkaar. Dat bleek wel uit het medeleven van de Gemertenaren bij de feestelijke en spraakmakende gebeurtenissen die kleur gaven aan het leven van alledag. Zondag 2 september 1928 was het Missievoetbaldag, waarvan de opbrengst ten goede kwam van de missie.
De missiecongregatie van de H. Geest was in het ere-comité vertegenwoordigd door de kasteeloverste pater Charles Luttenbacher. Ook in 1918 waren missiewedstrijden gehouden. Het 25-jarig priesterschap van pater Luttenbacher ging niet aan de bevolking voorbij. De receptie in de donjon van het kasteel werd druk bezocht. De priesterwijding in de Sint-Janskerk op 21 december 1932 van drie neomisten van de congregatie vierde heel de parochie mee. Mgr. John Neville, tot voor kort apostolisch vicaris (bisschop) van Zanzibar en toen wonend in Dublin, verrichtte de zalving en zegening. Een van de wijdelingen was Nol van Dommelen, geboren te Esdonk. Op 26 december deed hij vervolgens in de parochiekerk zijn eerste plechtige H. Mis. Hij werd als missionaris uitgezonden naar de missiepost Huila in Angola.
Grote blijdschap was er binnen de Nederlandse provincie van de H. Geest toen pater-provinciaal Bernard Hilhorst in 1934 benoemd werd tot apostolisch vicaris van Bagamoyo in Tanzania: een Nederlandse spiritijnse bisschop in een Nederlands spiritijns missiegebied. Gemert vierde mee: toen hij op 6 mei feestelijk werd ingehaald, liep het dorp uit.
'Gemert in feesttooi! ..De vlaggen wapperen van de kasteeltoren, van de kerk en van openbare gebouwen en van alle huizen ... die in heilige wedijver meedoen aan de grote plechtigheid die zich vandaag [29 juni 1949] in de St. Jans-Onthoofdingsparochie voltrekken gaat': Jacques Teerenstra werd gewijd tot apostolisch vicaris van Doumé, in Kameroen. Hij was de derde Nederlandse missieprelaat van de spiritijnen die met de waardigheid van bisschop werd bekleed. 'Nimmer heeft de Commanderije zoveel hoogwaardigheidsbekleders binnen haar grenzen gehad', aldus het verslag in de krant. Voor het eerst luidden de nieuwe kerkklokken, die enkele dagen tevoren in de toren waren opgehangen, in de plaats van de tijdens de oorlog ingevorderde klokken.
Toen in oktober 1964 gevierd werd dat de congregatie vijftig jaar in Gemert was, tastte de bevolking in de beurs ten behoeve van de verbouwing van de kasteelkapel. Het sluitstuk van de viering van dit gouden feest werd gevormd door een kerkelijk hoogtepunt. Op 18 oktober werden zes fraters in de parochiekerk tot priester gewijd: Jan Woolderink uit Gemert, Jo van de Laar en Piet Meeuws uit Someren, Chris Wiezer uit Waalre, Teis Koenen uit Helmond en Theo Kersten uit Tienray (later districtscatecheet in de parochie Gemert-Kern). Mgr. Bekkers was hiervoor speciaal uit Rome gekomen, waar hij deelnam aan het Tweede Vaticaans Concilie.

Een laatste priesterwijding, dit keer in de Gerarduskerk, vond plaats op 14 september 1968. Bij die gelegenheid werd Piet Delisse gewijd. In 1969 sloot de priesteropleiding op het kasteel.

Assistentie in de parochie

Hulp bij het mislezen en biechthoren was er al, maar de pastoor kon met zijn twee kapelaans het vele parochiewerk niet meer goed af. Zouden de paters niet kunnen bijspringen? De bisschop kwam de pastoor tegemoet door met ingang van 31 december 1928 de kasteeloverste pater Charles Luttenbacher als derde kapelaan aan te melden bij de regering. Dit had ermee te maken dat van regeringswege een vergoeding werd gegeven aan de geestelijkheid voor indertijd genaaste kerkelijke goederen. Zo kreeg een pastoor jaarlijks ƒ 200,- en een kapelaan ƒ 100,-. In 1984 is deze regeling met een bedrag ineens afgekocht. Luttenbacher zou als derde kapelaan opgegeven worden in plaats van de rector van de Latijnse School, M.J. van den Noort. De bisschop had er geen bezwaar tegen dat Luttenbacher de vergoeding zelf hield, en niet zoals zijn voorganger deze afdroeg aan de conrector van de Latijnse School, E.J. Cornelissen. De voorwaarde was wel dat er een compensatieregeling was getroffen met laatstgenoemde. De aanstelling van Luttenbacher zou voortduren, 'totdat aan de Latijnse school een derde leerkracht zal zijn benoemd, die de vierde H.Mis op Zon- en Feestdagen zal overnemen van de Paters van den H. Geest alsmede op drukke dagen in de parochiekerk mede biecht zal horen. Alsdan zullen wij [de bisschop] dien derden leeraar ook als derde kapelaan van Gemert aan de regeering opgeven...' Het zal een zeer kortstondige oplossing zijn geweest, aangezien de naam van Luttenbacher niet in het parochieregister voorkomt.
Het bleef sukkelen voor de pastoor. Zelfs na het vertrek van de tweede kapelaan kon de bisschop geen geestelijke ter vervanging leveren. Hij vertrouwde erop dat de pastoor wel assistentie in Gemert kon krijgen, waarmee hij ongetwijfeld doelde op de paters van het kasteel. Niet dat de bisschop onwillig was, maar in geheel zijn bisdom was er door een groei van het kerkbezoek en de toename van het aantal parochies een tekort aan priesters, ondanks dat vanaf de tweede helft van de jaren twintig sprake was van een enorme opbloei van de priesterroepingen in geheel Nederland. Daarbij werd het aantal seculieren verre overtroffen door het aantal regulieren. Die stijging was sterk bevorderd door de nieuwe missiebeweging, die met grote bezieling was ingezet en ook de oudere orden raakte. Zo steeg het aantal studenten op het grootseminarie (grootscholasticaat) van de congregatie van de H. Geest te Gemert van 45 in het studiejaar 1930/31 tot 127 in 1939/40. Tussen 1920 en 1940 was het aantal jaarlijkse priesterwijdingen toegenomen van 2 tot 25.

Van assistentie naar parochiële bediening

Tot in de jaren vijftig van de twintigste eeuw beschikte het bisdom nog over voldoende priesters. Maar het begon al terug te lopen. De assistentie door de paters ging allengs meer inhouden; van 'noodhulp' naar bemoeienis met en inbreng in het pastorale werk. Martin van der Drift was van 1955 tot eind 1958 in de weekends de vaste hulp van pastoor Strijbos van de Sint-Gerardus-parochie. Omdat de paters geen full-time kapelaan beschikbaar hadden, zocht Strijbos hulp bij de norbertijnen van Heeswijk. Toen pastoor Van den Broek de Sint-Jozefparochie oprichtte (1965), betrok hij ook een kapelaan van de paters uit Heeswijk. Door de groei van beide parochies werd weer een beroep gedaan op assistentie door de paters van de H. Geest. Voor de Sint-Gerardusparochie waren dat Joop Croese en Ad Jansen, in de Sint-Jozefparochie assisteerde Frans van der Poel en later ook Nico Laarmans. Ook de parochie in het kerkdorp De Mortel had al vroeg assistentie vanuit het kasteel. Pater Krien Houdijk opende in 1944 de rij. Thans verleent Piet Delisse daar vaste assistentie. Ook de pastoorsfunctie ging geleidelijk in handen van de paters over. Cor Neven werd pastoor in De Mortel. Inmiddels (1975) waren de parochies in Gemert verenigd in de parochie Gemert-Kern; elke pastor had daarin zijn specifieke werkterrein. Martin van der Drift (1976) was de eerste door de bisschop aangestelde pastor in de parochie Gemert-Kern, met speciale aandacht voor de kapelgroep op het kasteel. Thei Goossens (1981) volgde pastoor Jos Korff van de Sint-Jozefwijk op. Guus Biemans werd zijn vaste assistent en na hem Willem Spanjers, Gerard Nagel en Nico Laarmans. Toen Thei Goossens vervroegd zijn functie neerlegde, kreeg hij geen opvolger. In 1984 nam Gerard Hogema de taak van pastoor Toon van Abeelen in de Sint-Gerarduswijk over. De paters Jan van Doorne en Ad Jansen verleenden assistentie in de Sint-Janskerk. In 1984 werd Guus Biemans pastor van de Sint-Janswijk. Toen Guus Biemans in 1994 met emeritaat ging, volgde Herman Voorn hem korte tijd op. In 2001 kon de bisschop weer een wereldheer als pastor benoemen voor Gemert-Kern, Camiel van Lamoen. Gerard Hogema legde in dat jaar zijn functie als pastor van Gemert-Kern neer; sedert eind 1994 was hij tevens deken van het dekenaat Gemert. Enige tijd stond hij dus alleen aan het hoofd van de parochie Gemert-Kern, in welke periode hij assistentie kreeg van diaken Johan van Gemert.
Nog lang niet alles is hiermee gezegd over de betrokkenheid van de congregatieleden, die bovendien niet tot Gemert beperkt bleef. Jan Berkers was verscheidene jaren kapelaan in Erp; Jan Janssen in Veghel-Zuid. Jos Verdijk, Jan van Doorne, Jan Verberne vervulden de functie van rector van bejaardenhuis Ruyschenbergh; thans is dat Piet Pubben. De paters Jozef Philippens, Huub Leenen en Jacques Verhees waren vaste en inwonende rector bij de zusters van het Kostbaar Bloed in Aarle-Rixtel. Cor Kok helpt in Keldonk en doet ook pastoraal werk in het verpleeghuis te Veghel. Adriaan Olsthoorn, Otto van den Brink en Harrie van Loon zijn werkzaam in respectievelijk Boerdonk, Helmond en Deurne. Ton van Schaik was meer dan vijfentwintig jaar als pastor werkzaam in Huize Padua. Ad Janssen was jarenlang aalmoezenier van de Onze-Lieve-Vrouwebroederschap in Gemert; nu is dat Otto van den Brink. In de jaren zestig van de twintigste eeuw namen verscheidene paters actief deel aan de zogenaamde pastoriegesprekken, die waren georganiseerd door bisschop Bekkers. Martin Wilson verzorgde in de jaren tachtig van de twintigste eeuw bijbelcursussen en begeleidt nu de werkgroep Woord en Gebedsdienst in Gemert.
Door de jaren heen zijn de paters ingezet in de volgende parochies: Gemert-Kern, Handel, De Mortel, Elsendorp, Bakel, Milheeze, Deurne, Boerdonk, Keldonk, Erp, Veghel, Mariahout, Helmond, Boekel en Venhorst. Daarnaast gingen zij voor in de zustergemeenschappen te Gemert (Gasthuis), Beek, Lieshout, Volkel, Keldonk en later Helmond (de zusters van de H. Geest), Boerdonk, Erp, Veghel en Mariahout. Een groot werkgebied was derhalve aan de zorg van de congregatie toevertrouwd.

Jongerenwerk

Ton van Schaik en gedurende enkele jaren Wim Topper, tot zijn vertrek naar Brazilië, hebben op het kasteel een groep jongeren begeleid in de leeftijd van 16 tot 30 jaar. Tussen 1972 en 1999 konden zij terecht in de kelderruimte onderin de ronde hoektoren. Naar eigen smaak hebben zij deze ruimte kunnen inrichten en zij konden zelf kiezen welke activiteiten zij wilden ontplooien en welke sfeer zij wilden creëren. Zo werd er gevoetbald, er was een zaalvoetbalclub, er werd gepicknickt, muziek gedraaid, gedanst en geschaakt. Muziekbandjes konden er oefenen en met carnaval werd deelgenomen aan de optocht. Af en toe kwam een kelderkrant uit, waarin verslag werd gedaan van wat er zoal gebeurde. Er was een regelmatige doorstroom van leden via mondelinge reclame; sommigen bleven wel vijf jaar of langer bij de groep. Velen hebben een goede herinnering aan de tijd in de kelder. Het zijn vooral de sfeer en de vriendschap die zijn bijgebleven. Er is ook nog een paar jaar een multiculturele groep geweest van vluchtelingen afkomstig uit Afghanistan, Somalië, Iran, Bosnië. Zij kwamen op de zaterdagavond in de kelder een paar uur pingpongen, tafelvoetballen en buurten. Vooral de gesprekken met hen waren boeiend, een uitwisseling van totaal verschillende geloofs- en leefwerelden. De groep, bekend als 'soos de kelder' heeft zich altijd geaccepteerd geweten door de kasteelbewoners. Er was wel eens overlast, maar dit kon altijd besproken worden en heeft nooit geleid tot opheffing van de groep. Op bijzondere wijze is een groep jongeren een thuis gegeven.
Een andere jongerenwerker is broeder Louis Bartels. Al in de missie, in Dakar, de hoofdstad van Senegal werkte hij onder de jeugd van een arme krottenwijk, aan de rand van de stad. Veel jongeren trokken vanuit het binnenland naar de grote stad om daar hun geluk te beproeven. Na een ziekte kwam hij in 1974 voor een rustperiode naar Gemert. Hij is er blijven hangen. Door toedoen van de kasteeloverste Toon van Rooij kwam hij twee jaar later als godsdienstleraar op een middelbare school terecht. Dat is het begin geworden van een scala van activiteiten op scholen, in gezinnen, verenigingen, op kamp en op campings. Zo'n twintig scholen in Gemert en daarbuiten heeft hij al die jaren bezocht. Als een geboren verhalenverteller onderhield hij de jeugd met Afrikaanse verhalen, vol wijsheden en richtlijnen voor saamhorigheid. Honderden jongeren zijn in de loop der jaren bij hem over de drempel gestapt, voor een praatje of om een luisterend oor of steun. Het werken onder de jeugd bracht hem ook in gezinnen met problemen en materiële noden.

Door het drukke schoolprogramma en strakkere lesrooster is er nog maar weinig tijd voor verhalen en de toenemende tijdsdruk in gezinnen en de individualistischer levenshouding houdt nogal wat deuren gesloten. De vriendschappelijke contacten zijn gebleven: bij heel wat bruiloften en geboortes werd hij uitgenodigd. Velen, jongeren en oudere jongeren weten hem nog te vinden. Hij bezoekt nog steeds scholen, maar nu meer op uitnodiging.

Klik HIER voor de tekst met foto's (PDF)

Lid worden?

Kalender: evenementen

June 2017
M T W T F S S
29 30 31 1 2 3 4
5 6 7 8 9 10 11
12 13 14 15 16 17 18
19 20 21 22 23 24 25
26 27 28 29 30 1 2

Sponsors

Nieuws Heemkundekring

Geen feed gevonden

Nieuws uit Gemert

Geen feed gevonden

Informatie

Lid worden?

Lid worden? Klik en vul het formulier in!

Heemkundekring De Kommanderij Gemert
Antwoordnummer 2526
5420 ZX Gemert!

Volg ons

twitter

twitter

Inloggen

Inloggen

Voor leden en auteurs. Ook een bijdrage leveren? Neem even contact op.