Heemkaffee over ’t Gasthuis

Op zondag 14 oktober heeft oud-huisarts Frans Suijs een lezing gehouden over de eerste groepspraktijk van huisartsen in Gemert ’t Gasthuis aan de Komweg. Toen hij daartoe het initiatief nam in 1976 was het een nieuw fenomeen. Frans vond al meteen een compagnon in de persoon van huisarts Ad Fraza, die ook op de heemkamer aanwezig was. Samen hebben ze het huisartsencentrum, hun droom, vorm gegeven.

Toen het vroegere gasthuis in de Nieuwstraat in de jaren 1973-1974 leegkwam en werd gesloopt, lag daar jaren het zogenaamde Gat van Gemert. De gemeente, die de komst van de groepspraktijk lang tegenhield, vond uiteindelijk dat ’t Gasthuis van de huisartsen daar maar moest komen. Architect Bekkers en aannemer Hendriks hebben het toen gerealiseerd.

Nu ruim 40 jaar later is de groepspraktijk ’t Gasthuis verplaatst naar de Vicaris van Asdonckstraat en onlangs officieel geopend. Nadat Frans Suijs de geschiedenis van de groepspraktijk had verteld, volgden nog diverse leuke anekdotes van beide voormalige huisartsen over hun werkervaringen en de grote veranderingen die zij in hun beroep hebben meegemaakt.
Het was een boeiende ochtend waarop veel is gelachen.

Reactie op kasteelplannen

Reactie heemkundekring op kasteelplannen

De heemkundekring waardeert het zeer dat Bas van de Laar miljoenen investeert om het kasteel een nieuwe toekomst te geven. De heemkundekring kan ook veel waardering opbrengen voor het feit dat het college van  B&W op basis van de ingebrachte adviezen geen vrij baan geeft aan zijn ontwikkeldrang. We hebben de plannen evenals de reactie van B&W bekeken, uiteraard vanuit cultuur-historisch gezichtspunt.

We vinden dat het hele gebied verkeersluw moet blijven. Te verwachten verkeersbewegingen en het parkeren zijn nog niet in kaart gebracht. Om straks geforceerde oplossingen te voorkomen, vragen wij de gemeenteraad bij elk acceptabel bouwonderdeel een slag om de arm houden. Immers ongewenste verkeersgevolgen kunnen een plan onaanvaardbaar maken.

Als we de plannen punt voor punt bekijken, komt de heemkundekring tot de volgende reacties.

  1. De heemkundekring is verheugd dat het college woningbouw op Hopveld
  2. Het doet ons deugd dat parkeren ten westen van de ommuurde tuin ook volgens het college niet mogelijk is.
  3. De heemkundekring ziet liever geen aanbouw aan het poortgebouw en zeker niet om die te bewonen. Ons definitief oordeel hangt af van een onderzoek naar de effecten van ‘bescheiden’ vleugels aan het poortgebouw.
  4. Over de Jezuïetenvleugel staat in het Erfgoedkader (advies aan B&W) dat aanpassingen binnen de bestaande hoofdvorm dienen te blijven. De heemkundekring blijft vinden dat verbreding naar het binnenplein met vier etages veel te fors is. De Jezuïetenvleugel moet ondergeschikt blijven aan de hoofdburcht.
  5. De heemkundekring vindt net als het college dat de kapel weg mag en is akkoord met de vervangende nieuwbouw.
  6. De heemkundekring juicht sloop van de refter toe. Eventueel vervangende nieuwbouw echter niet, omdat we de zichtlijnen vanaf het Ridderplein naar de binnenplaats en de Donjon, zoals die eeuwenlang zijn geweest, positief waarderen.
  7. De heemkundekring constateert dat het college de verbinding met het Ridderplein in strijd met de adviezen toch geschikt wil maken voor professionele bevoorrading en hulpdiensten. Zo’n forse verbinding lijkt ons een slecht idee. Een voetgangersbrug alleen over de binnengracht tussen voorburcht en hoofdburcht is voor ons acceptabel. Om vanuit het Ridderplein over de buitengracht te komen kan een voetgangersbrug bij de pastorie worden gemaakt.
  8. De heemkundekring ziet het liefst dat de ommuurde tuin onbebouwd blijft. De bescheiden bebouwing die volgens het college mogelijk zou moeten zijn, dient eerst uitgewerkt te worden voor we daarover een standpunt kunnen innemen. 
  9. Volgens het college is een traditionele woonfunctie in het bomencarré (sportveld) niet denkbaar. De heemkundekring vindt daar geen enkele woonfunctie denkbaar. Een klein paviljoen ten behoeve van wandelaars en bezoekers van evenementen in de kasteeltuin eventueel wel, maar dan denken we dus aan hooguit één bovengrondse bouwlaag.
  10. Bouwen op de locatie De Haag wijst de heemkundekring af. Dit gebied moet vanwege het historisch open karakter zo blijven en niet bebouwd worden. De provincie wil bebouwing alleen toestaan als een duidelijke relatie (d.w.z. niet alleen financieel) gelegd wordt met het kasteelcomplex. Zo’n relatie is letterlijk en figuurlijk te ver gezocht.
  11. We zijn heel blij met het collegestandpunt dat bebouwing van de landerijen niet mogelijk is.

 

Harry Slits,
Heemkundekring De Kommanderij Gemert
Gemert, 5 oktober 2018

Oudenbosch en Breda

Op 29 september 2018 vond de jaarlijkse Martin-Breeuwerexcursie plaats. Dit jaar bezochten ruim vijftig leden van heemkundekring Kommanderij Gemert de West-Brabantse plaatsen Oudenbosch en Breda. In Oudenbosch werden de deelnemers eerst getrakteerd op warme koffie of thee met een koel stuk appelgebak. Daarna stonden twee gidsen klaar om het gezelschap rond te leiden door de basiliek toegewijd aan St. Agatha en St. Barbara en gebouwd tussen 1865 en 1892. De kerk is een kleine kopie van de Sint-Pieter in Vaticaanstad. De voorgevel, gebouwd onder supervisie van de uit Gemert afkomstige pastoor Hugo Rovers, is gebaseerd op die van de kerk van Sint-Jan van Lateranen in Rome.

In Breda bezocht onze kring uiteraard de Grote of Onze-Lieve-Vrouwekerk in de 15e eeuw gebouwd door de Nassaus. Daar in de Prinsenkapel liggen voorvaderen van de koninklijke familie begraven. Deze gotische kerk is sinds 1637 protestants.

Daarna volgde een bezichtiging van het Bredase Begijnhof bestaande uit huisjes rondom een kruidentuin en een kapel. Begijnen wonen er niet meer. Nu kunnen onder bepaalde voorwaarden alleenstaande vrouwen een huisje huren.

Tenslotte bracht de Gemertse heemkundekring een bezoek aan het kasteel van Breda, nu Koninklijke Militaire Academie een militaire universiteit. De geschiedenis van het kasteel is nauw verbonden met de familie Van Oranje-Nassau. Koning Willem I stelde het in 1826 beschikbaar voor de opleiding van officieren.

GH-2017-03 Gevelverstening anno 1677 in de Kerkstraat

redactie

Wie kent het niet? Dat bijzondere geveltje met de muurankers 1677. Eigenaar Jos Vogels wees ons op het voorkomen van hetzelfde silhouet van het pand op een prent gedateerd 26.12.1675 van de bekende graficus Valentijn Klotz. Op die prent zien we tegelijk ook het oude daarnaast gelegen pand met de muurankers (16)86. Een mysterie. Duidelijk is in elk geval dat er in 1675 dus al twee panden stonden met dezelfde topgevelvorm. En dat de smid van de muurankers zich vergist zou hebben in het jaartal dat is natuurlijk voor niemand aanvaardbaar. En dat is ook zeker niet het geval…
Bij de muurankers van zowel 1677 als die van (16)86 past de volgende uitleg: Dit is een typisch geval van gevelverstening. De muurankers zijn welhaast zeker aangebracht in het jaar toen de houten en lemen voorgevels van deze panden werden vervangen door een stenen gevel. Het naast de Frunte Gang gelegen pand (anno 1677) is echt veel ouder en gaat vrijwel zeker terug tot de zestiende eeuw en misschien wel naar de late middeleeuwen. Tot 1477 kent met uitzondering van de kerk zelf de hele westzijde van de Kerkstraat nog geen bebouwing. Pas in het laatste kwart van de vijftiende eeuw worden er twee woningen gebouwd. En rond 1500 komt er al een derde pand. Één van die twee laatste panden, ja dat kan heel goed het pand zijn waarvan in 1677 de gevel wordt ‘versteend’. Daar moeten we nog eens wat meer energie in steken om daarover wat meer vastigheid te krijgen.
We kunnen het ons bijna niet voorstellen, de Kerkstraat tussen de kerk en wat we nu kennen als de Ruijschenberghstraat als onbebouwd terrein. Maar vóór 1477 was dat toch echt het geval. Jan Timmers schreef er over in ons tijdschrift onder de titel “Wat aan de bebouwing van de Kerkstraat voorafging” in Gemerts Heem 2003 nr.4. We azen op een vervolg…

Bekijk PDF

GH-2017-03 Wereldnieuws: Lieve-Vrouwesteeg krijgt geprinte fietsbrug!

redactie

De buren waren in juni j.l. met vakantie op IJsland en zetten op hun hotelkamer de TV aan om dat IJslandse taaltje eens wat nauwkeuriger te beluisteren. Maar ze krijgen dan een buitenlandse zender, en… ‘t is toch nie te geleuven! Het journaal opent met een wereldprimeur uit Gemert-Holland. Nieuw bouwmateriaal. Nieuw wegmateriaal: De 3d-printing van een fietsbrug over de in aanleg zijnde Noord-Om. Wereldnieuws! Ja echt. Een brug van de toekomst. Geen wonder dat andere buren, op vakantie in Zuid-Frankrijk, met hetzelfde wereldnieuws thuiskomen. En uiteraard hier heeft het ook in alle kranten gestaan. De 8 meter lange brug is geprint op de TU Eindhoven en zal in september over de dan nog in aanleg zijnde Noord-Om worden geplaatst waardoor de Lieve-Vrouwesteeg tussen Doonheide en de Pelgrimsweg in Handel van begin tot eind begaanbaar blijft. De Lieve-Vrouwesteeg krijgt een heel bijzondere Lieve-Vrouwebrug…

Bekijk PDF

GH-2017-03 Bierdorpje van bierbrouwerij De Zwaan in Gemert

redactie

Henk van Stiphout bezorgde bij de heemkundekring een bierdopje dat hij vond in het dan nog zanderige en omgewoelde wegtracé van de toekomstige Noord-Om. Onder een fraai afgebeelde zwaan staat “TEL. 30” en dat staat in de jaren dertig van de vorige eeuw bekend als het telefoonnummer van de bierbrouwerij van Verbakel in het Gemertse Kruiseind. Een fraaie aanvulling op onze reclamecollectie van Gemertse bieren. Met dank aan Henk

Bekijk PDF

GH-2017-03 De harde ‘g’ in het Gemerts

Redactie

Het op 19 maart j.l. uitgegeven ‘Gemerts Woordenboek’ van Wim Vos bevat ook in een aan het eigenlijke woordenboek voorafgaand hoofdstuk (‘Uitspraak en spelling’) heel veel erg intrigerende bijzonderheden. Echt ‘zeund’ om over te slaan. Zo wordt de lezer onder bijv. ‘Medeklinkers’ na de g in gon (:gaan), de stemhebbende z.g. ‘zachte g’, geattendeerd op de ch in aachter (:achter) en káchel (:kachel). Wij citeren hier vervolgens ‘onze’ eigenste Gemertse lexicograaf en auteur Wim Vos: “de ch is stemloos; deze z.g. ‘harde g’, komt veel voor in het Gemerts, maar wordt niet zo ‘rochelend’ uitgesproken als in het Randstads. Daardoor denken mensen uit het westen, dat het Brabants alleen maar een ‘zachte g’ heeft. Dat mag misschien waar zijn voor het Limburgs, maar niet voor het Gemerts. Vgl Gemerts káchel met Limburgs ‘kaggel’ en áchtentaagenteg [uitgesproken áchtentaagentech] met Limburgs [aggentaggenteg].

Bekijk PDF

GH-2017-03 Kiek naw

Paul Verhees

Manneken Pis

Brussel heeft zijn Manneken Pis. Den Bosch heeft zijn Dieske. Er zijn meer wildplassende mannekens: in Geraardsbergen, Westmeerbeek, Broksele en Koksijde.
Die van Brussel is de bekendste, maar hoe lang nog? Want in Gemert heb ik er ook eentje gespot. Op het Ridderplein staat onze Drumknaauwer, in het dagelijks leven een keurig heerschap met een rol stof op zijn schouder. Toonbeeld van noeste arbeid uit het verleden. Op Koningsdag trof ik hem echter aan in een tamelijk compromitterende pose. Hij had heel discreet een plekje gezocht achter een groot doek, maar toch niet zodanig uit het zicht dat ik hem daar niet in het voorbijgaan kon fotograferen.
Ik denk dat ons Manneken Pis weldra bekender is dan die van Brussel. In de Belgische hoofdstad staat hij nogal achteraf op de hoek van de Stoofstraat en de Eikstraat. Dat is dan wel op loopafstand van de Grote Markt, maar toch iets heel anders dan prominent op een plein zoals bij ons. Hier krijg je er bovendien aan de andere kant van hetzelfde plein een dorpspomp bij die meer water kan verstouwen dan een Brussels pisstraaltje.

Bekijk PDF

GH-2017-03 Serisweg – hoe een klein weggetje een keizerlijke naam kreeg

Jacques van der Velden

Was het misschien Jan Seris, die zijn visitekaartje op Esdonk bij Gemert had achtergelaten, waar stille getuigen als ‘de Seris’ en ‘de Serissteeg’ voortleven in ‘de Serisweg’? Of werd in dit kapelgehucht, uit angst voor hongersnood door misoogst, ooit Ceres, de Romeinse godin van de akkerbouw vereerd? Nu prijst dagelijks de televisiereclame ons nog muesli, havermout, en cornflakes aan, als de noodzakelijke ‘cereals’ voor een gezond leven.

Voordat de Koksedijk richting Erp de Aa kruist, kun je rechtsaf over de Handelsesteeg naar Handel. Als je in het begin van deze steeg de Peelse Loop oversteekt en meteen de eerste weg linksaf neemt ben je op de Serisweg beland. Aan de andere kant van de Landmeersche Loop in Boekel heet deze weg De Beemd. Daar ligt ook het toponiem de Beemd. Aan deze kant van de loop ligt het toponiem de Seris, dat de basis vormde voor de straatnaam Serisweg. De Serisweg verbindt Koks met Boekel. De eerste achttien kadastrale percelen van Gemert, begrensd door de Aa, de Landmeersche Loop en de Serisweg vormen het gebied de Seris. De Serisbeemden in dat gebied waren vroeger vanuit het gehucht Esdonk te bereiken via de Serissteeg (Sírrissteeght).

Seris: toponiem en familienaam
Koks is een belangrijke overgang over de Aa. Hier stond ooit het ‘Aa-huis’, het huis op de Aa. Vissers, kermisgasten, bedevaartgangers en marktkooplieden passeerden hier of legden aan bij de herberg. Ook wagens, karren en paarden stopten hier om turf over te laden in pleiten [platboomd schip]. De schuitman [schipper] voer de turf naar de brouwerijen in Den Bosch. Op de site van de heemkundekring wordt de historie van de straatnaam Serisweg als volgt samengevat: “Deze weg is genoemd naar het oud maar aldoor bekend gebleven Gemerts toponiem daar ter plaatse, de Seris, dat al voorkomt in middeleeuwse schepenprotocollen [1482: ‘de Serysbeemden aen de Aa’]”. Onder de kop ‘Gemert in de Helmondse Protocollen II’ in het Gemerts Heem [1992] maakt Simon van Wetten de aantekening: “bij Ceerys gaan de gedachten naar Koks en de daarachter gelegen Serisweg“.
We zijn nu een kwart eeuw verder en zover ik weet is er geen nader onderzoek gedaan naar de betekenis van Seris. Peter van den Elsen doet in zijn boekje: ‘Esdonk, de geschiedenis van een kapelgehucht’[1981] wel een suggestie: “Mogelijk afkomstig van Ceres, een Romaanse godin van de landbouw of van Jan Serys, of het moet zijn dat Jan naar zijn land werd genoemd.” Ik ga nu een poging wagen om dit raadsel te ontrafelen. Ik begin bij [1482]. In die tijd sprak men van “de Serysbeemden aen de Aa”. Topografische kaarten laten zien dat deze beemden aan de Boekelse kant verder doorlopen. Nu zal het voor de meesten wel duidelijk zijn dat een beemd een hooi- of weiland is, maar wat is nou de betekenis van Seris?

Volgens de Nederlandse archieven [archieven.nl] komt Seris vrijwel uitsluitend voor in de Meierij van ‘s Hertogenbosch. Alleen in Heesch en Nuland als toponiem, maar in andere plaatsen ook als voor- en of familienaam. Als toponiem betreft het bos- en akkerpercelen terwijl het in Gemert om beemden gaat. Omdat ik Seris niet terugvond in de bekende toponiemen-verzamelingen, bleef niets anders over dan te zoeken naar een persoonsnaam. Tot mijn grote verbazing kwam ik uit bij Caesar, beter bekend als Gaius Iulius Caesar. Deze naam is zo wijdverbreid ingeburgerd geweest, dat ze in verschillende talen zelfs uitgegroeid is tot een soortnaam: keizer, Kaiser, tsaar ‘vorst van de hoogste rang’. Uit Caesar zijn in het Nederlands taalgebied twee familienamen voortgekomen: Saris en Sarris. Sarris is een variant van Saris en omdat die vorm zo weinig voor komt laat ik die buiten beschouwing. Van alle provincies in Nederland komt Saris in Noord-Brabant het meeste voor. Deze naam heeft zich ontwikkeld uit de verkorte vorm van de voornaam Sesaris, die op haar beurt weer ontstaan is uit de heiligennaam Caesarius, aartsbisschop van Arles [502].
Caesarius was een van de grootste volkspredikers van de vroege christentijd. Op de site van het orthodox klooster in de Peel bij Asten wordt het leven van de heilige Caesarius in het kort beschreven. Verschillende vormen van deze voornaam waren hier al vroeg in gebruik: Caesarius van Heisterbach, omstreeks 1180; Zuid-Nederland: Cesarius, Sisarius, 1125; Cesarius van Brakel 1212; Sysaris, Sysaries, Zisaris, 1284; Sarys, 1385; Seris, Serijs = Caesarius, Den Bosch 14e/15e eeuw; Saris, Dordt 1490. Hieruit blijkt dus dat Seris ook een variant is van Saris. In de Bossche Protocollen vinden we een Gemertse akte van mei 1428, waarin staat: “de helft in 2 buunder beemd in die Honsdonc aan die Aa bij Jan Serijs camp”. Deze beemd lag in de buurt van het kamp (= veld) van Jan Serijs. Ik denk dat men in 1428 nog wist dat dit kamp aan Jan Serijs, Serys of Ceerys heeft behoord of door hem in gebruik is geweest. Deze familie was toen of pas later ook eigenaar en of gebruiker van beemden aan de Aa. De beemden en het veld zijn dus vernoemd naar de familie Seris. Uit de beemden heeft zich de gebiedsnaam ‘de Seris’ ontwikkeld. Nu loopt langs dit gebied de Serisweg, een naam die gegeven werd aan de doorgetrokken weg naar Boekel.

Wat betekent Caesar?
Het begrip keizersnede en de leenvertaling keizerlijke snee, berusten op de veronderstelling dat de eigennaam Caesar is afgeleid van caedere (voltooid deelwoord caesus) ‘vellen, slachten, snijden’. De eerste Caesar zou namelijk geboren zijn uit een opengesneden baarmoeder. Deze operatieve verlossing zou daarom letterlijk ‘Caesar-snede’ heten. De huidige medische literatuur verwijst dikwijls naar een Romeinse wet, de ‘Lex caesarea’, die voorschrijft dat bij het overlijden van een hoogzwangere vrouw middels een buiksnede het leven van het ongeboren kind gered moest worden. Deze wet is echter in de Romeinse literatuur niet teruggevonden. Men heeft nog wel gedacht aan Latijns caesaries ‘dik hoofdhaar’ en caesius ‘met grijsblauwe ogen’, maar men blijft toch bij de conclusie dat de oorsprong van de naam Caesar onzeker is, mogelijk een Etruskische naam. Het kwam overigens wel voor dat kinderen die met de keizersnede geboren werden, daarom Caesar werden genoemd.
De vraag wat Seris betekent is volgens mij nu wel opgelost. Om terug te komen op de suggestie van Peter van den Elsen. Of er een verband kan bestaan met de godin Ceres? Ik denk van niet, omdat bij de Gemertse varianten de ‘e’ in de tweede lettergreep ontbreekt (uitgezonderd Ceressbeemd, waarvan ik denk dat het een schrijffout is). Bovendien zijn familienamen [metroniem] op basis van vrouwennamen erg zeldzaam en is de voornaam Caesar sowieso veel populairder geweest. De familienaam Ceris, Seris, Cerys, Serys, Cerijs of Serijs, lijkt uitgestorven ten gunste van de variant Saris. Vooral omdat Seris in Brabant [Den Bosch 14e/15e eeuw] een bekende voornaam was en als toponymisch element onbekend is, concludeer ik dat deze naam in ons geval afkomstig moet zijn van de gebruiker en of eigenaar Jan Serys. De familienaam Serys [patroniem] is een variant van Saris, die gebaseerd is op de heiligennaam Caesarius, een Romeinse naam die vooral bekendheid heeft verworven als naam van de beroemde Keizer Gaius Iulius Caesar. Ik hou het vooralsnog op keizer “vorst van de hoogste rang”. Een naam, die via Frankrijk naar Gemert is gekomen.

Rest nog de vraag: wie was Jan Serys?
Het was me al opgevallen dat binnen de Nederlandse archieven ook eenmaal in een Erps protocol het toponiem ‘de Seris’ voor kwam: “Item noch Goessen soen wijlen Huijbert Janss een halven buender gelegen aen den Seris deen sijde die Aa deen eijnde Roefs Dirx voert aen die gemeijnt; sal daer wt gelden ½ ouden groeten gront chijns”. Deze in Erp getransporteerde akte [1584] heeft vanwege ‘Erp’ iets gemeen met twee Gemertse akten die in de Bossche Protocollen voorkomen: [ca.1419] ‘Lybbert van Erpe zoon wijlen Jan Zeryssoen’ [= Jan Serys] en [1422] [Op Espdonc] ‘Jan van Baex gehuwd met Bertha dochter wijlen Jan Serys, Jan zoon wijlen Willem Barnierssn, Libbert zoon wijlen Jan Serys‘. De laatste twee akten hebben Lybbert zoon van wijlen Jan Serys gemeen en verwijzen naar de familie van Erpe. Wat schetst mijn verbazing toen ik in een concept–genealogie van Hans Vogels de complete familie terugvond: [‘In concept’ dwz het navolgende onder voorbehoud].

N. N. van Erpe gehuwd ca. 1350 met Beerte Sarisdochter van Kuijk; Kinderen: Jan Saris van Erpe, ridder gehuwd ca. 1385 met Ermgart dochter van Jan Arnt Berthout Bac van Westtilburg; Kinderen: Lucas, Jan, Lybert, Leunis, Bertha, Hadewich, Lijsbeth, Luijtgart. Volgens de eerder genoemde Gemertse akte [1428] ligt het kamp van Jan Seris in de Honsdonk. Op pagina 24 van het boek ‘Boekel bijzonder’ staat: ‘Pedelers Ho(e)ve op de Honsdonk bij de Aa’. Jan Seris heeft dus een camp in Boekel gehad. Volgens het boekje van Peter van den Elsen behoorden de percelen in Boekel, o.a. de Donck en de Beemd, vooral bij de hoeven aan de plaatse, vanouds afkomstig van het goed van de Heren van Espendonck, dat in Gemert en Boekel lag. Naar nu blijkt, was deze Jan Saris (= Serys) van Erpe ooit eigenaar van gronden in Erp, Boekel en Gemert. Deze ridder lijkt mij in ieder geval iemand te zijn die tot de gegoede burgerij behoort. Iemand met grondbezit, vermogen of ambten, wiens voorouders een keizerlijke naam aan hun kind gaven. Zijn dochter Hadewich transporteerde in [1416] huis ‘de Capel’ in ‘s-Hertogenbosch. Ridder Jan Saris van Erpe moet volgens dit transport al vóór die tijd zijn overleden. Omdat in Esdonk de Serissteeg naar de Seris liep en daarmee de hoeve Espendonck met de Serisbeemden verbond, acht ik het mogelijk dat Jan Seris ook verwant was aan het geslacht van Esp(en)don(c)k, dat het latere nummer A8 op de kadasterkaart [De Vogelse hoef] in beheer moet hebben gehad. Voor deze laatste verwantschap heb ik geen bewijzen, het idee is ingegeven door de overeenkomst in spreiding van de bezittingen: Henrick van der Espdonc bezat een hoeve onder Gemert en Boekel en Emont van der Espdonc Dirxsn bezat ook goederen onder Gemert en Boekel. Buiten Erp had Jan Saris van Erpe ook bezittingen in Gemert en Boekel. In de genealogie Godescalc – van Dinther komt een verbinding met ridder Jan Saris van Erpe voor. Van daaruit kan via de familie Wijflets een verbinding gemaakt worden met hertog Jan van Brabant. Vanaf daar is het mogelijk om bij keizer Karel de Grote uit te komen. Overigens Jan Saris erft vermoedelijk zijn naam via zijn moeder, Beerte Sarisdochter van Kuijk. In de Middeleeuwen kwam het dikwijls voor dat kinderen naar moeders kant werden vernoemd, vooral als dat de belangrijkste familietak was. Als het voorgaande allemaal waar is, dan is Seris uit keizer “vorst van de hoogste rang” hier wel van toepassing. Het motief om deze naam aan een kind te geven spreekt voor zich. Ouders verwijzen daarmee naar de hoge afkomst van hun kind.

BRONNEN:
Esdonk, de geschiedenis van een kapelgehucht, Peter van den Elsen, [1981] www.archieven.nl Schepenbank Erp (Inventaris-Vrijwillige Rechtspraak) ‘aen den Seris’ [1548] www.nicovandinther.nl Godescalc van Dinther Saris <33> Jan Saris van Erpe www.oudzijtaart.nl Conceptgenealogie stamboom ‘van Erpe – Saris’, Hans Vogels, 2010 www.bossche-encyclopedie.nl/artikelen/bruijn,%20m.w.j.%20de/297.htm die Capel Dirk van Driel, gehuwd met Hadewig dochter van wijlen Jan Zeris van Erp (Latijn: Iohannis Serijs soen de Erpe)

Bekijk PDF

GH-2017-03 Van de Amsterdamse wallen naar Gemert: Molden De Ruyter

Peter van den Elsen

Nadat molen De Ruyter in 1887 afbrandt, wordt een jaar later op dezelfde plaats aan de Oudestraat een nieuwe molen gebouwd die ook een nieuwe naam krijgt: De Volksvriend. In het molenboekje Vier maal Fier wordt de herkomst van molen De Ruyter door Ad Otten beschreven op basis van een bouwhistorisch onderzoek van mevrouw ing. L. van der Torren.1
Als herkomst van molen De Ruyter wordt in dit onderzoek Zaandijk (Zaandam-West) genoemd. Het lijkt allemaal precies te kloppen: de afbraak van molen De Ruyter in Zaandijk en de opbouw van de molen in Gemert. Op grond van aloude verhalen zou de Zaanse achtkanter ook uit Amsterdam kunnen komen, maar Van der Torren geeft aan dat de data bij houtzaagmolen De Ruiter aan het Zuidelijk Zaagmolenpad in Amsterdam niet helemaal lijken te kloppen en mede op grond hiervan bepaalt zij de herkomst op Zaandijk.
Een aantal foutieve aannames en wat slordigheden in het onderzoek brengen Van der Torren tot een verkeerde conclusie, zoals in dit hernieuwde onderzoek wordt aangetoond: molen De Ruyter komt niet uit Zaandijk, maar komt van de Amsterdamse wallen!

Admiraal Michiel de Ruyter (1607-1676) is in de zeventiende eeuw erg populair en nogal wat molens worden naar de Nederlandse zeeheld genoemd. De database van verdwenen molen geeft bij de zoekopdracht ‘Ruiter/Ruyter’ 45 treffers, die voor dit onderzoek allemaal zijn bekeken.
Op grond hiervan valt zaagmolen De Ruiter in Amsterdam inderdaad af, want deze molen is in Amsterdam nog volop in bedrijf als in Gemert molen De Ruyter al gereed is, en deze wordt bovendien pas na 1882, maar voor 1889, afgebroken.2
Heeft Van der Torren dan gelijk en komt De Ruyter toch uit Zaandijk? De molendatabase geeft voor Zaandam twee treffers: molen De Ruiter en molen De Zwarte Ruiter. Laatstgenoemde molen valt meteen af, want deze is pas in 1933 gesloopt. Van der Torren houdt het op molen De Ruiter aan de Zaan, tegenover de Botenmakersstraat op de hoek Westerzijde-Ruyterveer. De data van afbraak in Zaandijk en opbouw in Gemert lijken enigszins te kloppen, maar wat te denken van molen De Zwarte Ruiter in Aalsmeer? Zowel in Zaandam als in Aalsmeer zijn ze van mening dat het binnenwerk van molen De Ruiter uit Zaandam in De Zwarte Ruiter van Aalsmeer terecht is gekomen. De data van afbraak en opbouw kloppen daar niet alleen beter dan in Gemert, maar men heeft nog een andere belangrijke troef in handen: een wandbord. In de Zaandijkse De Ruyter hing voor de afbraak een houten wandbord met daarop een ruiter afgebeeld en de volgende tekst:
“De Ruyter in het veld
Rijdt om de buit te halen
En ik ben hier gesteld
Om tarw en rog te malen
Gelijk een ruiter waagt
Voor ’t Vaderland zijn lijf,
Zoo ben ik hier gesteld
Den Burgers tot gerijf”
Exact hetzelfde wandbord komen we vervolgens tegen in De Zwarte Ruiter van Aalsmeer. Helaas is het wandbord verdwenen nadat de molen als woning is ingericht. Overigens is het voorgaande rijm langer. Molen De Ruyter in Hilversum (afgebroken in 1921) heeft boven de ingangsdeur een gevelsteen gehad met exact hetzelfde rijm, maar met nog vier versregels meer:
“Een molenaar een dief te zijn
Mij dunkt dat heeft geen waarheid schijn
Een man die van de wind kan leven
Hoeft om geen geld of goed te geven.”
De Zaandijkse molen De Ruiter valt op grond van het vorenstaande ook af. Terug naar Amsterdam. De database verdwenen molens geeft voor Amsterdam niet één, maar vier treffers, de al genoemde houtzaagmolen De Ruiter, en verder De Ruyter (1) en zijn opvolger De Ruyter (2) die beide op de wallen hebben gestaan en verfmolen/volmolen De Ruiter (De Wachter) bij de Overtoom die na 1879 is verdwenen en dus ook afvalt. Blijft dus over De Ruyter (2), een Zaanse achtkanter, die op het Oetewaalse bolwerk naast de Muiderpoort heeft gestaan. Op deze molen komen we in een volgend Gemerts Heem uitgebreid terug. Maar nu gaan we alvast terug naar het Gemert van 1863 waar molenaar Jan der Kinderen de voorbereidingen treft voor de wederopbouw van een Zaanse achtkanter met de naam De Ruyter.3

Jan der Kinderen bouwer van De Ruyter in Gemert
In Gemert staan vanaf de achttiende eeuw drie molens: De Beer, Het Zoutvat en De Mosterdpot. Op 30 januari 1863 vraagt Jan der Kinderen, op dat moment molenaar in Vorstenbosch, aan het college van burgemeester en wethouders van Gemert om aan de weg van Gemert naar De Mortel een vierde molen te mogen bouwen. Het aanvankelijk door Der Kinderen beoogde perceel voldoet volgens het college niet, omdat de molen te dicht bij de weg komt te staan. Als Jan der Kinderen op 18 november 1863 drie naast elkaar gelegen percelen van de vier kinderen van Christiaan van de Ven en Petronella Werts koopt, ter grootte van 61 are en 81 ellen, waar de molen verder van de weg kan komen te staan en als na publicatie van de aanvrage geen bezwaren binnen zijn gekomen, krijgt Jan der Kinderen vóór 2 december 1863 van B&W zijn vergunning. De vergunning van Gedeputeerde Staten in mei 1864 is dan nog slechts een formaliteit. De percelen E29, E30 en E34 worden opnieuw afgepaald en verdeeld in drie nieuwe percelen: E818, E819 en E820. Hierop bouwt Der Kinderen windmolen De Ruyter (E819) en een huis met erf (E818), terwijl het derde perceel bouwland blijft (E820).4
Eind 1863 verkoopt Jan der Kinderen zijn molen De Windlust in Vorstenbosch aan Jan Toirkens, schoonvader van Jan’s broer Peter Marinus der Kinderen, die op 28 december 1863 op Bedaf is komen wonen. Peter is vanaf dan evenals zijn broer Jan molenaar op De Windlust, nadat hij vanaf zijn huwelijk in 1860 molenaar is geweest bij zijn broer Gerardus der Kinderen op molen Laurentia in Milheeze. Opmerkelijk is het dat Jan der Kinderen met zijn gezin in Vorstenbosch blijft wonen, terwijl hij in Gemert en in Liessel een molen laat bouwen. Hij lijkt pas in 1867 naar Zeelst te zijn verhuisd, waar hij vanaf 1858 de door hem gebouwde Zilster molen in bezit heeft.5
Jan der Kinderen heeft dus een vergunning om in Gemert een molen te bouwen, een perceel waarop dit kan en door de verkoop van De Windlust in Vorstenbosch geld om de plannen te realiseren. Dit geld heeft hij eind 1863 ook nodig om de aankoop van De Ruyter in Amsterdam te kunnen betalen, want het is gebruikelijk dat bij een dergelijke transactie de aankooppenningen binnen twee maanden zijn betaald. Deze optelsom past naadloos op de sloop van De Ruyter (2) in Amsterdam. In oktober 1863 geeft namelijk een zekere Maas aan Burgemeester en Wethouders van Amsterdam te kennen molen De Ruyter op het bolwerk Outewaal vrijwillig te willen slopen. Dat Maas de molen vrijwillig wil afbreken lijkt toegeschreven te moeten worden aan het gegeven dat hij voor De Ruyter een koper heeft. De vergunning wordt maar al te graag gegeven, want de meeste andere molens op de bolwerken zijn door onteigening al verdwenen. Op 16 februari 1864 is De Ruyter gedemonteerd. Want op deze dag is de grond, waarop de molen heeft gestaan, uit het beheer der commissie voor rentegevende eigendommen overgebracht naar dat van de Dienst der Publieke Werken van de gemeente Amsterdam.
Het demonteren van de molen, het verschepen van de onderdelen en het opbouwen van molen De Ruyter hebben bij elkaar ongeveer een jaar in beslag genomen. De molen is dus op zijn vroegst eind 1864, maar waarschijnlijker begin 1865, gereed gekomen. Jan der Kinderen laat zich in 1865 in het patentregister van Gemert inschrijven als molenaar van De Ruyter met een geschatte huurwaarde van 150 gulden. Behalve de molen bouwt hij ook een molenaarshuis. Niet lang na het gereedkomen van de bouwwerkzaamheden, in juli 1865, laat hij de molen met het molenaarshuis in het openbaar verkopen in logement De Kroon. Hoe het verder gaat met molen De Ruyter in Gemert staat te lezen in het molenboekje Vier maal Fier.6

Het trieste lot van Jan der Kinderen
Jan der Kinderen (1825) is een boerenzoon, maar bij zijn huwelijk in 1852 geeft hij molenaar als beroep op. Waarschijnlijk heeft hij het molenaarsvak in Zeelst bij zijn broer Lambertus der Kinderen geleerd, die door zijn huwelijk in 1849 met Maria Johanna Barbara de Laure, telg uit een bekende Brabantse molenaarsfamilie, hem als molenaar is voorgegaan. Zijn schoonmoeder Hendriene van der Parren, boerin en weduwe van Peter Josephus Peters, koopt voor Jan in 1852 de molen te Vlierden van Jan van Hombergh voor 5000 gulden. Het blijkt een miskoop te zijn, want op de molen valt nauwelijks de kost te verdienen. Het lukt evenmin om de molen in 1856 in het openbaar te verkopen en uit arren moede verkoopt hij op 7 januari 1857 de molen weer terug aan Van Homburgh voor 3000 gulden en zo verspeelt Jan in vijf jaar tijd een kapitaal van 2000 gulden.

Vier molens in acht jaar tijd
Kennelijk wil hij het verlies goedmaken door de ene na de andere molen te laten bouwen. Hij is dan ook meer molenbouwer dan molenaar. Hij begint in Zeelst, waar hij in 1858 de Zilster graan- en oliemolen bouwt. Het is een uit steen gebouwde bergmolen die hij tot zijn dood in eigendom heeft. In 1860 laat hij in Vorstenbosch De Windlust bouwen, in 1864 in Gemert De Ruyter en in 1866 in Liessel de (oude) graan- en oliemolen. Twee jaar na de oprichting, in 1868, probeert hij ook de Liesselse molen in het openbaar te verkopen. Molenaar Theodorus Verbeek uit Stiphout zet bij de openbare verkoop in op 3.500 gulden, maar dit bedrag vindt Jan te laag en de verkoop gaat niet door. Hij blijft molenaar in Zeelst en verpacht de Liesselse molen aan de uit Blerick afkomstige mulder Johannes Francis Beusen voor 350 gulden per jaar. In 1873 heeft Jan geen huurder in Liessel. Noodgedwongen biedt hij zijn molens te Liessel en te Zeelst te koop en/of te huur aan. Bij het uitblijven van geschikte gegadigden huurt zijn broer de molen in Zeelst en Jan verhuist naar Liessel om de molen zelf te bemalen, om in 1876 weer naar Zeelst te verhuizen, waar hij korte tijd later op vijftigjarige leeftijd komt te overlijden. Na zijn overlijden verhuurt zijn vrouw de molen in Zeelst aan de van Gemert geboortige molenaar Jan Fimerius. Zij raakt echter in financiële problemen en kort voor haar dood in 1880, 55 jaar oud, is zij gedwongen de Liesselse molen openbaar te verkopen. Voor een bedrag van 3.610 gulden wordt Johannes Hubertus Gitzels de nieuwe eigenaar van wat aangeduid wordt als ‘stenen windgraanmolen met huizing, erf, tuin en aangelag te Liessel’. Ook de stenen molen in Zeelst wordt verkocht, waarschijnlijk pas na haar dood in 1883. De koper is bakker Franciscus Bazelmans.
Jan en Anna Catharina der Kinderen-Peeters krijgen drie kinderen, van wie er twee volwassen worden: Pouline en Jan. Zoon Jan (1860) is tot zijn huwelijk in 1892 molenaarsknecht op vele molens in Oost-Brabant en Noord-Limburg. In 1892 huurt hij de standerdmolen in Batenburg en in 1899 koopt hij molen De Vlijt in Geffen, die in de familie Der Kinderen blijft tot 1973 als de gemeente Geffen de molen koopt.7

NOTEN:
1. Ad Otten, Molenhistorie De Volksvriend en voorloper De Ruyter in Gemerts Heem 2017, nr 2 of de overdruk Vier maal Fier, Molens Gemert-Bakel, pag. 44-51; Ing. L. van der Torren, Bouwhistorische inleiding Molen “de Volksvriend” te Gemert, een rapport (52 pagina’s) opgesteld in opdracht van Molenstichting Gemert-Bakel (Archief Molenstichting).
2. http://www.molendatabase.org/molendb.php Zaagmolen De Ruiter / De Ruyter Amsterdam database nr. 1820 aan de Zaagmolensloot/het zuidelijke Zaagmolenpad, gesloopt tussen 1882 en 1889; molenaar Opdam adverteert nog in januari 1866 met gezaagde eigen balken.
3. Database Verdwenen molens, nr. 3402, De Ruiter, Zaandam; Aan de Zaan, tegenover de Botenmakersstraat op de hoek Westerzijde-Ruyterveer; Deze molen is in de zomer van 1864 gesloopt. Op 24 september 1864 verkocht de laatste eigenaar het erf waar de molen op had gestaan aan de gemeente Zaandam voor de bouw van de nieuwe HBS. Bouwjaar van deze molen is 1639, zie verder Zaandam, kadaster 1832 F (1) 828. Op 2 mei 1886 begon Verkade zijn bakkerij ‘De Ruyter’ op een terrein van 1342 m² aan de Zaan. In deze bakkerij werd een stoommachine geplaatst om de verschillende machines van drijfkracht te voorzien. De naam ‘De Ruyter’ was gekozen met een verwijzing naar het verleden: naar molen De Ruyter. Brood was niet het enige product dat de fabriek ging leveren; er werd ook beschuit gebakken, omdat men hierbij de warmte van de ovens, na het bakken van brood, nog efficiënt kon gebruiken. Het ruitertje dat op Verkadeproducten is afgebeeld vindt zijn oorsprong in molen De Ruiter uit de Zaanstreek. Molen De Zwarte Ruiter in Aalsmeer, database nummer 1231; Grenen achtkant, gedekt met riet, op gemetselde voet van twee meter, grondzeiler; van het binnenwerk is alleen het bovenwiel overgebleven; in de molen bevindt zich nu een woning. Deze molen is in 1866 van poldermolen omgebouwd tot korenmolen. In deze molen heeft het oude wandbord van De Ruyter uit Zaandam gehangen. Verfmolen/volmolen De Ruiter (De Wachter) Amsterdam Database nr. 1698; Deze molen lag dicht bij de Overtoom, verdwenen tussen 1879 en 1903.
4. Database Verdwenen molens nr. 1719 Gevelsteen molen De Ruyter in Hilversum (afgebroken in 1921). GAGB, Processen verbaal B&W Gemert inv. nr. 43, blz. 42, zonder datum. GAGB, AG.084 Notaris Gerardus Smits, inv.nr. 1151, nr. 88, 18 november 1863.
5. Mr. J.H. van Hoek, Het einde van de korenmolens op de Amsterdamse bolwerken. Overdruk uit Jaarboek 64 (1972) Amstelodamum pp.163-181
6. Korenmolen De Ruiter / De Ruyter (2e) Amsterdam database nr. 4557; Achtkante bovenkruier, buitenkruier; bolwerk Oetewaal (tegenwoordig omgeving Alexanderstraat). GAGB; Patentregister 1865/1866, blz.33 volgnr. 262.
7. Bevolkingsregisters Gemert-Bakel, Uden, Nistelrode, Deurne, Veldhoven, Hoogeloon, Zeelst en Geffen. Financiële problemen heeft Jan der Kinderen vanaf 1859 (zie notariaat Veghel). Deurnewiki: molens in Deurne, Vlierden en Liessel. Provinciale Noordbrabantsche en ’s Hertogenbossche courant d.d. 20-01-1872; hierin ook een advertentie voor openbare verkoop van de twee standerdmolens, in het dorp Deurne en aan de Overweg. Zie verder de websites van de genoemde molens in Vorstenbosch, Zeelst en Geffen.

Bekijk PDF